U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Minister, studenten die zich willen inschrijven voor de lerarenopleidingen aan Vlaamse hogescholen, moeten sinds vorig academiejaar een verplichte niet-bindende instaptoets afleggen. De toets test de noodzakelijke kennis van het Nederlands en peilt ook naar de studievaardigheden en de motivatie van de studenten. Voor studenten die leerkracht in het lager onderwijs willen worden, bevat de instaptoets ook de onderdelen Frans en wiskunde. Die test kwam er met een duidelijke reden. We zien immers al jaren dat jongeren die instromen in de opleiding, niet altijd over de juiste startcompetenties beschikken, met alle gevolgen van dien: veel studenten haken vroegtijdig af of stappen met onvoldoende competenties in het onderwijs. De test is ook vooral nuttig voor de studenten. Zo weten ze immers zelf welke kennis ze nog moeten bijschaven om de eindmeet te halen.

Het nieuwe rapport van de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) geeft ons nu inzicht in de resultaten van de instaptoets. De Morgen berichtte daarover op 5 oktober 2018. De resultaten gaven aan dat er nog veel werk aan de winkel is wat betreft de startcompetenties van veel studenten. 34,2 procent van de deelnemers heeft nog remediëring nodig op het vlak van wiskunde. Bij Nederlands ligt dat percentage op 43,2 procent en voor Frans blijft zelfs 48,6 procent van de studenten onder het gewenste niveau, dus bijna de helft. De grootste bezorgdheid gaat echter naar studenten uit het beroepssecundair onderwijs (bso): meer dan 75 procent scoort ondermaats voor Nederlands en Frans. Bij wiskunde moet 70 procent van de studenten zijn kennis bijspijkeren.

Minister, hoe reageert u op de cijfers? Hoe verklaart u de mindere resultaten voor de leerlingen uit het bso? Kunt u ook stilstaan bij de mindere resultaten voor Frans? Hoe verlopen de gesprekken die u met de hogescholen voert over deze instaptoets? Hoe verklaren zij die mindere resultaten? Welk gevolg willen zij eraan geven? Welke bevindingen wilt u meenemen in het kader van uw beleid rond de lerarenopleiding? Hoe ziet u dat dan?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Collega Celis, bedankt voor uw vraag, die mij de kans geeft om wat duiding te geven bij een en ander. Laat me starten met aan te geven wat het doel van een niet-bindende toelatingsproef is. We willen met die proeven studenten een spiegel voorhouden, die hun inzicht geeft in hun competenties en in de competenties die ze nodig hebben om te starten met een lerarenopleiding. De proef biedt ook een mogelijkheid tot reflectie, om je te oriënteren en te kijken waar je vooral op moet inzetten en welke remediering je het best opneemt.

Ik vind de proef zeer waardevol en nuttig, zowel voor de student, voor de hogeschool als voor het beleid. Het is niet de bedoeling dat de proef afschrikt. Hij moet net een element zijn naar een voldoende hoge en kwalitatieve instroom. En als je ziet dat er werkpunten zijn, kun je zoeken op welke manier je die werkpunten kunt remediëren.

De resultaten van de laatste afname bevestigen opnieuw dat de proef doet waarvoor hij ontwikkeld is, namelijk de student een spiegel voorhouden en hem zicht geven op de sterktes en eventuele werkpunten. We weten dat er soms een probleem is rond instapcompetenties van kandidaat-studenten, de verkeerde inschatting van kandidaat-studenten over zichzelf en over de verwachtingen die de lerarenopleidingen stellen.

Ik leg de resultaten helemaal niet naast me neer. We moeten ook kijken op welke manier we daar in de toekomst lessen uit trekken, ook beleidslessen, maar een van de resultaten bewijst alvast het correcte van wat we doen, namelijk de resultaten voor studenten uit het bso. U weet, mevrouw Celis, dat de focus van het beroepssecundair onderwijs au fond niet verder studeren is, maar goed voorbereiden op de arbeidsmarkt. Er wordt in de beroepsgerichte opleidingen evident een beetje minder nadruk gelegd op de algemene vorming, terwijl het grootste aantal testonderdelen uit de verplichte niet-bindende toelatingsproef net rond die kennis draait.

We hebben bij de modernisering van het secundair onderwijs afgesproken dat leerlingen uit het bso na het zesde middelbaar in de toekomst zullen kunnen kiezen tussen twee trajecten, een traject dat inzet op specialisatie naar hoger beroepsonderwijs 5 (hbo5) en een traject dat focust op de doorstroom naar het hoger onderwijs. Nadat je gewoon bso gevolgd hebt, zul je in de toekomst dus niet zomaar naar de bacheloropleiding kunnen overstappen. Ofwel zul je een algemeen vormend jaar moeten volgen, ofwel zul je naar hbo5 kunnen gaan, maar nooit rechtstreeks naar de bacheloropleiding.

Vandaag bestaat het naamloze jaar, weliswaar slechts aangeboden door twee secundaire scholen. U weet dat ik al voorgesteld heb om dat sterker te verankeren. We hebben de koepels, de hogescholen en de universiteiten daar al een eerste keer rond samengebracht voor overleg, om te kijken op welke manier we dat kunnen aanpakken. Bij de hervorming van het secundair onderwijs is het natuurlijk pas na zes jaar dat de modernisering volledig uitgerold is en dat je ook met het verbod zit.

De resultaten uit het bso zijn voor mij dus de bevestiging van de correctheid van de ingreep die we doen om wat soberder te zijn ten aanzien van die rechtstreekse toegang naar de bacheloropleiding.

Voor Frans peilt de proef hoever de student staat met betrekking tot zijn niveau Frans in relatie tot het eindniveau dat behaald moet worden in de lerarenopleiding. Men gaat dus niet uit van de eindtermen in het secundair onderwijs, omdat er een verschillend uitstroomniveau bestaat voor bso, tso en aso. Men gaat dus kijken naar wat de verwachtingen zijn.

Dit verklaart waarom studenten uit het bso minder goed scoren op Frans.

We weten ook uit de peiling Frans dat de kennis van het Frans een totale zorg is. Op mijn vraag heeft de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) naar aanleiding van deze peiling een advies uitgebracht over sterker Frans in het basisonderwijs. Als het gaat over de toegang tot de lerarenopleiding, dan hebben de studenten al een heel traject Frans secundair gevolgd met vakleerkrachten. Je voelt sowieso dat niet alle leerlingen – zeker in het bso – het niveau halen dat nodig is om daar goed te scoren.

Op 30 november 2018 organiseerden de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de VLHORA op mijn vraag een seminarie over de kennis van het Frans in de lerarenopleiding. We vertrekken hierbij van de resultaten van de Onderwijsspiegel over de kennis van het Frans en de resultaten van de peilingstoetsen.

Het is goed dat we de verplichte niet-bindende toelatingsproef hebben en zicht hebben op de resultaten. Maar de resultaten zeggen uiteraard niets over hoe die studenten uiteindelijk zullen presteren in hun eerste jaar in de lerarenopleiding en in de jaren die daarop volgen. Ze worden uiteraard wel toegelaten tot de opleiding.

Op dit ogenblik is het van belang dat we de deelnemers aan de verplichte niet-bindende toelatingsproef op lange termijn zullen opvolgen. De VLHORA voert dit onderzoek momenteel uit. Ik zal de resultaten ook uitgebreid met de VLHORA bespreken.

Hoe zit dat in elkaar? Voor de afnamecohorte 2016 zullen we begin 2019 een zicht kunnen hebben op hoe de studenten presteren in het eerste jaar van de lerarenopleiding. Er bestaat een draftrapport dat men nu aan het afwerken is. Vermoedelijk eind januari of begin februari zal dat rapport worden opgeleverd. Dat zal ons interessante informatie geven. Je hebt het eerste jaar toelatingsproef, dan kijken we hoe ze in het eerste jaar hebben gepresteerd, en heeft dat enig soelaas gebracht, ja of neen?

De hogescholen geven ook nog aan dat de instroom in de lerarenopleiding zeer divers is. Sommige studierichtingen uit het huidige secundair onderwijs sluiten minder goed aan bij de lerarenopleidingen. Zeker de opleiding lager onderwijs veronderstelt een brede algemene kennis. Het lijkt logisch dat sommige deelnemers dus minder goed scoren op bepaalde testonderdelen. Het kan dat een student die minder uren Frans heeft gehad, ook minder goed scoort op het testonderdeel Frans.

Dan de bevindingen. Ik benadruk dat dergelijke monitoringsrapporten essentieel zijn om de implementatie van de proeven te kunnen begeleiden. Dit rapport levert nu vooral indicaties op. We moeten daar verdere analyses op doen.

Naast duidelijke communicatie over wat er van studenten wordt verwacht in de lerarenopleiding, is de ontwikkeling van nieuwe eindtermen met betrokkenheid van het hoger onderwijs een belangrijke stap om het secundair onderwijs nog beter te kunnen laten aansluiten op de verwachtingen in het hoger onderwijs.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Minister, welke organisatie of welk forum of wie ook de resultaten interpreteert, de interpretatie is altijd dezelfde. Ik volg uw redenering helemaal als u zegt dat vanaf het moment dat het rapport wordt opgeleverd, u heel goed zult kijken naar wat eruit is gekomen.

De eerste waarneming is dat de overgrote instroom in de lerarenopleiding mensen zijn die uit het tso komen. Vanaf het moment dat er wordt getwijfeld aan de degelijke kennis en de inhoud van die mensen, heb je twee mogelijkheden. Ofwel moeten we vanuit de niet-bindende instapproef strenger optreden en die bindend maken voor wie ondermaats scoort. Ofwel moet je, als de overgrote meerderheid van instromers uit het tso komt, misschien zorgen voor eindtermen die moeten worden gehaald in het tso.

Ongeacht vanuit welke hoek je het bekijkt, iedereen staat voor kennis, respect voor de lerarenopleiding en het beroep aantrekkelijk maken. Als je natuurlijk een kennisoverbrenger bent, mag je ook wel verwachten dat die leerkracht inhoudelijk heel sterk is. Als je met een inhaalbeweging moet vertrekken omdat bijvoorbeeld wiskunde of Frans, laat staan de eigen moedertaal, ondermaats is, dan spijker je zeker bij vanuit het secundair onderwijs, ofwel kun je bij het instappen in de lerarenopleiding een beetje strenger zijn.

Het is natuurlijk heel belangrijk dat er min of meer een selectie gebeurt aan de toegangspoort, maar de kwaliteit van de uitstroom is toch wel fundamenteel. Het is op dit moment niet altijd heel duidelijk waar de knoop zit, maar het rapport zal daar duidelijkheid over brengen. Vrijblijvendheid, kansen geven en ondersteunende trajecten uittekenen, dat is inderdaad een vanzelfsprekendheid. Maar de grote instroom vanuit het tso is ook een zwakte, en misschien moeten we eens nagaan hoe we dat kunnen versterken. Het Frans is niet populair, maar Frans begint nog altijd in heel veel scholen in de derde graad van het basisonderwijs. Als er mensen zijn die deze taal niet of ondermaats beheersen, kun je nooit een passie voor de taal ontwikkelen.

Daarom ben ik samen met u, minister, heel benieuwd hoe men tegen een aantal van de opmerkingen die ik zo-even heb gemaakt, aankijkt als het rapport wordt opgeleverd.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Het is toch wat voorbarig om conclusies te trekken over een onvolledig rapport. De VLHORA zegt zelf dat het is gebaseerd op onvolledige gegevens en dat er meer onderzoek moet gebeuren. Dat hebben ze ook in de pers gezegd. Vandaag is er nog geen enkele student die de volledige lerarenopleiding heeft doorlopen, die de proef heeft afgelegd. De toets is daardoor ook nog niet gevalideerd.

Ik zou dus zeer voorzichtig zijn om op basis van onvolledige gegevens conclusies te trekken. Ik pleit ervoor om meer onderzoek te doen, zeker ook naar de effecten van een dergelijke toets op kansengroepen en hun toegang tot de opleiding.

De voorzitter

De heer de Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, u stelt zeer terecht dat jongeren uit het bso in eerste instantie voorbereid worden om de stap te zetten naar de arbeidsmarkt. In die zin zijn deze resultaten eigenlijk niet zo heel verrassend. Terecht voegt u eraan toe dat er bij de modernisering van het secundair onderwijs voorzien is in een zevende jaar voor diegenen die de stap willen zetten naar het hoger onderwijs. Dat is heel belangrijk. Ik vind het op dit moment, als de uitrol volop bezig is van de verplichte niet-bindende proef – die wij op zich goed vinden – voorbarig om nu reeds conclusies te trekken en beslissingen te nemen, zonder volledige kennis van een uitgebreide evaluatie, die hoe dan ook bijzonder belangrijk is.

Minister, wat is de evolutie van het aantal leerlingen uit het bso dat effectief kiest voor de lerarenopleiding? Is dat sterk toegenomen in vergelijking met het verleden? Of is dat ongeveer constant gebleven? Hoe zijn de resultaten van deze leerlingen? Is er een procentuele toename of afname van geslaagde leerlingen uit het bso?

Ik heb er alle begrip voor als u daar nu niet op kunt antwoorden, maar dan zou ik dat wel graag later ontvangen. Het is immers interessant om op een betere wijze een juiste evaluatie te kunnen maken en juiste conclusies te kunnen trekken.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Met de N-VA hebben we al heel vaak verwezen naar het thema dat mevrouw Celis aanhaalt. Er is de niet-bindende toelatingsproef en het zevende leerjaar, waarvan in Geel – de stad van mevrouw Celis – de pioniers zitten van dat naamloos leerjaar. Dat is een zeer belangrijk jaar.

Het gaat natuurlijk om meer dan enkel de niet-bindende toelatingsproef. De vraag is ook of de uitstroom uit de lerarenopleiding sterk genoeg is. We kijken daarvoor naar de instroom, maar ook naar wat gebeurt in de lerarenopleiding. Uit andere onderzoeken hebben we kunnen vaststellen dat de kennis van het Frans onvoldoende is, maar ook dat leerkrachten niet weten hoe ze moeten omgaan met wetenschap en techniek. De N-VA stelt dan ook al langere tijd vakleerkrachten voor in bijvoorbeeld de derde graad van het lager onderwijs, om op die manier die kennis niet verloren te laten gaan. Deze vraag gaat voornamelijk over de instroom, maar minstens even belangrijk is wat er in die lerarenopleiding gebeurt. Ik verwijs er nog eens naar dat de N-VA erover heeft moeten waken dat ook vakkennis in de lerarenopleiding aanwezig zou zijn.

Minister, hebt u zicht op hoe het is gesteld met de uitstroom uit de lerarenopleiding? Instroom is één zaak, maar uitstroom is een andere, want één leraar beïnvloedt in zijn carrière in de lagere school meer dan duizend leerlingen en in het secundair onderwijs, afhankelijk van waar hij lesgeeft, tussen de tweeduizend en vierduizend leerlingen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Ik wil eerst iets rechtzetten. Mevrouw Soens en mijnheer De Meyer, uiteraard zal het rapport met u worden besproken. De resultaten zijn nog niet gevalideerd. Er is enerzijds de toelatingsproef en anderzijds de resultaten van het eerste jaar. Verder kunnen we nog niet gaan, want die studenten zijn nog niet afgestudeerd. Die resultaten zijn er dus nog niet. Het is een eerste draft, maar de finale resultaten zijn er nog niet. Ik kan en zal er dus nu niets over zeggen. Die resultaten komen later en u zult daar uw ding mee mogen doen.

Dat neemt niet weg dat de vraag van mevrouw Celis terecht is. De resultaten van de toelatingsproef zeggen ook wel iets op zich. Het is niet omdat je niet weet hoe het resultaat is na een of twee jaar, dat je niets kunt zeggen over de toelatingsproef op zich. Je kunt niet naast een van de resultaten kijken, namelijk dat jongeren uit het beroepsonderwijs niet zo goed voorbereid zijn om studies leraar aan te vatten. Kunnen ze dit rechtzetten in de loop van de studies of vallen ze uit? Op tien jongeren zijn er vier of vijf die uitvallen en stoppen tijdens de opleiding. Ik kreeg vorige week kritische vragen over de lage instroom, maar wat ben je met een instroom als bijna de helft stopt? Dat is ook niet goed. We moeten dat onder ogen durven zien.

Ik heb nu geen kritiek gehoord – terwijl ik die vragen wel al van anderen heb gekregen in het verleden – op wat leerlingen moeten doen na het bso en of ze niet meteen naar een bacheloropleiding kunnen gaan. Ik durf te zeggen dat uit de resultaten van de toelatingsproef nu al blijkt dat de sprong van beroepsonderwijs naar een professionele bachelor niet evident is. Die is moeilijk. We zouden het beroepsonderwijs helemaal anders kunnen oriënteren, maar dat is voor mij geen optie omdat we ervoor moeten zorgen dat jongeren sterk en weerbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Dat veronderstelt natuurlijk een basiskennis, maar wil niet noodzakelijk zeggen dat ze alle competenties hebben om een bacheloropleiding te volgen. Wie dat toch wil, moet een algemeen vormend zevende jaar volgen of kan via hbo5 naar een professionele bachelor. Ik denk dat we het daarover eens zijn.

Dat is ook zo voor het technisch onderwijs, mevrouw Celis. Dat is ook de reden waarom we in de modernisering van het secundair onderwijs elke studierichting gescreend hebben en gekeken hebben op welke manier die voldoende voorbereidt op het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt. Het grootste probleem daar zit in de gemengde profielen en bij de leerlingen die zich voor de twee willen voorbereiden. Het is niet zo eenvoudig om op beide goede voorbereid te zijn. We hebben dan gekeken hoe we die richtingen wel of niet moeten herprofileren en welke eindtermen we daarbij moeten toepassen. Die eindtermen worden nog gemaakt. Ze zijn nu bezig met de tweede en de derde graad.

Dat toont eigenlijk aan, mevrouw Celis, dat de toestand zoals die vandaag bestaat, ook suboptimaal is. Zeker voor de algemene scores voor Frans durf ik geen uitspraken te doen, omdat we zien dat Frans globaal niet goed is. Leerkrachten voelen zich in het lager onderwijs soms niet sterk genoeg om het te geven, maar ook in het secundair onderwijs is de kennis van het Frans na een traject van zes jaar onvoldoende.

De signalen die ik vanuit de lerarenopleiding krijg en die ik ernstig neem, mijnheer Daniëls, is dat het zeker voor Frans niet evident is om het niveau op te krikken. Dat is misschien nog een understatement. Als je zes of acht jaar lang Frans hebt gehad en je voelt dat het niveau niet is wat het zou moeten zijn, dan kun je dat niet zomaar opkrikken. Wij moeten echt een structureel plan opmaken indien we willen dat de waardering voor het Frans blijft. We moeten daar dan hoe dan ook werk van maken.

Als het dan over de globale uitstroom en het niveau gaat, mijnheer Daniëls, hebben we in Vlaanderen de traditie om onze hogeronderwijsinstellingen, de universiteiten en hogescholen, vertrouwen te geven. Zij zijn ook de innovatoren van ons onderwijs. Zij maken ook zelf de opleidingsonderdelen waar. Maar als ik me toespits op het Frans, hoor ik ook bezorgde geluiden van docenten Frans in het hoger onderwijs.

Ik denk dat het geen dag te vroeg is om de twee groepen samen te brengen om te kijken hoe we de krachten kunnen bundelen.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Omdat het rapport nog niet volledig is, is het inderdaad voorbarig om al conclusies te trekken en definitieve beslissingen te nemen. De bezorgdheden, die ik ook hier bij onze collega’s hoor, gaan over hoe we nu op de beste manier naar enthousiaste, sterke mensen kunnen gaan, die voor een lerarenopleiding kiezen, maar die ook sterk en enthousiast afstuderen en klaar zijn om voor de klas te staan.

Het beroepsonderwijs – en zowel mijnheer De Meyer als u hebben daar naar verwezen – zorgt niet direct voor de profielen waarvan je verwacht dat zij doorstromen of kiezen voor een bachelor. Als het over de bso-opleidingen gaat, spreek ik uit ondervinding. Ik heb thuis ook een kind dat in het zesde jaar van het bso zit omdat hij niet wenste te studeren, maar nu hij ouder wordt, is zijn visie daarop toch enigszins veranderd. Hij denkt nu wel aan een zevende naamloos leerjaar, maar hij heeft dus absoluut geen studiehouding, want hij heeft geen examens. Hij heeft nog nooit examens voorbereid. De achterstand in algemene vakken en algemene vorming is zo groot dat ik mij de vraag stel of je dat met een zevende naamloos leerjaar voldoende kunt bijspijkeren om nog maar een instroom mogelijk te maken. Want je hebt tijdens heel het secundair onderwijs op zo’n niveau gewerkt dat er stilaan een achterstand in algemene kennis wordt opgebouwd, een achterstand waarvan ik niet direct weet of je die wel in een jaar tijd kunt aanvullen, laat staan dat je de ondersteuning of bijkomende vorming kunt krijgen om naar een lerarenopleiding te gaan. Dat zal, denk ik, niet zo evident zijn voor die studenten, maar we moeten daarom de lat niet anders of lager leggen. Als we naar sterke, enthousiaste mensen in de lerarenopleiding willen gaan, moet de lat op het vlak van kennis en attitudevorming zeker zeer hoog blijven liggen.

We hebben vorige week een groot debat gehad over het lerarentekort. Ik begrijp dat als we enerzijds worden geconfronteerd met een enorm tekort en we anderzijds de instroom toch voldoende groot willen maken om aan dat lerarentekort een antwoord te bieden, het geen evidente discussies en vragen zijn die hier voorliggen. Ik kijk samen met mijn collega’s en u, minister, uit naar de oplevering van het rapport.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.