U bent hier

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Axel Ronse (N-VA)

Minister, ik herinner mij dat u in de vorige commissievergadering zei dat er op zeer, zeer korte termijn vier decreten ter stemming worden voorgelegd in de commissie en dat dat zeer goed nieuws is voor al wie het goed meent met onze bouwshift. Twee dagen later kregen we het nieuws dat die decreten tijdens deze Vlaamse legislatuur het levenslicht niet meer zullen zien.

De reden ligt bij het advies van de Raad van State dat voor alle vier de decreten een milieueffectenrapport adviseert.

Het gaat over het Instrumentendecreet, het Bosdecreet, het decreet dat het aansnijden of schrappen van woonuitbreidingsgebieden moet aanpakken en het decreet over de bestemmingsneutraliteit. Dat zijn decreten waar het kabinet dat u hebt overgenomen al lang aan werkt. Ik ga ervan uit dat er iets als retroplanning wordt gemaakt en dat wordt nagegaan wat de Raad van State daarop zou kunnen zeggen. Het gaat over vier decreten die deze legislatuur het levenslicht niet meer zullen zien als gevolg van de MER-noodzaak.

Minister, had u echt de MER-noodzaak van de voorgestelde decreten niet zien aankomen?

Mijn tweede vraag is nog fundamenteler en brengt ons terug bij het debat van de vorige commissievergadering. Hoe kunnen we de gemeenten – en ik ben zelf ook lid van het college van een van die gemeenten – ondersteunen in hun ambitie? Want er is wel degelijk een cultuurshift, alvast in de mindset, gerealiseerd. Over alle politieke partijen heen, wie er ook bestuurt, stel ik vast dat heel veel gemeenten toch al bezig zijn met die bouwshift en daar zelf ook al budgettair zaken voor inplannen. Hoe kunnen we die, in afwezigheid van een decretaal kader, toch ondersteunen in hun engagementen inzake de bouwshift?

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, mijn vraag gaat meer specifiek over het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) dat hier ook al een aantal keren ter sprake is gekomen en over een advies van de Raad van State hierover.

Het decreet betreffende ontwikkelingsmogelijkheden in woonreservegebieden maakte een zeer opmerkelijke evolutie door wat de relatie met het BRV betreft.

In de eerste versie van 20 juli 2018 staat: “De Vlaamse Regering beoordeelt, binnen de principes van het Witboek BRV, voorstellen tot ontwikkeling tot woongebied als vermeld in paragraaf 3, tweede lid.”

Daarop volgt het advies van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening- Onroerend Erfgoed (SARO), de Minaraad en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) op 26 september 2018:  “Het nieuw artikel bepaalt dat de Vlaamse Regering de voorstellen tot ontwikkeling van woongebied moet beoordelen binnen ‘de principes van het Witboek BRV’. In deel III van dit advies wezen de raden reeds op het belang van een volwaardig BRV. Het is in die zin positief dat het ontwerp van decreet deze relatie met het BRV bewaakt en oplegt dat de ontwikkeling van een woongebied moet worden beoordeeld op basis van de principes van het BRV. Vanuit de ambitie van de Vlaamse Regering om nog deze legislatuur een nieuw BRV op te maken is het evenwel niet duidelijk waarom in het ontwerp van decreet wordt uitgegaan van de tussenliggende figuur van ‘Witboek’ en niet van het uiteindelijke BRV.”

Dat is zo’n beetje de hete brij waar men al een tijdje rond draait, namelijk de vraag of de discussie over het BRV aan het eind of het begin moet gebeuren. Ons lijkt het logisch dat die in het begin plaatsvindt want de andere decreten verwijzen daarnaar.

Het is nog niet afgelopen, in dat decreet is er sprake van het Witboek BRV. De raden hebben vragen over die tussenliggende figuur.

In de versie van 20 december 2018 staat: “ De Vlaamse Regering beoordeelt, binnen de principes van de beleidsplanning, voorstellen tot ontwikkeling tot woongebied.”

En dan is er het advies van de Raad van State van 13 februari 2019 dat op 1 maart is bekendgemaakt. De raad van State zegt daarin: “Er dient melding te worden gemaakt van een beoordeling uit het oogpunt van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.”

Minister, in de commissievergadering van 26 februari stelde u dat er onder meer binnen de regering uitvoerig gediscussieerd was over de juiste volgorde en de samenhang van de beleidskaders, de instrumenten en de aanverwante decreten, waarbij ten slotte geopteerd zou zijn om eerst de decreten door het parlement te loodsen. Zowel de adviesraden als nu ook de recente adviezen van de Raad van State maken evenwel duidelijk dat het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen van kracht moet zijn voor het decreet ontwikkelingsmogelijkheden woonreservegebieden wordt goedgekeurd, aangezien er in het decreet formeel naar het BRV verwezen moet worden. Deelt u deze analyse, zoals u ook de analyse deelt dat er een MER moet worden gevolgd?

In de memories van toelichting bij de andere decreten wordt ook regelmatig naar het BRV of Witboek verwezen. Is het in de geest van de opmerking van de Raad van State dan niet logisch dat ook voor de andere decreten het BRV best van kracht is voor ze worden behandeld en goedgekeurd?

De voorzitter

Minister Van den Heuvel heeft het woord.

Minister Koen Van den Heuvel

Mevrouw Pira, in de memorie van toelichting van elk van de decreten die nauw verwant zijn aan het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, wordt sinds 30 november 2016 uiteraard verwezen naar het Witboek BRV en, sinds de vergadering van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018, naar de strategische visie van het BRV. Het is logisch dat de decreten hiernaar verwijzen aangezien ze uitvoering geven aan het beleid en de vernieuwde visie op ruimtelijke ordening waar we voor staan.

Ik heb in deze commissie eerder al toegelicht welke stap de goedkeuring van de strategische visie betekent binnen de procedure tot definitieve vaststelling van het BRV. Ik zal dat vandaag niet uitgebreid herhalen. In elk geval betekent de goedkeuring die deze regering gaf aan de strategische visie op 20 juli, een bevestiging dat dit het ruimtelijk beleid is waar we uitvoering aan willen geven.

Het klopt zeker niet dat de Raad van State vroeg om eerst verdere stappen te zetten in de procedure tot bekrachtiging van het BRV. Wel vroeg de Raad van State in zijn advies over de woonreservegebieden om specifiek te verwijzen naar de principes van het BRV. Het leek mijn administratie echter juridisch meer robuust om de ruimtelijke principes van het BRV die voor de woonreservegebieden van toepassing zijn in het decreet expliciet te benoemen. Over de volgorde waarin elk van de vier decreten en een definitief bekrachtigd BRV moeten worden goedgekeurd, bestaan verschillende zienswijzen.

Naast de strategische visie, zou de verdere operationalisering in de beleidskaders richting kunnen geven voor de aanpak van de aanverwante ruimtelijke decreten. Maar evengoed kan worden gesteld dat het Instrumentendecreet net eerst een duidelijk financieel kader moet schetsen, door het harmoniseren en vastleggen van de planschade en planbatenregeling bij de neutralisering van slechtgelegen juridisch aanbod aan harde bestemmingen. Ook de convenant/contractbenadering en de verhandelbare ontwikkelingsrechten geven handvaten die kunnen worden opgenomen in de uitwerking van de beleidskaders.

Voor beide pistes bestaan valabele argumenten. De Vlaamse Regering koos ervoor om in eerste instantie vol in te zetten op de aanverwante decreten. Dit pakket omvat een uitermate uitgebreid arsenaal aan handvaten om de ruimtelijke visie concreet te laten doorwerken. Een recent advies van de Raad van State over het Bosdecreet heeft de Vlaamse Regering er echter toe bewogen om de goedkeuring van de decreten uit te stellen, in afwachting van een plan-MER voor dat decreet.

Mijnheer Ronse, ik wil beginnen met duidelijk te stellen dat het niet correct is dat de Raad van State voor elk van de vier decreten adviseert om een plan-MER op te maken. De adviezen van de Raad van State werden na ontvangst door mijn administraties grondig onderzocht.

Wat de noodzaak van een plan-MER voor het Bosdecreet betreft, dat we nauwelijks een week op voorhand hebben gekregen – dat is dus geen weken of maanden op een tafel of in een lade blijven liggen – wil ik toch graag opmerken dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State zelf geen eenduidig standpunt inneemt. De adviezen verwijzen naar een aantal recente arresten van het Europees Hof van Justitie, onder meer het arrest d’Oultremont van 27 oktober 2016, waarin een ruimere interpretatie lijkt te worden gegeven aan het begrip ‘plannen en programma’s’, zoals dit in de plan-MER-richtlijn voorkomt.

De recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie roept echter veel vragen op en de precieze draagwijdte van deze arresten is nog steeds altijd niet helemaal duidelijk.

Ook tijdens de hoorzitting op 23 oktober 2018 in deze commissie over de milieueffectbeoordelingsplicht bij stedenbouwkundige regelgeving werd door mijn administratie en externe experten toegelicht dat het niet zo gemakkelijk te bepalen is welke reglementaire bepalingen wel en niet als plan-MER-plichtig moeten worden beschouwd.

Verder werd recent nog door de Raad voor Vergunningsbetwistingen een prejudiciële vraag gesteld aan het Europees Hof van Justitie inzake de toepassing van de plan-MER-richtlijn op de Vlarem II-normen inzake windturbines en op de omzendbrief inzake het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines. In dat arrest geeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan, ondanks de verduidelijkingen die al door het Hof van Justitie werden verleend, te twijfelen of deze zaken onder het toepassingsgebied van de plan-MER-richtlijn vallen. Het wordt afwachten wat hof hierover zal beslissen.

Een recent arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 februari 2019 werpt bovendien ook een nieuw licht op de plan-MER-plicht van wetgeving. In dit arrest stelt het hof dat hoewel bepaalde handelingen van reglementaire aard in bijzondere omstandigheden dienen beschouwd te worden als plannen of programma’s die onder de werkingssfeer van die richtlijn vallen, de vaststelling overeind blijft dat noch regelgeving als zodanig, noch wetgeving als zodanig, onder de werkingssfeer van de plan-MER-richtlijn is gebracht.

Het Grondwettelijk Hof gaat hiermee in tegen de tendens van het Europese Hof van Justitie om het begrip ‘plannen en programma’s’ steeds ruimer te interpreteren. Dit is een arrest van 28 februari dat pas enkele dagen later is bekend geworden.

Collega Ronse, ik denk dat u samen met mij en de andere leden van deze commissie merkt dat de interpretatie over de noodzaak van een plan-MER niet zo eenvoudig en eenduidig is, ook niet voor de rechtsgeleerden van de instellingen die ik daarnet heb genoemd. Daarom koos de Vlaamse Regering ervoor om de adviezen van de Raad van State over de ruimtelijke decreten grondig te onderzoeken, mede in het licht van dit recent arrest van het Grondwettelijk Hof. De juridische robuustheid van de decreten is immers essentieel voor het welslagen van de noodzakelijke ruimtelijke transformatie in ons land.

Voor het antwoord op uw tweede vraag kan ik snel verwijzen naar het antwoord dat ik enkele weken geleden heb gegeven op de vraag hoe we gemeenten op korte termijn kunnen ondersteunen.

Bij bezoeken op het terrein, merk ik dat heel wat lokale besturen inzien – en ik denk dat uzelf ook lid bent van een lokaal bestuur dat dit inziet – dat de strategische visie van het BRV ook op het terrein moet worden vertaald. Het is ook een bottom-up redenering dat de lokale besturen, zeker in het eerste jaar van een nieuwe legislatuur, in het kader van hun meerjarenplanning en met de tools die worden aangeleverd, een beleidsplan Ruimte maken in hun eigen gemeente of samenwerkingsverband van gemeenten. We stimuleren dat. Er is de inzet van beleidsfora en van lerende netwerken. We subsidiëren pilootprojecten. Er is een subsidie voor gemeentelijk of intergemeentelijke ruimtelijke beleidsplanningsprocessen. We stimuleren de oprichting van intergemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening, waarvoor de aanvraag trouwens tot 31 maart kan worden ingediend. Heel wat lokale besturen maken er dus al concreet werk van om de principes van de bouwshift mogelijk te maken. Er is ook nog de webtool met goede praktijkvoorbeelden die volgende week wordt gelanceerd.

Ik ben er dus van overtuigd dat heel wat lokale besturen de volgende maanden hiermee aan de slag zullen gaan en de strategische visie die de Vlaamse Regering op 20 juli 2018 heeft goedgekeurd, in de praktijk zal brengen de volgende maanden en jaren.

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Axel Ronse (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt verwezen naar de fameuze hoorzitting over de MER-plicht. Het is zeker iets wat uitklaring verdient. De aanleiding van de hoorzitting waren de stedenbouwkundige voorschriften. Tot op vandaag zijn we nog altijd niet zeker dat heel wat van de vergunningen die worden afgeleverd, rechtsgeldig zijn omdat ze al dan niet werden voorafgegaan door een MER-rapport. Het is geen Vlaams probleem, maar een Europees probleem. Uw voorgangster heeft gezegd dat ze dat er sprake zou brengen bij de bevoegde Europese instanties. Misschien kunt u meer vertellen over wat die gesprekken hebben opgeleverd?

We stellen vast dat goedbedoelde wetgeving en richtlijnen rond milieueffectenrapportering door die onduidelijkheid dreigt te worden vertraagd en tegengegaan en soms bijna wordt geblokkeerd. Dat is een issue waar Vlaanderen zich eens serieus over moet buigen en waarover we van Europa toch op zeer korte termijn duidelijkheid moeten krijgen. Als we hier decreten willen maken en beleid willen voeren om de open ruimte te vrijwaren, dan moeten we dat kunnen doen in een rechtszeker en duidelijk kader. Als al die hoven – en ik ben zelf geen jurist – elkaar tegenspreken in arresten, dan wordt het toch wel bijzonder complex. We moeten de MER-plicht echt uitklaren zodat het heel duidelijk wordt.

De steden en gemeenten moeten vandaag aan de slag. Die gaan aan de slag in een ander kader dan we hadden gewild. Het is belangrijk, ook al duurt de legislatuur nog maar een tweetal maanden in volle bevoegdheid, dat we hun vanuit het Vlaamse niveau het signaal geven dat we hen daarin maximaal ondersteunen en hun alle informatie geven die ze nodig hebben, en ook goed monitoren wat er nu in die lokale beleidsplannen wordt voorzien aan vrijwaring van open ruimte. We moeten de lokale besturen via de VVSG ook met elkaar goed in contact brengen, om van elkaar te leren.

Je voelt dat wel op het veld, zelfs bij projectontwikkelaars. Vorige week stuurde een projectontwikkelaar mij een mail: “Ik heb hier een terrein dat volgens mij slecht gelegen is, niet goed is om te bebouwen en ingaat tegen de principes van de bouwshift. Ik weet in een andere gemeente een terrein zijn waar het wel interessant zou zijn. Kun je mij helpen om naar een soort van planologische ruil te gaan? Hoe staat het daarmee?” Dan zitten we nog altijd met het probleem dat die ene gemeente inkomsten gederfd zal zien en die andere gemeente er wel zal hebben. Waardebepaling, dat moeten we decretaal echt goed gaan omkaderen. Want dat is een beetje het tragische: de wil is er in alle sectoren, bij lokale besturen, bij ontwikkelaars, noem maar op, maar het decretale kader ontbreekt. Ik denk dat we nu ten volle moeten gaan voor een goede ondersteuning.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, u hebt op 1 maart, toen met betrekking tot de betonstop de handdoek in de ring is gegooid, gezegd: “We willen een robuust kader, dus we moeten die MER-rapportering op advies van de Raad van State zeker doen.” Ik dacht direct dat daar zoveel onder zat. Ik heb dan de adviezen van de Raad van State gelezen, en er zijn massa's opmerkingen. Het gaat niet enkel over een of twee decreten die een MER-rapportering moeten ondergaan. Het gaat om veel, veel meer. Dat wijst op ongelooflijk juridisch prutswerk. Dat is een zware term die ik gebruik, maar dat zat er ook aan te komen, want hoeveel keren is er in deze commissie niet gezegd dat bepaalde adviezen van adviesraden en experts gewoon niet gevolgd werden door de Vlaamse Regering? Dan moeten we er niet van schrikken dat de Raad van State daar uiteindelijk op moet wijzen, twee maanden voor de verkiezingen.

U hebt het over de activiteiten en de contractbenadering, minister. Weet u wat de Raad van State in zijn advies over het Instrumentendecreet zegt over de hele titel 4, dat daarover gaat? Weglaten! Weg! Dat bestaat niet, dat stoelt op niets, dat is juridisch niet onderbouwd enzovoort. En dan durft u hier nog te komen verdedigen dat u het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, de koepel waaraan de verschillende operationele decreten getoetst worden, gaat behandelen na de operationele decreten. U blijft dat dus verdedigen. Ik ben geen jurist, maar ik begrijp echt niet vanwaar u uw adviezen krijgt. We hebben toch goede dingen gelezen bij de Minaraad, bij de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed (SARO), bij verschillende experts? Er zijn zoveel vrije tribunes geschreven in kranten daarover, die allemaal dezelfde richting uitgaan. Zelfs projectontwikkelaars zetten stilaan de neuzen in dezelfde richting. En onze regering blijft tot op vandaag beweren dat je het BRV, het koepeldecreet, in de plooien kunt laten zitten, terwijl je de andere al behandelt die ernaar verwijzen. Dat begrijp ik helemaal niet, zelfs met dat advies van de Raad van State. Ik begrijp het echt niet, minister. Ofwel is er moedwil in uw omgeving, ofwel laat u zich totaal verkeerd adviseren, maar zo kan het echt niet langer, vind ik.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Bruno Tobback (sp·a)

Bij dat laatste wil ik me aansluiten. Het is de voorbije jaren ook in deze commissie vrij duidelijk geworden dat er een ongelooflijk grote weerstand is tegen de verandering die nodig is om dat BRV in realiteit en in feiten om te zetten, dat belangen daarbij ongetwijfeld een rol spelen en dat de onwil om een aantal dingen fundamenteel aan te pakken of zelfs maar te bespreken, zeer groot is. En dan gaat het inderdaad over compensatie voor het verlies van waarde, maar in de eerste plaats ook over de bereidheid om die herbestemmingen echt te doen en die voorop te zetten, en dan de oplossingen te zoeken.

Wat men tot nu toe heeft gedaan, is proberen om het probleem te vermijden en uit te stellen. We blijven de bal voor ons uit stampen. Het verbaast mij bovendien dat een aantal partijen de voorbije week nog de hele discussie over het Gemeentefonds hebben gelanceerd. Allemaal goed en wel, maar zonder op ook maar één moment klaar en duidelijk te zeggen dat de financiering van de gemeenten zoals ze nu is … Het grote probleem is niet het Gemeentefonds, het grote probleem is dat smossen met grond het businessmodel van de Vlaamse gemeenten is, zeker van de landelijke. Want een andere manier om inkomsten te krijgen, is er niet.

Dat is zelfs geen verwijt aan de gemeenten. Wie het systeem zo heeft gemaakt, moet zich daarvoor verantwoordelijk achten. Maar de huidige Vlaamse Regering moet wel zoeken naar een andere oplossing als ze haar belofte wil waarmaken. En dat is naar alle evidentie niet gebeurd. Want minister, die adviezen zijn inderdaad geen weken of maanden blijven liggen bij de Vlaamse Regering. Maar het feit dat heel deze hervorming in de laatste vijf weken van deze Vlaamse Regering komt – en die termijn ligt al heel lang vast – is natuurlijk wél een aanfluiting. De Vlaamse Regering heeft in al haar wijsheid – zoals de collega terecht opmerkte – die dingen wel laten liggen.

De discussie gaat overigens niet alleen over MER-plichten. Ik ben wél jurist en ik heb ook die adviezen gelezen. Het advies van de Raad van State over het Bosdecreet gaat echt niet alleen over de MER-discussie. Het zegt klaar en duidelijk: ten eerste, op basis van wat er in dat decreet staat, kunnen wij eigenlijk niet afleiden of dit nu een betere of zwakkere bescherming is. We verstaan eigenlijk niet wat je bedoelt met wat je hebt geschreven. Ten tweede, we zijn er vrij zeker van dat het gelijkheidsbeginsel grof geschonden wordt door het feit dat wie een vergunning geweigerd krijgt, een vlotte beroepsmogelijkheid krijgt, en wie een vergunning wil aanvechten, een moeilijke beroepsmogelijkheid krijgt. Dat is een vrij fundamentele discussie die ook in andere decreten terugkomt en die we dus beter zouden voeren.

Minister, ik heb heel erg het gevoel dat men gebruikmaakt van die MER-procedure om zich daarachter te verstoppen en die andere discussies niet te moeten voeren. En die zijn eigenlijk veel fundamenteler.

Mijn vraag zou zijn dat we om te beginnen al de verschillende adviezen, ook in deze commissie, ter beschikking zouden krijgen, en dan zouden bespreken. Want het gaat niet over de MER-plicht, maar over het feit dat men stelselmatig probeert de kool en de geit te sparen en ondertussen het land naar de knoppen laat gaan. 

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Lode Ceyssens (CD&V)

Voorzitter, ik vind het nogal straf dat de eerste minister, of de opvolger daarvan, die de betonstop aanpakt of de doelstelling vooropstelt om naar nul ruimte-inname te gaan, nu wordt verweten dat er onwil is. (Opmerkingen van Bruno Tobback)

Collega’s, neem even uw pc en zoek eens op wie de vorige Vlaamse ministers van Ruimtelijke Ordening waren. (Opmerkingen van Bruno Tobback)

Mijnheer Tobback, het is van minister Kelchtermans geleden dat er nog een beleidsmaatregel is genomen die de ruimte-inname beperkt, toen naar 6 hectare en nu naar 0.

Nu komt u blaffen dat er onwil is, terwijl u er in de vorige periodes niets, nul aan hebt gedaan. Dat vind ik eigenlijk nogal straf.

Ik begrijp ook niet dat collega’s die hier in het verleden hebben gezegd: ‘En die bossen, dat moet nu. En die boomreservegebieden, dat moet nu. Daar moet je niet mee wachten in het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen’, hier nu zitten te zeggen: ‘Eerst het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, en daarna de rest.’ (Opmerkingen van Ingrid Pira)

Nee, nee, nee. Lees de verslagen er maar eens op na. Tot in de plenaire vergadering, mevrouw Pira, hebt u gezegd: ‘Minister, waar wacht u op? Die woonreservegebieden kunt u nu onmiddellijk doen. Daarvoor hoeft u niet te wachten op het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.’ Dat waren uw woorden in de plenaire vergadering.

En waarvan mijn haren dan helemaal overeind komen, is wanneer er hier wordt gezegd dat de handdoek in de ring wordt gegooid, en dat door diegene die langs de kant staat te kijken en te roepen. Mocht er vandaag in de Vlaamse Regering gezegd zijn: ‘We gaan gewoon verder, we leggen het advies van de Raad van State naast ons neer’, dan zou hier vandaag dezelfde vraag worden gesteld en zou u staan roepen dat de regering die vragen naast zich neerlegt, dat het een onzorgvuldigheid is, dat de Raad van State naderhand toch gelijk zou krijgen en dat eraan zou worden voorbijgegaan.

Collega’s, ik ben ervan overtuigd dat wij allemaal willen dat het snel vooruitgaat. Daarover hoeven we niet te discussiëren. Maar het zijn wel wij die het spel in gang hebben gestoken. En er is vandaag een Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Er is daarover een akkoord gemaakt dat verder kan worden uitgewerkt.

Daar is zaadgoed geplant. We hadden misschien allemaal wel gewild dat dit sneller groeide, maar op basis hiervan kan worden verder gewerkt. Ik vind het niet meer dan van zorgvuldigheid getuigen dat we rekening houden met het advies van de Raad van State en er gevolg aan geven. Als ik iedereen hier beluister, dan kan er met een volgende Vlaamse Regering geen enkel probleem zijn om verder te werken op basis van de fundamenten die tijdens deze legislatuur zijn gelegd.

De voorzitter

Minister Van den Heuvel heeft het woord.

Minister Koen Van den Heuvel

De heer Ceyssens heeft een bondig en strijdvaardig betoog gehouden waaraan ik weinig toe te voegen heb.

Het klopt inderdaad dat er de voorbije jaren een kentering is ingezet. Hadden we op het einde van de rit verder willen staan? Natuurlijk. Twee of drie weken geleden heb ik gezegd dat ik hoopte dat we dit nog zouden kunnen bespreken tijdens deze legislatuur. Op dat moment hadden we het advies nog niet in handen. Dan heb je twee mogelijkheden, maar ik denk niet dat we met lege handen staan. De strategische visie is goedgekeurd op 20 juli 2018. Die vier decreten zijn in uitwerking en daar worden nu commentaren op geleverd.

Mevrouw Pira, u noemt het heel gemakkelijk – ik zal het woord 'populistisch' niet meer gebruiken – ‘prutswerk’. Het is pionierswerk om een draagvlak te creëren. Mijnheer Tobback, we leven niet in Noord-Korea waar een overheidsinstantie met een duim omhoog of een duim omlaag beslist of grond bouwgrond blijft of een zachte bestemming krijgt. We leven in een rechtsstaat. We moeten een draagvlak creëren. Het is de kern van een democratie dat we beslissingen nemen waarvoor een draagvlak bestaat om de kentering in te zetten. Mijn voorganger en heel wat mensen hebben er tijdens de voorbije maanden aan bijgedragen dat de Vlaming steeds meer overtuigd wordt dat de kentering op het vlak van Ruimtelijke Ordening absoluut nodig is. Dat gaat stap voor stap.

Willen we dat dit sneller gaat? Persoonlijk zou ik ja zeggen en u wellicht ook, maar we moeten dit op een juridisch robuuste manier doen met het nodige draagvlak, en niet zoals het in China of Noord-Korea gaat waar met één pennentrek hectaren ineens een andere bestemming krijgen. Zo werkt het niet. Dit is pionierswerk.

Die verhandelbare rechten? Natuurlijk. Daar zijn voorbeelden van hier en daar, maar dat is geen standaardgegeven. Laat ons daar creatief mee omgaan.

Met betrekking tot het plan-MER hebben we de samenvatting gegeven. Het Europese Hof van Justitie zegt dat dit heel ruim geïnterpreteerd moet worden. Het Grondwettelijk Hof zegt een week later dat de plan-MER-plicht voor decreetgeving niet aan de orde is. Dat zijn allemaal topjuristen. U gebruikt het woord ‘prutswerk’, maar het zijn allemaal topjuristen en elke jurist heeft zijn eigen mening, zoals elke voetballiefhebber een ander team op het veld zou zetten.

Dus, wees toch een beetje rustig in deze zaken. Er is tijdens de voorbije jaren een kentering ingezet. We hadden allemaal gehoopt – daar moeten we niet flauw over doen – om misschien wat verder te staan en de vier concrete decreten als handvat te hebben. Dat was sterker geweest, maar ze liggen klaar en ik hoop alleen maar dat de volgende Vlaamse Regering de weg die we zijn ingeslagen, verder bewandelt. Het materiaal ligt klaar. Het plan-MER zal klaarliggen. De volgende regering kan een vliegende start maken om de kentering die is ingezet, krachtdadig verder te zetten en te verankeren in wetgeving. Maar dit moet ook en vooral in het hoofd van de Vlaming gebeuren, want uiteindelijk zal dat nodig zijn. Als we op een robuuste manier de kentering op ruimtelijk vlak willen inzetten, dan zal er niet alleen een decreet nodig zijn maar ook een kentering in het hoofd van elke Vlaming.

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Axel Ronse (N-VA)

Ik wil beginnen waar de minister is geëindigd. We kunnen niet naast de feiten kijken.

Er is de voorbije vijf jaar een enorme mentale shift gebeurd. Het feit dat we onze open ruimte moeten vrijwaren, is onderdeel geworden van het mainstreamdenken in Vlaanderen. Ik vermoed en hoop dat elke politieke partij daar op zijn minst van doorvlochten is. Bij eentje die hier afwezig is, is er misschien nog wat werk, maar dat is mainstream geworden.

Ik ga ervan uit dat, wat ook die volgende Vlaamse meerderheid zal worden, het politiek compleet absurd zou zijn, mocht de beweging die eigenlijk al sinds de vorige legislatuur in gang is gezet, met het groenboek BRV, en die dan is doorgezet in deze legislatuur, worden afgezwakt. Dat zie ik niet gebeuren. Wat die volgende meerderheid hier ook is, ik denk dat die beweging zal worden versterkt. Vandaar mijn oproep, een dubbele oproep. Ten eerste, blijf intussen tot aan de verkiezingen doorwerken aan die vier ontwerpen van decreet om tegemoet te komen aan de adviezen en de vragen van de Raad van State. Ten tweede, ondersteun die lokale besturen op een excellente manier, zodat die volgende Vlaamse Regering kan doorwerken en we in het begin van de volgende legislatuur een forse doorbraak kunnen creëren van het werk dat nu is verricht. Hier nu elkaar de schuld geven, dat werkt niet. Dat zal contraproductief werken, even contraproductief als sommige collega’s die in het verleden meermaals tot vervelens toe in het parlement stonden te zwaaien met studies van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), die eigenlijk al totaal geen referentie zijn in het kader van het BRV. We moeten hier blijven gaan voor dat draagvlak en we mogen absoluut niet de boodschap geven dat dit dossier begraven is. Integendeel, we moeten de boodschap uitdragen dat er een politieke consensus is hierover en dat we alle juridische obstakels op onze weg zullen overwinnen om tot een robuust en uitvoerbaar iets te komen.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Collega Ronse, het is eigenlijk mijn stijl om uw verzoenende en zachte taal bij te treden, maar ik kijk naar het terrein. Wat zien we de afgelopen jaren? Na het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is het inderdaad pijlsnel van een inname van open ruimte van 12 hectare per dag naar 6 hectare gegaan. Hoe kwam dat? Omdat er tegelijkertijd een aantal achterpoortjes, zoals het minidecreet en zo, zijn gesloten. Dat is deze keer níet gebeurd, en intussen zien we dat de inname van de open ruimte stelselmatig stijgt. Die inname zit nu al aan ongeveer 7,5 hectare per dag. Ik vind dat dramatisch. Blijkbaar krijgt deze Vlaamse Regering, ondanks de mentale shift, geen grip op wat er op het terrein gebeurt. Kijk naar de groei van het aantal baanwinkels. Je ziet dat eigenlijk gewoon per kilometer voortsluipen.

Minister, ik heb u vorige keer, veertien dagen geleden nog gezegd dat wij met de armen open stonden. Wij hebben de principes omarmd. U zei toen nog niet uit te sluiten dat u in onze armen zou lopen. Dat is dus niet gebeurd. Collega’s, wat hebben we wel gezien? Ik treed het voorstel van collega Tobback bij om die adviezen van de Raad van State hier nog te bekijken. We moeten alles eens bekijken wat al die adviesraden, wat alle experts de afgelopen jaren hebben gezegd tijdens de opmaak van het BRV en de opmaak van de decreten. Er wordt tegenwoordig immers geroepen om intendanten, om expertenpanels, maar we hebben alles in huis. We hebben een bouwmeester en we hebben veel adviesraden en veel experts, die stelselmatig adviezen verstrekken die allemaal in dezelfde richting gaan. Het probleem zit bij de politiek, die vanuit verschillende belangen bepaalde adviezen stelselmatig naast zich neerlegt, en dan zit je natuurlijk met een monstertje, dat juridisch haken en ogen heeft, om het woord ‘prutswerk’ niet te gebruiken. Minister, u hebt natuurlijk een dossier geërfd. Wij hebben, ik zeg het nogmaals, de principes omarmd. Wat hebben we vervolgens gezien? Wij zijn volksvertegenwoordigers. We zitten met onze neus in de wetteksten en wat er wordt afgescheiden door de Vlaamse Regering. We hebben gezien hoe er uithollingen zijn verschenen. We hebben gezien hoe er uitzonderingen, vrijstellingen verschenen. Op den duur is dat een uitgehold iets geworden. Ik hoop dat het allemaal boven tafel komt, want als we naar een echt goed kader willen gaan, dan moeten we ook alle opmerkingen die zijn gegeven, door de Raad van State en door experts, ernstig nemen. Die moeten boven tafel komen.

Enkel als die ernstig worden genomen, minister, geloof ik nog in een robuust juridisch kader. Tot nog toe kan ik enkel zeggen: ik heb die betonstop eigenlijk altijd beschouwd als een tijdbom die tikte onder de Vlaamse Regering en die op 1 maart 2019 afgegaan is. Ik heb nog nooit zo’n belangrijk dossier gezien in de Vlaamse Regering als dit. Maar ik heb ook nog nooit zoveel onenigheid gezien in de Vlaamse Regering als over de betonstop. (Opmerkingen van Lode Ceyssens)

Dat is absoluut wel waar. Ik hoop dat een volgende Vlaamse Regering veel meer eensgezindheid toont dan deze en oog heeft voor wat experten en adviesraden zeggen. (Opmerkingen van Lode Ceyssens)

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.