U bent hier

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

Wouter Vanbesien (Groen)

Het gaat hier om drie vragen die een samenhang vertonen met elkaar. De eerste vraag was oorspronkelijk bij Vlaams minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport geagendeerd, maar ik zal even de algemene toelichting schetsen van de drie komende vragen.

Het gaat erover dat de Europese Commissie in mei haar voorstel voor de Europese meerjarenbegroting 2021-2027 op tafel gelegd heeft. In het Europees jargon heet dat dan het meerjarig financieel kader (MFK). Zowel het Europees Parlement als de Raad van Ministers moet daar vervolgens met verschillende lidstaten over onderhandelen.

De Vlaamse administratie heeft dit voorstel bestudeerd en per thema ook afgetoetst met belanghebbenden. Daar is een eerste Vlaamse standpuntbepaling uit voortgevloeid die eind november ook aan het Vlaams Parlement is meegedeeld, in het kader van de maandelijkse overzichten van de ontwikkelingen op EU-niveau. We zien dat daarin over het algemeen positieve bemerkingen en ook heel wat suggesties staan.

Op 14 november heeft ook het Europees Parlement op het voorstel van de Europese Commissie gereageerd en heeft het er bij meerderheid een standpunt over ingenomen. Heel wat partijen in het Europees Parlement ondersteunen het standpunt dus.

Mijn vraag nu gaat over het Vlaamse standpunt, omdat dat niet overal even duidelijk was en omdat die onderhandelingen nu gaan starten en Vlaanderen ook wel betrokken is bij de standpuntinname van de Belgische Regering over dat MFK.

Ik had wat vragen voorbereid, enerzijds een algemene vraag over de omvang van dat budget, een vraag voor de minister-president, en anderzijds meer specifieke vragen voor de vakministers, waaronder ook aan minister-president Bourgeois als vakminister en aan minister Muyters. Wat minister Muyters betreft, is mij gevraagd om de vraag hier te agenderen.

Zal ik de volgorde gebruiken zoals geagendeerd?

De voorzitter

Als het voor u goed is, dan beschouwen we de drie vragen als één. Dat is duidelijker en dan kunnen de vragen gesteld worden in de volgorde zoals geagendeerd.

Wouter Vanbesien (Groen)

Ik heb net een algemene inleiding gegeven rond de context van de drie vragen en ik zal ze rustig voorlezen, zoals ze ingediend zijn.

De voorzitter

Perfect. Dan groeperen we ze in die wijze.

Wouter Vanbesien (Groen)

Ik zal eerst even ingaan op het budget van het Horizonprogramma en ook van de eengemaakte markt. Dat werd in het standpunt van de Vlaamse Regering toegewezen aan minister Muyters, maar minister-president Bourgeois, als coördinerend minister, zal erop antwoorden.

Als we kijken naar de eerste standpuntbepaling van de Vlaamse Regering ten opzichte van de voorgestelde prioriteiten van Horizon Europa, dan stelt de Regering daarover: “De doelstellingen van het Kaderprogramma lopen gelijk met de doelstellingen van Vlaanderen: hogere werkgelegenheid, hoger concurrentievermogen, vergroten van de kennisbasis, oplossingen vinden voor grote maatschappelijke problemen Ook heel wat thematische prioriteiten, zoals artificiële intelligentie, cybersecurity, High performance computing, lopen gelijk.” Dat is dus een heel positieve inschatting van de Vlaamse Regering over het Commissievoorstel.

Ook wat de geschiktheid van de beleidsopties voor Vlaanderen betreft, stelt de Regering dat een diepgaandere studie nodig is, maar dat alvast het volgende vaststaat: “Voor bepaalde prioriteiten van de Vlaamse overheid, zoals bijvoorbeeld artificiële intelligentie en cybersecurity, biedt het kaderprogramma duidelijke opportuniteiten. Het kaderprogramma biedt een extra opportuniteit door de verwachting dat 35 procent van het specifiek programma zal bijdragen tot de realisatie van klimaatdoelstellingen.”

Ten slotte maakt de regering de volgende inschatting van de verwachte effecten van Horizon Europa in Vlaanderen, met name dat O&O&I-actoren (Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie) financiering kunnen verwerven, dat bepaalde thematische en maatschappelijke klemtonen voor O&O&I vanuit het Europese niveau beïnvloeden onrechtstreeks ook het Vlaamse beleid en dat er meer internationale samenwerkingsmogelijkheden zijn voor onze actoren.

Daarenboven blijkt dat aan alle belangrijke verwachtingen van de geconsulteerde Vlaamse belanghebbenden in het voorstel van de Commissie worden voldaan. Samengevat is de inschatting van Vlaanderen over wat nu voorligt eigenlijk heel positief.

Als het dan gaat over de eengemaakte markt – nog iets waar minister Muyters eigenlijk verantwoordelijk voor was –, stelt de regering: “De ambitie voor een pragmatische vereenvoudiging door de integratie van COSME (Programme for the Competitiveness of Enterprises and Small and Medium-sized Enterprises) met vijf andere programma’s is een stap in de goede richting op voorwaarde dat het nieuwe kader goed inspeelt op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), namelijk modernisering, digitalisering, competitieve sectoren en handel binnen de ééngemaakte interne markt. Met andere woorden, er moeten voldoende synergiën voorzien worden tussen de verschillende onderdelen van het Single Market programma zelf. (…) Onderzoek en innovatie zijn motoren voor concurrentiekracht van ondernemingen, dit geldt vooral voor kmo’s: Vlaanderen schat in dat de toegevoegde waarde voor kmo’s hoger zou zijn als het nieuwe COSME als standaloneprogramma zou functioneren. Voor onderzoek en innovatie zou dit voor meer synergiën met andere programma’s, in de eerste plaats Horizon Europe, kunnen zorgen.”

Op enkele bedenkingen na lijkt de Vlaamse Regering ook over dit programma zeer enthousiast. Dat was een samenvatting van wat Vlaanderen zegt over het Commissievoorstel.

Dan is er ook het Europees Parlement dat een standpunt heeft ingenomen. Het Europees Parlement pleit voor een verhoging van de begroting voor Horizon Europa tot 120 miljard euro in prijzen van 2018, tegenover het Commissievoorstel van 83,5 miljard, om werkelijk aan de Europese ambitie voor onderzoek en innovatie te kunnen voldoen. Wat betreft het programma voor de eengemaakte markt, pleit het Europees Parlement voor een totaalbedrag van 5,8 miljard euro, ten opzichte van de 3,6 miljard in het Commissievoorstel, om het ondernemingsklimaat en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven te verbeteren en het ondernemerschap te bevorderen. Met andere woorden legt het Europees Parlement de lat een stuk hoger en daarom heb ik ook een aantal vragen.

Gezien de zeer positieve inschatting die de regering maakt van de doelstellingen, prioriteiten en bredere inhoud van Horizon Europa, steunt u het voorstel van het Europees Parlement om de begroting van het kaderprogramma zeer substantieel te verhogen?           

Sluit uw visie op de grootteorde van het totale benodigde bedrag voor Horizon  Europa eerder aan bij die van het Europees Parlement, dat pleit voor 120 miljard euro, of eerder bij het voorstel van de Commissie, die pleit voor 83,5 miljard? Welk bedrag verdedigt Vlaanderen in het intra-Belgische coördinatieproces?

Wat betreft het programma voor de eengemaakte markt, welke inschatting maakt u van het bedrag voorgesteld door de Commissie en het bedrag voorgesteld door het Europees Parlement? Welk bedrag verdedigt Vlaanderen ook daar in het intra-Belgische coördinatieproces?

Dat was mijn eerste vraag, die bedoeld was voor minister Muyters.

Dan kom ik bij mijn tweede vraag, die ik rechtstreeks gesteld heb aan minister-president Bourgeois en die niet gaat over de deeldomeinen, maar over het algemene financiële kader, de hoogte van het bedrag en over waar dat geld vandaan moet komen.

Misschien is het niet helemaal terecht – en dan moet u me maar terechtwijzen –, maar ik stelde daar toch een zekere verschuiving vast van het standpunt. In de standpuntbepaling van de Vlaamse Regering die het Vlaams Parlement in november ontving, staat: “Voor de Vlaamse Regering is een grondige discussie over de inhoud van het EU-beleid nodig van waaruit dan het budget dient te volgen vertrekkend van het gewenste beleid in een EU-27-context.” Gelet op de negatieve financieringsimpact van het geplande vertrek van het Verenigd Koninkrijk, zo stelt de tekst verder: “moet een vermindering van het budget bespreekbaar zijn, maar het globaal uitgavenniveau moet wel afdoende zijn om geloofwaardig op de (nieuwe) prioritaire uitdagingen van de EU27 in te kunnen zetten.”

Hier wordt toch vooral benadrukt dat we met minder moeten kunnen, nu het Verenigd Koninkrijk de EU verlaat, terwijl u in mei 2018, een paar maand geleden, in een antwoord op een vraag van collega Vanlouwe het volgende stelde: “Het is voor de Vlaamse Regering in elk geval noodzakelijk om besparingen en efficiëntie-oefeningen te doen, zeker na de Brexit, en een budgettaire shift te maken naar nieuwe klemtonen. Indien die budgettaire omslag en herprioritisering er finaal ook effectief komen, is een beperkte toename van de middelen te rechtvaardigen op basis van de geleverde EU-meerwaarde. Maar in eerste instantie dus budgettaire besparingen, efficiëntieoefeningen en een omslag maken in de richting van een innovatieve, toekomstgerichte Europese Unie. Ik heb dit ook meegedeeld in mijn gesprek met EU-voorzitter Juncker nadat hij zijn toespraak had gehouden in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement.”

Eigenlijk zegt u daar dat er hervormingen moeten komen en dat het goed is om zelfs in een hoger budget te voorzien, als die hervormingen er komen, aangezien de EU zoveel meerwaarde creëert. Tussen mei en november lijkt er in die zin dus een zekere verschuiving in ambitieniveau te hebben plaatsgevonden.

Ondertussen heeft ook het Europees Parlement een standpunt over het voorstel van de Europese Commissie ingenomen. Dat gaat niet alleen over het totale bedrag, maar ook over de vraag waar die middelen en de eigen middelen vandaan moeten komen.

De Commissie heeft een voorstel gedaan om de vergoeding voor de inningskosten van de douanerechten, die door de lidstaten worden geïnd, te verlagen van 20 naar 10 procent, wat voor de Vlaamse Regering niet acceptabel is.

– Karim Van Overmeire treedt als voorzitter op.

Wouter Vanbesien (Groen)

Naast dat voorstel over de inningskosten, heeft de Commissie ook nog andere voorstellen gedaan. Ten eerste, een deel van de nieuw leven ingeblazen gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, die moet worden ingefaseerd zodra de nodige wetgeving is aangenomen. Ten tweede, een deel van de veilingopbrengsten van het Europees systeem voor de handel in emissierechten. Ten derde, een nationale bijdrage berekend op basis van het bedrag aan niet-gerecycleerd kunststof verpakkingsafval. Dat zijn voorstellen van de commissie.

Het Europees Parlement deed ook een aantal voorstellen voor nieuwe eigen middelen: Ten eerste, eigen middelen op basis van een belasting op financiële transacties (FTT), waarbij alle lidstaten worden opgeroepen om een overeenstemming te bereiken over een efficiënte regeling. Ten tweede, de invoering van een mechanisme voor een koolstofgrenscorrectie als een nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU-begroting. Dat moet leiden tot een gelijk speelveld in de internationale handel en tot minder productieverplaatsingen doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van de ingevoerde goederen.

Wat heeft geleid tot de verschuiving in het standpunt van de regering van eventueel minder middelen voor de EU naar eventueel meer middelen voor de EU als daar hervormingen plaatsvinden?

Als het over de grootteorde van het totale benodigde bedrag voor die meerjarenbegroting gaat, sluit de visie van de regering dan eerder aan bij die van het Europees Parlement, dat pleit voor 1,30 procent van het bruto nationaal inkomen (BNI) van de zeventwintig EU-lidstaten (EU-27)? Of eerder bij het voorstel van de Commissie, die pleit voor 1,11 procent van het BNI? Wanneer de standpunten over alle begrotingsposten worden samengenomen, welk bedrag verdedigt Vlaanderen dan in het intra-Belgische coördinatieproces?

Wat is het standpunt van de regering over de niet-douanegerelateerde voorstellen van de commissie voor de nieuwe eigen middelen? Hou daarbij rekening met het feit dat die invoering van nieuwe eigen middelen eigenlijk twee doelen dient: ten eerste om het aandeel van de lidstatenbijdragen te kunnen verminderen en ten tweede om een adequate financiering van de EU-uitgaven in de volgende jaren te kunnen blijven hebben.

Wat is het standpunt van de regering over de voorstellen van het Europees Parlement voor nieuwe eigen middelen?

Wat is het standpunt van de regering over het door het Europees Parlement gesteunde voorstel van de Commissie om het beginsel vast te leggen dat toekomstige ontvangsten die rechtstreeks uit het EU-beleid voortspruiten ook naar de EU-begroting moeten vloeien?

Mijn volgende en derde vraag aan u gaat specifiek over begrotingsposten die op Vlaams niveau ook in uw portefeuille zitten. Dat gaat dan over het Europese Cohesiebeleid, het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en het InvestEU-programma.

Het Europees Parlement verzet zich ook zeer duidelijk tegen het voorstel om het budget voor het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) in reële termen te verlagen, onder meer wegens het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van de vier bestaande sociale programma's, met name ook het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief. Het Europees Parlement pleit voor een budget van 106 miljard euro tegenover het voorstel van 89 miljard euro door de commissie. In het voorstel van het Europees Parlement zit ook de opname vervat van een specifieke toewijzing van 5,9 miljard euro voor het Kindergarantiefonds om de armoede onder de kinderen zowel binnen de EU, als via haar externe acties aan te pakken.

Ten slotte pleit het Europees Parlement wat het InvestEU-fonds betreft voor een verhoging van de toewijzing ten opzichte van het voorstel van de commissie.

Gezien de zeer positieve inschatting die de Vlaamse Regering maakt van de ‘thematische concentratie op innovatie en klimaat binnen EFRO en Interreg’ die ze dus kenmerkt als ‘erg positief met voldoende ruimte om inhoudelijke accenten te leggen naargelang de relevante territoriale context’, met bovendien een ‘sterke thematische concentratie op een groenere, koolstofarmere economie en de voortgezette aandacht voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling’, is mijn vraag of de regering dan ook de vraag van het Europees Parlement ondersteunt naar het constant houden van de financiering van de fondsen voor Regionale Ontwikkeling en Cohesie?

Steunt u de vraag van het Europees Parlement om het budget van het ESF+ met ongeveer 17 miljard euro te verhogen ten opzichte van het commissievoorstel?

Steunt u de vraag van het Europees Parlement om in een specifieke toewijzing van 5,9 miljard euro binnen dit verhoogde ESF+-budget te voorzien om de armoede bij kinderen aan te pakken?

Ten slotte: schaart de Vlaamse Regering zich achter het voorstel van het Europees Parlement  dat de toewijzing voor het InvestEU-fonds opgeschaald moet worden, rekening houdend met het feit dat de regering in haar visienota op de toekomst van de EU bepaalde dat de Europese Unie een investeringsmachine moet worden en een kader dient te scheppen voor investeringen die duurzame economische groei met zich meebrengen?

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Dank u wel voorzitter. Mijnheer Vanbesien, ik zal beginnen met de algemene vraag, ik denk dat dit veel beter is dan dat ik eerst op uw specifieke vragen inga, ook al zijn die in een andere volgorde gesteld.

– Jan Van Esbroeck treedt als voorzitter op.

Minister-president Geert Bourgeois

Ik wil beginnen met te zeggen dat er in het algemeen geen tegenstelling is tussen teksten van vroegere en latere datum. Er is enerzijds een vermindering als gevolg van het feit dat het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat. We gaan ervan uit dat dat zo is, al kan er nog van alles gebeuren. Maar er is een vermindering ten gevolge van de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk. Anderzijds is er een eventuele verhoging ten gevolge van nieuwe prioriteiten. Dat zijn twee onderscheiden zaken.

In mijn antwoord van 28 mei 2018 in deze commissie heb ik ook al de noodzaak beklemtoond van besparingen en efficiëntieoefeningen. Ik heb vooral de noodzaak beklemtoond van een toename van middelen die gekoppeld is aan een budgettaire omslag, een herprioritering en EU-meerwaarde. Vandaar de algemene lijn van de Vlaamse Regering: het budget volgt de visie. We vertrekken niet van een bepaald budget. We zeggen dat er een visie moet zijn en dan moet je kijken of het in een bepaalde mate verantwoord is of je daar meer middelen voor uittrekt. Vlaanderen is dus bereid om over een budgetverhoging te spreken als dat gekoppeld is aan een budgettaire omslag, aan een herprioritering en aan een duidelijke EU-meerwaarde.

Aan die bedragen zijn we nog niet toe. Het is zo dat nu op Europees niveau vooral over de architectuur wordt gepraat en dat er pas in een latere fase over de bedragen wordt gepraat. Bij ons is dat eerst interfederaal. U kent de manier waarop wij tot een besluitvorming moeten proberen te komen. Later volgt op Europees niveau  een besluitvorming.

Sommigen die pessimistisch zijn, zeggen dat dit pas zal lukken onder Duits voorzitterschap. Dat is pas in de tweede helft van 2020, dus dat is bijzonder laat. We hebben nu de Oostenrijkers, dan komt Roemenië, vervolgens Finland, Kroatië en Duitsland is pas in de tweede helft van 2020. Dat is eigenlijk heel laat. Maar het zal een aartsmoeilijke discussie worden, dat weet nu al iedereen.

Voor het totaalvolume van het MFK dienen meerdere elementen in acht genomen te worden en ik zal die verder toelichten.

Ik wil om te beginnen beklemtonen dat we niet naast het kostenplaatje kunnen kijken van het Commissievoorstel. Dat houdt een reële stijging in van het uitgavenniveau met 52,3 miljard euro.

Daarnaast zal het geplande vertrek van het Verenigd Koninkrijk een gat slaan in de financiering van de EU-begroting van naar schatting 10 tot 12 miljard euro op jaarbasis.

De federale overheid berekende dat de financiering van het commissievoorstel voor de periode 2021-2027 aan de federale schatkist een gemiddelde jaarlijkse meerkost van 1 tot 1,2 miljard euro zou kosten.

Over de voorstellen van het Europees Parlement is bij mijn weten nog geen federale berekening gemaakt. Als ik snel kan rekenen, dan gaat het ruim gerekend over 6 miljard euro per jaar voor België als het Europees Parlement naar 1,3 procent gaat.

Ik weet niet of dat uw voorstel is, maar het zou me wel interesseren om ook te weten wat u voorstelt op dat vlak.

Ik denk dat iedereen het erover eens is dat 6 miljard euro bijkomende uitgaven voor België gewoon budgettair niet haalbaar is. Trouwens, als ik zie wat de positie is van de andere landen, ook de grote lidstaten, dan zal niemand meegaan in voorstellen die niet realistisch zijn. Het zal zaak zijn om ambitie met efficiëntie en realiteit te verzoenen.

Ik heb dus al gezegd dat er in de schoot van de Raad nog niet werd onderhandeld over bedragen. Dat komt pas later aan bod. Het gaat nu vooral over de architectuur.

Wel is het zo dat je nu al een beetje voelt wat de voorkeuren van de lidstaten zijn ten aanzien van het totale uitgavenniveau. Zoals u weet, lopen deze standpunten sterk uiteen. Landen zoals Nederland, Denemarken en Zweden kunnen alleen maar akkoord gaan met een behoud van 1 procent van het bruto nationaal inkomen van de EU.

Andere nettobetalers zoals Duitsland en Frankrijk zijn iets minder precies in het formuleren van het totale uitgavenniveau. Toch gaan ook hun uitspraken in de richting van een besparing op het uitgavenniveau dat de Commissie voorstelt. In zijn recentste verklaringen stelt Duitsland uit te gaan van 1 procent van het BNI. Dat is het huidige niveau. En men voegt eraan dat dat niveau kan worden bijgesteld als – en dat is ook de positie van Vlaanderen – het MFK de preferenties van Duitsland weerspiegelt, onder andere inzake migratie en klimaat. Dus op voorwaarde dat er toegevoegde waarde wordt gecreëerd, maar men vertrekt van de huidige 1 procent.

De Vlaamse Regering pleit voor een ambitieus, toekomstgericht en realistisch EU-budget. Dit betekent voor ons een budget lager dan de 1,11 procent van het EU-BNI dat de Commissie voorstelt. We zijn bereid om na te denken over een bedrag dat hoger ligt dan de huidige 1 procent. Maar, en ik heb dat vroeger al gezegd, mits een herprioritering, mits toekomstgerichte keuzes, mits de invulling van een meerwaarde die de Europese Unie op alle vlakken trouwens nodig heeft. Dat is ook de EU-visie van de Vlaamse Regering.

De Commissie stelt voor om de bestaande eigen middelenbron op basis van het BNI in stand te houden en als sluitmiddel te behouden, en dat is positief.

Ik denk dat die financieringsvorm op basis van het BNI een correcte financiering is. Ze is eenvoudig, transparant en fair. Wij willen de op de BNI gebaseerde bijdrage behouden als primaire en belangrijkste bron.

De Commissie stelt voor om de eigen middelenbron die gebaseerd is op de belasting over de toegevoegde waarde (btw) te vereenvoudigen. Wij kunnen akkoord gaan met een vereenvoudiging. We zijn zelfs niet per definitie gekant tegen een volledige afschaffing van de op de btw gebaseerde eigen middelenbron mits die derving van de inkomsten voor de EU dan zou worden gecompenseerd door een verhoging van de eigen middelen op basis van het BNI. Dan heb je één eenvoudig systeem.

Wat betreft de voorstellen van de Commissie om drie nieuwe bronnen van eigen middelen in te voeren, steunt de Vlaamse Regering het Commissievoorstel voor een nationale bijdrage, berekend op basis van het volume aan niet-gerecycleerd kunststof verpakkingsafval. Maar we verbinden daar wel een voorwaarde aan, namelijk het berekenen van de bijdrage op basis van betrouwbare statistieken. Die zijn over de hele Europese Unie niet betrouwbaar. Je kunt maar bijdragen innen als je op dat vlak echt betrouwbare cijfers hebt.

We zijn geen voorstander van het voorstel van de Commissie om een deel van de veilingopbrengsten van het Europees systeem voor de handel in emissierechten aan te wenden als financieringsbron voor de EU-begroting. Dan heb je minder geld voor een milieubeleid dat nu maatwerk toelaat. Dat voorstel zou beteken dat er minder middelen zouden zijn voor het Klimaatfonds en deze middelen uit het Klimaatfonds zetten wij vandaag zeer gericht in op klimaat- en energiebeleid. Als je deze transfereert naar de Europese Unie, dan komen die in de EU-begroting als een algemene middelenbron. Ze zijn dan niet specifiek gealloceerd voor een Europees klimaat- en energiebeleid. We zien daar dus de meerwaarde niet van in.

We zijn evenmin voorstander van het derde voorstel van de Commissie voor een nieuwe eigenmiddelenbron. Met name het voorstel van de invoering van een nieuwe eigenmiddelenbron op basis van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, de zogenaamde Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB).

Er zijn een aantal argumenten om dit niet te doen.

Ten eerste, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft al afspraken gemaakt over de verrekenprijzen waarop de winst internationaal wordt gealloceerd. Hierdoor kan in de toekomst rekening worden gehouden met de concurrentie van het Verenigd Koninkrijk, misschien wel een Singapore aan de Noordzee, of van andere landen en zal het niet enkel om de 27 Europese lidstaten gaan.

Ten tweede, specialisten hebben berekend dat het voorstel van de Europese Commissie nadelig is voor Vlaanderen. De oude maakindustrieën worden bevoordeeld en wij hebben een zeer moderne maakindustrie met minder arbeid in functie van de toegevoegde waarde die wordt gecreëerd. Het voorstel van de Europese Commissie is gebaseerd op een derde omzet, een derde vaste activa en een derde arbeidskosten. Uit de berekeningen blijkt dat België in zijn totaliteit op basis van deze verdeelsleutel disproportioneel veel zou moeten betalen.

Dit staat nog los van het feit dat de grotere lidstaten, zoals Frankrijk, Duitsland, Italië of Spanje, een veel grotere eigen afzetmarkt hebben en in vergelijking met onze kleine economie schaalvoordelen hebben.

Wat de voorstellen van het Europees Parlement betreft, is het niet mogelijk ons zonder impactanalyse of zonder zelfs een concreet voorstel van de Europese Commissie te positioneren ten aanzien van het voorstel van het Europees Parlement in verband met een eigen middelenbron die zou worden gebaseerd op de financiële transactietaks of ten aanzien van het voorstel in verband met een ‘carbon border adjustment mechanism’. Als er voorstellen zijn, willen we ook de impactanalyses zien. We willen de voorstellen met volle kennis van zaken kunnen beoordelen. Dit is verstandig, want het gaat om uiterst belangrijke keuzes voor het financieel kader voor zeven jaar. De implicaties op het budget, de welvaart en de toekomstige ontwikkeling zijn enorm.

De Europese Commissie stelt voor om de inkomsten die rechtstreeks voortvloeien uit de implementatie van het beleid van de EU en uit de afdwinging van de Europese regelgeving voortaan automatisch deel van het budget van de EU te laten uitmaken. Dat zijn geen eigen middelen, maar zogenaamde ‘toegewezen ontvangsten’. Voor we met dat veralgemeend principe kunnen instemmen, is het voor ons belangrijk de implicaties van dat voorstel te kennen. We vragen de Europese Commissie eerst alle lidstaten een overzicht te bezorgen van de diverse vormen van toegewezen ontvangsten die ze in gedachten heeft, want we willen dit objectief kunnen beoordelen.

Mijnheer Vanbesien, u weet dat de Vlaamse Regering enorm veel belang hecht aan onderzoek en ontwikkeling. Dat maakt deel uit van onze visienota inzake de EU en we gaan ermee akkoord dat het voor Horizon Europa een prioriteit is in het licht van het MFK over een excellentiebeginsel te beschikken.

Wat onderzoek, ontwikkeling en innovatie betreft, stelt de Europese Commissie in ‘Rubriek 1: Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid’ een verhoging met 40 procent in het MFK voor. Hierbij wordt rekening gehouden met de inflatie. Dit voorstel is positief, maar Vlaanderen wil meer. We willen een nog sterkere herprioritering en ik ben ervan overtuigd dat de EU veel meer op onderzoek en ontwikkeling moet inzetten.

Vlaanderen zit nu bij de innovatieleiders. We zitten aan 2,7 procent en het Europees gemiddelde is 1,95 procent. Ik heb het geluk gehad de voorbije jaren een beetje te kunnen reizen. Ik heb gezien hoe ver de andere landen inzake onderzoek en ontwikkeling staan en hoe sterk die landen op een kenniseconomie en onderzoeksgedreven economie inzetten. Naar aanleiding van een andere vraag om uitleg hebben we daarnet nog over China gesproken. Er zijn veel landen die enorm veel hierin investeren. Voor ons is het de enige manier om vooruit te kunnen gaan en om de jobs van de toekomst te kunnen creëren. Voor ons is dit een topprioriteit en we hebben van in het begin meegedeeld dat we ijveren voor een bijkomende stijging van de middelen voor Horizon Europa en voor de Connecting European Facility (CEF).

Het programma voor de eengemaakte markt is belangrijk en het ‘EU programme for the Competitiveness of Small and Medium-Sized Enterprises’ (COSME) is belangrijk. Dit programma is gericht op de ondersteuning van de kmo’s en draait om financiering, internationalisering en de ondernemingscultuur. Zeker in het licht van de brexit is het aangewezen dat het COSME-programma onze kmo’s gericht kan ondersteunen en kan helpen de brexit het hoofd te bieden. Dat maakt deel uit van Rubriek 1 en van het programma voor de eengemaakte markt. Tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader zullen we pleiten voor een stijging van de middelen voor Rubriek 1.

In algemene zin verwelkomen we het voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot de architectuur en de doelstellingen van het toekomstig cohesiebeleid. Dit geldt zowel voor het onderdeel inzake de investeringen in groei en jobs als voor het onderdeel inzake de Europese territoriale samenwerking. In lijn met wat de Europese Commissie voorstelt, zijn we voorstanders van een cohesiebeleid voor alle regio’s. We steunen het voorstel van de Europese Commissie inzake de architectuur en de doelstelling en inzake investeringen in groei en jobs, met name de indeling van de regio’s op het niveau van de Nomenclature of Territorial Units for Statistics 2 (NUTS 2) in drie categorieën, namelijk minder ontwikkeld, in transitie en meer ontwikkeld. We vinden het positief dat de Europese Commissie twee nieuwe allocatiecriteria voorstelt, namelijk de uitstoot van broeikasgassen en migratie. Het voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot de vernieuwde architectuur van het Interreg Community Initiative (Interreg) en van de allocatiemethode kan in grote lijnen op onze steun rekenen.

Wat de budgetten voor de structuurfondsen en het Cohesiefonds betreft, past het standpunt van de Vlaamse Regering in het brede standpunt over het volume van het meerjarig financieel kader. Ik verwijs hiervoor naar het net gegeven antwoord op vraag om uitleg nummer 391. Aangezien we, net als de Europese Commissie, een shift willen zien, steunen we de hervorming en de ommekeer die de Europese Commissie voorstelt. Zoals ik hier al meermaals duidelijk heb verklaard, willen we tijdens de onderhandelingen hierover verder inzetten op het elan van de shift. We zijn ervan overtuigd dat een herprioritering van het toekomstig Europees budget in de richting van nieuwe uitdagingen en van een focus op de Europese meerwaarde nodig is. Dit zal budgettaire keuzes impliceren.

Ik zie wat de budgettaire implicaties van de standpunten van het Europees Parlement voor een land als België inhouden, namelijk naar mijn schatting ruwweg 6 miljard euro per jaar. Dit is onbetaalbaar en het komt er dus op aan dat met verantwoordelijke bestuurders keuzes worden gemaakt en meerwaarde wordt gecreëerd. In functie daarvan moet worden beslist of we tot boven 1 procent kunnen gaan.

We hebben kennis genomen van de korte passage in de resolutie van het Europees Parlement waarin sprake is van het uittrekken van 5,9 miljard euro meer middelen voor een ‘European child guarantee’. Dat voorstel is niet gebaseerd op een regelgeving van de Europese Commissie, wat het zeer moeilijk of eigenlijk onmogelijk maakt om die korte passage van het Europees Parlement in te schatten.

We zijn bereid alle nieuwe voorstellen met open vizier te bestuderen, maar dat moet dan gebeuren op basis van concrete teksten. We moeten beschikken over concrete teksten van de Europese Commissie en over berekende impactanalyses. Uiteraard moeten we ook nakijken of we bij de lidstaten tot voldoende draagvlak kunnen komen.

In elk geval zullen we ons, los van dit voorstel, met betrekking tot de rubriek over cohesie inzetten voor het behoud of zelfs een verdere stijging van de budgetten. We zullen ons inzetten om de door de Europese Commissie voorgestelde architectuur van het cohesiebeleid te verdedigen en de middelen voor Vlaanderen ten gevolge van deze architectuur te vrijwaren. We zullen ons ook inzetten om een versterking van Interreg en van het Europees Sociaal Fonds (ESF) te bepleiten.

Zoals ik in deze commissie al dikwijls heb gesteld, pleit de Vlaamse Regering voor investeringen met een sterke additionaliteit en voor een efficiënter Europees Fonds dat meer inzet op de echte financieringsnoden van de lidstaten en op de grensoverschrijdende digitale, vervoers- en energieprojecten. Als de EU investeringen ondersteunt, moeten het vooral die grensoverschrijdende projecten zijn. Dat is een additionaliteit die een bijzondere meerwaarde kan creëren.

Ik heb er al op gewezen dat de return van het European Fund for Strategic Investments (EFSI) of ‘Junckerfonds’, de voorganger van EU Invest, in Vlaanderen niet zo denderend groot is. Ik heb al dikwijls gezegd dat er in Vlaanderen geen tekort aan financiering is. Er is voldoende financiering voor alle private investeringen, maar om die grotere additionaliteit te kunnen verzekeren, gaat het er om meer gericht te kunnen inzetten als het wat meer risicovol wordt.

Het European Fund for Strategic Investments (EFSI) zet nog onvoldoende in op de garantie van het meest risicovolle aandeel van de projectfinanciering en op de aanscherping van de additionaliteit. Er moet meer worden ingezet op het niveau van de regio’s. Er moet ook meer op dat niveau worden gemeten en beoordeeld.

Mijnheer Vanbesien, op basis hiervan moeten we rekening houden met het feit dat op het voorstel van de Europese Commissie besparingen te verwachten vallen. We zijn geen voorstander van een verhoging van de toewijzingen voor het EU Invest-fonds. Zoals u al had kunnen vermoeden, is dat voor ons geen prioriteit. Ik vind het echter belangrijk ook eens van u te horen tot welke bedragen u wilt gaan. We kunnen zeer voluntaristisch voor een sterke verhoging van de budgetten pleiten, maar de weerslag hiervan op landen als België, Nederland of Duitsland is enorm groot.

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

Wouter Vanbesien (Groen)

Minister-president, ik zou op een aantal punten willen reageren. Met betrekking tot het totale budget hebt u enerzijds verklaard dat u vanuit een visie en niet vanuit een budget wilt vertrekken. U wilt eerst op een rijtje zetten wat we allemaal nodig hebben, wat we vinden dat de EU moet doen en welke noden er zijn. Op basis daarvan zullen we wel zien hoeveel er nodig is. Tegelijkertijd hebt u anderzijds echter verklaard dat wat de Europese Commissie hierover zegt en zeker wat het Europees Parlement voorstelt, alvast te veel is. Dat is hiermee een beetje in tegenspraak.

Onafhankelijk van de visie of van de noden die er zijn, vindt u 1,3 procent van het bruto nationaal product van de EU te veel. Tenzij ze zeer goede redenen hebben, vindt u 1,1 procent eigenlijk ook te veel. U plaatst zich aan de kant van het debat die het totale budget van de EU lager wil duwen.

Wat de eigen inkomsten betreft, hoor ik heel veel terughoudendheid. Met betrekking tot het verpakkingsafval kan het eventueel, maar daarover hebben we geen goede gegevens. We kunnen dat dus niet operationaliseren. Voor de rest zijn er intrinsieke redenen, als de maatregel niet goed is of als de impact onbekend is. De idee van eigen inkomsten wordt hiermee eigenlijk afgesneden.

Ik heb u met betrekking tot verschillende punten, waaronder Horizon Europa, duidelijk horen stellen dat hier meer geld naartoe zou moeten gaan. Dat budget moet dan komen van een herprioritering van wat de EU doet. Een duidelijke uitspraak over waar minder geld uit het Europees budget naartoe zou moeten gaan, heb ik van u echter ook niet gehoord.

Het eigenaardige is dat u het Europees Parlement bijna verwijt dat de gevraagde hoge budgetten onverantwoord zijn. Dit zou betekenen dat de lidstaten veel zouden mogen en moeten ophoesten. Ik neem aan dat u hier namens de Vlaamse Regering spreekt. We zien echter dat de twee andere regeringspartijen het Europees standpunt in het Europees Parlement alvast wel ondersteunen. Uiteraard heeft iedereen in het Europees Parlement zijn rol te spelen. Het Europees Parlement heeft een andere rol dan een Vlaams minister. Het blijft me echter verbazen dat er zo veel enthousiasme kan zijn bij de Europese volksvertegenwoordigers van partijen die in uw Vlaamse Regering zitten en dat u hier namens de Vlaamse Regering tegelijkertijd zo scherpe uitspraken doet over de voorstellen van het Europees Parlement.

Ik denk dat het een betere houding zou zijn van België en van Vlaanderen in het Belgische proces om het geloof in de meerwaarde van de EU sterker naar voren te brengen. Dit betekent dat we meer zouden moeten inzetten op de budgetten, op de eigen inkomsten en op de samenwerking met het Europees Parlement.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president, ik dank u voor uw omstandig antwoord. U hebt een duidelijk en realistisch verhaal gebracht, dat de steun van mijn fractie krijgt.

Ik heb ondertussen nog steeds geen alternatief gehoord van collega Vanbesien, naast de kritiek die hij hier en daar leverde.

De Europese Unie staat voor enorme uitdagingen. Er is uiteraard het vertrek van het Verenigd Koninkrijk, de brexit. We weten nog steeds niet welke richting dit uitgaat. Ik lees vandaag dat premier May nog op zoek gaat naar steun, zowel in haar eigen land als in verschillende Europese hoofdsteden, waar zij langsgaat om te zien of ze toch nog bepaalde toegevingen zou kunnen verkrijgen.

Dat is uiteraard een fundamenteel probleem, waarmee de hele Europese Unie wordt geconfronteerd en waarmee ook wij, Vlaanderen, worden geconfronteerd. Enerzijds is er het budgettair verhaal, anderzijds is er natuurlijk de impact op onze economie.

Maar naast dit probleem met betrekking tot de brexit en de impact op ons budget, onze economie, zijn er natuurlijk ook uitdagingen op het vlak van bijvoorbeeld migratie. Ik heb collega Vanbesien daar niet over horen spreken, alsof dit in deze tijden absoluut geen probleem zou zijn. Ik heb de minister-president dat wél horen aanhalen.

Als eurorealistische partij is het voor mijn partij duidelijk: er is nood aan een focus, nood aan een herprioritering. Daarbij kan de vraag worden gesteld of dit kan samengaan met meer budget, rekening houdend met het feit dat een van de belangrijkste economische motoren binnen de Europese Unie, namelijk het Verenigd Koninkrijk, wegvalt. 

De focus moet liggen op toegevoegde waarde, maar tegelijkertijd op van onderuit opgebouwde verantwoordelijkheid én solidariteit – in die volgorde –, waarbij dit ook haalbaar, draagbaar én uiteraard realistisch moet zijn. We kunnen blijven dromen, maar het geld moet wel ergens van komen.

Het is de logica zelve dat wanneer de Britten vertrekken niet alleen het aantal lidstaten daalt, maar dat dit ook impact heeft op de Europese begroting. Het kan niet dat dit tekort in de begroting moet worden gevuld door meer bijdragen te eisen van de resterende lidstaten. En die logica geldt wat ons betreft ook voor bepaalde Europese instellingen, bijvoorbeeld de zitjes in het Europees Parlement, maar ook andere Europese instellingen. Er kan daarover discussie ontstaan met betrekking tot de bijdrage die wegvalt vanuit het Verenigd Koninkrijk en de impact dat dit heeft op het budget.

Wat het Europees budget betreft, hebben we volgens mij nood aan een kerntakendebat. Dat heeft opnieuw te maken met de focus, de prioritering van de Europese Unie. Voor mijn partij en voor de minister-president is het duidelijk: we moeten een focus durven en blijven leggen op onderzoek en ontwikkeling. Wij staan op dat vlak aan de top in de Europese Unie en we moeten aan die top blijven staan. Zoals de minister-president zegt, stellen we vast dat ook andere landen daarin blijven investeren.

Maar we moeten ook de focus durven en blijven leggen op migratie, de bescherming van onze buitengrenzen, het aanzwengelen van investeringen, om de economische groei en de impact ervan op onze welvaart te beschermen. Verder moeten we durven bijkomende handelsakkoorden afsluiten. We hebben de hele discussie gevoerd met betrekking tot Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) en het verzet dat er ook hier in deze commissie van bepaalde partijen was tegen CETA en tegen het vrijhandelsverdrag met de Verenigde Staten, dat ondertussen on hold werd gezet.

Ik wil benadrukken dat we tegelijkertijd moeten durven en blijven inzetten tegen de sociale dumping. Er zijn echter slechts beperkte middelen om dat te doen. Ik wacht daar ook, zoals de minister-president heeft gezegd, op de alternatieven die uw partij naar voren schuift. We moeten realistisch zijn: er moet worden bespaard. 

U zegt dat er tegenstellingen zijn tussen wat de minister-president hier in de maand mei heeft gezegd en wat hij heeft gezegd als reactie op het MFK in november. Maar ik denk niet dat die er zijn. Er werd gesproken over besparingen, efficiëntie-oefeningen en tegelijkertijd over een prioritering. Ik lees dat dat het standpunt is van de Vlaamse Regering.

Zoals ik daarnet zei, zijn er middelen en plaatsen waarop wij kunnen besparen op het vlak van Europa. Ik denk aan die zitjes en ook aan de maandelijkse verhuis die er nog steeds gebeurt vanuit Brussel naar Straatsburg. Het is een blijvende schande dat dit nog steeds gebeurt, dat die EU-parlementsleden hier commissievergaderingen houden en daar plenaire vergaderingen, met een hele resem ambtenaren. Dit brengt miljoenen euro's aan kosten met zich mee. We moeten dat blijvend onder de aandacht brengen.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is achterhaald. Ook daarover moeten we prioriteiten durven stellen. Ook het cohesiebeleid is wat ons betreft niet prioritair. Er zijn desbetreffend structurele maatregelen nodig in plaats van financiële transfers. De Europese Unie moet zich houden aan de principes van de subsidiariteit. Dat betekent – u weet dat, aangezien ik probeer dat zoveel mogelijk in deze commissie aan te halen – dat er domeinen zijn waar de Europese Unie geen meerwaarde biedt. Die meerwaarde moet ofwel bij de lidstaten zelf worden gezocht, ofwel bij de deelstaten, de regio’s of op een nog ander niveau. We moeten stuk voor stuk, domein per domein, bevoegdheid per bevoegdheid, durven nagaan welk niveau het beste is om beslissingen te nemen. In dit verband is het een klein beetje betreurenswaardig dat het verslag-Timmermans er zomaar van uitgaat dat het Europees niveau op alle domeinen het beste niveau is om de beslissingen te nemen.

Wat ons betreft, zijn er bevoegdheden en domeinen waarvoor de Europese Unie geen meerwaarde biedt en is het dus niet gewenst dat hieraan belastinggeld wordt besteed. Ik geef een heel concreet en recent voorbeeld: het uitdelen van gratis treintickets voor jongeren. Daarbij kunnen vragen worden gesteld.

Uit het betoog van collega Vanbesien merk ik op dat hij in een beetje een traditionele, dromerige, misschien naïeve, eurofiele lijn een pleidooi houdt voor meer Europa. (Gelach. Opmerkingen bij Groen)

Altijd meer Europa. Maar ons principe is: ‘Less is more’. En dat dromerige beeld kost inderdaad meer geld, dat er uiteraard niet is. Ik herhaal: we horen nog altijd geen alternatief van collega Vanbesien.

Dat is niet ons verhaal. Het gaat in tegen het principe van de subsidiariteit en proportionaliteit, waarvan ik dacht dat ook de groenen voorstander waren. Het is een onrealistisch verhaal. Het is budgettair niet haalbaar, tenzij men zou pleiten voor meer Europees budget door zogenaamde eigen middelen.

Wat die eigen middelen betreft, verwijs ik naar het standpunt van de minister-president, waarin er een genuanceerd standpunt wordt ingenomen namens de Vlaamse Regering. Zowel op het vlak van subsidiariteit als op het vlak van democratische legitimiteit is het dus niet aan de Europese Unie om belastingen te heffen. We moeten uitgaan van een slimme en slanke begroting die strategisch en structureel versterkt waar nodig. ‘Less is more.’

Ik ben dan ook tevreden dat deze Vlaamse Regering de juiste Europese prioriteiten stelt:  onderzoek en ontwikkeling, dat voor Vlaanderen enorm van belang is, en tegelijkertijd de bescherming van onze buitengrenzen, de nadruk blijven leggen op migratie. En dan is het duidelijk dat er daar met het MFK een belangrijke verschuiving is. Dit is een verantwoorde manier waarbij elke euro van het Europese budget dubbel wordt omgedraaid. Ik dank u.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Eerst wil ik iets verduidelijken over die 6 miljard euro. Bovenop die 3 miljard euro kom je tot 6 miljard euro. Ik reken even snel uit. Als het voorstel van de commissie wordt aanvaard, komt er een bijdrageverhoging voor België van 1 tot 1,2 miljard euro en voor het Europees parlement van 3 miljard euro. In totaal wordt de bijdrage dus 6 miljard euro. Ik weet niet of ik dat heel duidelijk heb geformuleerd, misschien is dat belangrijk voor het verslag. Ik reken het nu vlug uit. Naar 1,3 miljard euro gaan, zou erop neerkomen dat waar België nu ongeveer 3 miljard euro betaalt – het is denk ik iets minder – dat ongeveer 6 miljard euro wordt. Het is dus plus 3 miljard euro. Dat wil ik toch even beklemtonen.

Mijnheer Vanbesien, u geeft mijn woorden niet juist weer. Wij gaan inderdaad voor een lager budget in vergelijking met EU-28. Dat is wat ongeveer alle lidstaten willen. Want alle lidstaten berekenen: als het budget even hoog blijft met mijn 1 procent, moet ik sowieso al stijgen om dat te behouden. We gaan dus voor een lager budget in het kader van EU-28. Maar in het kader van EU-27 heb ik gezegd dat wij onder een aantal voorwaarden, die ik nu niet zal herhalen, wél naar een hoger ... (Opmerkingen van Wouter Vanbesien)

Ja, maar wij gaan verder dan landen als Nederland en andere landen, die zeggen: ‘Neen, het is 1 procent en niet meer.’ De commissie wil naar die 1,1 procent gaan. We zijn bereid in bepaalde gevallen wat hoger te gaan, op voorwaarde dat de juiste prioriteiten worden gelegd.

Nogmaals, dat wordt nog een heel lange discussie. Men is daar op Europees vlak nog niet aan toe. Het gaat nu over de architectuur, de grote lijnen. De budgettaire discussie, die zeer moeilijk zal zijn, kondigt zich nu al aan. Zelfs bij landen die daar traditioneel iets royaler tegenover staan, zoals Duitsland. Ik heb u gezegd wat de positie van Duitsland is: de 1 procent behouden, tenzij er iets meer naar migratie of klimaat gaat. Het is dus niet zo dat er op dit ogenblik kan worden gezegd dat er zich een consensus aftekent om richting het voorstel van de Europese Commissie te gaan, laat staan van het Europees Parlement. De budgettaire implicaties zijn namelijk enorm. België staat onder zeer grote druk van de Europese Commissie om zijn budget in evenwicht te brengen. Als we er nu jaarlijks nog 3 miljard euro bovenop zullen doen in de uitgaven, wordt dat voor de komende regeerperiode een aartsmoeilijke klus.

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

Wouter Vanbesien (Groen)

Minister-president, ook ik wilde u – dat heb ik daarstraks niet gezegd – bedanken voor uw uitgebreid en gedetailleerd antwoord. Dat is belangrijk.

Mijnheer Vanlouwe, u zegt dat ik migratie niet heb genoemd. Ik was van plan om aan de verschillende vakministers te vragen wat zij voor hun domein vonden van het Europese budget. Wat ik heb gevraagd aan minister Muyters had te maken met economie. Dat is verwezen naar hier. Wat ik bij de minister-president had ingediend, ging uiteraard over het totale budget en over alles wat te maken had met cohesie.

Maar, ten gronde, uiteraard moet Europa bezig zijn met migratie. En véél meer dan het vandaag doet. En veel gecoördinéérder dan het vandaag doet. Maar, mijnheer Vanlouwe, en u hoort dat misschien niet graag, daarvoor zal geld nodig zijn. En daar gaat het juist om.

U bent voor het subsidiariteitsbeginsel. Ik ben daar óók voor. Ik ben daar hartsgrondig voor. Maar wat wil dat zeggen, een subsidiariteitsbeginsel? Dat is dat u zo dicht mogelijk bij de bevolking de politiek organiseert, behalve als er goede redenen zijn, als het efficiënter is, als het effectiever is om het op een centraler niveau te organiseren. En dan zeg ik dat heel wat uitdagingen van dit moment, zoals klimaat, migratie en georganiseerde misdaad ook op een hoger niveau moeten worden georganiseerd, omdat het daar efficiënter en effectiever is.

In een geglobaliseerde wereld ga je ook vanuit het idee van subsidiariteit een sterker Europa moeten hebben en meer geld moeten hebben voor Europa, eigen inkomsten voor Europa om daar een effectiever beleid te kunnen voeren. Ik ben het dus absoluut met u eens: schaf de verhuis van het parlement af, schaf het onmiddellijk af. En plaats dat hier in Brussel. Dat is symbolisch heel belangrijk. Maar tegelijkertijd zal dat, in impact op een Europese begroting, niet het verschil maken. Dat weet u net zo goed als ik. Dus daarmee hebben we de problemen niet opgelost. Dát probleem is daarmee opgelost – en hoe sneller hoe liever – maar het probleem van een slagvaardig, ook op financieel vlak, Europa, is daarmee niet opgelost. 

Ik eindig met een verwijzing naar een bijeenkomst die het Vlaams-Europees verbindingsagentschap (VLEVA) vorige week heeft georganiseerd. Dat was nadat mijn vragen om uitleg waren ingediend. Het was duidelijk dat allen die daar zaten – uw adjunct-kabinetschef was daar ook bij –, gaande van de bouwsector, over Onderwijs, lokale overheden, Boerenbond en UNIZO allemaal een pleidooi kwamen houden om ervoor te zorgen dat er genoeg financiële middelen zijn voor de Europese Unie. Vlaanderen moet dan ook luisteren naar zijn eigen middenveldactoren.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.