U bent hier

Mevrouw Soens heeft het woord.

Minister-president, in een recente nota van Plan International België omschrijft de niet-gouvernementele organisatie (ngo) de wisselwerking tussen de bevordering van het recht op onderwijs en de strijd tegen de klimaatverandering. Klimaatverandering zet het recht op kwalitatief onderwijs op de helling. Klimaatrampen, droogte en overstromingen bedreigen de fysieke toegang tot scholen en schoolgebouwen. Daarnaast zien we dat kinderen, vooral meisjes, de toegang tot onderwijs verliezen in nasleep van klimaatrampen, zoals de tsunami van 2004. Daarnaast zien we ook dat meisjes vaker het slachtoffer zijn van klimaatverandering en klimaatrampen: gendernormen verhinderen hen om te leren zwemmen, klimmen, signalen te herkennen of eerste hulp toe te dienen. Bijgevolg maakte de tsunami van 2004 maar liefst vier keer zoveel vrouwelijke dodelijke slachtoffers dan mannelijke. Daarnaast lopen zij na rampen een groter risico op fysiek en seksueel misbruik, geweld en intimidatie. Dat is ongelijkheid op z’n ergst, en dat is zacht uitgedrukt.

Er is nood aan zogenaamde ‘safe schools’, waar kinderen in ontwikkelingslanden waarschuwingssignalen leren kennen en zich kunnen voorbereiden op rampen, waar kinderen hun schoolparcours veilig kunnen verderzetten, ook in noodsituaties, waar kinderen weerbaarder en zelfredzamer leren worden, en alles wat ze leren overdragen op de lokale gemeenschap. Zo hebben we bijvoorbeeld in Vlaanderen gezien dat als kinderen leren sorteren op school, ze dat dan thuis leren aan hun ouders en grootouders. Dat is dus zeer belangrijk. Zo hebben de scholen een brede en blijvende impact op heel wat mensen in risicosituaties. Scholen bieden daarnaast ook bescherming aan kinderen: aan diegenen die hun ouders verloren en meisjes die het risico lopen om uitgehuwelijkt of misbruikt te worden. Daarnaast biedt de continuïteit van onderwijs in noodsituaties een zekerheid en herkenbaarheid, wat ongelooflijk belangrijk is bij het psychologische herstel van kinderen na een ramp.

In september 2015 werden de ‘Sustainable Development Goals’ (SDG’s) door de Verenigde Naties aangenomen. Onderwijs maakt daar uiteraard een belangrijk onderdeel van uit. De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking concentreert zich vandaag op bepaalde sectoren in drie partnerlanden. In Zuid-Afrika ligt een sterke focus op klimaatverandering. Onderwijs vormt momenteel geen prioriteit van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.

In 2016 nam het Vlaams Parlement een resolutie aan om onderwijs een prominentere plaats te geven als transversaal thema. De transversale thema’s zijn echter eerder dit jaar verdwenen uit het kaderdecreet van 22 juni inzake ontwikkelingssamenwerking.

Minister-president, hoe pakt Vlaanderen de wisselwerking tussen onderwijs en klimaatverandering aan in de partnerlanden? Wat is uw visie hierop?

Hoeveel middelen voor ontwikkelingssamenwerking gaan momenteel naar de bestrijding van de gevolgen van klimaatverandering in de partnerlanden? Welk aandeel van die middelen heeft betrekking op onderwijs?

Lopen er momenteel projecten met betrekking tot ‘safe schools’ in onze partnerlanden? Zo ja, hoeveel middelen worden daar momenteel voor uitgetrokken? Werden die projecten reeds geëvalueerd? Indien ja, wat waren de bevindingen?

In welke mate wordt gendergelijkheid als criterium gebruikt bij de selectie van projecten en de uiteindelijke besteding van middelen in ontwikkelingslanden?

Ambieert u investeringen in ‘safe schools’ als voorbereiding op en in de nasleep van klimaatrampen op de gebieden van onze partnerlanden?

Welke acties plannen u en uw collega-minister van Onderwijs, Crevits, ter bevordering van het onderwijs in ontwikkelingslanden?

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Vlaanderen bepaalt in overleg met de partnerlanden specifieke sectoren voor samenwerking. Dit zijn momenteel landbouw voor Malawi, gezondheid voor Mozambique en klimaat voor Zuid-Afrika.

In Mozambique zetten we sterk in op onderwijs en opleiding. De opleiding van voldoende gekwalificeerde gezondheidsmedewerkers is een specifieke focus binnen de strategienota. In Mozambique is er nood aan een multisectorale aanpak, met onder meer onderwijs en cultuur. Dit is ook zo geformuleerd in de strategienota. We zetten in op informatie over seksuele en reproductieve gezondheid en relationele vorming.

In Malawi is Vlaanderen ‘lead donor’ op het vlak van landbouwvoorlichting, zeg maar de opleiding van boeren om productie te verhogen, te verbeteren en te verduurzamen.

In Zuid-Afrika bekijken mijn diensten een samenwerking tussen Vlaamse en Zuid-Afrikaanse universitaire instellingen op het vlak van klimaat. Dit dossier zal in de loop van dit jaar bij de Vlaamse Regering worden geagendeerd.  

Vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en het beleidsdomein Omgeving worden ook ODA-aanrekenbare (official development assistance) uitgaven gedaan. Voor Onderwijs is dat bijvoorbeeld de bijdrage aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde. Bij het beleidsdomein Omgeving is dat onder meer een bijdrage aan het Vlaams Fonds voor Tropisch Bos en het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling. Geen enkele van deze uitgaven legt een specifieke link tussen onderwijs en klimaatverandering.

Voor 2019 heb ik mijn diensten gevraagd om de mogelijkheid te onderzoeken om een project te financieren dat de onderwijssector strategisch wil inzetten voor de transitie naar een meer klimaatweerbare gemeenschap in Zuid-Afrika. In het kader van onze internationale verbintenissen met betrekking tot internationale klimaatbijstand zet Vlaanderen in de partnerlanden in op klimaatadaptatie en initiatieven tegen de negatieve impact van de al optredende klimaatverandering, en op de socio-economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden. We steunen de partnerlanden in hun doelstellingen en initiatieven om adaptatiestrategieën te ontplooien.

Het totaal van de vastleggingen op het vlak van internationale klimaatfinanciering, dus klimaataanrekenbare uitgaven, die expliciet gericht zijn op de partnerlanden, bedroeg in 2016  3.045.025 euro, in 2017 10.238.942 euro, en in 2018 9.320.971 euro. Als u dat wenst, kan ik de opgesplitste tabellen geven, maar ik denk dat ik die beter laat mailen, want anders moet ik al die bedragen en projecten voorlezen, en dat wordt ondoenbaar om die te noteren. U weet dat we extra middelen uit het Klimaatfonds aanwenden voor ontwikkelingssamenwerking. In 2016 was dat 2 miljoen euro voor core support voor het Africa Climate Change Fund (ACCF), in 2018 5 miljoen euro voor het Green Climate Fund (GCF) – ik heb dat hier in de commissie al meegedeeld.  Ik zal die tabellen dus aan de secretaris bezorgen.

Onderwijs en educatie worden indirect telkens meegenomen in de projecten, het uitrollen van systemen, implementeren van technieken, en evalueren en meten van resultaten. De projecten bieden telkens een educatieve meerwaarde en gebeuren in overleg met andere actoren, waaronder Onderwijs.

Op dit moment lopen er geen projecten die expliciet betrekking hebben op ‘safe schools’ in onze partnerlanden. Er zijn er ook geen gepland. Zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag om uitleg nummer 2151 van 12 juni 2018, zet Vlaanderen wel in op kinderbescherming in de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking, waaronder ook noodhulp valt.

Artikel 5 van het kaderdecreet bepaalt dat gendergelijkheid, samen met goed bestuur en samen met mensenrechten, als kernwaarden voorop staan in de hele Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. Ze worden in rekening genomen op beleidsniveau, in de partnerdialoog en op het niveau van de instellingen, ook op operationeel niveau, zowel bij de keuzes voor landen, sectoren, actoren, als doorheen de concrete uitvoering van projecten en programma’s.

Ik kom tot uw zesde vraag. Ik verwijs naar mijn antwoord op schriftelijke vragen 192 van 9 februari 2016 en 301 van 22 juni 2018. Ongeveer 44 procent van de officiële ontwikkelingshulp (ODA)  in de periode 2011-2017 zet rechtstreeks in op opleidingen, educatie, onderwijs en onderzoek. Naast die rechtstreekse ondersteuning komen opleidingen, educatie, onderwijs, onderzoek tevens voor als deelcomponenten binnen projecten en programma’s die vanuit een andere sectorale finaliteit zijn ondersteund. Het betreft indirecte steun voor onderwijs. Onderwijs is dus sterk verankerd in de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. Op basis van de beschikbare begrotingsruimte wil ik dezelfde inspanningen ook aanhouden.  

Mevrouw Soens heeft het woord.

Minister-president, dank u voor uw uitgebreid antwoord. Ik ben blij om te horen dat er toch al wat gebeurt rond onderwijs en klimaatverandering.

U hebt zelf twee projecten in Zuid-Afrika opgenoemd rond de samenwerking tussen universiteiten. Is dat dit jaar of was dat vorig jaar? Ik zou daar toch graag wat meer informatie over willen.

U sprak ook over transitie naar een klimaatweerbare gemeenschap in Zuid-Afrika, en zei dat u die vanaf dit jaar zou financieren, en dat onderwijs daar een rol in speelt. Is dat dan ook het hoger onderwijs, of gaat het dan zoals in mijn vraag ook specifiek over basisonderwijs en secundair onderwijs?

U zegt wel dat u momenteel geen projecten rond de ‘safe and green schools’ plant, maar is het mogelijk om in dat project rond de transitie naar een klimaatweerbare gemeenschap die rol van ‘safe and green schools’ ook mee te nemen?

U sprak ook even over de noodsituaties. U zegt dat we kinderbescherming ook meenemen in noodsituaties. Is dat ook het geval voor onderwijs? Legt u daar ook een extra nadruk op om in noodsituaties ook onderwijs extra aandacht te geven?

U zei tot slot ook dat gender in elke actie en in elk project wordt meegenomen, en dat dat ook belangrijk is bij de keuze voor de partnerlanden. Maar natuurlijk is gender en klimaat nog een heel specifiek probleem. Zoals ik heb uitgelegd in mijn toelichting, zien we dat meisjes en vrouwen extra kwetsbaar zijn als het op klimaatverandering aankomt, dat zij die signalen niet leren herkennen, dat zij bijvoorbeeld ook niet leren zwemmen en zich dus moeilijker kunnen redden. Mijn specifieke vraag is of er ook extra aandacht kan zijn voor gender bij klimaatverandering.

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ik hoor aan het antwoord van mevrouw Soens dat ze wel tevreden is met uw antwoord, minister-president. Uiteraard kan het altijd beter, daar ben ik het mee eens. Collega Soens, ik denk dat u ook beseft dat Vlaanderen een kleine, maar betrouwbare partner is in de ontwikkelingssamenwerking. We doen wat we kunnen, en ik denk dat we ook wel erkend worden voor die inspanningen.

Onderwijs werd inderdaad opgenomen als transversaal thema. Die transversale thema’s verdwijnen, maar we hebben ons wel ingeschreven in de agenda 2030, en in die SEG’s worden die opgenomen, en ik denk dat dat wel  in de globale uitvoering van ontwikkelingssamenwerking zit.

Minister-president Geert Bourgeois

Wat betreft de vraag over gendergelijkheid, ik heb het gezegd en dat is ook zo: in alle projecten die wij doen, loopt zowel in het beleid, in de samenwerking met de partnerlanden en de instellingen, als op het operationele niveau, die lijn van gendergelijkheid door, net zoals die van de mensenrechten. Trouwens vroeger hadden we in het decreet ‘gender’ staan, dat is vervangen door ‘gendergelijkheid’. Dat is een generieke lijn die altijd gehandhaafd wordt, die altijd meespeelt in alle mogelijke acties, en die moet daarin meespelen.

Wat de samenwerking met Zuid-Afrika betreft, heb ik aan mijn diensten gevraagd om een samenwerking tussen Vlaamse en Zuid-Afrikaanse universitaire instellingen te bekijken op het vlak van klimaat. Het gaat over klimaatadaptatie. Die middelen zijn niet reuzegroot. Men moet zich daarop concentreren. We hebben gekozen voor een samenwerking met Zuid-Afrika, niet voor mitigatie maar voor adaptatie. Dat is een akkoord met een partnerland. Dat onderzoek zal lopen. Onze universiteiten kunnen daar een goede bijdrage aan leveren. Ik hoop dat er een mooi project uit voortkomt.

Ik kan u zeggen – maar dat is een beetje voorbarig, spijker me daar niet op vast, het is nog niet goedgekeurd – dat er ook een dossier door de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking en Technische Bijstand (VVOB) is ingediend met betrekking tot onderwijs en dat, neem ik aan, breder gaat – ik heb het zelf nog niet gezien – dan enkel universitaire samenwerking. Dat wordt nog onderzocht. Dat zou een aspect inzake onderwijs kunnen toevoegen, maar dat is nog geen beslist beleid. Dat is gewoon een project dat op stapel staat en mogelijkerwijze tot een beslissing komt.

We zullen het dossier van de VVOB in het oog houden. We zullen zien of het inderdaad breder gaat dan enkel de universitaire samenwerking, wat uiteraard ook belangrijk is, maar ik denk dat Vlaanderen een rol kan spelen buiten de universitaire samenwerking inzake de relatie tussen onderwijs en klimaatverandering in onze partnerlanden.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.