U bent hier

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Voorzitter, onze twee vragen gaan over hetzelfde onderzoek. Ik heb ook vorige week gelijkekansenminister Homans ondervraagd over het gevolg dat ze vanuit het beleid zou geven aan dat heel interessante en belangwekkende onderzoek van de UGent, dat trouwens werd gefinancierd via het Vlaamse gelijkekansenbudget en waarin men peilde naar seksueel georiënteerd geweld bij vrouwen met een beperking in Vlaanderen. Het onderzoek is belangrijk omdat voor het eerst aan die vrouwen het woord wordt gegeven in deze context, en omdat men ook een methodiek heeft gevonden om dat rustig en zo objectief mogelijk te kunnen doen.

Het is echter ook belangwekkend omdat de resultaten zo confronterend zijn, omdat blijkt dat die vrouwen bijna allemaal met dat geweld worden geconfronteerd, meerdere malen in hun leven. Een van de conclusies is ook dat ook blijkt dat verscheidene van die vrouwen dat geweld zelfs ‘normaal’ vinden, dat ze denken dat dat deel uitmaakt van het gewone leven, dat ze daar zelfs met niemand over spreken, ook om die reden, niet alleen omdat het een taboe is of ze het niet zouden durven of het niet altijd kunnen verwoorden, wat natuurlijk ook een probleem is, voor alle slachtoffers van geweld trouwens, maar omdat dat in hun ogen als een normale zaak, als een noodlot overkomt.

Dit is dus echt een onderzoek dat beleidsopvolging vraagt. Ik had minister Homans gevraagd wat ze van plan was te doen met dit onderzoek, en in grote lijnen heeft zij eigenlijk verwezen naar de andere collega’s van de Vlaamse Regering. Ze heeft ook gesteld dat de coördinatie van een dergelijk beleid eigenlijk past in het nationaal actieplan tegen gendergerelateerd geweld en in handen is van de Vlaamse minister van Welzijn.

Interessant is natuurlijk dat ook minister Homans haar eigen verantwoordelijkheid niet uit de weg gaat en dus een aantal concrete pistes uittekent van wat ze binnen haar eigen bevoegdheden zou kunnen doen. Na een gedachtewisseling heeft ze ook het engagement op zich genomen om onmiddellijk tot vervolgonderzoek over te gaan, dus om met de onderzoekers opnieuw rond de tafel te gaan zitten en te bekijken hoe men dat onderzoek verder kan verdiepen en uitbreiden.

Ook naar aanleiding van mijn vraag en de manier waarop die vraag haar weg heeft gevonden via de sociale media heb ik berichten en reflecties gekregen van een aantal mensen die hiermee worden geconfronteerd, in het bijzonder ook van mannen met een beperking, die uiteraard ook met een dergelijke vorm van geweld worden geconfronteerd en vragen dat men ook voor hen aandacht zou hebben, dat men bekijkt hoe men die cultuur kan wijzigen en waar zij terecht zouden kunnen voor hulp.

Minister Homans is daar dus positief op ingegaan. Ik verwacht dat het onderzoek wordt voortgezet, maar er is natuurlijk veel meer te doen dan onderzoeken. Ik denk dat de studie op zich toch wel al heel wat materiaal aanreikt voor een concreet beleid.

Minister, ik wil me dan richten tot u. U bent de coördinator van het nationaal actieplan tegen gendergerelateerd geweld. Hebt u kennis genomen van het onderzoek en van de aanbevelingen die door de onderzoekers werden geformuleerd?

Hoe zult u binnen uw beleid dit onderzoek opvolgen? Ik heb het belang ervan al onderstreept.

In welke mate is er binnen het huidige nationale actieplan over gendergerelateerd geweld aandacht voor deze doelgroep? Hoe wordt binnen dat globale actieplan aan de aanbevelingen tegemoetgekomen? De aanbevelingen van de onderzoekers hebben immers ook betrekking op politie, justitie en dergelijke. Die bevoegdheden behoren tot het federale niveau.

Minister, misschien bent u al vooruitgelopen op die resultaten en kunnen er al beleidsresultaten of goede praktijken worden voorgelegd?

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Voorzitter, mevrouw de Bethune heeft het probleem al heel goed en duidelijk geschetst. De vraag werd inderdaad ook gesteld in de commissie Wonen, Armoede en Gelijke Kansen. Maar we zien toch ook heel wat bevoegdheden voor u, minister, binnen Welzijn.

Voor wat betreft de opleiding van het personeel is erkenning belangrijk. Daaraan moet bij het ter sprake brengen van dit onderwerp meer aandacht worden besteed. Daarnaast is ook de nazorg voor de slachtoffers van groot belang. Dat was een van de punten die daar naar voren kwamen.

Minister, hoe zult u met de aanbevelingen van het onderzoek omgaan? Welke maatregelen zult u nemen? Kunt u daar een termijn op kleven?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, ik ben het uiteraard met minister Homans eens dat de gevolgen van seksueel geweld zeer ingrijpend zijn, zowel op emotioneel, lichamelijk, psychisch als relationeel vlak, in het bijzonder ook voor kwetsbare personen zoals minderjarigen en personen met een beperking.

In het Vlaamse regeerakkoord hebben we binnen het horizontale gelijkekansenbeleid een van de drie klemtonen gelegd op preventie en bestrijding van alle vormen van geweld en op gepaste nazorg voor de slachtoffers van geweld.

Het onderzoek van de Universiteit Gent ‘Seksueel georiënteerd geweld bij vrouwen met een beperking in Vlaanderen’ wijst op een breed maatschappelijk probleem, dat effectieve implementatie van de aanbevelingen vergt in alle settings waar personen met een handicap slachtoffer kunnen worden van seksueel geweld en dat dus binnen alle beleidsdomeinen moet worden geïmplementeerd. Het door de Vlaamse minister van Gelijke Kansen gevraagde onderzoek is, zoals de onderzoekers zelf aangeven, exploratief opgevat en gaat dieper in op de verhalen van slachtoffers. Het onderzoek kan ongetwijfeld zijn nut bewijzen voor de benadering van personen met een handicap die seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben ervaren.

Belangrijk is te wijzen op het feit dat uit het onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken over het al of niet vaak voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van personen met een handicap. Dat neemt niet weg dat dit soort onderzoek zeldzaam is en zowel voor het beleid als voor de bejegening van individuele casussen wel een belangrijke meerwaarde heeft.

In de huidige legislatuur hebben we, zoals gesteld, van het bestrijden van geweld in alle mogelijke settings een beleidsprioriteit gemaakt. Samen met de andere deelstaten en de federale overheid werd het bestrijden van geweld een van de prioriteiten in de kadernota ‘Integrale veiligheid’ en in het nationaal veiligheidsplan. Het nationaal actieplan ‘Gendergerelateerd geweld’ vormt de onderbouw voor de kadernota ‘Integrale veiligheid’. De verdere beleidsdomeinoverschrijdende aanpak van de onderzoeksresultaten uit dit onderzoek kan worden vertaald naar maatregelen in het nieuwe nationaal actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld. De Vlaamse beleidsdomeinen Welzijn, Onderwijs en Gelijke Kansen geven mee vorm aan dit actieplan, dat opgemaakt wordt onder coördinatie van het federaal Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM).

Ik kom nu terug op de aanbevelingen van dit onderzoek. Vele beleidsaanbevelingen uit het onderzoek zijn al gerealiseerd.

Seksueel geweld is in het kwaliteitshandboek dat de overheid oplegt aan de organisaties een onderdeel van de procedures rond grensoverschrijdend gedrag. De verplichting om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen, te detecteren, er gepast mee om te gaan, te melden aan de functioneel bevoegde administratie en daar een registratie van bij te houden, werd opgelegd aan de welzijns- en gezondheidssectoren. Dit vergde een aanpassing van de respectieve kwaliteitsregelgevingen en voor de overheid een hierop aansluitend handhavingsbeleid. In alle sectoren is deze regelgeving in werking getreden.

Ondertussen is dus al in regelgeving verankerd dat voorzieningen voor personen met een handicap moeten beschikken over een intern beleid inzake grensoverschrijdend gedrag, en in het bijzonder over grensoverschrijdend seksueel gedrag. Hierbinnen dient er aandacht te zijn voor detectie en preventie van grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast dienen de voorzieningen feiten van grensoverschrijdend gedrag, en dus ook seksueel grensoverschrijdend gedrag, te melden aan de bevoegde administratie. Met betrekking tot personen met een handicap volgt het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) op of de voorziening gepast reageert, dit wil zeggen of ze bij strafrechtelijke feiten de nodige stappen neemt om de rechten van de persoon met een handicap te vrijwaren, zoals het neerleggen van een klacht bij de politie.

De VAPH-voorzieningen nemen dit soort feiten, de seksuele en de andere grensoverschrijdende, zeer ernstig. Als feiten zich voordoen, wordt er, direct en op maat van de betrokkenen, nazorg geboden. De sector werkt daarvoor goed samen met de  Vertrouwenscentra Kindermishandeling, die bijzondere deskundigheid voor de doelgroepen van het VAPH hebben opgebouwd.

Het melden aan het VAPH staat los van het melden aan de politie.

Na elke melding van een ernstig feit bezoekt Zorginspectie de betrokken voorziening. Dat bezoek resulteert in een grondige doorlichting van zowel de case als de globale aanpak van de voorziening rond dit thema. Op de uitvoering van deze verplichtingen wordt ook toezicht uitgeoefend. Zorginspectie heeft bovendien een sectorale, thematische inspectieronde gevoerd naar grensoverschrijdend gedrag met bijzondere aandacht voor ongewenst seksueel gedrag jegens personen met een handicap bij de voorzieningen. Deze inspecties zijn gestart in 2016 en liepen verder in 2017. De ronde is beëindigd in 2018. 230 organisaties in de VAPH-sector werden bezocht. Het rapport is in opmaak.

De suggestie van een ‘meldcode’ is dus gerealiseerd door de wettelijk opgelegde meldingsplicht bij feiten, binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek, aan het specifiek daarvoor ingerichte meldpunt van het VAPH, of door burgers rechtstreeks aan het nummer 1712.

Met Sensoa werd de methodiek van het Vlaggensysteem ook voor organisaties en voorzieningen in de sector voor personen met een handicap verder ontwikkeld. Het Vlaggensysteem is ondertussen goed ingeburgerd in de sector als methodiek om seksueel gepast en ongepast gedrag van elkaar te onderscheiden, te sensibiliseren hierrond en adequaat hierop te reageren.

Daarnaast geeft het VAPH een subsidie aan het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Vlaams-Brabant. Hierdoor kunnen alle voorzieningen voor personen met een handicap een beroep doen op dit centrum, en dit zowel om advies te krijgen inzake preventie, als om de voorziening te ondersteunen in de hulp en begeleiding aan gebruikers binnen de voorziening die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld. Uit de meldingen blijkt dat dit centrum in de praktijk ook regelmatig wordt ingeschakeld.

De problematiek is echter ruimer dan seksueel geweld binnen de voorzieningen. Het onderzoek toont aan dat ook binnen andere contexten personen met een handicap het slachtoffer kunnen worden van seksueel geweld. Seksueel geweld is verder ook slechts één aspect, gezien het vaak in combinatie met andere vormen van geweld, zoals fysiek, psychologisch, economisch enzovoort voorkomt.

Het past daarom ook in dit kader, zonder hier uitgebreid op in te gaan, te verwijzen naar de andere acties die in Vlaanderen werden genomen ter bestrijding van alle vormen van geweld en om slachtoffers de nodige nazorg te verlenen. Die beleidsacties komen uiteraard ook tegemoet aan de noden van personen met een handicap die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag of hiervoor in een kwetsbare positie verkeren.

De centra voor algemeen welzijnswerk (CAW’s) richten zich met hun opdrachten rond algemene preventie, onthaal en psychosociale begeleiding van slachtoffers van misdrijven en betrokkenen bij geweld naar iedereen, dus ook naar personen met een handicap.

De CAW’s hebben verschillende specifieke initiatieven ondernomen om hun aanbod beter toegankelijk en afgestemd te maken voor kwetsbare doelgroepen, waaronder ook de gehandicaptensector. We versterkten de performantie van 1712 en bouwden de ketenaanpak uit voor geweld binnen het gezin. Daarnaast werkten we binnen de Vlaamse Regering het Vlaams actieplan ter bevordering en bescherming van de fysieke, psychische en seksuele integriteit van de minderjarige in de jeugdhulp en de kinderopvang, het onderwijs, de jeugd- en de sportsector uit, dit met het oog op preventieve maatregelen en detectie van alle vormen van geweld.

Uiteraard zet de Vlaamse overheid vanuit Volksgezondheid ook in op gezondheidspromotie en vertrekt ze vanuit een positieve benadering van seksuele gezondheid. Ondertussen is aan de partnerorganisatie voor seksuele gezondheid Sensoa gevraagd om na te gaan hoe zij, samen met een organisatie die daarvoor over specifieke competenties beschikt, het ondersteunend aanbod naar voorzieningen kunnen versterken.

Het VAPH zal deelnemen aan de stuurgroep van het opvolgingsonderzoek. Daarnaast zal worden bekeken of er nog verdere stappen kunnen worden gezet. Maar zoals reeds gesteld, vergt dit probleem een aanpak die over meerdere beleidsdomeinen gespreid is.

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is ons goed bekend dat de Vlaamse Regering in verschillende departementen een beleid opzet tegen geweld, zowel in het gezin, als breder in de samenleving, en dit zowel op seksueel, fysiek, psychisch als financieel vlak. Die beleidsfocus is ons bekend.

Ik neem nota van het feit dat die aandacht voor vrouwen met een beperking vandaag nog niet is opgenomen binnen het nationaal actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld. Ik noteer dat u de aanbeveling meegeeft om het mee te nemen in het volgende meerjarenplan. We kunnen alleen onderschrijven dat u die prioriteit zou meenemen in de toekomst.

Ik meende u te horen zeggen dat men uit het onderzoek waarnaar wij hier verwijzen geen statistieken kan afleiden. Het betreft een dieptegesprek met een paar tientallen – een kleine honderdtal – personen. Zegt u daarom dat men daaruit geen cijfers kan afleiden?

Misschien is er een positieve selectie gebeurd. Dat is niet helemaal te vermijden wanneer men een aantal individuen ondervraagt. Maar ik neem aan dat het niet de bedoeling van het onderzoek was om precies te gaan zoeken naar mensen die zich kenbaar zouden hebben gemaakt als slachtoffer van geweld. Integendeel. Want het blijkt dat velen onder hen zich er niet van bewust waren dat ze als slachtoffer zouden kunnen worden erkend.

Persoonlijk denk ik – maar het vervolgonderzoek zal dat misschien aantonen of het kan vanuit de overheid een aandachtspunt zijn voor het vervolgonderzoek – dat men inderdaad naar epidemiologische gegevens zou moeten peilen, op een objectieve, verantwoorde manier. Het is belangrijk om daar achter te komen. Ik heb het beknopt onderzoek gelezen, want ik heb geen toegang tot het ruimere onderzoek. Als blijkt dat het aantal voorvallen zo groot is als uit dat onderzoek blijkt, dan betreft het toch een dramatische situatie. Het kan een toevallig resultaat van dat onderzoek zijn, door de manier waarop de geïnterviewde personen werden geselecteerd. Quod non. Maar anders vind ik het echt een beleidsprioriteit om de juiste epidemiologische gegevens te weten te komen.

Dit onderzoek is er deels ook gekomen omdat het VN-comité dat de naleving van het verdrag inzake de rechten van personen met een handicap opvolgt, België op de vingers heeft getikt omdat het bij ons ontbrak aan wetenschappelijke gegevens rond de problematiek van geweld op vrouwen met een beperking. Ze hebben natuurlijk een globale kijk op alle landen die deel uitmaken van het verdrag. In landen waar het wél werd onderzocht, blijkt de problematiek zeer, zeer ernstig te zijn en zeer vaak voor te komen. Daarom zijn wij tot de orde geroepen en is aan ons land gevraagd om hier in de diepte op in te gaan. Dat is de oorsprong van het onderzoek dat de Vlaamse Regering en minister Homans bij de UGent hebben besteld.

Ik neem er wel nota van dat u zegt dat binnen de voorzieningen en de instellingen er heel duidelijke richtlijnen, handboeken en vervolgprocedures zijn, dat er tussen 2014 en 2016 230 instellingen zijn geïnspecteerd en dat men uitkijkt naar het verslag van de inspecties. Ik weet niet wanneer de gegevens van wat de inspecties hebben opgeleverd, beschikbaar zijn. Het zou natuurlijk een element ter aanvulling van dit verslag kunnen zijn. Het is alleszins een belangrijk punt en het is uiteraard zeer positief dat men vooruitgelopen is op deze internationale bevindingen.

Heb ik goed verstaan dat het de bedoeling is dat het VAPH deel uitmaakt van het vervolgonderzoek dat al dan niet met de UGent of andere onderzoekers zal gebeuren als vervolg van het eerste onderzoek dat minister Homans heeft gefinancierd? Als dat zo is, vind ik dat zeer positief en een goede verruiming van de focus.

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Mijn collega heeft al veel gezegd. Het is inderdaad belangrijk om de coördinatie onder dat nationaal actieplan te zetten. We gaan tijd besparen door met een bestaand plan te werken en niet met een nieuw plan te starten.

Minister, u hebt gezegd dat er binnen elke voorziening een intern beleid moet zijn rond deze problematiek en dat er ook een meldingsplicht is. Maar alleen een intern beleid op zich is volgens mij niet voldoende want het gaat vooral over hoe je dit als opvoeder op de werkvloer herkent. Heel veel van die mensen praten niet. Je ziet vaak een verandering van gedrag, maar wat zit daar dan achter? Een van de aanbevelingen was dat er meer aandacht moest komen in de opleidingen zodat de opvoeders op de werkvloer het al herkennen. Dat is toch nog een groot probleem. U zegt wel dat het vlaggensysteem goed is ingeburgerd, maar ook dat is best wel moeilijk. Ze moeten ten eerste al de kleuren kennen en ze moeten ook weten welke kleur waarvoor staat. Het is vaak voor hen heel moeilijk te weten wat mag, wat niet mag, wat normaal is en wat geen normaal gedrag is.

Ik ben blij om te horen dat er al veel gebeurt, dat er wordt over nagedacht en dat het al heel wat aandacht krijgt. Maar ik denk dat we moeten starten bij het begin, en dat is in de opleidingen en door het bespreekbaar maken met die mensen zodat zij al een beetje weten wat er kan en wat er niet kan en, als zij kunnen praten, hoe zij dat kunnen melden.

Ik dacht begrepen te hebben dat het VAPH in de stuurgroep zal zitten voor het vervolg van het onderzoek. Ik hoop dat die de bezorgdheden zal meenemen want ten aanzien van de herkenning kunnen toch nog wat stappen worden gezet, en ik hoop dat zal worden onderzocht hoe men dat in de toekomst gaat opnemen.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik deel een aantal suggesties en een aantal bezorgdheden. Ik denk dat het vervolgonderzoek wel nodig en nuttig is. We zullen daar via het VAPH aan deelnemen. In het nationaal actieplan is dit wel degelijk gedefinieerd als een kwetsbare groep. Het wordt daar dus wel zeker in meegenomen, ik denk niet dat daar onduidelijkheid over kan bestaan.

Er zijn bij Sensoa ook al heel wat initiatieven genomen om te zorgen dat daarover de nodige vorming en informatie kan worden verstrekt en dat ook mensen die alles rond seksuele gezondheid misschien wat minder gemakkelijk lezen, op een eenvoudige manier kunnen worden bereikt. Er zijn op dat vlak ook al heel wat dingen gebeurd. We mogen toch niet vergeten dat de welzijnssector in Vlaanderen een van de eerste sectoren is geweest waarin consequent gezegd is dat in het kader van kwaliteitsbeleid iedereen een beleid moet voeren, ook een preventief beleid. Dat wil ook zeggen dat dit wordt meegenomen ten aanzien van opleiding, vorming en sensibilisering van personeel in de kwaliteitsnormen waarop toezicht wordt uitgeoefend. Ik heb u aangegeven dat dat toezicht effectief wordt uitgeoefend.

Het vlaggensysteem van Sensoa is uiteindelijk een zeer nuttig instrument gebleken. Niet alleen in ons land maar ook in Nederland wordt het gebruikt omdat het systeem precies toelaat aan opvoeders en mensen die geconfronteerd worden met een aantal dingen, om af te wegen of iets binnen een range valt waarbij je kunt zeggen dat het aanvaardbaar is, of dat iets echt grensoverschrijdend is. Wat ik ervan gezien en begrepen heb, is dat steeds meer sectoren vragen naar een soort vertaalslag van dat instrument om dat in hun sector te kunnen gebruiken.

Ik betwist niet dat we nog meer inspanningen kunnen doen. Wij zullen met het VAPH nog eens uitdrukkelijk over uw suggesties spreken. Langs de andere kant mag ik zeggen dat onze sector er een is waarin op dat vlak de laatste jaren heel wat initiatief is genomen, niet alleen vanuit dit onderzoek maar omdat er ook andere issues zijn geweest in de samenleving waardoor het thema echt wel op de politieke agenda is gekomen en dus al vroeger tot beleidsacties heeft aangezet.

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Om af te ronden wil ik zeker onze waardering uiten voor de positieve stappen die gezet zijn. Minister, u hebt gelijk om dat te beklemtonen. Het is goed dat we daarop kunnen voortbouwen. Positief is ook dat u zegt bereid te zijn deel te nemen aan het vervolgonderzoek zodat we de aanpak kunnen verfijnen en kunnen meten hoe sterk het probleem zich stelt. Meten is immers weten. Dan zullen we de efficiëntie van de bestaande instrumenten kunnen natrekken en eventueel bijsturen. Meteen hebben we ook een nieuwe prioriteit gesteld voor de volgende legislatuur, denk ik, namelijk dat dit zeker moet worden meegenomen.

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Ik ben ook tevreden dat hier blijvend aandacht aan wordt gegeven, want het is een belangrijk iets dat niet zomaar onder tafel mag worden geveegd. Wij kijken al uit naar het vervolg.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.