U bent hier

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Collega's, deze vraag gaat over een heel belangrijke studie waar heel veel interessante gegevens in staan. Het kan misschien nuttig zijn om de auteurs van de studie uit te nodigen om er eens een gedachtewisseling over te houden. Een vraag om uitleg is te beknopt om alles in detail te bespreken. Voorzitter, misschien kunnen we afspreken om hierover een hoorzitting te organiseren met de auteurs?

De studie van het Steunpunt Wonen is heel belangrijk. Uit de studie blijkt dat sociale huisvestingsmaatschappijen (SHM's) zowel voor de overheid als voor de huurder goedkoper kunnen zijn in de gebruikskostenbenadering. Het gaat over een verschil van 110 euro per woning per maand in de totale kost. Dit is op basis van het systeem zoals het bestond in 2016. Sinds 2016 zijn er echter nog een aantal wijzigingen geweest, zoals bijvoorbeeld het huursubsidiesysteem.

Uit de studie blijkt ook dat de hogere kost voor een sociaal verhuurkantoor (SVK) te wijten is aan intensievere begeleiding. Dat laat toe om bijvoorbeeld een beter bereik te hebben in de groep van de sociaaleconomisch allerzwaksten. Tegelijk houdt dit model in dat huurders gemiddeld meer betalen, er minder woonzekerheid is, en de middelen bovendien niet via vermogensopbouw ‘in het systeem’ zitten.

Een opvallende conclusie is eveneens dat volgens de studie de efficiëntie van SHM’s negatief beïnvloed wordt door een grotere schaalgrootte. Voor SVK’s was dit niet het geval.

Nogmaals, we moeten hier niet ingaan op de verschillen of op de voor- en nadelen van de verschillende systemen. We moeten dit in een hoorzitting doen.

Minister, hoe ziet u de conclusies uit de studie over effectiviteit en efficiëntie? Hebben de wijzigingen sinds 2016 een invloed op de financiering of niet?

Eengemaakte woonmaatschappijen zijn niet aan bod gekomen in de studie. Oorspronkelijk was dit wel de bedoeling. Er worden twee systemen vergeleken en de voor- en nadelen worden opgesomd. Ik moet misschien niet aan u vragen waarom het niet is gebeurd, maar is het een aanleiding om toch eengemaakte woonmaatschappijen te onderzoeken? Hoe kunnen we hiermee voortgaan?

We hebben alle gegevens. Er is niet ingegaan op de vraag of een eengemaakte woonmaatschappij een positief effect zou kunnen hebben. Hoe ziet u dat? Kan er eventueel een nieuwe studie worden besteld? Moet er eerst een politieke discussie komen? Misschien kunt u eerst een voorzet als antwoord geven, dat we dan later kunnen bespreken als we een hoorzitting organiseren.

Minister Homans heeft het woord.

Collega's, ik denk dat het een zeer goede suggestie is van collega Partyka om de onderzoekers uit te nodigen. Ik heb een antwoord van ongeveer zeven pagina's met heel veel cijfers die niemand zullen boeien. Ik ga de cijfers even laten voor wat ze zijn en ik denk – maar ik moei me uiteraard niet met de regeling der werkzaamheden – dat de onderzoekers best zelf hun vergelijking kunnen uitleggen in een eventuele gedachtewisseling. Ik ga gewoon inpikken bij uw concrete beleidsmatige vragen, als u mij dat toestaat.

De vergelijking van de effecten van de twee sectoren geeft een genuanceerd beeld. Dat is ook gebleken uit de studie. Zo haalt de SHM-sector betere resultaten voor betaalbaarheid, maar scoort de SVK-sector dan weer beter voor het bereiken van de sociale doelen. SVK-woningen krijgen ook een betere beoordeling in het bereiken van groepen in een moeilijkere sociaaleconomische situatie. Dat heeft natuurlijk ook alles te maken met het puntensysteem. U weet ook dat het systeem van toewijzing van een SHM afwijkt van het systeem van toewijzing dat voor de SVK’s geldt.

Uit het eerste deel van het onderzoek concludeer ik dat de kostprijs voor een SHM-woning weliswaar lager is dan voor een SVK-woning, maar dat beide sectoren naar effecten complementair zijn. Ze dragen allebei absoluut bij tot de realisatie van de doelstellingen van het sociaal woonbeleid. De ene is niet zomaar in te ruilen voor de andere. Ze zijn echt wel complementair. Ik heb u al gewezen op het feit dat er ook een andere manier van toewijzen is en dat ze ook een ander publiek bereiken. Ik vind het een en-enverhaal en ik hoop dat hier niemand ervoor pleit om de ene of de andere sector af te schaffen. Ze zijn absoluut complementair.

Die complementariteit wordt ook ondersteund door mijn beleid. U weet dat ik aan beide sectoren extra middelen heb toegekend. Die beleidsmaatregelen, die ik sinds 2016 heb genomen, hebben dus vooral de complementariteit van beide sectoren versterkt. De extra middelen voor de SHM’s zijn de massale historische investeringen van 3,8 miljoen euro. Het zijn wel leningen. In 2017 ging het over 10 en 15 miljoen euro. Eind 2018 heb ik aan de SHM's die zeer actief zijn geweest in het bouwen, bijbouwen of renoveren van sociale woningen extra middelen gegeven, wat zeer goed is. U weet ook dat ik subsidies geef aan SVK’s. Dat is een goede zaak geweest.

In het onderzoek kwam ook een efficiëntieanalyse aan bod. Er wordt nagegaan in welke mate omgevingsfactoren een effect kunnen hebben op de efficiëntie van een sociale woonactor.

Mevrouw Partyka, u vraagt of op basis van deze studie effectiviteitswinsten geboekt kunnen worden door maatregelen inzake bijvoorbeeld de financiering, de toewijzing of de werking en het takenpakket door te voeren. Ik denk dat dit onderzoek zeker inspiratie biedt voor toekomstige beleidslijnen. Zo bevat het een aantal aanbevelingen over de manier waarop de SHM-sector kan worden betoelaagd. Uit het onderzoek leer ik ook dat het belangrijk is om bij een vereenvoudiging van het Kaderbesluit Sociale Huur oog te hebben voor de complementariteit van beide sectoren.

In het oorspronkelijk onderzoeksopzet was het de bedoeling om de kosteneffectiviteit te onderzoeken op basis van de gebruikskostenmethode. De begeleidingsgroep heeft echter beslist om het onderzoek van de kosteneffectiviteit uit te breiden met een onderzoek naar de geactualiseerde uitgavenstromen. Om dit mogelijk te maken naar timing en kostprijs werd het onderzoek naar woonmaatschappijen geschrapt.

Ik neem uit het onderzoek alleszins wel mee dat er bij het uitwerken van het spoor van woonmaatschappijen voldoende aandacht moet zijn voor de complementariteit van beide sectoren. Voorts kan ik op basis van voorliggend onderzoeksrapport geen uitspraken pro of contra woonmaatschappijen doen, maar dit neemt niet weg dat dit spoor verder onderzoek verdient.

Op de vorige stuurgroepvergadering werd dan ook de vraag naar een bijkomend ad-hoconderzoek over woonmaatschappijen besproken. Er werd beslist om het onderzoek naar een bovenlokaal beleidsniveau af te wachten. Dit onderzoek gaat immers onder andere over de afstemming van werkingsgebieden, die natuurlijk een randvoorwaarde is om de samenwerking tussen SVK’s en SHM’s mogelijk te maken.

Tot hier mijn antwoord op de vragen van collega Partyka. Ik heb weliswaar alle cijfergegevens weggelaten, maar als er mensen zijn die ze nog willen horen, dan ben ik absoluut bereid om die drie bladzijden ook nog te brengen. Onderzoekers kunnen dat echter beter dan ik, denk ik.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Ik heb niets meer op te merken. We zullen dat in de regeling van de werkzaamheden dan wel verder bekijken. Ik begrijp dat u ook vindt dat er verder onderzoek nodig is, minister, dus ik denk dat we dat dan verder moeten bekijken. We zullen het daar bij een volgende gelegenheid over hebben.

Ik zie niet direct in waarom de afstemming van de gebieden eigenlijk eerst onderzocht moet worden, voordat men verder onderzoek kan voeren naar de woonmaatschappijen, want eigenlijk is het een bijna theoretische oefening om na te gaan of een woonmaatschappij nuttig is en hoe die dan georganiseerd kan worden. De praktische modaliteiten van het al dan niet samenvallen met werkingsgebieden lijken mij dan iets wat we achteraf zouden kunnen doen. Dat is echter niet fundamenteel en zullen we later wel bekijken.

Mevrouw Taeldeman heeft het woord.

Valerie Taeldeman (CD&V)

Ik wil even iets in de marge zeggen; het gaat niet over die studie. Het is sowieso interessant om de mensen van Steunpunt Wonen eens naar hier te halen en te luisteren hoe synergieën tussen SHM’s en SVK’s gecreëerd kunnen worden.

Los daarvan wilde ik toch even polsen of er positieve reactie gekomen is op de oproep die de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) in december gelanceerd heeft rond SVK Pro. Het zal misschien moeilijk zijn om daarop te antwoorden, maar merkt u bij VMSW of op uw kabinet dat daar toch op ingetekend zal worden? Er is toch bijzonder veel aandacht uitgegaan naar SVK Pro en naar die private investeerders die gaan bouwen en doorverhuren via een SVK. Ik wilde even polsen of de interesse leeft.

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Taeldeman, er is wel degelijk behoorlijk wat interesse vanuit de vastgoedsector en projectontwikkelaars. Ik kan dat zeggen, omdat er al twee infosessies zijn doorgegaan, georganiseerd door de SVK’s in samenwerking met de VMSW. Aangezien er zoveel aanvragen waren, is er ook een derde infosessie georganiseerd en die gaat toevallig vandaag door in Gent.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.