U bent hier

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Artikel 64 van het nieuwe Vlaamse Woninghuurdecreet bepaalt dat een student voor de inwerkingtreding van het contract onder bepaalde voorwaarden de overeenkomst kosteloos kan opzeggen. De voorwaarde is dat de opzeg drie maanden of meer voor de inwerkingtreding plaatsvindt. Indien de opzeg plaatsvindt op minder dan drie maanden voor de inwerkingtreding, dan is men een opzeggingsvergoeding van twee maanden huur verschuldigd.

Deze bescherming van de student-huurder vond zijn oorsprong in het besef dat men door marktomstandigheden gedwongen kan worden een contract af te sluiten vooraleer men de definitieve studiekeuze heeft gemaakt. We kennen die problematiek allemaal: studenten gaan op tijd op zoek, maar beslissen dan nadien om iets anders te gaan studeren. Soms komen er ook andere zaken tussen. En dan is er ook nog de positie van de verhuurder.

De voorwaarde die decretaal werd vastgelegd, is iets strenger dan die die werd opgenomen in het ontwerp van decreet, waar nog sprake was van een periode van minder dan twee maanden voor de inwerkingtreding. Omdat de vrees bestond dat studenten meerdere huurcontracten tegelijkertijd zouden afsluiten en pas twee maanden op voorhand zouden beslissen welk kot ze zouden nemen, werd deze termijn op drie maanden gebracht. Op die manier werd de verhouding tussen student-huurder enerzijds en verhuurder anderzijds evenwichtiger.

Nu bereiken ons berichten dat dit evenwicht voor verhuurders nog steeds moeilijkheden zou opleveren, en dat er al bepaalde ontwijkingsmechanismen circuleren. Dat zal u ook bekend zijn, minister. Het maakt me toch wat voorzichtig. Men heeft nog steeds schrik dat studenten een veelvoud aan contracten zouden afsluiten en pas op het laatste moment de knoop definitief zouden doorhakken.

Dat zou tot gevolg hebben dat heel wat studentenkoten fictief en tijdelijk zouden worden bezet. Pas drie maanden voor de start van het academiejaar wordt dan duidelijk welke studentenkoten er al dan niet effectief verhuurd zijn. Dat is dan weer evenmin in het belang van de studenten, die in hun zoektocht geen reëel zicht krijgen op het aanwezige aanbod.

Zo wordt de piste gesignaleerd om de termijn van inwerkingtreding van de huurovereenkomst te vervroegen. Dit zou voor de studenten net het omgekeerde effect hebben van wat de regelgeving voor ogen heeft, namelijk het meer laten samenvallen van het moment waarop men de studiekeuze maakt en het moment waarop men het kot definitief contractueel moet vastleggen.

De vraag stelt zich op welke manier het juiste evenwicht kan worden gevonden tussen de situatie van de studenten en die van de verhuurder. Hoe kunnen we vermijden dat studenten of hun ouders meerdere studentenkamers huren, vanuit de overweging dat men toch kosteloos kan afzien van de overeenkomst tot drie maanden voor de inwerkingtreding?

Enerzijds is het billijk en evenwichtig dat studenten die een kot zoeken, nog voor hun studiekeuze definitief vast staat, de overeenkomst nog moeten kunnen opzeggen zonder grote kosten. Anderzijds moeten we misschien toch een kleine drempel inbouwen om neveneffecten uit te sluiten, zodat studenten niet tegelijkertijd meerdere overeenkomsten sluiten om nadien te shoppen in functie van wat hun het best uitkomt.

Een van de mogelijkheden die ik naar voren wil schuiven, is het vragen van een beperkte forfaitaire vergoeding bij een opzegging voor de termijn van drie maanden voor inwerkingtreding. Zo zou men het bezet houden van koten kunnen tegengaan, maar toch meer rekening houden met het moment waarop de studenten hun studiekeuze vaststaat. Het blijft vanzelfsprekend een moeilijke evenwichtsoefening, daar zijn we ons allemaal van bewust.

Ik zou u de volgende vragen willen stellen: bent u op de hoogte van deze problematiek en van het feit dat er ontwijkingsmechanismen circuleren met betrekking tot de decretale bepaling dat een overeenkomst voor de huur van een studentenkamer kosteloos kan worden opgezegd tot drie maanden voor de inwerkingtreding? Zo ja, hoe kan hieraan een oplossing worden geboden, waarbij een goed evenwicht wordt gevonden tussen de belangen van de huurders en verhuurders? Wat is uw standpunt met betrekking tot een maximale beperkte forfaitaire vergoeding bij opzegging voor drie maanden voor de inwerkingtreding van de overeenkomst? Bent u bereid een parlementair initiatief in die zin te steunen? 

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Schryvers, u vraagt of ik op de hoogte ben van deze problematiek. U hebt er in uw vraagstelling al naar verwezen: Titel 3 van het Vlaams Woninghuurdecreet legt een dwingend kader vast voor bepaalde aspecten van de studentenhuurovereenkomst. De mogelijkheid voor de student om de studentenhuurovereenkomst te beëindigen voor de inwerkingtreding ervan is een van die aspecten en is dus dwingend geregeld. Indien verhuurders bepaalde clausules opnemen in studentenhuurovereenkomsten, zal wel steeds moeten worden nagegaan of die al dan niet in overeenstemming zijn met het dwingende kader ervan.

Indien deze ontwijkingsconstructies in strijd zijn met de dwingende bepalingen van het Vlaamse Woninghuurdecreet, zijn ze niet toegelaten en kunnen ze betwist worden voor de rechter. Dat wist u ook al, want het kwam min of meer tot uiting in de vraag.

Kan er een oplossing worden geboden waarin er een beter evenwicht wordt teweeggebracht tussen de belangen van de huurders en die van de verhuurders, tussen die van de studenten en die van de kotbazen – als ik het zo even kort door de bocht mag zeggen? Ben ik bereid een beperkte forfaitaire vergoeding in te voeren? Alles hangt af van de praktijken die circuleren en of die in strijd zijn met het decreet. Wat nu al verboden is, moet niet opnieuw worden verboden. Dat lijkt me logisch.

Zoals u hebt vermeld in uw vraag, is de huidige tekst van artikel 64 van het Vlaamse Woninghuurdecreet met betrekking tot de beëindiging van de studentenhuurovereenkomst door de student voor de inwerkingtreding ervan, tot stand gekomen door amendementen van uw collega’s in deze commissie, namelijk collega’s Engelbosch, Partyka, De Vroe, Parys, Christiaens en De Bruyn. Zij hebben deze bepaling ingevoerd. In de verantwoording bij dat amendement wordt gesteld dat de voorgestelde wijziging het evenwicht tussen verhuurder en student beter tot stand brengt. U kent die amendementen, ik zal het dus niet helemaal voorlezen. Er werd door uw collega’s dus uitdrukkelijk niet gekozen voor de optie om de student steeds een opzeggingsvergoeding te laten betalen wanneer hij of zij de huurovereenkomst voor de inwerkingtreding ervan beëindigt. Dat stond dus niet in het initiële ontwerp, maar is wel toegevoegd aan het amendement.

Zal ik nog regelgevende initiatieven nemen? Neen, maar het staat het parlement uiteraard altijd vrij om dat al dan niet te doen.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben natuurlijk op de hoogte van het voorgaande in dezen. U zult ook wel weten dat ik al eerder in een conceptnota met betrekking tot de huur van studentenkamers mee deze problematiek onder de aandacht heb gebracht en een aantal voorstellen heb gelanceerd om mogelijk te komen tot een aanvaardbaar evenwicht.

Er is inderdaad, bij amendement, een nieuwe regeling ingevoerd in het ontwerpdecreet, zoals ik ze daarnet ook heb geschetst en waarnaar de minister ook heeft verwezen, net om dit evenwicht te vinden.

Maar, minister, u weet natuurlijk zelf heel goed dat we hier regelgeving maken vanuit bepaalde achtergronden en met bepaalde doelstellingen. Op sommige momenten constateer je dat de regelgeving ook een aantal neveneffecten kan hebben en dat er daardoor niet helemaal wordt bereikt wat je had beoogd. En dan moet je natuurlijk allemaal bereid zijn om dat onder ogen te zien en te kijken waar je moet bijsturen. Dat is inherent aan het voeren van een beleid. Het is geen goed beleid om geen oog te hebben voor de neveneffecten.

Het is natuurlijk nog heel vroeg. Dat erken ik. De nieuwe regelingen bestaan pas.

U zegt dat er een dwingend kader is. Dat is waar. Maar de vraag is natuurlijk of alle ontwijkingsmechanismen die ontstaan, wel ingaan tegen dat dwingende kader. Want er zijn er natuurlijk ook die strikt juridisch niet ingaan tegen het dwingende kader, maar die wel een aantal neveneffecten hebben die we niet hadden beoogd. Dat moet u toch ook erkennen. De vraag is dan of we bereid zijn op zoek te gaan naar hoe we die problematiek kunnen herstellen en eventueel tot een nieuw evenwicht kunnen komen.

U zegt dat u zelf geen initiatief zult nemen, maar dat het het parlement vrijstaat dat te doen. Wel, we zullen verder bekijken hoe we daarmee omgaan.

Ik wil u alleszins toch vragen dat in de toekomst vanuit het beleid, hoe dat er ook mag uitzien en wie ook de verantwoordelijkheid heeft, wordt gemonitord welke eventuele neveneffecten een aantal bepalingen hebben zodat er nieuw initiatief kan worden genomen om tegemoet te komen aan de initiële doelstellingen. In casu gaat het dan enerzijds over een student die op zoek gaat naar een kot, heel vaak in het voorjaar rond de paasvakantie, ergens een kot vastlegt maar vaak nog geen definitieve studiekeuze heeft gemaakt, en anderzijds over de verhuurder die er, wanneer hij een huurovereenkomst ondertekent, op rekent dat zijn kamer verhuurd is en niet het risico loopt dat die achteraf leeg blijft staan.

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Schryvers, uw analyse is terecht. Ik onderschrijf wat u zegt. Ik wil er wel op wijzen dat het de rechter is die beoordeelt of al dan niet wordt ingegaan tegen het dwingend kader. Ik kan gewoon ook niets meer doen. Een ontwerp van decreet moet een heel traject afleggen, een voorstel van decreet gaat veel sneller. Wanneer er dus binnen de meerderheid een consensus kan worden gevonden om dat alsnog aan te passen, kan dat gebeuren. Men zou ook kunnen opteren om even aan te zien hoe het in de toekomst zal verlopen maar dat laat ik volledig aan de vrijheid van het parlement. Ik kan echter geen decretaal initiatief meer nemen omdat alle ontwerpen van decreet vóór 1 februari ingediend moesten zijn. Vandaag is het 21 februari, dus dat gaat niet meer. Uw analyse is dus wel terecht maar misschien moet u nog een klein beetje geduld hebben om te zien hoe het in de praktijk concreet zal verlopen.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, u zult niet gehoord of gelezen hebben dat ik u heb gevraagd om een initiatief te nemen als minister, maar u hebt zelf gezegd dat u het niet meer zult doen. De timing is natuurlijk ook bekend. Ik had u gevraagd of u eventueel bereid bent om een parlementair initiatief te steunen.

Het minste dat we moeten doen, is heel goed nagaan wat er op het terrein gebeurt en of die evenwichten wel worden bewaard en de neveneffecten waar we nu voor vrezen er effectief komen, en dan eventueel ingrijpen. We zullen dat doen na verder overleg vanuit het parlement.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.