U bent hier

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, ik wil graag enkele vragen stellen over de toepassingen van aardwarmte. In de plenaire vergadering hebben we hier ook al over gesproken, maar er blijven toch nog vragen die belangrijk zijn met het oog op duurzame energie in Vlaanderen. We zijn er allemaal voorstander van, zeker rekening houdend met de klimaatuitdagingen waarvoor we staan. We moeten alles op alles zetten om duurzame energiebronnen te kunnen aansnijden.

België heeft de doelstelling om tegen 2020 13 procent van het eindverbruik uit hernieuwbare energiebronnen te halen. Daarvoor heeft Vlaanderen met de andere gewesten en de federale overheid een samenwerkingsakkoord afgesloten. In dat samenwerkingsakkoord is bepaald dat Vlaanderen zal instaan voor 25.000 gigawattuur hernieuwbare energie tegen 2020.

In het Warmteplan 2020 van uw voorganger, minister Tommelein, wordt een productieprognose gemaakt voor diepe geothermie met een aandeel van 164 gigawattuur tegen 2020. Diepe geothermie is een techniek om warmte uit de aarde te onttrekken door middel van water. Een pompsysteem haalt het water boven de grond waar een warmtewisselaar de warmte eruit haalt en vervolgens het koude water opnieuw naar beneden stuurt. Hoe dieper de boorput, hoe warmer het water.

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is met een eerste onderzoeksproject bezig in Mol en er zijn ook plannen om diepe geothermie toe te passen op de terreinen van Janssen Pharmaceutica in Beerse. De raming voor de hoeveelheid warmte uit diepe geothermie in het Warmteplan omvat de twee projecten in Mol en Beerse.

Uit eerdere studies bleek dat de structuur van de ondergrond in de Kempen en in Limburg beantwoordt aan de voorwaarden die nodig zijn voor diepe geothermie. VITO experimenteerde met drie boorputten om op zoek te gaan naar aardwarmte. De derde diepe put die werd geboord, had spijtig genoeg niet het gehoopte resultaat, dat we al hebben besproken.

Minister Muyters heeft in de plenaire vergadering van 23 januari gezegd dat het project nog in een experimentele fase zit en dat het nog te vroeg is voor een verdere uitrol van het project. Anderzijds staat daartegenover wel dat we vandaag al bezig zijn met de aanleg van warmtenetten in een bouwsteenmodel om klaar te zijn wanneer de techniek van diepe geothermie op punt staat. Ik hoop dat er snel vooruitgang in zal zijn. Als we eerst zouden wachten op de techniek en dan pas beginnen met de aanleg, komen we te laat. Dat was ook het resultaat van eerdere besprekingen. Warmtenetten aanleggen heeft tijd nodig. Er zijn vandaag projecten. Er zijn vandaag bedrijventerreinen en woongebieden waar we de overstap naar warmtenetten zouden kunnen maken. Vandaar dat we willen werken met het bouwsteenmodel en dat er keuzes moeten worden gemaakt.

De wetgeving legt op dat wie een warmtenet in dienst neemt met een conventionele warmtebron, die warmtebron binnen de vijf jaar moet verduurzamen. Vandaag zien we dat de garantie op een duurzame warmtebron binnen de vijf jaar nog moeilijk te garanderen is. Onderzoek loopt nog en wie kan er een garantie geven? Het blijft een vraagteken. Wie durft nog het risico te nemen, buiten een aantal gemeenten die wel het voortouw willen nemen, om effectief warmtenetten aan te leggen en om binnen de vijf jaar die garantie te geven? Ik voel aan dat andere gemeenten terughoudender zijn, evenals andere initiatiefnemers. Ze vragen zich af of ze die garantie kunnen geven. Wat als die er niet is? Welke engagement kunnen ze nemen? Wat hangt er dan effectief boven het hoofd?

Dat leidt ons naar een kip-eidiscussie. Vanuit het Streekplatform Kempen werd een tijd geleden een nota opgemaakt met aanbevelingen aan de minister waaronder het aanpassen van deze termijn om de omschakeling toe te laten. Ook op een studiedag over groene warmte van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) werd de verplichting tot het verduurzamen van een warmtebron binnen een periode van vijf jaar door sommigen als een belemmering voor de aanleg van warmtenetten gezien.

Minister, wie is verantwoordelijk voor het realiseren van deze verduurzaming na vijf jaar? Wat zijn de gevolgen indien er binnen de vijf jaar geen duurzame bron is? Welke bescherming genieten deze initiatiefnemers, pioniers, als de duurzame energiebron niet binnen de vijf jaar gevonden wordt?

Bent u bereid om deze periode te verlengen, eventueel onder bepaalde voorwaarden? Of bent u bereid om op zijn minst hierover het debat op korte termijn aan te gaan omdat dit prangend is en op het terrein de vraag wordt gesteld? Moeten we omschakelen naar warmtenetten? Is het interessant? Misschien wel, maar er hangt iets boven het hoofd. Nu zijn er gemeenten die beslissen om bepaalde netten wel of niet aan te leggen.

Het omgekeerde zou ook kunnen: een warmtenet wordt gevoed met de restwarmte van een bedrijf. Stel dat als gevolg van wijzigingen in haar productieproces, de firma beslist om geen warmte meer te leveren. Is dat de verantwoordelijkheid van de fabriek of van de eigenaar van het warmtenet? Wat zijn dan de financiële gevolgen voor dat project?  Stel dat er bijvoorbeeld een faillissement is en het bedrijf wordt onmiddellijk stilgelegd, dan valt de warmtetoevoer weg. Is er in een overbrugging voorzien als men niet over een back-upsysteem zou beschikken? 

Ik verwijs ook nog naar het project in Beerse. Hebt u een zicht op de eerste resultaten van de proefboringen die gebeuren in Beerse? Wat  is de stand van zaken?

Kunt u, rekening houdende met de resultaten van de eerste boringen, aangeven wat de productieprognose nu is tegen 2020? Zal de productieprognose die opgenomen is in het Warmteplan 2020, worden bereikt en/of welke stappen zijn nog nodig om dit te bereiken?

Minister Peeters heeft het woord.

Minister Lydia Peeters

Mevrouw Rombouts, in de eerste plaats wil ik aangeven – en dat is vooral de verdienste van mijn voorgangers – dat we sinds de start van deze legislatuur een aantal ondersteuningsmaatregelen hebben ingevoerd voor de toepassing van aardwarmte uit de diepe ondergrond. De calls groene warmte bieden een investeringssteun voor de aanleg van warmtenetten op basis van geothermie. We hebben op die manier al 14 miljoen euro investeringssteun toegekend. Er werd een garantieregeling ingevoerd die de schade ten gevolge van het geologisch risico bij boringen dekt. We nemen deel aan het Europese GEOTHERMICA-project om onze knowhow over geothermie verder uit te bouwen. De energieprestatieregelgeving werd aangepast, zodat de periode om een warmtenet gefaseerd uit te bouwen, verlengd werd tot vijf jaar. Daarnaast werd ook een gunstige rekenmethode uitgewerkt voor de berekening van het E-peil.

Met deze info als achtergrond beantwoord ik graag uw vragen. Gezien de omslag die we moeten maken, kunnen we ons niet veroorloven dat projecten die in eerste instantie als zeer energiezuinig en duurzaam verkocht worden, niet als dusdanig gerealiseerd worden. De verantwoordelijkheid om de energieprestatieregelgeving na te leven, ligt in de eerste plaats bij de bouwheer. Indien hij hiervoor afspraken heeft gemaakt met derden om duurzame energie te leveren, zal hij wellicht aankloppen bij deze leveranciers die hun oorspronkelijk engagement niet zijn nagekomen.

Een mogelijke oplossing is dat deze energieleveranciers alsnog overschakelen op een andere energiebron die aan de voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld een biomassacentrale of restwarmte.

Puur EPB-matig gezien is het echter ook mogelijk om te voldoen aan de regelgeving met een warmtenet dat wordt gevoed vanuit een fossielewarmtecentrale. Het belangrijkste is dus dat bouwheren hun gebouwen het best zo energiezuinig mogelijk ontwerpen, zodat, indien een geothermieproject niet kan worden gerealiseerd, nog aan het maximale E-peil kan worden voldaan.

In geval van overmacht willen we echter een bijkomende optie onderzoeken om onder strikte voorwaarden een beperkte periode van uitstel te kunnen toelaten. Die mogelijkheid moet evenwel nog verder worden uitgewerkt en zal in de komende maanden dan ook verder worden besproken met onder meer Warmtenetwerk Vlaanderen.

Wat de productieprognoses betreft, de subdoelstellingen worden jaarlijks geëvalueerd naar aanleiding van het zogenaamde onrendabeletoppenrapport dat het Vlaams Energieagentschap (VEA) jaarlijks opstelt tegen eind juni. Met het eerstvolgende rapport zal ook een evaluatie gebeuren die rekening houdt met de stand van zaken en de resultaten van de projecten in Mol en Beerse. Die diverse projecten zijn momenteel nog in een opstartfase. Dat weet u. Het is op dit ogenblik dan ook nog te vroeg om al uitspraken te doen over de warmteproductie die we daar uiteindelijk kunnen verwachten. De aanvraag voor het gebruikmaken van de garantieregeling voor de boring in Beerse is nog in behandeling. Indien die aanvraag wordt goedgekeurd, zullen de boringen starten in oktober en wellicht zijn afgewerkt in 2020. De vooropgestelde productie uit het Warmteplan blijft voorlopig dan ook ongewijzigd.

De voorziene bijdrage van geothermie aan de totale energiedoelstellingen voor 2020 is relatief beperkt. In het Energieplan dat de Vlaamse Regering midden 2018 opstelde, bedraagt de bijdrage uit geothermie voor 2020 ongeveer 0,7 procent van de totale productie uit hernieuwbare bronnen. We moeten dan ook realistisch zijn. De totale realisatieperiode van een geothermieproject loopt over meerdere jaren. Dat hebt u zelf ook al aangehaald. Daarom zullen we vooral een groei verwachten in de periode 2020-2030.

Ik hoop dat ik daarmee al uw vragen heb beantwoord.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw heel duidelijk antwoord. De afgelopen jaren heeft de Vlaamse Regering, heeft de minister van Energie inderdaad heel duidelijk een positieve houding gehad ten aanzien van diepe geothermie en het mogelijke potentieel dat er op dat vlak is. Ik ben daar ook blij mee.

We moeten dus onze verantwoordelijkheid nemen en er alles aan doen om die techniek goed te onderzoeken en ook de uitrol op een goede manier verder te begeleiden. Het is echter een nieuwe techniek, en dat maakt dus inderdaad dat we ook wel in een leerproces zitten. We moeten de zaken dus goed opvolgen.

We moeten ook kritisch durven bij te sturen als dat nodig is. In die zin ben ik ook blij met uw engagement om een en ander te bekijken in bepaalde gevallen van overmacht. Daar gaat het immers uiteraard over. Dat kan geen bewuste keuze zijn, daar hebt u helemaal gelijk in: projecten die worden vooropgesteld, moeten realistisch opgesteld zijn. Dat kan geen vodje papier zijn, bij wijze van spreken, waarbij men de plannen dan maar volledig omkeert omdat men het niet haalt.

Er zijn echter wel risico’s aan. Willen we niet terechtkomen in het verhaal van de kip of het ei, dan is een dekking voor een nieuwe techniek wel belangrijk. Ik ben dus blij met het engagement dat u aangaat om, in geval van overmacht en onder strikte voorwaarden, toch te bekijken op welke manier er voor extra zekerheid of een extra verzekering kan worden gezorgd zodat de uitrol van de warmtenetten vlot verder kan verlopen.

Wat de opvolging van de andere projecten betreft, kijk ik uiteraard ook uit naar de verdere resultaten.

Ik kom nog even terug op het overleg met Warmtenetwerk Vlaanderen. Er zijn nog heel wat andere partners, ook bij het streekplatform, ook bij de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO). Er zijn bijvoorbeeld de warmtemanagers bij de Intercommunale van de Ontwikkeling van de Kempen (IOK), die bezig zijn met die warmtenetten. Er zijn een aantal bedrijven. Ik wil dus de suggestie doen om ook hen te betrekken bij dat overleg.

De heer Danen heeft het woord.

Ik heb vorige week ook minister Muyters ondervraagd over dit soort aangelegenheden, maar het is goed dat dit thema regelmatig op de agenda komt.

Zon, wind en warmte zijn drie van de hernieuwbare-energiebronnen waarop we inzetten om onze hernieuwbare-energiedoelstellingen te halen. In haar vraagstelling zei de collega – en dat staat inderdaad ook in het Warmteplan zelf – dat er een productiedoelstelling is gemaakt voor 2020 van 164 gigawattuur. Bij mijn weten is 2020 volgend jaar al. Ik zou dus weleens willen weten wat momenteel de stand van zaken is. Ik heb gehoord dat u zei dat de stand van zaken tegen juni telkens moet worden geüpdatet. Wat was die dan in juni 2018? Als we volgend jaar die 164 gigawattuur moeten halen, dan moeten we immers nu al op het pad daarnaartoe zijn.

Die duurzame bron moet dus binnen de vijf jaar worden aangewend. U hebt op die vraag geantwoord. Ik heb ook begrepen dat u daar eventueel van wilt afwijken. Gaat het dan om een gemotiveerde afwijking? Wat zijn de modaliteiten om daarvan te kunnen afwijken?

Minister Peeters heeft het woord.

Minister Lydia Peeters

Mevrouw Rombouts, we nemen uw bijkomende suggestie zeker mee om eventueel ook andere partners daarbij te betrekken, naast Warmtenetwerk Vlaanderen. Ik denk dat dat geen probleem zal zijn.

Collega Danen, dan was er uw vraag of we onze doelstelling voor 2018 halen. Men meldt me dat die cijfers net binnen zijn. De verwachte productie voor 2018 bedroeg 8473 gigawattuur op basis van de subdoelstelling; de inschatting van de reële productie voor 2018 bedraagt 7731 gigawattuur. Over dat eventuele uitstel hebben we gezegd dat dat onder strikte voorwaarden is. Er wordt verder onderzocht in welke mate dat mogelijk is. Het is dus sowieso geen vrijbrief, absoluut niet. Onder strikte voorwaarden en ook voor een beperkte periode zal er desgevallend uitstel kunnen worden verleend, maar ook daarover kunnen we pas later meer informatie geven.

Ik hoop dat daarmee uw vragen voldoende zijn beantwoord.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.