U bent hier

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Ik ga ook eerst een kort gedicht voorlezen. Ik heb daarvoor gekozen voor de dichteres Judith Herzberg, die onlangs nog de Nederlandse Prijs der Letteren gekregen heeft. Het moet gezegd, haar oeuvre is indrukwekkend en haar gedichten zijn soms door hun eenvoud zo mooi. Het was dus moeilijk kiezen, maar met de sneeuw van de laatste dagen heb ik dan gekozen voor ‘En of het hier gesneeuwd heeft’.

Eerste sneeuw. Ja, eerste sneeuw,
maar wie heeft oog voor de laatste,
de laatste sneeuwpop, het smelten
van de voeten, wie let daarop?

Zo gaat het ook met pijn.
Je voelt het onbarmhartige
begin maar het verdwijnen
maak je op uit het verdwenen zijn.

En dan over naar de vraag – het past er misschien ook perfect bij: de optimalisatie van de Vlaamse-Nederlandse culturele samenwerking.

We hebben tijdens deze bestuursperiode werk gemaakt van een verbeterde afstemming tussen alle culturele spelers in Vlaanderen en Nederland. Het was niet altijd een gemakkelijke oefening. We hebben daarvoor ook externe expertise ingeschakeld. Maar ondertussen kunnen we toch wel zeggen dat daar stappen vooruit zijn gezet, al was het maar dat het ook een proces in gang heeft gezet van enerzijds interne reflectie bij de organisaties zelf over wat hun doelstellingen en hun corebusiness zijn, en anderzijds van dialoog tussen de verschillende spelers over hoe ze elkaar kunnen aanvullen en hoe ze kunnen samenwerken.

Dat is toch wel een goede oefening geweest en het heeft ook voor een deel vorm gekregen in de nieuwe beheersovereenkomsten. Ik vond het interessant op de laatste bijeenkomst van de Taalunie om met de verschillende betrokken spelers van gedachten te wisselen, want we hebben afgebakend met welke spelers we de oefening zouden doen. Misschien kunnen de collega's die daar ook aanwezig waren, beamen dat er positief op wordt teruggekeken, zoals we al zeiden. Er wordt beter samengewerkt. Er is formeel en informeel overleg met elkaar. Daardoor komen ze automatisch tot een betere afstemming. Ook de interne reflectie heeft wel wat veroorzaakt. Die oefening heeft dus al wel wat vruchten opgeleverd. Uiteraard staat een dergelijke oefening nooit stil, ze moet geïmplementeerd worden. Ook de maatschappelijke evoluties veranderen.

Nu we aan het einde van de legislatuur zijn, had ik graag aan u gevraagd of er nog een vorm van evaluatie komt van waar we nu staan, vooral met het oog op de toekomst. We hebben een aantal zaken in gang gezet. Wat is daar positief aan? Waar moeten we nog extra aandacht aan besteden? Als u mij vraagt wat de rol van Vlaanderen moet zijn, is dat faciliteren, regisseren en ondersteunen. Hoe kunnen we op korte termijn, de volgende jaren, die rol verder opnemen? Welke prioriteiten zien we daarin? Wat kunnen we achterlaten als een soort testament van deze oefening die in deze legislatuur is opgestart maar die niet af is?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

De reflectie-oefening werd eind 2017 afgerond. Voor het Vlaams-Nederlands Huis deBuren, de Brakke Grond en Ons Erfdeel werden de gemaakte afspraken inmiddels verankerd in een beheersovereenkomst voor de periode 2018-2020. Tijdens deze periode vinden regelmatig overlegmomenten plaats tussen de respectieve organisaties – dat zal dus wel blijven voortgaan, daar hebben we ook voor gezorgd – en wordt er ook een visitatiecommissie gepland die onder meer de verankering van de aandachtspunten van de reflectie-oefening zal beoordelen. Dat is geen formele evaluatie met een eindpunt maar eerder een ‘ongoing’ evaluatie. Dat willen we zeker wel doen. Het houdt dus ook niet op.

Waar moeten we verder op inzetten? Het beter ondersteunen en beter begeleiden van initiatieven die bottom-up tot stand komen tussen Vlaamse en Nederlandse organisaties in het culturele veld verdient zeker de komende tijd speciale aandacht. Hiervoor maakte ik alvast extra middelen vrij, namelijk een bescheiden bedrag van 50.000 euro. Daarmee kan de Brakke Grond een traject opstarten om de wegwijsfunctie uit te bouwen voor cultuurmakers, in het bijzonder opkomende cultuurmakers in Vlaanderen die in Nederland speelplekken willen vinden. Ook Nederland overweegt hier met een extra budget op aan te sluiten, zodat we het cultureel grensverkeer alsnog kunnen versterken. We doen dit omdat we denken dat de oefening met de grotere instellingen nu achter de rug is en verder aan de gang wordt gehouden, maar we merken dat er rond die grotere instellingen heel veel intense cultuursamenwerking gebeurt waar we, zeker voor het jonge talent, nog verder versterking kunnen bieden.

Met de reflectie-oefening zijn we geslaagd in de doelstelling om de instellingen die opereren binnen de samenwerking echt wel meer op elkaar te laten afstemmen en in een netwerk te laten werken. Ik denk dat we een sterke impuls hebben kunnen geven aan de Nederlandse Taalunie, die weer krachtiger in haar inhoudelijke rol komt te staan. Met het cultuurmakerstraject van de Brakke Grond, waar ik daarnet naar verwees, geven we aan dat de Vlaams-Nederlandse culturele samenwerking toch wel ruimer gaat dan over deze instellingen alleen.

De reflectie-oefening heeft dus waarschijnlijk het meest haalbare opgeleverd binnen de grenzen van de bestaande verdragen. Indien de volgende Vlaamse Regering de culturele relaties met Nederland een nog groter elan zou willen geven – dat moet voor mij niet –, moet ook een heroverweging van de huidige verdragen besproken kunnen worden. Dit is een zin die gemakkelijk op het einde van een antwoord op een parlementaire vraag kan worden uitgesproken, maar die natuurlijk heel omvattend is.

In het algemeen denk ik dat we een aantal nuttige zaken in gang hebben gezet. De dynamiek om die instellingen beter te laten werken en te laten samenwerken, is er wel degelijk. Als we nu opnieuw wat meer oog beginnen te krijgen voor de omringende dynamiek, denk ik wel dat we pakweg binnen twee jaar, ik zeg maar wat, een nieuwe ijkpuntevaluatie kunnen maken om te zien of dit nu heeft opgeleverd wat we ervan verwachtten. In alle andere gevallen, wanneer men echt wil beginnen te schakelen of schuiven, komt men dan toch weer bij de verdragen uit. Het is een open vraag of dat de beste manier is om vooruit te gaan. Ik weet het niet.

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Dank u wel, minister. Ik deel uw mening dat we met die oefening stappen vooruit hebben gezet, vooral in de afstemming, het overleg met elkaar en het zoeken naar de eigen identiteit. De grote spelers, die heel veel gingen doen, reflecteren nu over wat hun echte sterkte is en wat belangrijk is dat ze gaan doen in het veld. De Brakke Grond evolueert voor een stukje van een soort presentatieplatform naar eerder een kennisknooppunt waar alle spelers, vooral kunstenaars en jonge kunstenaars, terecht kunnen, waar ze niet alleen kunnen presenteren maar waar ze ook met alle andere vragen terecht kunnen die dan doorgestuurd worden. Het gaat ook niet alleen tussen Vlaanderen en Amsterdam maar tussen heel Vlaanderen en heel Nederland. Ik denk dat zij wel op de goede weg zijn.

Ik vergelijk nog altijd met de impuls die is gegeven in het kader van de Vlaams-Nederlandse samenwerking, zowel aan Vlaamse als aan Nederlandse kant, met betrekking tot samenwerkingen tussen de kunstenaars.

Het ontsnapt me nu hoe het precies heette. We zouden met zoiets toch nog verder kunnen experimenteren.

U zegt terecht dat als we nog verder willen gaan, we dan toch eens goed moeten nadenken over die verdragen. Ze zijn waardevol, maar we moeten ook wel vaststellen dat we over het verdrag intern moeten reflecteren. Vooral aan Nederlandse kant stellen we weinig animo vast. Zonder nu te zeggen dat we het verdrag op de schop moeten nemen. Het lijkt me een waardevol middel, maar we stoten op een aantal zaken. Ik denk bijvoorbeeld aan het feit dat onze regeringsperiode niet vijf jaar gelijkloopt met de Nederlandse, waardoor we heel vaak met nieuwe collega’s worden geconfronteerd die tijd nodig hebben om zich in te werken in wat de Taalunie doet. Er heerst hoe dan ook een andere mentaliteit in Vlaanderen en Nederland om op het vlak van taal en cultuur samen te werken, al stelt niemand echt ster discussie of er moet worden samengewerkt, wel over hoe je die samenwerking invult. Daarover moet ook eens ten gronde worden nagedacht.

Wat ik wel heb gehoord in de gedachtewisseling met de verschillende spelers is dat, als we onze rol als facilitator en regisseur in Vlaanderen willen opnemen en de spelers in het veld hun werk willen laten doen, wij als politici en beleidsmakers de prioriteiten moeten vastleggen. Volgens de spelers zelf waren er drie prioriteiten. Ze willen ten eerste dat we verder inzetten op het ontwikkelen van talent. Ze vinden ten tweede leesbevordering en leesplezier belangrijk om iedereen in onze maatschappij vooruit te helpen. In een kenniseconomie is lezen een basisnoodzaak. Leesbevordering kan niet alleen vanuit het onderwijs komen, maar we moeten daar verder op inzetten. Ten derde moet onze inclusieve maatschappij toegankelijk zijn voor iedereen.

Vindt u die drie prioriteiten ook belangrijk?

Moeten we als politici die prioriteiten dan niet vooropstellen in een volgende legislatuur?

De heer Caron heeft het woord.

Er zijn zinvolle kleine stapjes gezet. Maar het gaat niet gemakkelijk, ook omdat we aan onze noordergrens niet meteen enthousiaste buren hebben die die samenwerking als een meerwaarde erkennen. Dat is gewoon de realiteit. Dat voel je heel sterk in de Nederlandse Taalunie.

Ik wil toch even opmerken dat het project BesteBuren van enkele jaren geleden wel effect heeft gehad. Ik zie dat nu ook in de samenwerking tussen Vlaanderen en Hauts-de-France, bijvoorbeeld. Als je dit soort projecten enkele jaren laat lopen, kunnen daar wellicht enkele vormen van structurele of toch diepgaandere samenwerking uitgroeien. Ik blijf, net zoals mevrouw Coudyser, wel een aanhanger van dit soort orangistische vorm van samenwerking omdat we toch een taal delen en meer cultuur kunnen uitwisselen.

Ten slotte maak ik mij zorgen over de Nederlandse Taalunie. Ik weet wel dat er een herstel is geweest, laat dat duidelijk zijn, maar toch vraag ik me af hoe het verder moet, zeker als je hoort dat de Nederlandse collega’s de Taalunie als een niet zo belangrijke instelling beschouwen. Ik ben dus geen vragende partij om meteen de verdragen te herzien want dat zou, vrees ik, geen verbetering opleveren.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik kan mij zeker vinden in de prioriteiten die door mevrouw Coudyser werden gesuggereerd, maar het is niet meer echt aan mij om deze naar een volgende fase te brengen. Ze leggen zeker goede klemtonen waarmee iets moet of kan gedaan worden.

Net zoals het matching fund, zoals dat dat zo mooi heet, dat we met de Franse Gemeenschap en Hauts-de-France hebben. Ik vind dat we dit in een volgende legislatuur ook met Noordrijn-Westfalen moeten kunnen doen. Dat is goed voor onze Nederlandse vrienden. We hebben al heel veel middelen voor die Vlaams-Nederlandse samenwerking, veel meer dan met die andere partners. Dat zijn goede zaken om naar de volgende legislatuur mee te nemen.

Ik deel inderdaad ook de voorzichtigheid rond de herziening van het verdrag. Als wij dat debat zouden willen aansnijden, zouden wij dat wel eens onbevangen en enthousiast kunnen doen. Maar we hebben nu in elk geval een sterk verankerde samenwerking. Ik weet niet waar we exact zouden uitkomen als we dat verdrag zouden openen. Ik druk mij wat algemener uit dan de heer Caron. In die zin is het misschien zinvoller om op inhoudelijke prioriteiten in te zetten. Samenwerkingsprojecten op het terrein hebben een grotere verankering dan het algemene brede debat.

Globaal mogen we ons toch nog altijd verheugen in een goede en evidente samenwerking. Zo’n samenwerking moet je af en toe ook herijken, maar ze is er natuurlijk wel. Het is niet zo dat we helemaal niets hebben. Die wederzijdse appreciatie en samenwerking zijn er wel. Dat maakt het na twintig of zelfs veertig jaar vanuit een ruimer historisch perspectief wat intrigerender.

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Ik denk dat wij hier allemaal diezelfde meningen delen. Ik ben ook blij met zo’n matching fund en vind dat die piste wel eens verder bewandeld moet worden. Wat de Taalunie betreft, zullen we misschien eerst voorzichtig onder Vlamingen moeten nadenken hoe we dat zo goed mogelijk aanpakken.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.