U bent hier

Commissievergadering

donderdag 17 januari 2019, 10.00u

Voorzitter
van Sabine de Bethune aan minister Liesbeth Homans
441 (2018-2019)

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Sabine de Bethune (CD&V)

Voorzitter, minister, recent hebben we kennisgenomen van een onderzoek over seksueel georiënteerd geweld bij vrouwen met een beperking in Vlaanderen, dat in uw opdracht werd uitgevoerd door de Universiteit Gent (UGent). Ik heb u over deze problematiek ook al in 2014 en 2016 aangesproken. De aanleiding was toen een interessant masteronderzoek, ook al aan de UGent, van mevrouw Tack en de vrouwenorganisatie Persephone. Dat onderzoek legde toen wel de vinger op de wonde. Ook belangrijk was de kritiek op Vlaanderen van een VN-comité in verband met het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap. In zijn ‘concluding observations’ van 2014 wees dat verdrag ons land met de vinger omdat er echt wel onvoldoende kennis was over de eventuele of bijzondere discriminatie van vrouwen met een beperking. Ik verwijs naar artikel 6 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap.

Het onderzoek dat u heel terecht hebt laten uitvoeren, is belangwekkend. Het is ook pionierswerk. Het is, denk ik, het eerste ruime onderzoek over deze problematiek in Vlaanderen. Het is bovenal ook het eerste onderzoek waarbij vrouwen met een beperking zelf werden betrokken, waarbij men hun de kans gaf om zich uit te drukken over deze problematiek. Bovenal zijn de resultaten echt wel zeer confronterend. Ik heb de conclusies even samengevat. Hieruit blijkt dat vrouwen met een beperking meer dan andere vrouwen het slachtoffer dreigen te worden van misbruik. Dat wisten we, dat is algemene kennis, maar het werd hier wel becijferd. Er blijkt ook dat hun kwetsbaarheid bijzonder groot is, dat de mate van rapportering zeer laag is en dat een heel groot aantal vrouwen in het onderzoek, bijna allemaal, met misbruik te maken hebben gehad. Bovendien hebben de slachtoffers dat ook meerdere malen in hun leven meegemaakt. Dat is dus herhaaldelijk gebeurd. Ik zal niet alle conclusies herhalen, maar een van de bevindingen is dat die slachtoffers, los van het feit dat het voor élk slachtoffer van dit soort geweld natuurlijk erg moeilijk is om zoiets te melden, dit niet meldden omdat ze zelfs in de overtuiging leven dat het gewoon iets normaals is, dat het hun lot is, dat het deel uitmaakt van hun leven. Zo ver gaat dat zelfs. Zo erg is het eigenlijk gesteld met die doelgroep en die vormen van misbruik.

Minister, bedankt dus dat u dit onderzoek hebt besteld. Ik vind het echt zeer belangrijk beleidsmateriaal. Vandaar mijn vragen aan u. Hoe zal men daar verder aan werken? Nu heeft men immers dat materiaal, die inzichten die toch wel zijn uitgekristalliseerd. Hoe geeft u vanuit het beleid ondertussen opvolging of zult u opvolging geven aan dit onderzoek? De onderzoekers doen zelf acht aanbevelingen. Het is duidelijk dat zij zich tot verschillende beleidsdomeinen richten, dat het dus een soort horizontale bevoegdheid van de Vlaamse Regering is, zelfs voor een stuk van Justitie enzovoort, want men kan dat ook naar het federale niveau doortrekken. Maar het is zeker ook een Vlaamse bevoegdheid. Minister, ziet u zichzelf als de coördinator van die vervolgaanpak? Geeft u impulsen aan de andere ministers, of zal ik ze elk apart daarover ondervragen? Misschien is er daaromtrent toch al wel een soort beleidsplan opgesteld. Dat hoop ik tenminste. Welke aanbevelingen pikt u er eventueel uit, als prioriteit of binnen uw gelijkekansenbeleid? Ten slotte wijst de studie ook op de nood aan interdisciplinair vervolgonderzoek met voldoende ruimte voor ervaringsdeskundigheid in functie van evidencebased beleid, zoals zij zeggen. Zult u een vervolg breien aan dit onderzoek? Hebt u al vervolgonderzoek besteld, zoals de onderzoekers zelf vragen?

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, mevrouw de Bethune, ik ben eigenlijk zeer blij dat u tevreden bent met het onderzoek. Ik denk dat dat ook noodzakelijk was. Wat was immers de aanleiding van dit onderzoek? Zoals u hebt aangehaald in uw vraagstelling, wordt er internationaal slechts beperkt onderzoek gevoerd naar seksueel geweld ten aanzien van vrouwen met een beperking. Ook in Vlaanderen bleek het thema absoluut onderbelicht en ontbrak het tot de dag van vandaag aan onderzoek.

Vanuit mijn horizontale opdracht inzake gelijke kansen heb ik dit eerste verkennende en vernieuwende onderzoek mogelijk gemaakt. Bovendien heb ik er ook voor gekozen om niet de prevalentie, dus het aantal gevallen, te laten onderzoeken, maar wel in de eerste plaats naar de ervaringen van vrouwen met een beperking te luisteren. U mag me tegenspreken, maar ik denk dat dat een betere aanpak is.

De studie was wel geen evidentie, niet alleen wegens de gevoeligheid van de onderzochte problematiek, maar ook wegens het moeilijke bereikbaarheid van de respondenten. Het was voor hen niet evident om over dit thema te worden bevraagd, laat staan om er zelf ook over te willen praten. Het was dus absoluut geen evidentie, maar de onderzoekers hebben dit toch op een zeer voortreffelijke en humane manier volbracht.

Hoe zal het onderzoek worden opgevolgd? U stelt terecht dat het rapport behoorlijk schrijnende ervaringen naar boven heeft gebracht, jammer genoeg.

De gevolgen van seksueel geweld op vrouwen met een handicap zijn immers zeer ingrijpend, zowel op emotioneel, lichamelijk, psychisch als relationeel vlak. Er is dus absoluut beleidsmatige aandacht nodig voor dit thema. Een eerste aanzet heb ik dus gegeven met dit onderzoek.

Wat de andere domeinen betreft – u hebt gezegd dat er acht aanbevelingen zijn, en dat klopt –, zijn de uitdagingen vooral voor mijn collega’s van Welzijn en Onderwijs, zoals u kunt lezen. Zo is het belangrijk dat er binnen de voorzieningen een cultuur ontstaat waarin het soms nog aanwezige taboe rond relaties en seksualiteit wordt doorgeprikt. En dit vraagt onder meer expertiseopbouw bij – onder andere – hulpverleners en gezondheidswerkers. Maar het is ook opvallend dat mensen met een verstandelijke beperking of handicap eigenlijk nooit hebben geleerd hoe ze over deze thema’s moeten praten, laat staan dat ze zich bewust zijn van hun rechten. Dat is dus een zeer gevoelige problematiek.

Ook op het federale niveau zijn er natuurlijk uitdagingen. Die vinden we in de sfeer van de opvallend lage aangiftebereidheid, of van het vervolgingsbeleid. De aanbevelingen ter zake zijn ook op te volgen binnen de beleidsdomeinen Binnenlandse Zaken, Justitie en natuurlijk ook Gelijke Kansen.

Ik heb het onderzoeksrapport aan de collega’s binnen de Vlaamse Regering bezorgd, maar ook aan de federale minister van Gelijke Kansen. Eerder was de administratie Welzijn wel al vertegenwoordigd binnen de stuurgroep die het onderzoeksproces heeft begeleid. Mijn collega Vandeurzen en zijn kabinet en administratie waren ervan op de hoogte. Ze zijn ook betrokken in alles wat voorafging aan het onderzoek.

Het is nu natuurlijk aan mijn collega’s om de aanbevelingen ter harte te nemen en de gepaste beleidsinitiatieven uit te werken. Maar ze hebben mij allebei – het gaat concreet over de ministers Crevits en Vandeurzen – al laten weten dat ze daar volop aan willen meewerken.

Een coördinatie van eventuele beleidsinitiatieven zou kunnen kaderen in het nationale actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, dat – zoals u weet – voor Vlaanderen gecoördineerd wordt door minister Vandeurzen. Wat mijn eigen bevoegdheden betreft – het was een horizontaal onderzoek, vanuit mijn horizontale bevoegdheid Gelijke Kansen – heb ik natuurlijk ook wel een bevoegdheid waar er een link is met dit onderzoek, namelijk Sociale Economie. Dat staat ook te lezen in dat onderzoek. En vanuit het gelijkekansenbeleid heb ik in ieder geval een initiërende rol gespeeld, door dit onderzoek op het kruispunt van de thema’s gender en handicap mogelijk te maken.

Zoals ik daarnet al heb aangegeven, ging het hier om een eerste verkennend onderzoek. U vroeg ook of er een vervolg komt. Dat gaat we even afwachten. We gaan eerst bekijken hoe er nu aan de slag wordt gegaan met die acht aanbevelingen, zowel op Vlaams als op federaal niveau. Ik zal in een volgende stap samen met de onderzoekers de verdere onderzoeksnoden in kaart brengen. Maar ik denk dat het goed is dat we eerst bekijken of de aanbevelingen al in het beleid aanwezig zijn en, zo niet, hoe we ze in beleid kunnen omzetten. Bijkomend zal ik de bevindingen van het onderzoek bespreken met de koepels van de maatwerkbedrijven – dat is concreet een bevoegdheid van mezelf. Het lijkt mij aangewezen om in eerste instantie de sociale diensten in de maatwerkbedrijven te bevragen naar deze thematiek. Dus ook in mijn eigen bevoegdheden zal ik het onderzoek ter harte nemen en mijn verantwoordelijkheid ter zake opnemen.

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Sabine de Bethune (CD&V)

Minister, dank u voor uw antwoord. Ik neem graag kennis van het feit dat u het onderzoek wijd verspreid hebt bij de Vlaamse en bij de federale collega’s. Het lijkt mij belangrijk – uiteraard – dat er blijkbaar toch een bewustwording is dat we daaraan moeten werken. Daar schrik ik niet van. Het is goed dat u dat ook bevestigt.

Ik vind het ook bijzonder interessant dat u dat in uw eigen bevoegdheidsdomeinen wilt toetsen of integreren, en dat is ook zeer terecht. Ik kijk ook uit naar wat daar gaat uitkomen. Naast het feit dat men mensen de kans geeft om te werken en zich te ontwikkelen en waardigheid op te bouwen, is het ook een kanaal waar men hun de kans geeft om andere kwetsbare aspecten van persoonlijkheid en ervaring te kunnen uiten, of waar ze geholpen worden om die te uiten.

We moeten er zeker ook bijzonder waakzaam voor zijn dat het misbruik zich daar niet doorzet. Want elke plek in de samenleving is een plek waar dergelijk misbruik kan gebeuren. Het zijn dus zeker positieve signalen.

Als ik van mijn kant een aanbeveling mag formuleren, dan denk ik dat het goed zou zijn indien u zelf, vanuit uw coördinatiebevoegdheid – toch op Gelijke Kansen – en vanuit de raakpunten met uw bevoegdheid, een soort van monitoringmechanisme zou kunnen opzetten. Er moet natuurlijk gekozen worden: is het de minister van Welzijn die het doet, of de minister van Gelijke Kansen? Maar die aanbevelingen bestaan. Worden ze nu echt wel geïmplementeerd, wordt er voortgewerkt? Op basis van van mijn ervaring met beleid weet ik dat er vaak heel mooie onderzoeken zijn en heel goede intenties, maar de volgende valkuil is dan: gaan we er echt wel mee aan het werk, wordt het een concrete prioriteit? Dan is een soort van boordtabel toch wel handig.

Er is in Vlaanderen toch een instrument dat zich daartoe leent: het instrument van het horizontaal gelijkekansenbeleid of – zoals we zeggen – de ‘gendermainstreaming’. Ik wil toch onderstrepen – dat is alleszins mijn mening, mijn politieke mening – dat ik vind dat dat instrument onvoldoende wordt gehanteerd. Ik vind dat Vlaanderen – en ook ons land trouwens – daar nog onvoldoende mee werkt. Iedereen probeert een en ander te behartigen binnen de eigen bevoegdheid, maar we trekken dat horizontaal onvoldoende door.

Dit zou een zeer belangrijk, maar ook een heel goed voorbeelddossier kunnen zijn om een echt horizontaal gelijkekansenbeleid te voeren, precies omdat er zoveel raakpunten zijn met de bevoegdheidsdomeinen van de verschillende Vlaamse ministers, en ook omdat het toch gaat om een bijzonder kwetsbare groep, die daarbovenop ook heel hard wordt getroffen. Er zijn dus heel veel argumenten die ervoor pleiten om dergelijke dossiers als een soort voorbeelddossier naar voren te trekken.

Het kan ook binnen het nationaal actieplan. Ik zal minister Vandeurzen er dan ook over ondervragen en vragen hoe hij dat ziet.

Ik zou er toch voor willen pleiten om dit binnen het Vlaamse horizontaal beleid te halen. Ik weet niet of onderwijs en sociale economie in het nationaal actieplan betrokken zullen worden. U hebt zelf gezegd daartoe bereid te zijn en een aanzet te geven om het binnen uw bevoegdheidsdomein vorm te geven. Het een sluit het ander niet uit. Het zou een belangwekkende aanpak kunnen zijn en een heel interessante invulling van het horizontaal beleid.

Misschien moet men niet wachten op het resultaat van de implementatie van de acht aanbevelingen om verder onderzoek te doen. U hebt de expertise. U hebt aan de UGent onderzoekers de kans gegeven om die expertise op te bouwen, om knowhow op te bouwen over hoe men meisjes en vrouwen uit die doelgroep helpt om zich uit te drukken. Ik denk dat het interessant zou zijn om het onderzoek voort te zetten, de juiste focus te zoeken en uw budget voor 2019 voor een deel daarvoor in te zetten.

Minister, ik dank u voor het gedane werk, voor het bewustzijn van het belang van dit probleem. Toch doe ik een oproep om het ook tot inzet te maken van het Vlaams horizontaal beleid en om het onderzoek voort te zetten, naast de concrete dingen die u wilt doen binnen uw eigen departement.

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Ik wil me graag aansluiten bij de dankwoorden van mijn collega. Het is een thema dat nog vrij onbesproken is maar dat toch wel heel belangrijk is. Het moet de nodige aandacht krijgen. Aan de hand van dit onderzoek wordt het alvast meer besproken.

Er gebeurt veel bij onderwijs en welzijn. Mij lijkt het belangrijk om te beginnen bij het begin. Voor die mensen is het vaak moeilijk: ‘Wat is normaal? Wat kan en wat niet?’ Ik lees in een van de aanbevelingen om er in het onderwijs over te spreken. Nu is het vaak nog een taboe. Als men geweld is aangedaan, is het belangrijk dat er in de voorziening of de plaats waar men is, iemand is met wie men kan praten.

Het is ook belangrijk dat er in die voorzieningen of op de plaatsen waar men werkt een visie wordt ontwikkeld. Ook die is er nog veel te weinig. Vaak heeft men in internaten gezeten waarover men verhalen kan vertellen, maar wordt er vanuit de begeleiding te weinig mee gedaan. Het is belangrijk om hiervoor in de opleiding al oog te hebben. In het werkveld moet er dan een punt zijn waar die mensen hun probleem kunnen melden.

Nazorg voor de slachtoffers is ook een heel belangrijke aanbeveling. Volgens mij kan men vanuit Welzijn nog meer doen.

Minister, ik hoor u zeggen dat de ministers van Onderwijs en Welzijn graag willen meewerken. Dat is natuurlijk heel positief. Ik hoop dat het nu niet stopt met de aanbevelingen maar dat er wordt voortgewerkt. Wie het uiteindelijk zal coördineren, speelt op zich geen rol, maar het mag niet enkel bij aanbevelingen blijven. Het zou mooi zijn als er meer openheid zou kunnen komen en dat er wordt voortgewerkt op de verschillende domeinen.

Minister Homans heeft het woord.

Collega van der Vloet, u hebt gesproken over een aantal zaken van Welzijn. Het staat u natuurlijk vrij om collega Vandeurzen daarover te ondervragen. Ik heb begrepen dat u dat al van plan was.

Wat de coördinatie betreft, vind ik het de beste optie om het onder te brengen in het nationale actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld, dat voor Vlaanderen wordt gecoördineerd door collega Vandeurzen. Waarom? Omdat ik geen voorstander ben van het zoveelste nieuwe plan. Maar er is nog een belangrijke reden. In dit nationaal actieplan zitten bijvoorbeeld ook vertegenwoordigers van justitie en politie. Deze actoren moeten er absoluut bij zijn. Er is dus al een forum en ik zou het graag daarin willen plaatsen.

Collega de Bethune, ik wil best samen met de onderzoekers de andere onderzoeksnoden in kaart brengen. Ik zal ingaan op uw suggestie. We zullen het vanuit het kabinet opnemen.

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Sabine de Bethune (CD&V)

Minister, ik dank u dat u voortgang wilt maken.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.