U bent hier

De heer Parys heeft het woord.

Voorzitter, minister, dit is toch wel een bijzonder belangrijk probleem. Een aantal Brusselse ziekenhuizen geven aan dat ze veel jongeren veel langer dan noodzakelijk opvangen. De reden daarvoor is een gebrek aan crisisopvangplaatsen voor jongeren. In enkele krantenartikels werd geschreven dat de jeugdrechter sommige jongeren eigenlijk naar een jeugdinstelling wilde sturen, maar dat er, omdat er geen crisisopvangplaatsen zijn, wordt gekozen voor een soort tussenoplossing, namelijk het verlengen van een verblijf in een ziekenhuis.

In sommige gevallen duurt dat ‘tijdelijk onderkomen’ langer dan een half jaar. In het UZ Jette gaat het bijvoorbeeld om een vijftigtal gevallen per jaar. Sint-Pieter, in het hartje van Brussel, heeft permanent acht tot twaalf bedden voor geplaatste jongeren op een totaal van veertig bedden.

Een Nederlandstalige jeugdrechter in Brussel geeft aan dat het plaatsen van jongeren in ziekenhuizen geen nieuw gegeven is. Meer zelfs, de rechter zei dat het vroeger vaker gebeurde dan vandaag, zeker aan Vlaamse kant.

Minister, bent u hiervan op de hoogte? Wat is uw inschatting van probleem? Gebeurt dit ook in Vlaamse ziekenhuizen die niet in Brussel gelegen zijn?

Een tweede set vragen gaat over het soort maatregelen dat u kunt nemen om hier een einde aan te stellen. Zal de zorggarantie voor de jongsten, die onlangs uitgerold werd, ervoor zorgen dat deze problemen niet meer zullen voorkomen in Brussel en daarbuiten?

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

De aanleiding voor deze vraag zijn dezelfde berichten uit een aantal Brusselse ziekenhuizen. Er wordt vastgesteld dat een aantal jongeren daar verblijven uit noodzaak. Deze jongeren hebben opvang nodig, maar er is geen opvang beschikbaar.

Afgaande op de berichten, gaat het om jongeren met verschillende profielen: jongeren met autisme, jongeren met psychische problemen … Wat ze gemeen hebben, is dat ze een andere zorgbehoefte hebben dan die die het ziekenhuis kan aanbieden en dat ze dus die zorg niet krijgen.

Het blijft shockerend om dergelijke berichten te lezen, maar het is op zich niet de eerste keer dat we zoiets horen. Er was de analyse van het Rekenhof, dat naging wat er gebeurde met jongeren wanneer er geen gepast aanbod beschikbaar was in Vlaanderen en Brussel. Het Rekenhof constateerde dat een op de vier jongeren niet terecht kan bij de gepaste zorg.

We hebben hier een lang debat gevoerd over deze cijfers. Er zijn een aantal nuances bij aan te brengen, omdat niet alle aanvragen mee in de analyse zitten. De conclusie was wel dat er een structureel probleem is, dat er tekorten zijn voor alle zorgvragen en dat er in alle modules een plaatsgebrek is. Belangrijk is dat jongeren voor wie het gepaste aanbod volzet is, uiteraard niet zomaar op straat eindigen. Er wordt binnen de sector vaak hemel en aarde bewogen om toch een zo goed mogelijke opvang te vinden, vaak met tijdelijke oplossingen. Het verblijf in een ziekenhuis is daar een voorbeeld van. We hebben dit voorbeeld al vaker gehoord en nu komt het hier nogmaals aan bod. Opvallend is dat het gaat om grote aantallen. De heer Parys heeft de cijfers al genoemd. Het gaat niet om een of twee kinderen af en toe, het gaat om bedden die structureel worden vrijgehouden en om tientallen kinderen die in ziekenhuizen verblijven.

De oplossing voor dit probleem ligt niet enkel in het creëren van extra crisisplaatsen. Er is een onderliggend probleem. Er zijn steeds meer crisissituaties, om verschillende redenen, ook omdat de reguliere hulp vaak met enorme wachtlijsten kampt. Het Rekenhof zegt dat het risico reëel is dat de wachtlijstproblematiek bijdraagt tot de verdere escalatie van de onderliggende problemen en dus ook tot de toename van de crisisvragen en de onbeantwoorde crisisvragen. Van thuisbegeleiding tot residentiële zorg, in de hele keten is de druk onhoudbaar. Wie hulp nodig heeft, moet die eigenlijk krijgen, niet morgen of overmorgen, maar direct. Een kind moet de juiste zorg op de juiste plaats krijgen. Een ziekenhuisbed kan enkel een noodoplossing zijn.

In de plenaire vergadering van 25 april hebben we over deze problematiek gesproken. U hebt toen ook een aantal noden erkend en een aantal extra maatregelen aangekondigd om iets aan die situatie te doen, onder meer extra crisisopvang, een betere registratie en een vlottere samenwerking met de geestelijke gezondheidszorg.

Naar aanleiding van de berichten uit de Brusselse ziekenhuizen wilde ik u vooral vragen wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van die maatregelen. Hoeveel extra crisisplaatsen werden intussen voorzien en in welke regio’s? Toen leek er vooral een probleem te zijn in Vlaams-Brabant, nu blijkt heel duidelijk dat er ook een probleem is in het Brusselse.

Welke vooruitgang hebt u intussen geboekt in de samenwerking met de geestelijke gezondheidszorg? Werden er de afgelopen weken stappen vooruit gezet om daaraan tegemoet te komen?

Ik verwacht dat we een dezer dagen het jaarverslag over jongerenwelzijn zullen krijgen. Hebt u er al een zicht op of er minder onbeantwoorde crisisvragen zijn? Is er een positieve tendens? Kunnen we al beter reageren op jongeren in urgente noodsituaties? Indien dat niet zo is, wanneer verwacht u dan een positieve evolutie?

Met mijn laatste vraag wil ik een idee krijgen over het aantal jongeren waarover het nu gaat. Het Sint-Pietersziekenhuis en het UZ van Jette trokken aan de alarmbel. Ik ga ervan uit dat dit in veel ziekenhuizen het geval is. Hoeveel jongeren verblijven momenteel in een ziekenhuis omdat het gepaste aanbod volzet is? Is het Sint-Pietersziekenhuis een uitzondering of is deze situatie in alle ziekenhuizen terug te vinden?

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Inderdaad, elk Brussels ziekenhuis met een kinderafdeling voorziet in opvangplaatsen voor noodsituaties. Zo verblijven er zo’n vijftig kinderen per jaar in die situatie in UZ Jette en ook Sint-Pieter telt permanent acht tot twaalf geplaatste jongeren. Het gaat van pasgeboren kinderen tot tieners van 15 jaar. Deze kinderen werden daar geplaatst op bevel van de jeugdrechter omdat er elders geen plaats is.

Het spreekt voor zich dat een ziekenhuis niet de ideale omgeving is voor kinderen die daar niet wegens ziekte verblijven. Ofschoon het personeel zijn best doet, kan men aan deze kinderen niet de aandacht besteden die ze verdienen. Een opname in een ziekenhuis is voor de ziekteverzekering een zeer dure oplossing. Bovendien nemen deze kinderen ook de plaats in van zieke kinderen, vaak kinderen met complexe aandoeningen die écht wel nood hebben aan een opname in een ziekenhuis.

In Brussel zijn natuurlijk diverse overheden verantwoordelijk voor een gepaste opvang van kinderen in noodsituaties. Ik heb dan ook de volgende vragen.

Welke profielen hebben deze jongeren precies? Ofwel: welk type van opvang is er nodig om deze jongeren te plaatsen? Worden afspraken gemaakt tussen de gemeenschappen en gewesten om voor die jongeren een geschikte opvang te vinden in de diverse sectoren? Zo niet, moet dat overleg niet op korte termijn worden opgestart? Zo ja, wat is het aandeel van Vlaanderen met betrekking tot noodzakelijke plaatsen voor deze jongeren?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, zoals u weet, is de vaststelling dat soms zeer jonge kinderen te lang in een ziekenhuiscontext verblijven en/of in een circuit terechtkomen van tijdelijke verblijfssituaties net dé motivatie om binnen de jeugdhulp werf 2 te openen, met name de zorggarantie voor jonge kinderen en hier 3 miljoen euro extra in te investeren. Net om dus zulke situaties te vermijden werden een aantal stappen gezet.

Op 29 mei laatstleden werd er een omzendbrief met betrekking tot de zorggarantie bij uithuisplaatsing van jonge kinderen aan de private voorzieningen van Jongerenwelzijn, aan de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (ckg's), de vertrouwenscentra kindermishandeling en de koepels bezorgd.

Kort daarna, op 31 mei, nodigden we alle ckg’s uit om samen met Kind en Gezin en Jongerenwelzijn de kick-off te geven voor de regionale voorbereidingen om concreet invulling te geven aan dat zorggarantieplan.

Die omzendbrief past in het geheel van de vier uitbreidingswerven die de integrale jeugdhulp in Vlaanderen meer slagkracht moeten geven. Finaal moet het zorggarantieplan, en de regionale operationalisering daarvan, ertoe leiden dat élke onderbouwde geobjectiveerde vraag tot uithuisplaatsing van een jong kind tussen 0 en 3 jaar onmiddellijk beantwoord wordt en dat er van bij de start in partnerschap gewerkt wordt aan de realisatie van een duurzaam perspectief.

Bekijken we nu de contouren van deze omzendbrief, dan zijn een aantal elementen zeer relevant in functie van de door u gestelde vragen. Zo zijn de prioritaire actoren de ziekenhuizen, met onder andere de materniteit, de pediatrie en de sociale dienst, de lokale teamwerking van Kind en Gezin, de diensten voor pleegzorg, de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, de organisaties voor bijzondere jeugdzorg, de centra voor integrale gezinszorg, de gemandateerde voorzieningen en sociale diensten van de jeugdrechtbanken. Deze actoren garanderen dat er op casusniveau tot een snelle en goede hulpverlening wordt gekomen.

De aansluiting vanuit deze prioritaire partners met andere actoren en samenwerkingsverbanden is noodzakelijk. Hierbij is ook specifiek aandacht vereist voor de ondersteuning van het gezin en de hulpverlening voor volwassenen. We verwachten dat minstens wordt voortgebouwd op de Huizen van het Kind, de pre- en perinatale netwerken rond kwetsbare zwangeren, de samenwerkingsverbanden rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en eerstelijnszones, netwerken geestelijke gezondheidszorg en overige netwerken integrale jeugdhulp. De aansluiting bij deze bestaande samenwerkingsverbanden moet er onder andere voor zorgen dat er een efficiënte en sluitende aanpak wordt opgezet en ook andere belangrijke actoren zoals kinderopvang, huisartsen, OCMW, volwassenenhulp, geestelijke gezondheidszorg, adoptiehuis, CAW, sociale huisvesting een dergelijke worden bereikt. Ook als we kijken naar de finaliteiten en de vragen om deze problematiek beter in kaart te hebben, zien we dat we in het streven binnen dit zorggarantieplan ook duidelijk het belang van dit overzicht, de coördinatie en een duidelijk aanspreekpunt naar voren schuiven.

Ook een goede en snelle exploratie en taxatie van de situatie is van belang in functie van een snelle toeleiding naar de jeugdhulp. Zo verwachten we van alle actoren op het terrein, in het bijzonder van de basisvoorzieningen en de ziekenhuizen, dat ze actie ondernemen wanneer ze geconfronteerd worden met situaties van ernstige verontrusting bij hele jonge kinderen wegens problemen in het gezin. Daarbij moet er in eerste instantie aandacht gaan naar het exploreren van de noden en mogelijkheden in het gezin en diens netwerk. Deze actoren moeten kunnen rekenen op de expertise vanuit de jeugdhulp om een goede inschatting van de situatie te kunnen maken en desgevallend de nodige vervolgstappen te kunnen nemen.

Wat betreft de cijfers hebben we momenteel eerder een gefragmenteerd beeld. We beschikken over gegevens vanuit bijvoorbeeld de prenatale opvolging of op basis van regionale praktijken. Het is dan ook niet gepast om bijvoorbeeld een uitspraak te doen over de omvang en het profiel van de kinderen die langdurig in het ziekenhuis verblijven, dit al of niet wegens een plaatsgebrek in de jeugdhulp.

Het is natuurlijk net onze ambitie om vanuit die regionale zorggarantieplannen dit onder andere ook beter in kaart te brengen.

Specifiek voor de situatie in Brussel stellen we bijvoorbeeld vast dat zulke vragen het centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (ckg) niet bereiken en dat gelet de specifieke situatie het vinden van de weg in de Franstalige en/of Nederlandstalige jeugdhulp geen evidentie is. Wel krijgt het ckg vragen om gedurende een opname van een ouder in het ziekenhuis deze korte periode te overbruggen. Het gaat hier meestal over alleenstaande ouders en kinderen waarbij er binnen de context geen oplossingen zijn.

Net door deze specifieke situatie van de populatie in Brussel kon het Vlaamse model zoals beschreven in de omzendbrief van 29 mei niet zomaar copy-paste worden overgenomen voor Brussel.

Uit de analyse van de noden in Brussel, onder andere via de terreinwerking van Kind en Gezin via de regioteamleden, blijken die vooral te zitten op de grote kwetsbaarheid van de doelgroep en de nood aan wegwijzers in de Brusselse context.

In de omzendbrief beschrijven we de Brusselse aanpak als volgt: “Het gaat over een diversiteit aan gezinnen, bij wie de problemen zich situeren op verschillende levensdomeinen en vaak hardnekkig zijn.”

Er moet meer worden ingezet op de primaire basisbehoeften van deze jonge gezinnen, vaak in functie van overleven: voeding, huisvesting, administratie, materiaal – zoals kledij, luiers en dergelijke – en onderwijs. Momenteel is het aanbod daar onvoldoende op georganiseerd en is er weinig opvang mogelijk, zeker voor gezinnen. Een dak boven het hoofd is nochtans een essentiële start om andere hulp op te bouwen. Die gezinnen hebben ook al een zeer beperkte toegang tot de reguliere hulp- en dienstverlening door onder andere onvoldoende inkomen, geen verblijfspapieren en dergelijke, en zelfs door de gehanteerde hulpverleningskaders en de schotten tussen de sectoren. In Brussel zijn er naast het Nederlandstalige aanbod immers ook nog Franstalige diensten, bicommunautaire organisaties en veel kleinschalige privé-initiatieven waardoor de afstemming en coördinatie mank loopt. Er is ook nood aan een grote cultuursensitiviteit, met creativiteit en expertise binnen dit domein.

In Brussel kiezen we er dus voor om extra in te zetten op het garanderen van basisvoorzieningen van jonge kinderen en hun gezinnen en worden de verschillende actoren opgeroepen om zich op dezelfde manier als in Vlaanderen te organiseren en zorgzame trajecten uit te tekenen voor de jonge kinderen in Brussel. We investeren hiervoor 150.000 euro en betrekken hierbij minstens de volgende actoren: het CAW-Brussel vanuit hun expertise in psychosociale en juridische begeleiding, opvang en begeleid wonen voor kwetsbare thuisloze en dakloze populaties en vanuit het crisismeldpunt minderjarigen voor Brussel; het vertrouwenscentrum kindermishandeling Brussel vanuit hun invalshoek intrafamiliaal geweld en kindermishandeling en traumaverwerking; Samenlevingsopbouw Brussel vanuit hun groepswerking met de doelgroep, actieonderzoek en wonen, housing first; Kind en Gezin voor het preventieve luik, waarbij de regioteamleden veel cliënten begeleiden, onder meer via het project Aquarelle in het ziekenhuis Sint-Pieter; Bru-Stars als Brussels bicommunautair netwerk geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren is ook een belangrijke partner.

Tevens zijn er reeds initiatieven tot overleg genomen vanuit de afdeling Continuïteit en Toegang Vlaams-Brabant en Brussel en het UZ Jette, om een beter beeld te krijgen van de aantallen en het profiel van de jongeren die lange tijd in het ziekenhuis verblijven. Er zal in de toekomst ook verder worden ingezet op deze initiatieven die het aanbod beter bekendmaken en daarvoor nauwere samenwerkingsverbanden op touw zetten. Specifiek voor de Brusselse context willen we bovendien zicht krijgen op de visie rond dit thema aan Franstalige zijde.

De specifieke richtlijnen in een bijzondere omzendbrief zijn aangepast voor Brussel en werden ondertussen verspreid binnen de genoemde kernactoren voor Brussel. Zoals gezegd, werd er voor Brussel een extra budget vrijgemaakt. Het bedrag kan ik u niet uit het hoofd geven.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. U hebt in uw antwoord inderdaad opgesomd dat er veel dingen gebeuren. De vraag is dan: als er al zoveel is op het terrein, waarom kan dit dan blijven gebeuren? Dat is de vraag die wij ons allemaal moeten stellen. Een tweede vraag die daarop aansluit, is: met de extra inspanning die nu onder andere naar Brussel gaat in het kader van de zorggarantie, kunt u ons dan vertellen dat dit niet meer zal gebeuren of dat dit toch een grote uitzondering zal worden, wanneer het zich toch nog eens zou voordoen? Dat vind ik de twee meest ter zake doende vragen in dezen.

Ik heb nog een kleine aansluitende vraag, waarvan in het krantenartikel gewag wordt gemaakt, namelijk over de kosten die de ziekenhuizen maken. Zij kunnen die, alleszins volgens de berichtgeving, nergens anders recupereren. Het zijn dus de ziekenfondsen die uiteindelijk voor die kosten opdraaien. Is dat zo? Kunt u daar iets over vertellen? Zullen de nieuwe initiatieven die u aankondigt, daar effectief iets aan veranderen?

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Minister, tenzij ik het fout heb begrepen, hebt u in uw antwoord vooral gefocust op de kinderen van nul tot drie jaar en de zorggarantie die er voor hen moet zijn. Nu, dit gaat niet enkel over kinderen van nul tot drie jaar, maar ook over oudere kinderen. Wat is de planning voor hen? Zodra kinderen naar school gaan, is het duidelijker onder wiens netwerk en onder welk systeem ze vallen, namelijk onder het netwerk van de plek waar ze schoollopen. Als het kinderen zijn die op een Nederlandstalige school zitten, dan vallen zij onder het Nederlandstalige jeugdzorgsysteem. In die zin kan het niet zijn dat we niet weten waar ze zijn en waarom. Dat moet dan ten minste toch al duidelijk zijn. Het hoeft geen extra betoog dat de tekorten tot aan de volwassenheid enorm zijn, ook in Brussel. In die zin hoop ik dat u ook op dat luik kunt ingaan.

Minister, wat de kleintjes van nul tot drie jaar betreft, zegt u dat het in Brussel een kluwen is. Er zijn veel initiatieven, de afstemming loopt mank. Wat zult u daaraan doen? Hebt u overleg gepland met uw collega van de Franse Gemeenschap en met uw collega’s in BICO in Brussel om daar iets aan te doen? Want we kunnen niet tolereren dat we kinderen van nul tot drie jaar tussen de mazen van het net laten glippen of in ziekenhuisbedden opvangen omdat er geen afstemming is tussen de gemeenschappen.

Minister, u zegt dat u niet kunt antwoorden op de vraag naar het budget. Misschien is het dan wel interessant om de informatie na te geven. U gaf een bedrag van 150.000 euro voor zorgzame trajecten. 150.000 euro is een bedrag, maar geen bedrag waarmee je de tekorten in de jeugdhulp in Brussel kunt aanpakken. Ik hoop en vermoed dat er toch nog meer achter de hand zit dan dat.

U zegt dat we enkel gefragmenteerde cijfers hebben en dat we er dus geen uitspraak over kunnen doen. Nu, het jaarverslag Jongerenwelzijn is zeer gedetailleerd en zeer waardevol. Ik kan mij niet voorstellen dat we niet over de gegevens beschikken om te weten hoeveel van die kinderen effectief in een ziekenhuis zitten, hoe die situatie in Vlaanderen is. Ik hoop dat het enkel een Brusselse situatie is. Maar je hoort dat er op heel veel plaatsen in heel Vlaanderen diezelfde situatie is, dat ook daar kinderen in een ziekenhuis verblijven. Het is dus niet enkel iets Brussels en niet enkel omdat er meerdere gemeenschappen actief zijn in Brussel, maar het is een structureel probleem.

Minister, kunt u antwoorden op die extra vragen?

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord.

Ik sluit aan bij wat mevrouw Van den Brandt zegt. Ik ben er toch ook wel van geschrokken dat de profielen van deze jongeren niet gekend zijn en dat ook de situatie, waarom zij geplaatst zijn en dergelijke, niet gekend is. Mij lijkt het toch niet moeilijk om een dergelijke registratie te doen. Meten is weten. Zo’n inventarisering is volgens mij echt wel noodzakelijk om te weten welke jongeren het zijn, welke leeftijd ze hebben, vanuit welke situatie ze komen.

Specifiek voor Brussel zegt u inderdaad – en ik denk dat dat zeer terecht is – dat het een zeer complexe situatie is. U moet daar met verschillende gemeenschappen en gewesten samenwerken. Mij lijkt het dat dat inderdaad zeer stroef verloopt.

Gebeurt dat overleg frequent? Is er nog een overleg gepland op korte termijn? U zei dat er een initiatief is genomen, onder andere met het UZ Jette, en dat er zal worden bekeken of dat verder kan worden uitgebreid. Welke initiatieven zijn er precies genomen met het UZ Jette? Volgens u is er een bevraging gebeurd van de profielen die daar zijn opgenomen.

Minister, namens de sp.a-fractie wil ik graag even het woord nemen, u een aantal vragen stellen en vooral mij aansluiten bij de gestelde vragen. Als er nood is, als die er al zou zijn, om in het gegeven zorgcrisis te investeren, dan is dit artikel daar volgens mij toch een heel belangrijk voorbeeld van. Des te groter is de nood om zekerheid te bieden op een aantal vlakken.

U zegt in uw antwoord dat u in het kader van zorggarantie vraagt, met name aan ziekenhuizen, om, als zij een vermoeden hebben van een problematiek, actie te ondernemen. Maar als ik het artikel lees, heb ik eigenlijk niet echt het gevoel dat het gebrek aan inzicht of de nood aan actie ervaren het probleem is. Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat het probleem de doorstroom naar de specifieke hulpverlening is. Uit de rest van uw antwoord blijkt dat de probleemanalyse vrij behoorlijk en degelijk is. Ik heb u dingen horen vertellen die steek houden, die ook worden ervaren uit de praktijk.

Maar de grote vraag is natuurlijk: vanuit die analyse en het wenselijke, hoe zullen we dat in de praktijk effectief afdwingen? Ik sluit mij aan bij de vragen om dat financieel te verduidelijken. U had het in een antwoord over 150.000 euro en vervolgens over een ander bedrag dat u niet precies kon meegeven. Ik zou die inzet graag financieel duidelijk hebben.

Minister, hebt u zicht op de totale capaciteit die in Brussel wordt ingezet? Uiteraard is het een gegeven dat er twee gemeenschappen actief zijn en dat je met een versplinterd landschap zit. Maar hebt u, samen met uw counterpart, de helikopterview die nodig is om met het hand op het hart te kunnen zeggen dat als we zorggarantie bieden dit ook op het terrein gerealiseerd wordt? Dat zou ons ook toelaten om de ingezette middelen effectief naar waarde en vooral naar effectiviteit te kunnen inschatten. Is het op frequente basis, middels een IMC, dat u dat overleg organiseert, of niet? En als dat niet het geval is, bent u dan bereid om dat op te zetten?

Ten slotte, mij aansluitend bij de vraag, deze alarmkreten komen uit Brussel. Maar zijn er nog andere voorbeelden, ook in Vlaanderen, het rapport van het Rekenhof in het achterhoofd houdend, waar we met dergelijke toestanden worden geconfronteerd? Zo ja, waar en in welke mate?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega's, met de bescheidenheid die de minister moet passen in de commissie, ben ik wel een beetje verbaasd. Als de tweede werf van onze acties er juist in bestond om rond dit issue te gaan werken, is het omdat we partieel en hier of daar het signaal krijgen dat kinderen in het ziekenhuis verblijven die beter in de jeugdhulp een perspectief zouden hebben. Het is net daarom, omdat we zicht willen hebben op het probleem en ervan overtuigd zijn dat je daar een structurele aanpak moet opzetten, dat we recurrente extra capaciteitsmiddelen ter beschikking hebben gesteld van de verschillende provincies om daarmee aan de slag te gaan. In Brussel gaat het over 150.000 euro. Daar staat in Brussel ook een budget van 1 miljoen euro voor de uitbreiding van de rechtstreeks toegankelijke hulp naast. We zijn dus ook in Brussel een aantal investeringen aan het doen.

Maar het is juist dat Brussel een specifieke situatie is. Dat is ook de reden waarom we de omzendbrief die naar alle provincies is gegaan en waarin wordt gevraagd om effectief per provincie die aansluiting te maken, ook tussen ziekenhuisverblijven en jeugdhulp, niet gewoon ook toepassen op Brussel, maar daarvoor een specifieke omzendbrief hebben opgezet en het gesprek met onze mensen in Brussel zijn aangegaan.

Ik heb hier nu geen parate kennis van onze capaciteit van ons hulpverleningsaanbod in Brussel. Het zorggarantieplan gaat inderdaad vooral over de warme overdracht van kinderen in ziekenhuizen die niet naar hun thuissituatie kunnen. Daarop is het ‘gecibleerd’. Uiteraard hoop ik dat als dat plan in werking is en als iedereen in zijn provincie op maat van de noden en behoeften die capaciteit heeft ingevuld en omgezet in recurrente aanbodscapaciteit, we daar dan ook een helikopterzicht op kunnen krijgen.

Mijn tour in Vlaanderen van een tijd geleden leert mij dat dat in sommige provincies iets meer realiteit is, of een situatie die in sommige ziekenhuizen iets meer voorkomt en in andere niet of veel minder. Maar het punt is gewoon dat het zorggarantieplan vertrokken is vanuit de overtuiging dat dat eigenlijk geen goede zaak is en dat we dus bij voorrang ook daarop moeten inzetten, opnieuw ook vanuit de redenering dat we de shift in onze capaciteit moeten maken naar de jongste levensjaren en de vroege detectie.

Er is overleg met de Franstaligen. Ook rond crisishulp en caseoverleg zal uiteraard afstemming gebeuren. Ik wou daar niet over beginnen omdat ik dat in dezen ook niet het meest relevante vind, maar u bent allemaal wel zo vriendelijk geweest om uit het gesprek met de verantwoordelijke uit het ziekenhuis – ik denk dat het de arts was die getuigde – selectief niet te zeggen dat de situatie aan de Vlaamse kant vanuit het perspectief van de betrokkene toch anders was dan aan Franstalige kant. Ook dat is voor mij natuurlijk wel belangrijk. Dat is niets om mee te pochen of zo, want we moeten zorgen dat die situaties niet kunnen voorkomen, maar we gaan daar natuurlijk ook in Brussel wel een op de eigen situatie van Brussel afgestemd initiatief rond nemen. En dat veronderstelt uiteraard ook overleg met de Franstaligen.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik denk dat de bezorgdheden die hier worden geuit, belangrijke bezorgdheden zijn. Ik ga ervan uit, afgaande op uw antwoord, dat u die ook deelt. Maar dan moet het ook onze ambitie zijn – en dat is de vraag die ik eigenlijk al twee keer heb gesteld: gaan we met de zorggarantie ervoor zorgen dat dit niet meer kan gebeuren? Of gaan we er op zijn minst voor zorgen dat het bij hoge uitzondering nog eens zou kunnen gebeuren? Ik hoop natuurlijk dat het niet gebeurt, maar ik heb er ook wel begrip voor dat je misschien niet alles kunt uitsluiten. Maar de getallen waar nu sprake van is, ook aan Vlaamse kant, die liggen gewoon veel te hoog. Ik vind dat we daar absoluut iets aan moeten doen. Ik heb u niet horen zeggen dat we daarmee nu het antwoord hebben. Inderdaad, de zorggarantie is op die heel kleine kinderen gericht, maar het gaat ook, zoals de collega's hebben opgemerkt, over grotere kinderen en jongeren. Die bezorgdheid blijft dus wel.

Waar ik ook geen antwoord op gehoord heb, tenzij ik niet aandachtig genoeg geluisterd heb, is de vraag of dit ook een fenomeen is dat in Vlaamse ziekenhuizen gebeurt.

Minister Jo Vandeurzen

Mijnheer Parys, ik zou niet gezegd hebben dat we voor Vlaanderen specifiek een plan daarop gaan zetten met extra capaciteit, als ik niet dacht dat het niet alleen Brussel was. In de rondgang van de OCJ’s (ondersteuningscentra jeugdzorg) die ik een tijd geleden gedaan heb, heb ik hier en daar dat signaal gezien. Wat ik bovendien gezien heb, en dat is ook de reden waarom ik met veel overtuiging appel doe op de partners om dat plan te implementeren, is dat het in de ene provincie zonder extra capaciteit of middelen wel degelijk zeer goed geolied opgevangen wordt. Ik heb vastgesteld dat in een andere provincie dat overleg veel moeilijker verliep, met allerlei overwegingen die ik veeleer klasseer onder ‘bureaucratisch’. Dan is mijn constatatie: het kan, als men wil. En om daar een duidelijke incentive aan te geven en dus ook een terechte vraag naar capaciteit te honoreren, hebben we gezegd: we gaan dat uitrollen en er zullen middelen zijn voor alle provincies. Maar er zijn zeker provincies waarvan ik durf te zeggen dat het daar zeer, zeer goed gaat, zonder die middelen. Er zijn er andere waarvan ik zeg dat ik het problematisch vind.

Dat is heel duidelijk. Ik ben blij dat u nog eens tussengekomen bent. U vangt signalen op en u ageert dan. Dat vind ik positief. Maar ik neem dan aan dat u ook een inschatting maakt van de cijfers. Als het in één provincie nul is, wil dat dan zeggen dat we in een andere provincie met twintig of dertig zitten op jaarbasis? (Opmerkingen van minister Jo Vandeurzen)

Dan denk ik dat de vraag blijft: brengen we dit tot nul met de zorggarantie die we nu uitrollen? En betekent dat dan ook dat de aanpak die we nu hanteren, ervoor zal zorgen dat we dit ook voor oudere kinderen tot het verleden zullen laten behoren? Dat is de belangrijkste vraag waar ik nog mee blijf zitten.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Minister, enerzijds zegt u dat u signalen krijgt dat het niet overal een probleem is en dat ze het op sommige plaatsen zonder extra capaciteit, maar met een betere coördinatie, onder controle zullen krijgen, en op andere niet. Maar als we dan vragen of u dat kunt onderbouwen met cijfers, zegt u dat u geen cijfers hebt. U gaat dus puur af op de signalen die u krijgt. Ik hoop dat ons beleid beter onderbouwd is dan op de hardste roepers, want dan krijg je dat effect. Dan moet ik gewoon aan alle ziekenhuizen zeggen dat ze het vooral moeten laten weten. Ik mis dus ergens die onderbouw. Als ik de kwaliteit en de hoeveelheid cijfers zie die we met een jaarverslag krijgen, kan ik mij niet voorstellen dat we dit niet weten en dat we daar geen grip op hebben.

Jongere kinderen boven de drie jaar hebben ook noden. Er zijn ook crisissen en ze hebben ook extra aanbod nodig. De plannen die u hebt rond de zorggarantie voor die kleintjes zijn nuttig en goed. Ik weet niet of de budgetten zullen volstaan, maar goed, ik wil het een kans geven. Maar ook voor die grotere moeten er stappen gezet worden, en daar blijft de vraag wat u daarvoor gaat doen.

Ik weet dat Brussel complex is. Ik begrijp dat. Maar als we al iets hebben uitgeklaard, is het wie voor welke kinderen verantwoordelijk is inzake jeugdhulp. En dan is het de keuze van de school die daarvoor telt. Dat geeft nog een aantal praktische problemen, maar u weet wel welke groep kinderen onder die Vlaamse hoede vallen en onder de Vlaamse jeugdopvang terecht moeten kunnen komen, en wat daar de noden en de tekorten zijn. Dat zijn wel becijferbare en berekenbare noden. Het Brusselse kluwen is voor een stuk een probleem, maar het is onvoldoende als antwoord om te zeggen dat we hier een beetje met een zwarte doos zitten. Dat is niet zo. Ik hoop dat we, de volgende keer dat we die vragen stellen, doortastender antwoorden krijgen, want behalve ‘we gaan 150.000 euro inzetten voor nul- tot driejarigen’ en ‘er komt extra RTH’ hebt u vandaag eigenlijk weinig antwoorden gegeven.

+Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, u zei dat u geen cijfers hebt. Ik denk dat dat toch een zeer belangrijk begin is, dat je weet waarover je spreekt. Als je zegt dat je een gefragmenteerd overzicht hebt, dat je niet goed weet over hoeveel jongeren het gaat, wie die jongeren zijn, uit welke situatie ze komen… Ik denk dat men daar toch mee moet beginnen, met het registreren en inventariseren. Hebt u daar initiatieven voor op stapel? Ik denk dat dat toch wel essentieel is als we daar verder in willen gaan.

Eigenlijk moet ik de vraag hier afhandelen, maar ik stel vast dat elk van de drie vraagstellers nog bijkomende vragen op de minister afvuurt. Ik ga hier een beetje in tegen het reglement, maar stel dat er informatie is die meegedeeld kan worden, dan kan die uiteraard ook schriftelijk toegevoegd worden.

Minister Jo Vandeurzen

Het aanbod aan jeugdhulp is natuurlijk niet zo eenvoudig in kaart te brengen, omdat het gaat over voorzieningen in de bijzondere jeugdzorg, voorzieningen in de sector personen met een beperking, het CKG, het CAW. Het is geen enkel probleem om op te lijsten hoeveel van onze capaciteit zich op het Brusselse grondgebied bevindt. Dat is op zichzelf niet het probleem, maar u mag het mij niet kwalijk nemen dat ik dat eigenlijk zeer eigenaardig vind. Een tijdje geleden hebben we gezegd dat we zouden reageren op onder meer de vaststellingen uit de Integrale Jeugdhulp 2.0 dat we een aantal zaken moeten versterken. U hebt mij nooit horen zeggen dat dat alles zal oplossen. We hebben toen gezegd dat we 25 miljoen euro zouden inzetten ter versterking van de jeugdhulp. Die middelen worden dit jaar een stuk gemobiliseerd en volgend jaar ook nog een stuk. U zult daar uiteraard in het jaarverslag jeugdhulp van het jaar 2017 niets over vinden, en in het beste geval zult u in het verslag over het jaar 2018 een stukje vinden – om het u toch maar duidelijk te maken in de tijd. We hebben gezegd dat we 25 miljoen euro gingen investeren.

Dat is niet met de natte vinger. Dat is de consensus van velen in de jeugdhulp. Wij moeten beginnen te shiften naar vroegdetectie en vroege interventie, en niet alleen in het soort hulpverlening – ik vertaal dat dan wat cru als van ‘achter de poort’ naar ‘rechtstreeks toegankelijk, snel en kort op de bal, in de thuisomgeving’ – maar we moeten ook shiften naar leeftijd, hoe paradoxaal dat ook is, want we zijn natuurlijk allemaal gevat door de vraag naar residentiële capaciteit voor 13-, 14-, 15- en 16-jarigen. Maar iedereen verstaat ook met zijn verstand dat als je daar op termijn een perspectief op wilt zetten, de jeugdhulp zich moet organiseren om, als men diagnoses ziet of als er iets moet gebeuren, te proberen om geen wachtlijsten te hebben en continuïteit te kunnen waarborgen.

Ik minimaliseer de andere kant van uw vraagstelling niet. Dat is ook een reële uitdaging, maar ik denk dat iedereen het er toch mee eens is dat we ‘in the long run’ wel gaan moeten proberen te schuiven naar zo snel en zo naadloos mogelijk, met zo veel mogelijk aandacht voor continuïteit.

Als we dat doen vanuit de ervaring dat verblijf in een ziekenhuis, dat is hier trouwens in de commissie ook al een paar keer aan bod gekomen, dat dat geen goede zaak is, en als we vaststellen dat we inderdaad weinig concreets in handen hebben om te zien waarover we nu aan het spreken zijn, en als we dan ook nog vaststellen dat in de ene provincie de afspraken tussen de crisishulpverlening, het OCJ, het VK, pleegzorg enzovoort gemaakt zijn dat zodra een kind in een ziekenhuis komt en men voelt dat dat niet kan, dat er dan een machinerie – die men gewoon afgesproken heeft, we hebben daar geen enkele regel voor moeten maken – in werking treedt om te zorgen wat men gaat doen – het parket uiteraard in belangrijke mate in dat geval – en als je vaststelt dat in andere provincies de partners dan wel met veel goede wil en engagement beginnen te praten, en je zegt dat het gewoon beter kan en dat ze het proactief met elkaar moeten afspreken, als er in een ziekenhuis een signaal komt – er heeft trouwens al een brief in een of andere krant gestaan dat sommige gynaecologen vinden dat het niet hun verantwoordelijkheid is om dat signaal te geven, dat is ook een statement dat toen gemaakt is – en als je dan zegt: ‘laat ons dat toch systematisch proberen te doen en laat ons bovendien erkennen dat dat in een aantal situaties ook een capaciteitsvraag stelt’, en als je dan zegt: ‘we geven een budget daaraan, we gaan ermee beginnen, we hebben heel veel overleg om die tanker in gang te zetten’, en dan toevallig is er drie weken later een noodkreet uit een Brussels ziekenhuis, en nu vraagt iedereen of we daar cijfers van hebben, maar we zijn met dat project al een jaar bezig, onder meer om met het fenomeen dat nu plotseling in Brussel door iemand in de krant gebracht wordt, op een goede manier aan de slag te proberen gaan.

Ik hoop dus dat veel van uw terechte vragen op een bepaald moment ook een antwoord zullen krijgen, als men inderdaad kan zeggen dat men in alle provincies met alle materniteiten afspraken heeft gemaakt over hoe men daarmee omgaat. Ik kan alleen vaststellen dat het het beste is dat we dat formaliseren, maar dat dat niet alleen een kwestie is van meer budget, maar vaak ook van goede afspraken met elkaar maken.

Mag ik even een technische vraag stellen, minister? U refereert een aantal keren aan een aantal provincies die het sowieso al goed doen en een aantal provincies die wat achterop hinken, om het eufemistisch uit te drukken. Is de provincie Vlaams-Brabant een van de provincies die het volgens u goed doen? Ik vind dat heel belangrijk.

Minister Jo Vandeurzen

Daar kan en wil ik niet op antwoorden, omdat ik ondertussen geleerd heb uit de contacten die ik vandaag gehad heb, dat je je altijd met enige terughoudendheid moet hoeden voor grote uitspraken over concrete situaties waarvan je de finesses niet allemaal kent. Ik ga dat dus ook niet doen. Ik heb alleen vastgesteld dat er iets is dat ik onaanvaardbaar vind, namelijk dat we geen goede afspraken kunnen maken tussen partners, die daarvoor een missie hebben en die dat ook met veel engagement doen, om te vermijden dat kinderen te lang in het ziekenhuis moeten blijven, met dan nog een nodeloze tussenstop. Dat moet beter georganiseerd kunnen worden. Er zijn er die mij overtuigen van het feit dat we dat kunnen.

Als het antwoord is dat er een capaciteitsprobleem is, dan zeg ik: we hebben in ons plan gezegd dat we daar capaciteitsruimte voor zullen creëren. Maar ik hoop natuurlijk dat u, als we dat zullen beslissen – u bent dan misschien minister van Welzijn of ik weet niet wat – zult kunnen zeggen dat dat plan gewerkt heeft. Want dat gaat natuurlijk zijn tijd vragen.

We hebben ons reglement heel breed toegepast. Dit is geen gedachtewisseling, maar vragen om uitleg. Ik heb toch gewild om iedereen maximaal de kans te geven, maar ik zou toch vragen om de slotreplieken kort te houden en geen nieuwe vragen te stellen. Anders moet u een nieuwe vraag indienen.

De heer Parys heeft het woord.

Ik blijf bij mijn vorige slotrepliek.

Ik heb gezegd dat dit geen nieuw probleem is. Er is de analyse van het Rekenhof, waarop men commentaar kan hebben, maar het is een probleem dat we kennen, en u hebt een aantal engagementen uitgesproken om er iets aan te doen. Mijn vraag was wat de impact was van die engagementen. In hoeveel plaatsen is er extra voorzien? Welke vooruitgang is er geboekt in de samenwerking? Kunnen we al vaststellen dat er minder onbeantwoorde crisisvragen zijn? Reageren we beter? Dat waren allemaal vragen over de stand van zaken in de evolutie. Ik heb geen nieuw probleem ontdekt.

Brussel met al zijn specificiteiten ervaart een probleem dat op vele plaatsen wordt ervaren. U zegt dat het aan de volgende minister zal zijn omdat dit tijd zal nodig hebben. Dat is al voor een deel een antwoord op mijn vragen, maar het is wel de bedoeling om dit te monitoren. Als ik praat met mensen in Brussel en buiten Brussel, dan zeggen vooral jeugdrechters dat het probleem steeds prangender is en steeds groter blijft worden. Er zijn steeds meer crisissen die ze niet aangepakt krijgen. Dat blijkt ook uit alle cijfers. Ik ben er dan niet gerust op dat wat nu gepland is, voldoende zal zijn om het probleem volledig te keren. Er worden een aantal stappen gezet, maar dat moeten er nog meer zijn en ingrijpender. Ik hoop niet dat we moeten wachten op een volgende minister van Welzijn om dit vast te stellen.

We zien nu al wat de impact is. We moeten dit kort opvolgen zodat we die tanker kunnen keren en zodat we gaan van steeds meer jongeren in crisis naar minder jongeren in crisis met een beter antwoord. Dat doe je door vroeger en jonger in te grijpen, maar het is niet omdat we vroeger en jonger zullen ingrijpen, dat we enkel nog bij 0-tot-3-jarigen iets moeten doen. 10-jarigen hebben evenzeer nood aan goede, stevige jeugdhulp, want anders geven we eigenlijk een hele generatie op omdat we beginnen met de 0-tot-3-jarigen. Dat kan ook niet de bedoeling zijn.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik ben het er niet mee eens dat u het probleem van het ziekenhuis in Brussel verengd tot crisissituaties. We moeten het net zo proberen te organiseren dat er geen crisishulpverlening is. Voor mij is het antwoord niet ‘meer crisishulpverlening’.

Het is wel een vaststelling dat er steeds meer crisissen zijn.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.