U bent hier

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister, op 14 september vorig jaar vernam ik via de minister van Justitie dat er zich minstens een honderdtal kinderen in Syrië bevinden, zowel bij Islamitische Staat (IS) als bij andere jihadistische strijdgroepen. Uit het antwoord van de minister bleek dat bij informatie over een vermoedelijke terugkeer de bevoegde diensten van de jeugdbescherming in kennis worden gesteld. Daarna is het aan de gemeenschappen want zij zijn bevoegd voor de opvolging. Kinderen die geen ‘foreign terrorist fighter’ zijn, worden beschouwd als minderjarigen in gevaar.

Het is belangrijk dat we die kinderen op een humane manier kunnen begeleiden, als antwoord op het inhumane gedrag van (een van) de ouders van het kind, die hen meesleuren in een betreurenswaardig verhaal. De zaken die de kinderen gezien en beleefd hebben, zijn vaak enorm traumatisch. Bovendien kan er bij sommige kinderen sprake zijn van indoctrinatie. Voor elk van deze kinderen is een antwoord op maat nodig.

In uw antwoord op mijn vraag van vorig jaar gaf u ook te kennen dat situatie per situatie bekeken wordt hoe de begeleiding eruitziet. Een traject op maat is zeker waardevol, maar wordt eens zo waardevol als er duurzame stappen gezet kunnen worden. Daartoe is samenwerking enorm belangrijk. Een jaar later stel ik mij dan ook de vraag of er good practices zijn ontwikkeld en of er duurzame samenwerkingen zijn opgezet, omdat ik geloof dat, ondanks het individuele karakter van de trauma’s, er overlappingen zijn in de aard van de hulp die deze kinderen nodig hebben. Naast de vrijwillige hulpverlening die ongetwijfeld zeer waardevol is, ben ik ervan overtuigd dat gespecialiseerde hulpverlening in dit dossier ook op zijn plaats is. Zeker kinderen die te maken hebben gehad met indoctrinatie kunnen wel eens tikkende tijdbommen zijn.

U gaf in uw antwoord aan dat de doelgroep niet homogeen is, naar leeftijd en naar ervaringen. Anderzijds gaf u aan dat kinderen tot de leeftijd van 12 jaar bezwaarlijk een als misdrijf omschreven feit (MOF) kan worden toegeschreven. Daarom lijkt het mij zinvol te bekijken of er een standaardbasistraject kan worden opgezet met deze jongeren, om dan per casus te onderzoeken welke specifieke begeleiding nodig is. De bepalingen inzake de jeugdhulp voor minderjarigen in gevaar of in verontrustende situaties is een begin. Maar laat ons eerlijk zijn: de situatie waarin deze kinderen zich bevonden, is uiterst uniek. Dit vergt ook unieke maatregelen, die we op dit moment niet hebben.

Deze oproep weerklinkt ook bij het Agentschap Jongerenwelzijn omdat ondanks het feit dat de jeugdhulp in Vlaanderen voorbereid is op de hulpvraag, er een zijspoor moet worden opgezet met een gespecialiseerd aanbod.

Minister, wat is de stand van zaken in de samenwerking tussen de jeugdhulp en het gespecialiseerde aanbod? Welke samenwerkingen zijn lopende? Welke worden onderzocht? Welke zijn de huidige partners inzake het gespecialiseerde aanbod? Hoeveel minderjarigen zitten momenteel in een gespecialiseerd traject? Hoeveel kinderen zitten momenteel bij familieleden en krijgen ondersteuning? Hoeveel kinderen zitten bij pleegouders? Hoeveel kinderen zijn ondergebracht in voorzieningen van bijzondere jeugdzorg? Welke basisnazorg wordt gegarandeerd aan minderjarigen? Is er vanuit Jongerenwelzijn intussen toegang tot de gemeenschappelijke gegevensdatabank ‘Foreign Terrorist Fighters’?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ondanks de vaststelling dat er het voorbije anderhalf jaar geen minderjarigen meer uit conflictgebied zijn teruggekeerd, werden er verschillende initiatieven uitgewerkt om onmiddellijk en kwalitatief te kunnen optreden wanneer er een terugkeer zou zijn. Hoewel het om een specifieke doelgroep gaat, blijven de mogelijke vragen waarop er een hulpverleningsantwoord moet komen erg divers. Daarom werd ervoor gekozen om te investeren in zowel gespecialiseerd aanbod als in gespecialiseerde ondersteuning voor het reguliere aanbod.

Voor elke minderjarige terugkeerder wordt een rondetafel georganiseerd. Een multidisciplinair samengesteld team van experten maakt, indien mogelijk, samen met de minderjarige en zijn context, bijvoorbeeld grootouders of andere familieleden, een analyse van de situatie en doet een voorstel van hulpverleningstraject, rekening houdend met de verschillende aspecten die hierbij in aanmerking komen.

Bij de samenstelling van een dergelijke rondetafel is er aandacht voor zowel hulpverlening aan de jongere als voor zijn context, voor traumabehandeling, voor het theologische aspect en voor de re-integratie in zowel het onderwijs als de gemeente of stad waar de jongere terecht zal komen.

De resultaten van een dergelijke rondetafel zullen ook gekoppeld worden aan de besprekingen op de desbetreffende lokale integrale veiligheidscel. Afhankelijk van de analyse en de afspraken die er gemaakt worden, kan er gekozen worden voor een reguliere begeleiding met gespecialiseerde ondersteuning of voor aanklampende gespecialiseerde begeleiding.

Wanneer er toch een niet-voorbereide terugkeer zou zijn, waarbij er onmiddellijk moet worden voorzien in opvang, kan bekeken worden of een opvang in het brede familiale netwerk veilig is en/of een verblijf binnen de jeugdhulp noodzakelijk moet worden ingeschakeld. Jongerenwelzijn zal optreden zodra het parket dat vraagt. Wanneer er melding is van een mogelijke terugkeer van een minderjarige uit conflictgebied, worden de regioverantwoordelijke en de regiocoördinator van de desbetreffende provincie ingelicht. Deze maken hiervoor afspraken met organisaties binnen hun regio die onmiddellijk verblijf en een eventueel verder hulpverleningstraject mogelijk moeten maken. In die afspraken wordt ook nagegaan welke ondersteuning ze hiervoor nodig hebben. Er wordt hierbij gekeken naar zowel de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (ckg’s), de pleegzorgdiensten als de organisaties van Jongerenwelzijn met een residentieel aanbod.

Op het vlak van theologische ondersteuning en begeleiding werd een samenwerkingsovereenkomst gemaakt met het Platform van Vlaamse Imams en Moslimdeskundigen. Het project ‘Theologische aanpak van islamitisch radicalisme’ heeft als doelstelling het bieden van kwalitatieve en betrouwbare theologische ondersteuning bij de opvolging van dossiers waarin sprake is van een radicaliseringsproces. Deze ondersteuning kan uit verschillende elementen bestaan: een gemotiveerd advies over de al dan niet problematische geloofsbeleving en de noodzaak tot het volgen van een gespecialiseerde begeleiding en/of andere oplossingen; een voorstel van gespecialiseerde begeleiding gericht op het veranderen van rigide denkpatronen en inzichten; het ombuigen van negatief gedrag; het aanleren van sociale en probleemoplossende vaardigheden gelinkt aan de problematische geloofsbeleving, enzovoort. Binnen deze begeleiding worden ook de context en de hulpverleners betrokken.

Het project ‘Theologische aanpak van islamitisch radicalisme’ zal steeds ingezet worden wanneer een minderjarige terugkeert uit conflictgebied en gekoppeld worden aan de rondetafels.

In Antwerpen heeft vzw De Touter de voorbije jaren een aanbod ontwikkeld inzake het begeleiden en ondersteunen van jongeren met een radicaliseringsproblematiek en hun context. De aanklampende intensieve mobiele begeleiding kan aangeboden worden wanneer minderjarige terugkeerders binnen hun eigen familiaal netwerk zullen kunnen verblijven. Naar analogie met dit project in Antwerpen kan de vzw Cocon-Vilvoorde in Vlaams-Brabant en Brussel een begeleidingstraject aanbieden.

De voorbije jaren is er uitgebreid geïnvesteerd in specifieke vorming en ondersteuning. Ook nu blijven de Ondersteuningsteams Allochtone Jongeren in de Bijzondere Jeugdbijstand (OTA) middelen krijgen om organisaties te ondersteunen in het begeleiden van minderjarigen met een mogelijke radicaliseringsproblematiek, en dus ook minderjarigen die terugkeren uit IS-gebied. Om de consulenten van de ondersteuningscentra jeugdzorg (OCJ’s) en de sociale diensten voor gerechtelijke jeugdhulp (SDJ’s) te ondersteunen, werden twintig referentieconsulenten opgeleid. Binnen de gemeenschapsinstellingen werd geïnvesteerd in de aanwerving van moslimconsulenten.

Met de middelen die De Touter de voorbije jaren ontving om organisaties te ondersteunen in het uitwerken van een (personeels)beleid dat kan inspelen op diversiteitsproblemen, werd een nieuwe versie van het handboek ‘Kleurrijke maatzorg’ uitgewerkt, dat organisaties handvatten geeft om hiermee om te gaan.

Sinds de opmaak van het draaiboek radicalisering en de afspraken die gemaakt werden met de verschillende partners, zijn er nog geen minderjarigen teruggekeerd uit conflictgebied, en dus ook niet aangemeld voor een hulpverleningstraject waarbij in een gespecialiseerd aanbod is voorzien. Ik moet een kleine nuance aanbrengen. Er is wel degelijk één situatie gekend, maar die dateert van voor de afspraken met het Orgaan voor de Coördinatie van de Analyse van de Dreiging (OCAD) en het draaiboek. In die concrete situatie is er vanuit de gevangenis toegeleid naar de vrijwillige hulpverlening.

Net zoals bij elke andere jongere in de jeugdhulp zal er een continue evaluatie zijn van het hulpverleningstraject. Dit maakt het mogelijk om het aanbod, wanneer gewenst of noodzakelijk, bij te sturen, maar het zorgt er eveneens voor dat een traject zolang kan lopen als wenselijk, maar niet langer dan noodzakelijk. Vanuit de plannen die opgemaakt worden op de rondetafels, en de verbinding die gemaakt wordt met de lokale integrale veiligheidscellen en alle partners die daar aanwezig zijn, moet een degelijke re-integratie met zorg voor de minderjarige mogelijk zijn.

Daarnaast wordt er ook vanuit de Nederlandse Raad voor de Kinderbescherming een longitudinaal onderzoek opgestart voor elke minderjarige die terugkeert uit conflictgebied. Aan de hand van een samenwerkingsovereenkomst is hierin ook opgenomen dat, binnen dit onderzoek, ook minderjarigen die terugkeren naar Vlaanderen opgenomen zullen worden. Dit moet het mogelijk maken om de werkzame factoren uit de begeleiding te evalueren en te vergelijken, en dit ook nadat een hulpverleningstraject zou zijn afgerond.

Wat uw laatste vraag betreft: er is momenteel toegang tot de testomgeving van de databank. De veiligheidsmachtigingen om toegang tot de databank te krijgen zijn voorzien. Zodra de afspraken helder zijn over de manier waarop Jongerenwelzijn gebruik kan maken van deze databanken, zal er toegang mogelijk zijn tot de effectieve databank. De gesprekken met OCAD zijn lopende, en de verwachting is dat de toegang tot de effectieve databank nog dit jaar operationeel zal zijn. Minderjarigen jonger dan 12 jaar, die dus niet beschouwd worden als ‘foreign terrorist fighters’, worden niet opgenomen in de databank. Aangezien de mogelijke terugkeerders uit conflictgebied bijna allemaal jonger zijn dan 12 jaar, zal de databank voor hen dus niet gebruikt worden.

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister, twee korte vraagjes eerst: u hebt op een bepaald moment het parket aangehaald, en de doorverwijzing. U ging daar heel snel over. Kunt u daar even op terugkomen?

Minister Jo Vandeurzen

De bedoeling is dus wel dat als er iemand terugkomt, en daar moet echt een reactie zijn, dat het jeugdparket natuurlijk de zaak vordert. Als wij verwittigd worden, dan worden er voorbereidingen getroffen. Maar om echt te kunnen zeggen dat we overgaan tot een actie, tot een gerechtelijke maatregel, dan moet het parket daar natuurlijk een initiatief voor nemen.

U zei daarjuist dat het vooral over min 12-jarigen gaat tot nu toe – in het laatste stuk – en dat die bijgevolg niet opgenomen worden in de databank. Die worden opgevolgd, neem ik aan. U zegt dat er een rondetafel georganiseerd wordt, en dan wordt er gekeken op welke manier we met de desbetreffende persoon omgaan. Het zijn vooral min 12-jarigen. Zijn er evaluatiemomenten nadat die rondetafel geweest is? Hoeveel keer wordt dat getoetst? En als we dan spreken over die afgelopen jaren: zijn er personen die nu ouder geworden zijn, en worden die op een andere manier opgenomen in de databank? Of blijft men uit die databank, als men voor de 12 jaar teruggekeerd is?

Je hebt inderdaad de verschillende trajecten. Hoeveel keer gebeurt daar een toetsingsmoment in, en zijn daar tot nu toe bijsturingen geweest waarbij men tot de constatatie gekomen is dat er inderdaad op een verkeerde manier is opgevolgd, en dat men dan een bijsturing heeft gedaan? Of welke rapportage komt daarvan terug naar een rondetafel?

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, het klopt inderdaad dat wij vorig jaar in deze commissie al de oproep hebben gedaan om ons voor te bereiden op wat komen zou, namelijk de terugkeer van een aantal kinderen van Syriëstrijders. Op het moment dat wij die vraag toen stelden, ging het over een handvol kinderen – ik weet het niet meer exact, het waren er drie of vier, dacht ik – en u gaf ons toen het antwoord dat we voornamelijk moesten gaan kijken naar het reguliere aanbod.

Ik was het daar toen niet helemaal mee eens. Ik kan uiteraard heel goed aannemen dat er vandaag de dag al heel wat expertise aanwezig is op vlak van traumabegeleiding. Hier gaat het natuurlijk over kinderen die vaak de leeftijd van 6 jaar nog niet bereikt hebben, en die daar de meest gruwelijke toestanden hebben meegemaakt. Er circuleert tegenwoordig zelfs een filmpje van een kind van 4 jaar, dat zelf op de knop moest drukken om zijn vader op te blazen. Het gaat hier dus over heel specifieke toestanden. Uit uw antwoord begrijp ik dat de begeleiding die u voor ogen hebt, voornamelijk gaat over kinderen die ouder zijn dan wat ik hier aanhaal.

U spreekt over theologische begeleiding, en dat is inderdaad prima, want dat is een van de elementen die moeten worden aangepakt bij dat soort verkeerd denken. Maar de kinderen waar het vorig jaar over ging, waren allemaal kleuters. En dat is inderdaad de grootste groep van kinderen die daar momenteel zitten. Dat zijn kinderen die daar geboren zijn, en die dus allemaal nog heel erg jong zijn.

U zegt dat er afgelopen jaar geen kinderen zijn teruggekomen, en dat klopt. Maar het standpunt van de Federale Regering is ook heel duidelijk: kinderen tot 10 jaar die zich in veilige oorden bevinden, zullen actief teruggehaald worden. In buurlanden gaat men zelfs nog verder, en zegt men dat men zelfs naar conflictgebied zal afzakken, om daar actief de mensen terug te halen. Ik kan er dan van uitgaan dat de kinderen die daar vandaag zitten – en dat gaat inderdaad over tientallen, zelfs meer dan honderd, wordt soms gezegd – op een dag wel degelijk hier aan onze grenzen zullen staan.

U sprak over die rondetafelgesprekken. Ik vind dat zeker een goede procedure. U zei dan dat twee mogelijkheden zich zullen stellen: ofwel het reguliere aanbod, ofwel specifieke begeleiding op maat. Ik zou daar graag nog wat meer info over krijgen. Welke organisaties zullen dit dan effectief uitvoeren? Hoe ziet zo’n traject er specifiek uit? Hoe moet ik mij dat voorstellen? Want u bent voornamelijk ingegaan op dat theologische, maar ik zou graag weten hoe zo’n traject er nog kan uitzien.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Minister, uw uitgebreid antwoord heeft heel wat vragen opgeroepen, en het is een beetje moeilijk om ze heel precies te stellen – ik merk dat ook bij collega’s. Natuurlijk, louter gezien het feit dat er blijkbaar het laatste anderhalf jaar geen kinderen effectief teruggekeerd zijn, is elk van de antwoorden eigenlijk ook in grote mate hypothetisch. Je probeert het proces zo goed mogelijk in te schatten, maar wat ik wel – minstens – een stukje als problematisch ervaar, is de vaststelling dat je aan de ene kant een databank hebt voor ‘foreign terrorist fighters’, en dat je aan de andere kant een aantal kinderen hebt – 115, 100, we weten het niet, want ze geraken hier niet – waar we dan klaarblijkelijk niets van weten, en geen registratie van hebben. En dan krijg ik het lastig.

Want het is eigenlijk die groep, waarover we het met zijn allen eens zijn dat dat de kwetsbaarste groep is die we hebben, waar we dan niets van weten. Ik hoop dat heel de hypothetische constructie – en ik begrijp dat – die is opgezet, zich dan toch wel op zijn minst op die groep toespitst. Ik stel ten tweede vast dat een Federale Regering zegt dat de grens op 10 jaar wordt gelegd, en dat men hier, in het actief proberen terughalen, met een grens van 12 jaar zit. Mijn vraag is dan: is dat houdbaar, is dat niet houdbaar, en is het wenselijk om dat te gaan doen?

Mijn concrete vraag is: blijkbaar is er geen registratie van die kinderen onder de 12 jaar. Maar hebben wij enige inschatting? Kunnen wij ons baseren op andere bronnen – familie, ouders, grootouders, gewezen onderwijsinstellingen, gewezen jeugdzorginstellingen, ik kan zo nog wel doorgaan – die ons op de een of andere manier melden dat er vermoedens zijn, om op die manier eigenlijk die groep –wat het Vlaamse gedeelte van België betreft – effectief te kunnen inschatten, en om te zeggen: is onze capaciteit daar afdoende? Want ik hoor altijd maar cijfers over het rijk, dus ik probeer daar wat zicht in te krijgen.

Ten derde: u verwees naar een initiatief in Antwerpen, en naar vzw Cocon in Vilvoorde, die dan Vlaams-Brabant en Brussel zouden kunnen afdekken. Wat mij ook niet helemaal duidelijk is: zijn we zeker dat we met die methodiek een gebiedsdekkende werking kunnen ontplooien? Kan Cocon bij wijze van spreken ook in Oostende operationeel worden? Hebben ze dat vandaag al gedaan? Zijn daar de middelen voor? Hoe zit dat met steden en gemeenten waar de lokale integrale veiligheidscel ook vandaag niet bestaat of enkel op papier bestaat? Zijn we dan zeker dat die linken daar gelegd worden?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega's, u moet niet te veel zoeken achter mijn woorden. Wij weten op dit moment niet over hoeveel kinderen het gaat. Maar wat ik al gezegd heb, is uiteraard afgesproken. Wij hebben scenario's klaar over hoe er moet worden opgetreden als de situatie zich zal voordoen. We zijn er ons immers van bewust dat dat op voorhand goed moet worden afgesproken tussen de partijen die betrokken zullen worden indien een dergelijk kind terugkomt.

Ik ga er uiteraard niet van uit dat dat kinderen zijn die allemaal een bepaalde leeftijd hebben. Waarschijnlijk zijn dat juist heel jonge kinderen. Ik ben het er wel mee eens dat we niet altijd per se spreken over de inzet van een moslimdeskundige of iets dergelijks. Dat is een aspect waarvoor we expertise hebben, maar dat is niet per se het eerste of het meest essentiële deel van dat traject. Zoals de afspraken gemaakt zijn, is het de bedoeling dat wanneer een minderjarige terugkeerder gemeld of gesignaleerd wordt, er onmiddellijk een rondetafel komt waarbij een aantal partijen benoemd zijn die daar moeten aan deelnemen. Ik heb er een aantal opgenoemd. Het scenario bepaalt wie daar mogelijk bij aanwezig is. In functie van de vraag van de hulpverlener of de aard van de problematiek die zich stelt – is er nog een familiale context of niet, zijn er grootouders, waar kan dat kind terechtkomen – moet er dan een traject concreet gemaakt worden. Dat is een hulpverleningstraject waarbij ook vragen zoals onderwijs aan bod moeten komen, maar waar ook moet worden bekeken welke jeugdhulp het meest aangewezen is.

We hebben een aantal organisaties die ervaring hebben met deradicaliserings- en disengagementstrajecten. Die kunnen wij daarvoor inzetten. Maar het gaat bijvoorbeeld ook over reguliere pleegzorg en contextbegeleiding, zaken die in de klassieke jeugdhulp beschikbaar zijn en die ingezet kunnen worden indien dat nodig is. De kans is niet ondenkbeeldig dat zo een kind heel wat heeft meegemaakt. Indien er sprake is van trauma's moeten daar meer gespecialiseerde vormen van hulpverlening aan worden toegevoegd. Dan denken wij aan Solentra of andere die moeten worden ingezet, precies om die heel specifieke kwesties te kunnen ondersteunen.

Dat vraagt een analyse van over wie het gaat en wat de dingen zijn die daarop moeten aansluiten of worden ingezet. Natuurlijk is een link met de Lokale Integrale Veiligheidscel evident en noodzakelijk. Dat is de manier waarop het naar methode en naar gemaakte afspraken gebeurt. Zo houden wij ons klaar als zich dat voordoet.

Mijnheer De Gucht, als iemand zou terugkeren buiten dat traject, wanneer dat dus niet gemeld wordt en we dat dus zien aankomen en kunnen plannen, dan is de afspraak dat het parket in kwestie de maatregelen kan vorderen. Als dat kind naar hier komt en in een familiale context terechtkomt, buiten de geplande manier van aanpakken en niet voorbereid, dus onverwacht, dan is uiteraard de afspraak dat Jongerenwelzijn ook optreedt en dat dit wordt geïnitieerd vanuit het parket. Men zorgt dan dat de mogelijkheid voor een niet-vrijwillige benadering meteen wordt geopend.

In die zin spreken wij over ckg’s, pleegzorgdiensten, het residentieel aanbod van Jongerenwelzijn en over een aantal meer gespecialiseerde voorzieningen en mogelijkheden. Dat wordt bekeken in functie van wat zich aankondigt in het kader van een voorbereide terugkeer. Die afspraken zijn gemaakt. Ik zeg niet dat het kinderen zijn van 12 jaar. Ik zeg alleen dat kinderen jonger dan 12 jaar, wellicht de meest waarschijnlijke situatie, niet in de databank ‘Foreign Terrorist Fighters’ zitten. Die databank is op dat moment uiteraard niet echt op die kinderen van toepassing. Dan is dat niet de link die daarvoor moet worden gelegd tussen Jongerenwelzijn en de gegevensbank.

De heer De Gucht heeft het woord.

‘To be bold’: het komt er min of meer op neer dat als u zegt dat we een rondetafel organiseren, dat dan wordt bekeken op welke manier we ermee omgaan en dat we, afhankelijk van de leeftijd, werken met een theologisch traject. Daar hebben we de zaken voor die we hebben ontwikkeld voor deradicalisering. Maar specifiek met betrekking tot jongeren, heb ik minder de indruk dat…

Minister Jo Vandeurzen

Wat bedoelt u dan met jongeren?

Als het gaat over radicalisering, hebben we zaken ontwikkeld voor mensen die geradicaliseerd zijn en die hier wonen. Maar ik heb minder de indruk dat er een werkelijk apart traject is. Als we de ‘good practices’ in het buitenland bekijken, waarover we vorig jaar vragen hebben gesteld, kunnen we ons afvragen welke specifieke trajecten er zijn voor kinderen die terugkeren. Ik heb het over trajecten die specifiek gaan over mensen die terugkeren uit oorlogsgebied.

Minister Jo Vandeurzen

Over welke leeftijd hebt u het dan? Als dat hele kleine kinderen zijn, dan is het niet de inschatting dat zich een deradicaliseringstraject aandient. Dat is een hulpverleningstraject.

Dat zeg ik ook niet. U hebt geantwoord dat je kunt inzetten op deradicalisering. Mijn vraag is welke begeleiding er specifiek voor die doelgroep is. Ik heb de indruk dat u zegt dat er dan naar Solentra en andere worden gekeken om te zien op welke manier een verdere begeleiding kan gebeuren. Maar specifiek voor die doelgroep, die een heel specifieke doelgroep is, die je bijvoorbeeld ook bij kindsoldaten en dergelijke zou kunnen tegenkomen, heb ik niet de indruk dat we, zoals in het buitenland, een specifiek traject hebben ontwikkeld. Of vergis ik mij daar nu volledig in?

Minister Jo Vandeurzen

Kijk eens, de eerste kwestie is dat er afspraken zijn gemaakt. Als er een geplande, voorbereide terugkeer komt, gaan we een rondetafel organiseren waar al die expertise aanwezig moet zijn. Dan moet worden bepaald in wat voor een traject dat kind moet terechtkomen. Als dat een traject van traumabegeleiding is, is het de vraag of er dan nog een familiaal netwerk is waar het kind terecht kan of niet? Is het een traject waar het disengagement-aspect opnieuw aan de orde komt? Dat zijn verschillende componenten. De afspraken zijn dat de elementen om dat te assembleren op maat van wat specifiek aan de orde is, beschikbaar moeten zijn. Maar er zal dan moeten worden beslist wat voor type ondersteuning gemobiliseerd wordt, gelet op de concrete geschiedenis van het kind en wat daarvoor aan de orde is, ook in zijn terugkeersituatie. Want je moet een andere benadering hebben als dat kind naar grootouders kan gaan of niet, als er nog een netwerk is of niet, als het residentieel op te vangen is of niet, als het kind effectief nog een stuk van of het hele traject van deradicalisering moet doormaken. Die bouwstenen zijn afgesproken. Er is afgesproken dat we stand-by zijn op het ogenblik dat die situatie zich zal voordoen en wij effectief gevat zijn om rond een dergelijke case inderdaad een traject af te spreken en samen te stellen. Als dat een kind is van 3 of 4 jaar, dan zie ik niet hoe we met dat kind een heel deradicaliseringstraject gaan lopen. (Opmerkingen van Jean-Jacques De Gucht)

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.