U bent hier

De heer Ronse heeft het woord.

Mijn laatste vraag gaat over het belangrijkste thema wat betreft arbeidsmarktbeleid. We staren ons soms blind op werkloosheidscijfers. En dan zijn we zeer positief, omdat die cijfers historisch laag zijn. Maar de essentie van een arbeidsmarktbeleid zit in de werkzaamheidsgraad. Op Vlaams niveau bedraagt die 74,5 procent, in Nederland is dat 80 procent. We hebben, onder leiding van minister Muyters, al een hele weg afgelegd. Er is een sterke verbetering. Maar de echte winsten zitten bij het aantal echte inactieven. Dat gaat dan bijvoorbeeld over langdurig zieken, waar ongeveer 400.000 mensen geïmpliceerd zijn. In 2014 waren dat er nog 343.000. Er zijn er ongeveer 71.000 bij gekomen. En dat is echt straf.

Er is een re-integratieplan. Dat omvat onder andere meer medische controles. Verder werd de druk opgevoerd richting ziekenfondsen en ook richting werkgevers, die aangepast werk  moeten voorzien. Een inperking van de uitkering voor langdurig zieken die niet voldoende meewerken aan een re-integratietraject werd helaas nooit uitgevoerd. Stijn Baert heeft een rapport geschreven over het arbeidsmarktbeleid, zowel het federale als het Vlaamse. Op Vlaams niveau werden echt alle middelen aangewend om tot een deftig arbeidsmarktbeleid te komen. Alles werd uit de kast gehaald. Maar verder is Vlaanderen aangewezen op een aantal federale maatregelen, met federale hefbomen.

En dit is ‘par excellence’ een voorbeeld waarbij we door het federale niveau worden afgeremd in onze ambitie. Er is geen afdwingbaar re-integratietraject voor langdurig zieken. En dat is zeer, zeer jammer.

Op Vlaams niveau zijn we pionier. Onder leiding van de minister is er een vrijblijvende samenwerking met het RIZIV. In het kader daarvan werden meermaals cijfers opgevraagd. Die samenwerking blijkt bijzonder succesvol in het heractiveren van langdurig zieken.

Op 1 januari 2017 werd daarrond een nieuwe samenwerkingsovereenkomst gesloten. De minister kondigde in januari aan dat er reeds wat bijsturingen werden gedaan, onder meer op het vlak van de communicatie tussen de werkzoekende, de bemiddelaar, het ziekenfonds.

Minister, wat zijn volgens u de redenen dat het aantal langdurig zieken zo blijft stijgen? Het is een landelijk cijfer, ik weet niet of er op Vlaams niveau ook zo’n stijging is.

VDAB kan enkel op basis van vrijblijvendheid en de wil van de langdurig zieken een traject opstarten. Op welke manier denkt u dat we een veel actiever en minder vrijblijvend beleid kunnen ontwikkelen? Dit is een bruggetje naar wat er eigenlijk op federaal niveau zou moeten gebeuren: stel dat we daarvoor op Vlaams niveau zouden bevoegd zijn, wat zouden we dan doen? 

Op welke manier kunnen de werkgevers- en werknemersorganisaties hierin een deftige rol spelen?

Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters

Mijnheer Ronse, om echt zicht te hebben op die langdurig zieken en op de oorzaak van de stijging, zou u over de gegevens moeten beschikken. Maar aangezien het niet onder mijn bevoegdheid valt, beschik ik niet over de gedetailleerde gegevens.

U vraagt naar de oorzaken. Ik kan er een paar geven. Het aantal mensen met een burn-out, depressie of andere psychische problemen, blijft toenemen. We zien ook dat in de groep van langdurig zieken de groep van 55-plussers oververtegenwoordigd is. Dat is altijd zo geweest. 

En natuurlijk, als we meer 55-plussers aan het werk hebben, als mensen langer werken, dan heb je ook kans dat die groep nog verder uitbreidt, zeker als men tussendoor al eens verandert van job en op die manier eigenlijk met plezier blijft werken. Dat is toch wel een gegeven waarmee vandaag meer dan in het verleden nog rekening moet worden gehouden. Op zich kan dat misschien een van de verklaringen zijn van de blijvend stijgende cijfers.

Een traject voor arbeidsongeschikten aanpassen is, opnieuw, niet mijn bevoegdheid, maar ik wil wel zeggen dat wij vanuit Vlaanderen wel een aantal acties ondernemen. De uitdagingen waar we mee onze schouders onder willen zetten op dat vlak zijn drieërlei.

Ten eerste is er het samenwerken met de behandelende sector. Ik denk dat we allemaal weten dat stappen zetten naar passend werk een positief effect heeft op de gezondheid van de burger. Op zich kan gaan werken ook een positief effect hebben, denk ik. De burger is daar vaak nog te weinig van overtuigd. Om daarin verandering te brengen, is in een eerste fase de medewerking nodig van de behandelende sector, van de artsen en dergelijke meer. Bijvoorbeeld door outreachend werken van experten en bemiddelaars kunnen we sensibiliseren en kunnen we ook de expertise en knowhow inzake werken aan werk in revalidatiecentra, behandelcentra en dergelijke meer vergroten. Dat is zeker een stap die zou kunnen worden gezet.

Ten tweede is er het verhogen van doorverwijzingen via de adviserend artsen en hun team. Er zijn bij de adviserend artsen nog steeds drempels om burgers door te verwijzen. Samen met de ziekenfondsen en het RIZIV moeten die drempels worden onderzocht en moeten we ook zoeken naar creatieve oplossingen. Waarom verwijst men niet door en dergelijke meer?

Ten derde is er het verhogen van de aanmeldingen via de bedrijfsartsen. Bedrijfsartsen zijn voor de invulling van die re-integratietrajecten aangewezen op samenwerking met de werkgevers en op het aanbieden van aangepast werk. Bedrijfsartsen en bedrijfsgeneeskundige diensten kennen vandaag waarschijnlijk ook nog te weinig de dienstverlening en hulp die ze bij VDAB en zijn partners op dat terrein kunnen krijgen. Dit jaar zullen we via Vlaamse en regionale communicatie-acties meer bekendheid gegeven aan die diverse instrumenten, zoals de bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen (BTOM’s), de mogelijkheden van de gespecialiseerde jobcoaching via gespecialiseerde opleiding/begeleiding (GOB) en de mogelijkheid om door te verwijzen naar de dienstverlening van VDAB als een werknemer definitief ongeschikt is voor een job.

Zo kom ik tot uw laatste vraag. Het is zeker juist dat werkgevers- en werknemersorganisaties een zeer grote en belangrijke rol spelen in dit geheel. Zij zijn het best geplaatst om inhoud te geven aan een herstelgericht re-integratiebeleid binnen de arbeidsorganisaties, maar ze geven zelf aan dat ze niet over alle informatie beschikken om dat goed te kunnen doen. De re-integratie-experten van VDAB kunnen een deel van een antwoord daarop geven. We zien dat aan hen ook steeds vaker wordt gevraagd door de vakbonden en de bedrijfsartsen om de aanpak en de tools die ter beschikking staan, te komen toelichten. We zullen daar ook in de toekomst zeker op blijven ingaan. Ik juich zelfs toe dat dat gebeurt, dat we op die manier die werkgevers- en werknemersorganisaties die stap ook met meer kennis van zaken kunnen laten zetten.

De heer Ronse heeft het woord.

Minister, de filosofie die u schetste, is uiteraard de juiste. Ik denk dat we heel sterk moeten inzetten op preventie, sensibiliseren. Dat is een heel, heel belangrijk onderdeel, ook met heel de kwestie van werkbaar werk. Ik verwijs naar de vorige vragen die in de commissie werden gesteld, over levenslang leren. Dat speelt daar ook in mee. Finaal zullen we echter toch moeten gaan naar een iets dwingender kader, want vandaag zitten we met een heel vrijblijvend re-integratietraject. Ik geloof heel sterk in een soort onafhankelijke speler die echt moet nagaan of die langdurig zieke persoon opnieuw aan de slag kan bij de huidige werkgever, of die langdurig zieke persoon op basis van zijn competenties elders, bij andere werkgevers aan de slag kan. Als daar tweemaal of eenmaal positief op wordt geantwoord, dan moet er een traject worden opgestart dat net zo dwingend is als trajecten die worden opgestart in de werkloosheid. Dat is de enige manier, denk ik, om binnen die gigantische pool van 400.000 mensen opnieuw mensen te gaan activeren. Dat is een heel belangrijk punt, en dat is responsabiliserend, niet alleen ten opzichte van de werknemer, maar ook ten opzichte van de werkgever, want voor beiden moet er voor een stuk een stok zijn.

We zitten ook met een aantal perverse effecten, bijvoorbeeld met betrekking tot de werkhervattingsperiode. Na een langdurige ziekte volgt een werkhervattingsperiode, maar na veertien dagen kan iemand eigenlijk al opnieuw ziek worden verklaard. Ik denk dat we er zonder taboes over moeten nadenken die periode op te trekken om dat draaideureffect te verminderen. Bij de artsen moeten alle mogelijke wantoestanden, onder meer met datamining met betrekking tot het voorschrijfgedrag, uit de wereld worden geholpen.

Wie echt langdurig ziek is en niet kan worden gere-integreerd, moet op een deftige manier worden opgevangen. Tegelijkertijd moeten we alle kansen maximaal grijpen om wie kan worden gere-integreerd, ook effectief te re-integreren. We moeten de bestaande inactiviteitsval wegwerken.

Nu kan iemand die langdurig ziek is, enorm worden geremd om opnieuw aan de slag te gaan, want hij dreigt immers zijn uitkering permanent te verliezen. De combinatie tussen werken en langdurig ziek zijn, moet ook worden verbeterd. In de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de heer Spooren een heel voorstel uitgewerkt met betrekking tot de zogenaamde re-integratiejobs.

Tot slot denk ik dat VDAB op dit vlak een ferme rol kan spelen. Als we de facto over de werkzaamheidsgraad spreken, zouden we eigenlijk niet meer over al die verschillende statuten mogen spreken. Het gaat niet om werklozen, langdurig zieken of leefloners, maar gewoon om inactieven. VDAB lijkt me par excellence de instantie die de activering kan regisseren. Dit lijkt een verre droom, maar als we met zijn allen voor het confederalisme gaan, kan die droom niet zo ver weg liggen.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Mijnheer Ronse, dit is een heel belangrijk onderwerp. Dit zal later, eender wie rond de tafel zit om  nieuwe Vlaamse en federale regeerakkoorden op te stellen, een grote uitdaging zijn. De groep der langdurig zieken groeit jaar na jaar. Gezien de demografie is dat niet onlogisch. Ik ben het op veel vlakken met u eens. We moeten stappen vooruit zetten.

Ik wil even focussen op de rol van VDAB. Er zijn nu al een aantal jaren samenwerkingsakkoorden met het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) en met de ziekenfondsen. Een groeiende groep mensen begint een traject, maar naar mijn gevoel gaat het in vergelijking met de groep van 400.000 mensen nog steeds om relatief weinig mensen. Het budget dat VDAB aan de integratietrajecten kan besteden, is gegroeid en zit nu rond 20 miljoen euro. Er is een lichte toename van het aantal mensen die aan een traject beginnen. Ik denk dat we drie of vier jaar geleden aan 5000 mensen zaten en nu gaat het om ongeveer 8000 mensen. Het budget is echter wel verdrievoudigd en dat lijkt me niet zo evident. Tegelijkertijd blijft de uitstroom naar werk vrij constant. Ongeveer 30 procent van de mensen die een traject volgen, stroomt na twee jaar uit naar werk. Persoonlijk vind ik dat een vrij mager resultaat. Om effectief tot resultaten te leiden, zou de opvolging van de trajecten nog een stap verder moeten kunnen gaan en nog een stap dichter bij de betrokken klanten moeten staan. Dit is iets wat VDAB ook zonder nieuw regeerakkoord misschien nu al onder de loep zou kunnen nemen.

Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters

Mijnheer Bothuyne, dit verbaast me, maar misschien was u niet aanwezig toen we dit grondig in de commissie hebben besproken. Toen is echt in detail uitgelegd waarom een verdubbeling van het budget niet tot een verdubbeling van de resultaten kan leiden. Ik dacht dat u toen ook instemmend hebt geknikt, maar ik kan me vergissen en misschien was u toch niet aanwezig of bent u dat ondertussen vergeten. Er is toen een goede uitleg gegeven. Ik kan die uitleg opnieuw geven, maar het zou oneerlijk zijn iedereen met een herhaling van die uitleg te vervelen.

Kort samengevat komt het erop neer dat de eerste gevallen natuurlijk de gemakkelijkste gevallen zijn. Dat zijn de mensen die het hardst willen. Daarop volgen de mensen waarvoor het moeilijker is. Zoals daarnet terecht is aangehaald, gebeurt dit op vrijwillige basis en kan iedereen op elk moment gewoon afhaken. Als iemand die we begeleiden, het niet meer ziet zitten, stopt hij ermee. De mensen die zich het eerst aanmelden, zijn de meest gemotiveerden. Het is dan ook logisch dat de eerste 3000 mensen meer succes hebben dan de volgende 3000 mensen. Als het allemaal vrijblijvend blijft, zullen de daaropvolgende 3000 mensen uiteraard nog meer geld kosten.

De heer Ronse heeft het woord.

Dit was mijn allerlaatste vraag om uitleg aan de minister, en misschien ook mijn laatste vraag als parlementslid – we zullen zien wat de verkiezingen geven. Ik ben blij dat ze over zo’n belangrijk thema ging, omdat het ons echt brengt waar het de volgende legislatuur om zou moeten draaien. Ik hoop dat we daarin echt vooruitgang zullen kunnen boeken.

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de collega’s van meerderheid en oppositie te bedanken. Het was een echt voorrecht. (Opmerkingen)

De oppositie is ook aanwezig hé, collega Bothuyne. (Gelach)

Het was een voorrecht om hier altijd op een vrij diepgaande manier over een heel belangrijk thema met elkaar van gedachten te wisselen. We zijn hier ook getuige geweest van een aantal heel cruciale hervormingen op onze arbeidsmarkt. Onze bevoegdheden op Vlaams niveau zijn beperkt, maar ik denk dat we er het maximale uit hebben gehaald en heel veel hebben hervormd. Het klopt dat in de uitvoering van een aantal zaken zeker nog wat vooruitgang te boeken is, maar ik moet zeggen – en het is niet omdat de minister van mijn partij is – dat ik onvoorstelbaar onder de indruk van wat de minister met zijn ploeg aan raadgevers heeft gepresteerd in de voorbije vijf jaar. Ook de manier waarop hier telkens heel open over elk mogelijk aspect rond arbeidsmarktbeleid gesproken is kunnen worden, was voor mij echt een voorrecht. Ik hoop dat het parlement de komende vijf jaar minstens hetzelfde niveau zal hebben in de commissie, zowel op het vlak van leden als op het vlak van minister en raadgevers van de minister. Op het vlak van voorzitter van de commissie, daar valt over te twijfelen. (Gelach)

Neen, uiteraard ook dank aan de voorzitter. Ik weet dat dat geen evidente taak is. En ook dank aan de secretaris, die alles altijd zeer punctueel en goed heeft voorbereid, en soms last minute moeilijke hoorzittingen in gang heeft gestoken. Het is niet altijd een even dankbare taak, maar toch: chapeau.

Ik wil mij aansluiten bij de woorden van waardering van collega Ronse voor het werk en de debatten die we hier in de voorbije jaar hebben kunnen voeren. Er zijn wel degelijk stenen verlegd in de rivier.

Minister Philippe Muyters

Ik was van plan om dit op het einde van de zitting te doen, maar bij deze: ik heb tien jaar commissie Werk achter de rug en vijf jaar commissie Werk, Economie en Innovatie, en ik kan zeggen dat ik de afgelopen vijf jaar het debat, maar ook de manier van werken, aangenamer vond dan in de eerste vijf jaar. Dat komt misschien door het feit dat ik al wat ervaring had opgedaan, maar wellicht ook door wie in de commissie zat. Ik heb zowel de voorzitter, de secretaris als alle leden altijd geapprecieerd, en ook de manier waarop we het debat hier hebben kunnen voeren. Het was soms op de spits. Ik herinner me iets waar ik echt boos om ben geworden. Dat is recent nog gebruikt in een of andere uitzending, om te bewijzen dat ik ook boos kon worden, voor degenen die dat nog niet wisten. Maar meestal was het heel hoffelijk en positief. Dank daarvoor.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.