U bent hier

De heer Maertens heeft het woord.

Ik heb een vraag om uitleg over de schaalgrootte van steden en gemeenten, niet zomaar ‘out of the blue’, maar wel op basis van informatie die we kregen uit een recente studie van de UGent en de Erasmus Universiteit Rotterdam over de schaalgrootte en het effect op de gemeentelijke financiën. Daaruit blijkt dat de grootte van een gemeente weinig invloed heeft op de financiële gezondheid ervan. Op zich hoeft dat niet te verwonderen. In een persartikel lees ik dat de Nederlandse onderzoeker zegt dat de Vlaamse Regering probeert om de gemeenten te laten fuseren om ze uit de rode cijfers te houden, maar dat er geen garantie is dat dergelijke fusies hen vooruithelpen. Fusies zijn geen tovermiddel zegt hij.

Uiteraard is het geen tovermiddel, maar het is ook nooit de bedoeling geweest van de Vlaamse Regering om gemeenten te laten fuseren enkel en alleen om de financiële situatie te verbeteren en ze uit de rode cijfers te houden. Dat is een aspect dat ermee gepaard gaat, mede door de bonus die de Vlaamse Regering heeft uitgevaardigd. Het gaat vooral over bestuurskracht, over kwaliteit van het aanbod naar de burger en over kwaliteit van de dienstverlening aan de inwoners.

U hebt deze bestuursperiode samen met uw collega's uit de Vlaamse Regering verschillende initiatieven genomen om tot die schaalvergroting van de steden en gemeenten te komen. Het belangrijkste daarbij is natuurlijk de vrijwillige fusie met tot voor kort de financiële bonus. Het verbaast me toch een beetje dat in een reactie de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) laat weten dat ze fusies niet als zaligmakend beschouwt – geen probleem met die denkpiste, dat klopt ook – maar dat sommige lokale besturen meer voordeel halen uit andere samenwerkingsverbanden. Dat klopt ook. We halen als gemeente allemaal voordeel wanneer we samenwerken. Maar zoals ik vanmorgen op een ‘Midwest-onderonsje’, collega Dochy, nog heb gezegd, sluit het ene het andere absoluut niet uit. Ook bij grotere steden en gemeenten van pakweg 35.000 tot 50.000 inwoners zul je die samenwerking hebben. Het is niet omdat een centrumstad als Roeselare 65.000 inwoners heeft en een andere stad 80.000 of 90.000 inwoners, dat men niet kijkt naar het hinterland en men niet met andere gemeenten moet bekijken of men kan samenwerken.

In deze context heb ik een aantal vragen. Minister, wat is uw reactie op de conclusies van deze studie? Deelt u mijn persoonlijke mening die ik hier daarnet naar voren heb geschoven? Bent u van oordeel dat de financiële effecten van een fusie van gemeenten niet de belangrijkste drijfveer moeten zijn om een fusie te overwegen? Hebt u indicaties dat de schuldovername, waarin voorzien was bij een vrijwillige fusie, aanleiding geeft of dreigt te geven tot een zogenaamd flypaper-effect? Dat betekent dat als je middelen krijgt van een hogere overheid, je die misschien sneller zult uitgeven dan je zou doen, mocht je die middelen op een reguliere manier binnenrijven. Zo ja, sensibiliseert u de lokale besturen in kwestie hierover dat ze toch best het voorzichtigheidsprincipe op budgettair vlak blijven hanteren? Beschouwt u het samenwerken tussen gemeenten als een waardig alternatief voor een fusie van gemeenten? Zo ja, in welke mate en met welke motivering? Zo niet, waarom niet?

Minister Homans heeft het woord.

Mijnheer Maertens, ik beaam – ik heb nooit het tegenovergestelde beweerd – dat grote besturen niet per definitie financieel gezond zijn en kleine besturen per definitie financieel ongezond. Dat is een waarheid als een koe die u en ikzelf nu hebben uitgesproken. Er is absoluut geen eenduidige relatie tussen omvang van een bestuur en financiële gezondheid van datzelfde bestuur.

Ik herhaal nog eens, collega's, dat ik het tegenovergestelde ook nooit beweerd heb, maar dat zegt ook niemand. Het was wel verrassend dat het zo plots gezegd werd in die studie, waar ik trouwens aan heb meegewerkt. Ik kreeg de onderzoeksopdracht per e-mail doorgestuurd en heb de vragen braafjes ingevuld. Ik heb nooit dat antwoord gegeven, maar er zullen wellicht nog andere mensen aangeschreven zijn. Wie dat zijn, weet ik natuurlijk niet.

Deze Vlaamse Regering is er wel van overtuigd dat vrijwillige fusies van gemeenten gestimuleerd moeten worden. U weet ook wat het resultaat ervan is. We hebben er een aantal gehad, tegen alle verwachtingen in. Fusies van gemeenten zijn een mogelijkheid om de bestuurskracht van gemeenten te verhogen, en dit vanuit verschillende perspectieven. Zo is er bijvoorbeeld een beter beheer van de gemeentelijke organisatie en het verminderen van de bestuurlijke kwetsbaarheid. Wat doe je bijvoorbeeld als iemand ziek valt en in die dienst maar één persoon tewerkgesteld is? Andere voorbeelden zijn een betere dienstverlening aan burgers en bedrijven, een versterking van de beleidscapaciteit om in te spelen op maatschappelijke opportuniteiten, een meer strategische positionering binnen het ruimere regiogebeuren en een sterkere aansturing van de samenwerkingsverbanden.

Ik heb dus nooit gezegd dat een fusie een van de middelen is om de financiële situatie van een gemeente te verbeteren. Ik was dus wel een beetje verrast over de resultaten van die studie.

Heb ik indicaties dat de schuldovername, waarin is voorzien bij een vrijwillige fusie, aanleiding heeft gegeven tot het zogenaamd flypaper-effect? Het flypaper-effect is niet onderzocht. Het zijn de nieuwe bestuurders van de gefuseerde gemeenten die moeten beslissen over wat ze zullen doen met de beleidsruimte die zal vrijkomen door de fusie en de schuldovername door de Vlaamse overheid. De lokale bestuurders moeten handelen binnen de financiële normen die de Vlaamse overheid stelt en moeten verantwoording afleggen aan hun bevolking. Ik ben ervan overtuigd dat ze met al die factoren rekening zullen houden en daar op een doordachte manier mee omgaan.

Wat betreft uw laatste vraag, denk ik dat het belangrijk is nog eens te citeren uit de beleidsnota Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid 2014-2019. Daar staan heel veel interessante passages in. In de context van uw vraag, haal ik er een uit: “De focus van mijn beleid ligt nadrukkelijk op het verhogen van de eigen gemeentelijke bestuurskracht. Samenwerking tussen gemeenten is nuttig en nodig, maar kan geen alternatief zijn voor een gebrek aan bestuurskracht van de gemeente om zelf haar basisbevoegdheden en taken uit te oefenen.”

Ik beschouw de intergemeentelijke samenwerking absoluut als nuttig en noodzakelijk, maar niet als een evenwaardig alternatief voor een fusie. Over intergemeentelijke samenwerking hebben we in deze commissie al verschillende keren gedebatteerd. Ik vind dat heel waardevol en heb dat altijd verdedigd als instrument. U weet, toen we in een slecht daglicht kwamen te staan door allerlei malversaties, dat ik tot grote vreugde van velen hier aanwezig, altijd heb gezegd dat ik het een goed instrument vind en dat we vooral het kind niet met het badwater mochten weggooien. Maar ik ben er ook van overtuigd dat samenwerking met andere gemeentebesturen moet gebeuren vanuit een strategische keuze en vanuit een sterke positie van de gemeente als basisbestuur, die daadwerkelijk kunnen wegen op het beleid en daar ook een rol van betekenis kunnen spelen. Samenwerking moet een aanvulling zijn op het eigen beleid van een gemeente en geen alternatief voor een gebrek aan bestuurskracht. Ik denk dat dat nogal logisch is. Het omgekeerde zou nogal vreemd zijn. Samenwerking in een veelheid van samenwerkingsverbanden die men als gemeente nog nauwelijks kan opvolgen, laat staan dat men zou kunnen meebesturen, is het failliet van de lokale democratie.

De heer Maertens heeft het woord.

Minister, dank u voor het antwoord. Ik geef nog kort een paar beschouwingen en stel nog een concrete vraag.

Ik volg volledig dat het financiële zeker niet de doorslag zou mogen hebben gegeven bij de fusies die decretaal zijn goedgekeurd in het parlement. Ik denk dat het in die paar gevallen zeker niet het geval was, maar dat de kwaliteit van de dienstverlening, de bestuurskracht en de capaciteit om de toekomstige uitdagingen aan te gaan, van cruciaal belang zijn.

Minister, in uw antwoord op mijn vraag over het zogenaamde flypaper-effect, dus het te snel uitgeven van geld dat eigenlijk door een toevalstreffer is binnengekomen, zegt u dat het niet is onderzocht. Anderzijds denk ik wel dat we, zeker binnen de beleids- en beheerscyclus (BBC) met de notie autofinancieringsmarge, toch een soort autocorrectie hebben die gemeenten altijd hun eigen budgetten en uitgaven tegen het licht doet houden. Wat dat betreft, ben ik er nogal gerust op dat er geen uitwassen en uitspattingen zullen zijn.

Het kan ook moeilijk bij investeringen als je met de autofinancieringsmarge rekening moet houden.

Welke lessen kunnen we uit de fusies leren? De fusiedecreten zijn hier goedgekeurd, eerst in de commissie, daarna in de plenaire vergadering. De juridische begeleiding tot de eigenlijke fusie wordt gedaan door het Agentschap Binnenlands Bestuur. Ik vraag me gewoon af in welke mate de nieuwe fusiegemeenten nu nog worden begeleid door het agentschap omdat er misschien wel iets uit te leren valt voor de toekomst. In een nieuwe bestuursperiode zullen sommige gemeenten misschien opnieuw de vraag stellen en misschien toch gesprekken voeren met andere gemeenten. Dan zou het wellicht niet slecht zijn mochten er lessen worden getrokken uit die fusietrajecten en mochten ook de mensen uit het veld die actief zijn geweest – de burgemeesters, de medewerkers, de algemeen directeurs enzovoort – goede praktijken en goede manieren van aanpak ten berde brengen met het oog op een nieuwe vrijwillige fusieronde die er misschien aankomt vanaf de volgende legislatuur.

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega's, de VVSG heeft het standpunt ingenomen dat die fusies niet zaligmakend zijn. Goed, er is ook niets verkeerd mee natuurlijk. Ik denk dat iedereen het daarover eens is. Sommige gemeenten zijn gebaat of meer gebaat bij samenwerkingsverbanden, hetgeen niet vreemd is. Het klopt allemaal.

De bedoeling moet natuurlijk zijn – en u hebt het ook aangehaald, minister – om de bestuurskracht van de gemeenten te verhogen. Daarover gaat het. Veel middelen zijn daartoe aangewezen, daar moeten we van uitgaan. Het financiële aspect mag inderdaad niet het belangrijkste zijn. Het speelt mee en het is niet onbelangrijk, maar als het het belangrijkste is, leidt dit niet tot een goede fusie omdat die samenwerking op termijn niet duurzaam is. Ik denk dat we daarvan moeten uitgaan.

Vrijwillige fusies stimuleren is belangrijk. We kunnen ons daar volledig in vinden, maar ik denk dat het een en-enverhaal moet zijn en dat het een het ander niet uitsluit. Op termijn zullen er toch fusies komen. Op welke manier dat gebeurt, zullen we wel zien, maar er zullen ook altijd nuttige en interessante samenwerkingsverbanden moeten blijven bestaan, ook als er fusies zijn. Ook bij grote steden zal dat altijd blijven bestaan.

Ik denk dus dat we ervoor moeten pleiten dat het een en-enverhaal is en dat het een het ander niet uitsluit. We zullen dus verder moeten kijken naar fusies van steden en gemeenten. Als ik me niet vergis, zijn er nu een achttal op basis van vrijwilligheid. In de toekomst zullen er nog fusies komen. We stellen vast dat er nog altijd zeer kleine gemeenten zijn, zelfs kleine fusiegemeenten. We weten dat het aantal inwoners niet volledig zaligmakend is en dat het niet is omdat je klein bent, je niet goed functioneert.

Ik denk toch dat er in de toekomst iets zal moeten gebeuren voor fusies en dat die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die er nu al zijn, zullen blijven bestaan. We mogen niet uit het oog verliezen – en ik denk dat dat ook de beweegreden is van de vraag van de heer Maertens – dat als we de bestuurskracht in de toekomst willen verhogen, er instrumenten moeten zijn om de fusies nog meer te activeren en dat er acties moeten worden ondernomen om te komen tot een breder fusieverhaal. Ik denk dat het nu veel te traag gaat. Vrijwilligheid is goed en ik heb er geen enkel probleem mee, maar we moeten toch evalueren en kijken hoe de bestuurskracht van de steden en gemeenten in de toekomst zal evolueren.

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Soms denk ik over al die studies: zoveel geld, gelukkig minder papier dan vroeger, om eigenlijk te weten wat we voor een stuk al wisten. Kleine gemeenten weten dat ook. Als de stok niet te lang is, dan moet je al een stommerik zijn om er heel ver mee te willen springen.

In Nederland zegt men ook dat fuseren meer geld zal kosten. Het komt uiteindelijk blijkbaar altijd duurder uit. Wie fuseert, heeft eigenlijk minder oog op de portemonnee dan op wat men er daarna als concept wil uithalen.

Minister, u hebt gezegd dat het in de beleidsbrief staat, maar ik vind ook dat we uit deze beleidsperiode lessen moeten trekken. Ik voel aan de heer Maertens dat hij meer voor samenwerking voelt dan hij nu heeft geuit. Hij heeft zich niet volledig uitgesproken. Minister, ik vind dat samenwerking door u wat wordt onderschat en dat we er nog meer de nadruk moeten durven op te leggen. Wij wonen in de geuzestreek en het moet liggen, het moet rijpen. Samenwerken kan een hele goede aanleiding zijn voor fusie. Minister, u zei dat we het kind niet met het badwater mochten weggooien, maar ik denk dat het als badwater kan dienen om het kind nu net beter gewassen te krijgen.

Moeten we dus niet meer de goede samenwerkingsverbanden in kaart brengen en stimuleren om op die manier – en dat is hier ook al gezegd – de bestuurskracht zoveel mogelijk te verhogen? Zou het niet interessant zijn om een soort spiegel te creëren?

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

De discussies over fusies versus samenwerking zijn altijd interessant. Ik kom dan altijd uit bij de stadsregio's.

Minister, u zegt duidelijk dat u intergemeentelijke samenwerking nuttig en soms noodzakelijk vindt, maar uw focus ligt op de fusie. Voor ons is het net omgekeerd. Wij vinden fusie nuttig en soms noodzakelijk, maar onze focus ligt op de intergemeentelijke samenwerking.

Collega's, ik hoor hier ook de bezorgdheid over hoe die fusies verder zullen evolueren. Is het toch niet beter om in te zetten op intergemeentelijke samenwerking? Is er toch niet meer animo en is intergemeentelijke samenwerking die we nu zien verschijnen niet een meer natuurlijke vorm dan een fusie? Er wordt gezegd dat de fusie breder moet worden gedragen, dat het veel te traag gaat. Dat is eigenlijk ook onze vaststelling als we pleiten voor stadsregio's, voor stads- en streekgewesten. Er zal weinig animo zijn – en al zeker niet bij N-VA-burgemeesters als ik de afgelopen fusies zie – om te fusioneren.

We zijn vorige week naar Bordeaux geweest met een aantal commissieleden. Ik zie daar de heer Kennes zitten die er jammer genoeg niet is geraakt. (Opmerkingen)

Minister, wat heel interessant was, waren de stadsregio's. Het hinterland en Bordeaux, Bordeaux Métropole, kunnen samen de problemen aanpakken op een vrij snelle manier: mobiliteit en huisvesting bijvoorbeeld. Ik sluit me dus aan bij de vraag van collega Doomst. Is het, zeker in de volgende legislatuur, niet belangrijk om de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden meer aan te moedigen en er eventueel een vorm aan te geven?

In Bordeaux zijn er ook op het stadsregionale vlak raden waar zelfs de oppositie in zit. Het is misschien een nadeel van de intergemeentelijke samenwerking hier dat het altijd samenwerkingen zijn tussen meerderheden waar de oppositie nooit zicht op heeft. In Frankrijk hebben we het voorbeeld gezien van een intergemeentelijke samenwerking waar meerderheid en oppositie samen, op een vrij snelle manier, uitdagingen van de dag van vandaag kunnen aangaan.

De heer Meremans heeft het woord.

Heel kort, want ik wil de discussie zeker niet bezwaren. Ik hoor bepaalde mensen zeggen: geen fusies, we gaan verder naar die intergemeentelijke samenwerking. Je kunt daar heel ver in gaan. Je ziet bijvoorbeeld een aantal gemeenten samenwerken op een aantal terreinen. Misschien zullen ze op termijn zelfs personeel delen. Dan moet je je de vraag stellen wat het verschil is tussen die verregaande intergemeentelijke samenwerking en een fusie. Het kan misschien best zijn dat een aantal gemeenten heel nauw samenwerken, maar dat ze niet fusioneren omdat men de burgemeesterssjerp wil behouden of omdat men bepaalde namen in stand wil houden. Op dat ogenblik verarm je de democratie, want op dat ogenblik heeft de gemeenteraad minder te vertellen en zal het intergemeentelijk samenwerkingsverband – lees: de club van burgemeesters en schepenen – beslissen wat er gebeurt. Je verarmt dan je gemeenteraad. Dat is essentieel: de gemeente moet opnieuw het centrum worden van de basisdemocratie. Je hebt daar meer kans toe in een fusie dan in een ver doorgedreven intergemeentelijk samenwerkingsverband.

Ik sluit me aan bij collega Maertens. Het is niet omdat Dendermonde 45.000 inwoners heeft dat je geen samenwerkingsverband nodig zou hebben. Ik heb dat ook nooit beweerd. Ik wil toch waarschuwen voor die andere tendens.

De heer Dochy heeft het woord.

Voorzitter, ik wil teruggaan naar de essentie van het verhaal.

Bij fusie blijken er geen financiële voordelen te zijn. Dat is ook duidelijk gebleken uit die voorliggende studie. Financiële voordelen zijn in elk geval geen argument voor een fusie, maar ze zijn er ook niet echt. Collega Doomst heeft ook verwezen naar studies in Nederland waarin men zegt dat het apparaat per inwoner zelfs duurder wordt. Ook in Vlaanderen zijn er een aantal voorbeelden. Het getuigt toch wel van een stuk voortschrijdend inzicht – niet van u, minister, want u wist dat al – want er waren toch een aantal mensen die op het financiële aspect bleven wijzen om te motiveren dat er moest worden gefusioneerd.

De kwaliteit van de dienstverlening is belangrijk. Als we spreken over bestuurskracht, zijn in alle studies de financiële aspecten ook wel een belangrijk argument, maar een fusie zal daarvoor geen oplossing brengen.

Samenwerking heeft altijd een meerwaarde. Dat is vanmorgen ook gesuggereerd door collega Maertens in het Midwestoverleg: zelfs als er wordt gefusioneerd, zal er toch nog moet worden samengewerkt. Ik ben er zelf ook van overtuigd.

De essentie van de vraag is: wat is de optimale schaalgrootte? Minister, ik hoor u daarnet zeggen dat zelfs Antwerpen een beetje te klein is voor een smart city. Ik hoor in Leuven stemmen opgaan om districten op te richten. Leuven heeft iets meer dan 100.000 inwoners en men wil districten oprichten omdat men een beleid wil voeren, dicht bij de burgers. In het regeerakkoord wordt ergens het cijfer van 25.000 vermeld, de zogenaamde Izegemnorm, maar Izegem voelt zich ook te klein. Vanmorgen is duidelijk gebleken dat Izegem lonkt naar Roeselare, want dan zijn ze de tweede stad van West-Vlaanderen. Dat bleek in elk geval uit het gesprek van vanmorgen.

Veel bestuurders van kleine gemeenten zeggen echter dat er niet echt een probleem is, dat men niet aanvoelt dat men geen bestuurskracht heeft, dat men niet aanvoelt dat de mensen in de gemeente ontevreden zijn over de dienstverlening. Ook uit de Gemeentemonitor blijkt dat er geen correlatie is tussen de grootte van de gemeente en de tevredenheid van de mensen over de dienstverlening. Ook in kleine gemeenten zijn mensen soms heel tevreden over de manier waarop de dienstverlening verloopt. Het directe contact met het bestuur en het schepencollege en de gemeenteraad zal daar ook niet vreemd aan zijn. In elk geval is er niet onmiddellijk een correlatie tussen de grootte van de gemeente en de dienstverlening die wordt aangeboden.

Ik kom dus tot de volgende conclusie: iedereen die pleit voor fusies, pleit om de schaal te vergroten, maar niemand weet hoe groot die moet zijn. Het enige wat men blijkbaar weet, is dat de schaal die er vandaag is, te klein is. In een kleine gemeente is ze te klein, in een middelgrote gemeente is ze te klein, in een stad is ze te klein en zelfs in een grootstad is ze ook nog niet groot genoeg. Waar zijn we eigenlijk mee bezig? We discussiëren hier over fusies terwijl niemand weet waar we naartoe willen.

Ik roep dus op – en ik denk dat het ook een partijstandpunt is – om fusies bottom-up te laten groeien. Zorg dat er een relatie is tussen wat de mensen willen en wat in de praktijk gebeurt. Minister, ik weet dat u ook op dat spoor zit, maar u hebt ook uitlatingen gedaan over uw ambities voor de volgende legislatuur waarbij u pleit voor verplichte fusies. Ik denk dat dat geen goede zaak zou zijn. Laat het van onderuit groeien en laat het bottom-up gebeuren.

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Het fusiedebat is zo rijk dat het altijd met wat afstand moet worden beschouwd. Ik heb die studie ook grosso modo gelezen. Het jammere is dat het eigenlijk een heel arme studie is omdat ze er één facet uithaalt: de financiële consequentie. Het is iets wat iedere humaniorastudent kan: de correlatie leggen tussen de grootte van de gemeente en de autofinancieringsmarge. De bestuurskrachtdiscussie is veel ruimer en rijker dan de financiële situatie van een gemeente. Ik vind het heel jammer dat het daartoe zou worden beperkt. Niemand heeft hier ooit beweerd dat door een fusie de financiële cijfers plots veel beter zouden zijn. Het gaat over het globale plaatje van de dienstverlening. Hoeveel kost de juiste dienstverlening? Men moet ook de tweede pijler van het plaatje zien en dan komt men tot het resultaat van efficiëntie. Men moet het in het juiste perspectief zien.

Wat is de optimale schaal? Ik denk dat niemand dat juist weet. Er zijn provincies waar het fusiegesprek bloeit en waar collega's overtuigd zijn dat schaalvergroting nodig is. Er zijn provincies en regio's waar het een taboewoord is. Het is ook een beetje cultureel gebonden. Ik zou wegblijven van de grote objectieve argumenten omdat het ook te maken heeft met de plaatselijke politieke cultuur.

Diegenen die denken dat de 308 gemeenten die in 1976 zijn gemaakt en nu de 300 gemeenten zijn, er in 2050 nog altijd zullen zijn, hebben het fout voor. Niets is voor de eeuwigheid, zelfs het Imperium Romanum was dat niet. Ook de Vlaamse gemeenten met de huidige grootte en omschrijving, hebben niet de eeuwigheid. De maatschappij evolueert en de lokale besturen hebben steeds meer andere uitdagingen voor zich. De bestuursvormen moeten zich daaraan aanpassen. Ik ben er 100 procent van overtuigd dat dit van onderuit zal gebeuren. Het staat in de sterren geschreven dat dit bottom up zal gebeuren.

Minister Homans heeft het woord.

Collega’s, er is heel veel aan bod gekomen, zelfs over Midwestvergaderingen. We hebben het debat over de fusies al verschillende keren gevoerd. Dit regeerakkoord is zeer duidelijk: vrijwillige fusies moeten inderdaad van onderuit groeien. Ik heb dat ook altijd gezegd in de media. Ik heb bijvoorbeeld collega Ceyssens ook altijd complimentjes gegeven. De beste fusie is er een die van onderuit is gegroeid. Daar ben ik het absoluut mee eens. Er zijn ook een aantal zaken op één hoop gegooid. De insteek van de vraag van de heer Maertens was net iets anders.

Mijnheer Maertens, de werkgroepen van ABB in de gemeenten die zijn gefuseerd, lopen gewoon door. Er komt ook een evaluatie. Dat is belangrijk, want het wordt allemaal stilaan duidelijk, maar soms worden we ook nog geconfronteerd met problemen waarover wij of de gemeenten in kwestie niet hadden nagedacht, toen ze gingen fuseren. Misschien is dit een heel dom voorbeeld, maar het geldt vooral voor de nieuwe fusiegemeente Oudsbergen. Alle runderen moeten een nieuw paspoort hebben, en dat zijn zaken die in die werkgroepen naar boven komen. De meest voor de hand liggende zaken zijn uiteraard geregeld. De Vlaamse regelgeving is helemaal in orde, maar soms zijn er ook federale zaken die we aan onze federale collega's moeten doorgeven. Zij brengen dat dan wel in orde, en dat is goed.

Verder moet er worden nagedacht over het instrument fusie op zich. Moeten we dat verfijnen? Hoe moeten we daar verder mee omgaan? In het volgende regeerakkoord zal het natuurlijk moeten gaan over fusies en over al dan niet meer intergemeentelijke samenwerking, wat er financieel tegenover staat, een schuldovername of weet ik veel. Dat is koffiedik kijken, dat kunnen we nu nog niet bepalen.

Collega Pira, het kan absoluut niet de bedoeling zijn dat de Vlaamse overheid aan de gemeenten gaat opleggen hoe en met wie ze moeten samenwerken en op welk vlak. Ik ga ervan uit dat dat ook niet uw pleidooi was, want dat zou helemaal een keizer-kostermentaliteit zijn. Nu hebben we vrijwillige fusies, maar zeggen tegen bepaalde gemeenten dat ze op dat vlak en op die gebieden en op die bevoegdheden verplicht moeten samenwerken, dat lijkt mij geen goede structuur te zijn.

U hebt zelf het voorbeeld van Bordeaux aangehaald, over jullie werkbezoek aan de huisvesting. U bent er heel lyrisch over. Toevallig ben ik ook bevoegd voor wonen, en ik wil er dan ook op wijzen dat we verschillende intergemeentelijke samenwerkingsverbanden stimuleren en financieel ondersteunen, net wat huisvesting betreft. Als u dan toch goede praktijken uit Bordeaux wilt aanhalen, zoekt u misschien beter andere voorbeelden, en niet die zaken die we al zeer goed doen. Toevallig is dat iets wat ik goed ken en wat ik vanuit mijn budgetten financier. Steeds meer gemeenten hebben een IGS Wonen afgesloten, en dat werkt voortreffelijk. Er zijn natuurlijk nog andere IGS’en, maar dat was uw voorbeeld.

Het is inderdaad een breed debat dat in de toekomst zeker zal worden gevoerd. Het valt natuurlijk af te wachten wie deel zal mogen uitmaken van een volgende regering, maar dit debat komt zeker opnieuw op tafel. Iedereen beseft dat goed. De schaalgrootte van de gemeenten – toch het niveau dat het dichtst bij de burger staat, waar je het meest directe impact hebt op het beleid van elke dag – blijft toch een heet hangijzer. Als je pleit voor fusies – wat wij uiteraard doen, dat heb ik altijd verdedigd –, dan pleiten we voor het model waarvan je de schaalvergroting en tegelijk de maximale transparantie behoudt. Dat is belangrijk, de rechtstreekse inspraak, de medezeggenschap van de gemeente die rechtstreeks door de bevolking is gekozen. Dat moet het belangrijkste argument zijn, wat niet wegneemt dat je ook met grotere gemeenten zult moeten samenwerken.

Mevrouw Pira, het beste model is dat je op zo veel mogelijk domeinen kunt samenwerken binnen een vast samenwerkingsverband. Dat zou de transparantie opnieuw ten goede komen. Na de regioscreening moeten we daar zelf aan werken vanuit het veld, maar je zit natuurlijk met politiezones, met brandweerzones enzovoort.

Minister, dit is geen kritiek, maar toch een aandachtspunt: ik wil de regering vragen om daar ook zelf aandacht voor te hebben. Nu zien we dat bijvoorbeeld een eerstelijnszone zorgregio en een vervoersregio andere omschrijvingen hebben. In de toekomst moeten we daar allemaal aandacht voor hebben en ervoor zorgen dat die dingen van onderuit kunnen ontstaan en verder blijven bestaan.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.