U bent hier

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Onafhankelijke)

De Brusselse Hoofdstedelijke Regering maakte in 2018 een toch wel opvallend ontwerp van besluit op inzake proefdieren. Het ontwerp legt een verbod op voor dierproeven in het kader van veiligheidstesten en in het kader van onderwijs of opleiding vanaf 2025, tenzij niet anders mogelijk en de regering expliciet een goedkeuring verleent. Ik herinner mij de hoorzitting waarop een Nederlandse vertegenwoordiger benadrukte dat een uitdoofscenario op korte termijn mogelijk is voor veiligheidstesten.

Het ontwerp van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zou bovendien nieuwe projecten met primaten, honden en katten verbieden tegen 2020 en het stelt een reductie van 20 procent voor in het aantal dierproeven in toegepast onderzoek tegen 2025. Dat is allemaal behoorlijk ambitieus.

Er is ook een opvallende wijziging in de procedure wat de ethische commissie betreft in dat ontwerp van besluit, want het wil ook de procedure voor de goedkeuring van een project wijzigen, in die zin dat Leefmilieu Brussel – dat in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vertegenwoordigd wordt binnen de ethische commissie – de mogelijkheid krijgt om op gemotiveerde wijze een project niet te laten doorgaan. Dat komt dus neer op een vetorecht.

Zoals dat gaat bij ontwerpen van besluiten, werd er een advies gevraagd bij de Raad van State, en dat was – toegegeven – behoorlijk kritisch. Het advies van de Raad van State van 11 oktober 2018 over dit ontwerp van besluit geeft aan dat de Europese richtlijn van 2010 ter zake de door de Brusselse Regering voorgestelde beperkende maatregelen niet toelaat. Dat geldt evenwel niet voor de invoering van een de-factovetorecht voor de overheid bij het al dan niet goedkeuren van dierproeven. De verbodsmaatregelen rond primaten, honden en katten gaan te ver voor de Europese richtlijn, die eigenlijk een harmonisering voorstelt.

Een vetorecht voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in de ethische commissie is daarnaast op zich niet problematisch, maar de Raad van State ging eigenlijk nog verder. De tegenovergestelde praktijk, namelijk die waarbij over de goedkeuring voor dergelijke projecten door een ethische commissie wordt beslist in plaats van door een overheidsinstantie, zou in strijd zijn met diezelfde richtlijn uit 2010. De Raad van State verwees ook naar andere adviezen over dezelfde problematiek, in het bijzonder een advies van 11 september 2012 en een advies van 23 september 2013. Daarin stellen ze dat het conform de richtlijn een overheid of een aangeduide instelling is die over dierenproeven moet beslissen en niet wetenschappers zelf via een ethische commissie. Om die reden opteerde de Nederlandse overheid er na de invoering van de Europese richtlijn voor om voor de goedkeuring van dierproeven één centraal orgaan op te richten, met name de Centrale Commissie Dierproeven (CCD), waar ik in het verleden al naar heb verwezen.

Minister, ik heb twee vragen hierover. Bent u van plan de Dienst Dierenwelzijn de mogelijkheid te geven een project op gemotiveerde wijze niet te laten doorgaan? Dit is eigenlijk een vetorecht, net zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voorziet in haar eigen ontwerp van besluit. Acht u het noodzakelijk de huidige praktijk, waarin de goedkeuring van dierproeven de exclusieve bevoegdheid van ethische commissies is, aan te passen en conform met de Europese richtlijn te maken?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Voorzitter, op dit ogenblik hebben we achttien ethische commissies, die telkens verschillende laboratoria adviseren. Elke commissie telt minstens zeven leden en het is vooral de bedoeling dat er een gespreide expertise is met betrekking tot ethiek en alternatieve methodes voor dierproeven, dierengezondheid en -welzijn, onderzoekstechnieken, proefopzet en statistische analyses. De ethische commissies moeten erover waken dat er geen enkel belangenconflict is en dat de evaluaties onpartijdig verlopen. Ze doen dit door rekening te houden met het advies van partijen die onafhankelijk van de aanvrager zijn.

De Dienst Dierenwelzijn houdt toezicht op de werking van de ethische commissies. De huidige regelgeving laat de Dienst Dierenwelzijn toe hiervoor onder meer deel te nemen aan alle werkzaamheden van de ethische commissies. Op die manier kan de goedkeuring van een project worden tegengehouden. Deze mogelijkheid is vooral ingebouwd om te kunnen ingrijpen indien wordt vermoed dat een ethische commissie niet naar behoren zou werken. Een systematische deelname aan de werkzaamheden van de ethische commissies lijkt me met de huidige capaciteit praktisch niet werkbaar. Onze mensen zijn met andere zaken bezig. Bovendien is tot nu toe nooit vastgesteld dat een ethische commissie al te vlot onderzoeksprojecten goedkeurt. We hebben daar geen voorbeelden van. De Dienst Dierenwelzijn heeft in dit verband nog nooit maatregelen tegen een ethische commissie moeten nemen.

Ik heb de opdracht gegeven een onderzoeksproject uit te schrijven voor de ontwikkeling van een objectieve methode om de werking van de ethische commissies te evalueren, rekening houdend met de door de Europese richtlijn en de Vlaamse regelgeving voorgeschreven vereisten. Dit moet het toezicht op de werking van de ethische commissies verder verbeteren. Het is tevens de bedoeling tot een grotere uniformiteit tussen de ethische commissies te komen.

De Europese richtlijn verplicht de lidstaten een of meer bevoegde instanties aan te duiden om projectaanvragen te evalueren en al dan niet goed te keuren. Bij de omzetting van de Europese richtlijn in 2013 hebben we ervoor gekozen deze taak aan de ethische commissies toe te wijzen. Ik weet dat de Raad van State, zoals daarnet is vermeld, eraan twijfelde of deze werkwijze in overeenstemming met de richtlijn is. Die twijfel is echter ongegrond.

In 2016 heeft de Europese Commissie de omzetting van de Europese richtlijn in nationaal recht aan een vrij grondige doorlichting onderworpen. Toen is tot na de komma nagegaan of de nationale regelgeving een correcte invulling van de Europese richtlijn vormt. Op basis van die doorlichting heb ik de Vlaamse Regering eind 2016 een wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de dierproeven bezorgd. Ik denk dat we daar toen nog over hebben gediscussieerd in deze commissie. De Europese Commissie heeft ten gevolge van die doorlichting geen opmerkingen geformuleerd over de wijze waarop de beoordeling van projectaanvragen in Vlaanderen is geregeld. Het zou al te gek zijn te beweren dat de Europese Commissie zelf niet weet hoe haar eigen regelgeving moet worden geïnterpreteerd. Aangezien de huidige werkwijze wel degelijk in overeenstemming met de Europese richtlijn is, is er volgens mij geen nood aan een aanpassing.

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Onafhankelijke)

Minister, ik beweer niet dat de ethische commissies slecht werk leveren. Eerlijk gezegd, weten we het gewoon niet goed. Ik denk dat het voor de diensten niet gemakkelijk is daar een goed zicht op te krijgen.

Een tijdje geleden, bijvoorbeeld, heb ik alle jaarrapporten van de ethische commissies opgevraagd. Ik ben tot de vaststelling gekomen dat de Dienst Dierenwelzijn niet in het bezit was van al die rapporten. De Dienst Dierenwelzijn heeft de rapporten opgevraagd, maar er is wat discussie met ethische commissies geweest over de vraag of ze die rapporten wel zouden vrijgeven en naar een Vlaams volksvertegenwoordiger zouden doorsturen. Ik heb ze uiteindelijk ontvangen, maar er staat bijzonder weinig in.

Ik denk dat we als politici eigenlijk weinig inzage hebben in wat er nu precies gebeurt, wat dierproeven betreft. U zegt dat er zich geen probleem voordoet in het aantal weigeringen of goedkeuringen, maar ook daar weten we het niet goed. Ik denk dat maar 1 procent van het aantal dierproeven finaal wordt geweigerd, maar er is wel een groot deel dat goedgekeurd wordt na wijzigingen, omdat er in zo’n ethische commissie een statisticus en een ethicus zetelen, en die kunnen bijvoorbeeld wel zeggen: ‘u vraagt hier veel te veel dierproeven aan, en dat moet bijgestuurd worden’. We weten dus eigenlijk niet goed of het goed werkt of niet.

Wat de conformiteit met de richtlijn betreft, is het toch wel een beetje dubbel. Aan de ene kant wordt vaak gezegd – ook in deze commissievergaderingen – dat we eigenlijk niet meer kunnen doen dan wat de Europese richtlijn voorschrijft. Dus zoals de Brusselse Regering bijvoorbeeld wil doen, de wens uiten dat we tegen een bepaalde deadline gaan stoppen met een bepaald type dierproeven, of zoveel procent minder dierproeven uitvoeren, kan niet. Dat is dan de stelling.

Maar aan de andere kant zitten we met een advies van de Raad van State dat toch wel ferm is. Ik begrijp dat er ook wel contacten zijn over de richtlijn, maar het advies van de Raad van State is bijzonder ferm over het feit dat die ethische commissies echt niet conform zijn aan de Europese richtlijn. Ik stel mij dus de vraag: wat als iemand nu naar het Europees Hof zou stappen, en al die dierproeven, die goedgekeurd zijn door de ethische commissies, in vraag stelt? Ik denk dat er op dat vlak echt wel een risico bestaat. Nogmaals, ik blijf met de indruk zitten dat er zich ook een juridisch probleem voordoet.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik zie niet echt onmiddellijk problemen. U zegt dat we het eigenlijk niet weten. Ik heb getracht diets te maken dat we die achttien ethische commissies wel degelijk regelmatig tegen het licht houden. Daar wordt wel geïnspecteerd, en er worden geen problemen vastgesteld.

Ten tweede, wat het juridisch risico betreft, was de Europese Commissie zelf verantwoordelijk voor die richtlijn. Ze is heel uitvoerig per lidstaat nagegaan of de richtlijn correct omgezet is in onze regelgeving, en ze heeft geen opmerkingen geformuleerd over de rol van de ethische commissies. Ik zie niet in waarom de Europese Commissie, op basis van een grondige analyse, niet tot de vaststelling zou komen dat de richtlijn in de praktijk niet goed werd omgezet. Ik zou denken dat men dat dan toch wel opgemerkt zou hebben op grond van die uitvoerige analyse. Maar dat heeft men niet gedaan.

Tot slot is het natuurlijk een moeilijke discussie, maar die dierproeven blijven gewoon een noodzakelijk kwaad. We moeten dat ook durven zeggen. Ik ga niet akkoord met het vooropstellen van doelstellingen waarbij men zegt dat er volgend jaar 20 procent minder dierproeven moeten zijn. We moeten er maximaal voor zorgen dat er zo weinig mogelijk dierproeven georganiseerd worden, daar ben ik het volledig mee eens, maar niet door er een quotum en een verplichte daling op te zetten, waardoor men de facto ingrijpt in de evolutie van wetenschappelijk onderzoek.

Als men in de loop van het jaar het quotum bereikt heeft, en er nieuw wetenschappelijk onderzoek naar geneesmiddelen of kankerbestrijding nodig is, zou men zeggen dat het quotum opgebruikt is, dat er geen proeven meer georganiseerd kunnen worden en men tot het volgende jaar op een mogelijke wetenschappelijke doorbraak moet wachten. Dat lijkt mij echt geen goede aanpak.

Ik denk dat we getracht hebben om, zelfs op Europees niveau, het voortouw te nemen in, in eerste instantie, de sensibilisering, en om ervoor te zorgen dat elke wetenschapper, in welke hoedanigheid ook, zich eerst richt tot de databank die we opgericht hebben. Daar krijgt men zicht op wat in het verleden al experimenteel aangetoond is, al dan niet met een dierproef, zodat men de proef die men wil ondernemen, misschien niet moet doen, of er wordt geduid op het verkrijgen van onderzoeksresultaten via een andere methodiek dan dierproeven.  

Met die twee sporen geraken we nu dus verder. We werken op dat vlak ook samen met Nederland. We worden gevolgd door Nederland, we nemen dus echt het voortouw. Ook vanuit het Europees niveau bekijkt men dat met veel interesse. Ik denk dat we er zelfs in gaan slagen om ook een Europese voorbeeldfunctie aan te nemen. Dat lijkt mij een goede weg te zijn. Maar het is opnieuw met enige schroom dat ik altijd blijf zeggen – maar je moet het durven zeggen – dat die dierproeven tot nader order nog steeds een noodzakelijk kwaad blijven.

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Onafhankelijke)

Ik wil twee zaken zeggen als conclusie. Ten eerste is er de claim dat dierproeven noodzakelijk zijn. Je zit met één aspect van het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en het toegepast onderzoek waarin heel veel discussie bestaat over de vraag of de resultaten van dierproeven consistent zijn met menselijke resultaten. Maar dat is nog een apart debat.

Hier gaat het bijvoorbeeld over het uitdoven tegen 2025 van veiligheidstesten, waarvoor de alternatieven eigenlijk al bestaan. Dat hebben we hier ook letterlijk gehoord tijdens de hoorzitting. Daar valt dus wel iets voor te zeggen. Maar toegegeven, de Europese richtlijn maakt het ons niet gemakkelijk. Politiek gezien is daar echter iets voor te zeggen.

Ten tweede, wat de opvolging door uw diensten betreft, heb ik er echt heel veel begrip voor dat de massa dieren in Vlaanderen gecontroleerd moet worden met 22 inspecteurs. Dat kan natuurlijk onmogelijk allemaal individueel in het oog worden gehouden. Er moeten prioriteiten gesteld worden. Ik heb wel de indruk dat het hele verhaal van dierproeven een beetje ontglipt aan de controle. Dat lijkt me toch een werkpunt voor de komende jaren.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.