U bent hier

Dinsdag 25 februari zijn de website en de webservices niet beschikbaar

Op dinsdag 25 februari zijn de website www.vlaamsparlement.be en de webservices niet beschikbaar.
Er is een technisch onderhoud van alle informaticasystemen.
De werken starten om 09:00u en duren waarschijnlijk de hele dag.
Om de impact van de onderhoudswerken te beperken, is dit in het krokusreces ingepland.
Onze excuses.

De heer Ronse heeft het woord.

Voorzitter, we hebben allemaal het onderzoek van de Universiteit Gent gezien waarin staat dat op zijn minst de perceptie bestaat dat wie door VDAB naar werkgevers wordt doorgestuurd, minder kans heeft om aan de slag te gaan en te worden aanvaard.

Het is natuurlijk wel zo dat heel veel werkzoekenden vandaag effectief via sollicitatieopdrachten worden doorgestuurd vanuit VDAB. Werkgevers zouden hen blijkbaar als minder gemotiveerd, minder sociaal en minder goed op te leiden beschouwen. De onderzoekers bevelen een aantal zaken aan, bijvoorbeeld niet meer laten weten aan werkgevers wie werd doorgestuurd door VDAB of daar toch enkele weken mee te wachten nadat de sollicitatieprocedure is afgesloten.

Minister, ik heb daarbij enkele eigen bedenkingen, die ik in de volgende ronde zal toelichten.

Minister, hoe ervaart u de onderzoeksresultaten? Is dat ook uw ervaring op het terrein?

Wat denkt u van de aanbeveling van de onderzoekers, namelijk VDAB niet laten weten dat ze zijn doorgestuurd? Want dat zou mogelijk een impact kunnen hebben op heel uw verhaal rond sollicitatiefeedback.

De heer Annouri heeft het woord.

Collega’s, minister, collega Ronse heeft het daarnet al aangehaald. Het onderzoek van Eva Van Belle was duidelijk: mensen die vanuit VDAB worden doorgestuurd, maken minder kans om te worden aangenomen.

Aangezien collega Ronse de situatie heeft geschetst, zal ik meteen overgaan tot de vragen.

Minister, tijdens radio-interviews en in kranteninterviews haalden de mensen aan dat ze zelf niet echt verbaasd waren door de resultaten van het onderzoek.

Hoe staat u zelf tegenover de resultaten van dit onderzoek? Bent u al dan niet verbaasd?

Wat vindt u persoonlijk van het voorstel van de onderzoekster om pas achteraf te communiceren of positiever te communiceren over een doorverwezen kandidaat?

Welke acties zult u ondernemen om de negatieve gevolgen voor de werkzoekenden in dit systeem te voorkomen?

Bent u van plan om ook initiatieven te nemen om het rekruteringsgedrag van werkgevers te ondersteunen of bij te sturen in dezen?

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Voorzitter, het is niet nodig dat ik alles nog eens herhaal. Onze fractie vond het in ieder geval opmerkelijk dat uit het onderzoek zou blijken dat werklozen die via doorverwijzing door VDAB solliciteren, minder kans zouden maken op een sollicitatiegesprek. Dat viel ook ons op.

Het is wel zo dat dat experiment betrekking had op één bepaald profiel, namelijk dat van receptionist, zonder specifieke werkervaring of opleiding. De onderzoekster maakte ook zelf een aantal voorbehouden. Desalniettemin vonden wij het toch opmerkelijk, zeker in de huidige tijden van krapte op de arbeidsmarkt.

Ik verwees in mijn vraag ook even naar het artikel in De Tijd van 19 juni, waaruit bleek dat nergens in de eurozone banen zo moeilijk ingevuld geraken als in België. In het eerste kwartaal van 2018 was 3,5 procent van alle jobs vacant, een stijging met 0,3 procent tegenover dezelfde periode vorig jaar. De rol van VDAB wordt dus echt wel belangrijker. Je zou denken dat de werkgevers staan te springen en dat ze met veel interesse de kandidaturen die door VDAB worden gestuurd, bekijken.

De onderzoekster had ook een analyse gemaakt van hoe we dat nu zouden kunnen oplossen. Ze is er voorstander van om enerzijds werkgevers niet langer te melden dat sollicitanten door VDAB werden doorverwezen. Maar anderzijds beveelt ze ook een positieve benadering aan, waarbij VDAB wordt aangespoord om op een positieve manier te communiceren over die doorverwezen kandidaten. Dat lijkt mij een betere benadering.

Minister, hoe reageert u op de bevindingen in het onderzoek? Zult u een vervolgonderzoek laten uitvoeren om na te gaan of dat ook zo is?

Overweegt u een experiment of een definitieve regeling waarbij niet langer aan de werkgever zou worden gemeld dat die sollicitanten door VDAB worden gestuurd?

Zult u sowieso verzoeken om positiever te communiceren over de kandidaten die naar werkgevers worden gestuurd, waarbij hun selectie en geschiktheid in de verf wordt gezet?

Hoever staat u met de afspraken met de werkgeversorganisaties om de sollicitatiefeedback – ook heel belangrijk – vanuit de werkgevers te verbeteren?

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Ik zal de inleiding overslaan.

Minister, ten eerste, werklozen hebben VDAB alleen maar nodig als ze echt een probleem hebben om een job te vinden. Want heel wat van de werklozen zoeken zelf een job via hun eigen netwerk, door zelf op zoek te gaan. Het is dus een beperkt aantal mensen die echt de nood hebben om door VDAB te worden begeleid. Dat is één belangrijk element om het rapport te bekijken.

Ten tweede vind ik het ook belangrijk om te weten of dat echt zo is. Mevrouw Talpe gaf het al aan: men heeft één bepaald profiel bekeken. Maar het is toch echt nodig dat we precies weten of het ook juist is dat werkgevers negatiever kijken naar mensen die worden doorverwezen door VDAB of niet. Het lijkt mij essentieel dat we dat weten. Zoals bij de meeste onderzoeken is een van de resultaten dat de onderzoekster bijkomend onderzoek vraagt. Maar in dit geval lijkt het mij zeker nodig, zodat we precies weten – misschien kunnen we dat weten uit ander onderzoek – of men inderdaad negatiever kijkt naar mensen die worden doorverwezen door VDAB.

Ten derde, als we vooraf aangeven wie werd doorverwezen door VDAB, is er bij de werkgever wellicht al meteen een bepaald idee. Is het daarom niet mogelijk om dat achteraf te doen, als men de feedback gegeven heeft? Want dat zou dat al voor een stuk oplossen, lijkt mij.

Ik denk dat ik hiermee al een aantal bijkomende vragen heb gesteld ten opzichte van de vorige sprekers.

De heer Bothuyne heeft het woord.

De uitdaging wordt steeds groter.

Ik had de vaststellingen vanuit het doctoraatsonderzoek van professor Van Belle gebruikt om opnieuw te kijken naar het imago van VDAB bij werkgevers en kmo’s. Een van de redenen waarom de professor tot de onderzoeksresultaten komt die daarnet werden geciteerd, is dat er vanuit kmo’s en werkgevers nog altijd relatief wantrouwig wordt gekeken naar VDAB, als een soort overheidsinstelling die bezig is met uitkeringen, werklozen enzovoort. Maar eigenlijk is VDAB een cruciale actor in de matching van vraag en aanbod op onze arbeidsmarkt, en zou die dus ook voor kmo’s en werkgevers in het algemeen een bijzonder belangrijke partner moeten zijn.

Minister, ik heb nog een aantal andere vragen voor u.

Op welke manier ziet u op dit moment de verhouding tussen VDAB en kmo’s? Zijn er positieve en negatieve elementen daaromtrent? Er zijn in het verleden al acties ondernomen, onder andere samen met Voka en de UNIZO, om de band tussen VDAB en werkgevers te versterken. Maar misschien ziet u daarin nog een aantal werkpunten?

In hoeverre merkt VDAB dat de bedrijven een beroep doen op hen? Wat is de evolutie op dat vlak? Doet men proactief een beroep op de diensten van VDAB?

Wat onderneemt u om de perceptie van VDAB bij werkzoekenden, zoals de collega’s al vroegen, maar ook bij werkgevers, te keren?

Minister Muyters heeft het woord.

Het is duidelijk dat het onderzoek in de pers goed is uitgesmeerd. Ik heb het ook via de pers vernomen.

Mevrouw Talpe heeft het een beetje geduid, maar ik wil het nog wat duidelijker stellen. In het onderzoek werd aan de recruiter voor een specifieke fictieve vacature, namelijk receptionist in een bouwonderneming, een profielbeschrijving van verschillende werkzoekenden voorgelegd. De recruiter krijgt dus een aantal mensen voorgelegd. In die profielbeschrijving werden zes kenmerken van de werkzoekende aangegeven: het geslacht van de kandidaat, het opleidingsniveau, de jaren voorgaande werkervaring, of die persoon al dan niet had deelgenomen aan vrijwilligersactiviteiten, hoe lang die kandidaat al werkloos is, en of deze kandidaat al dan niet werd doorverwezen door VDAB.

Elke recruiter screende deze informatie voor vijf kandidaten en maakte op basis van die beperkte informatie – dat was hem ook gevraagd – een oordeel rond bijvoorbeeld de motivatie van de kandidaat, en in welke mate hij deze kandidaat zou uitnodigen voor een gesprek, met die beperkte informatie, en of hij die eventueel zou aanwerven in de onderneming. Het onderzoek ging na – dat was de bedoeling – in welke mate de beoordelingen anders waren voor kandidaten waar aangegeven stond ‘doorverwezen door VDAB’ of ‘rechtstreeks gesolliciteerd’.

Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de aangehaalde doctoraatsstudie een eerder theoretische situatie schetst, waarbij slechts één sector wordt belicht voor één specifieke vacature, waarbij dan nog uitdrukkelijk werd gezegd dat er geen opleiding of werkervaring noodzakelijk was. Op basis van die beperkt beschikbare informatie moest je dan een keuze maken. Ik kan u eerlijk zeggen dat ik kan begrijpen dat rechtstreeks solliciteren overkomt als meer gemotiveerd ten opzichte van een kandidaat die wordt doorverwezen door VDAB.

Ik vermoed dat een HR-verantwoordelijke die beslist wie hij of zij zal uitnodigen ook in de realiteit rekening zal houden met kenmerken uit de vacature zelf, zoals bijvoorbeeld het knelpuntkarakter. Maar hier werd abstractie gemaakt van de kenmerken van de vacature zelf. Daarom lijkt mij dat niet de meest sterke vergelijking met hoe het werkelijk gebeurt.

Ook de arbeidsmarktcontext werd niet meegenomen in het onderzoek. En de context van vandaag is – ik moet het jullie niet vertellen – een krapper wordende arbeidsmarkt, waarbij de keuze voor een werkgever steeds minder groot wordt.

Aangezien het onderzoek gebruikmaakt van een fictieve situatie vind ik het belangrijk om het kader van de reële werking van VDAB te schetsen, met name wat sollicitatieopdrachten wel of niet inhouden. Die sollicitatieopdrachten zijn de opdrachten waarbij de werkzoekende effectief de opdracht krijgt om te solliciteren op een welbepaalde vacature. In ‘Mijn VDAB’ kan de werkgever dan kort nagaan of die persoon al dan niet in opdracht van VDAB komt. De meeste werkgevers – en zeker de kmo’s – doen dat echter nooit, in ‘Mijn VDAB’ nagaan of het iemand is die spontaan komt solliciteren of niet. In de meeste gevallen weet de werkgever dus niet dat dat iemand is die in opdracht komt solliciteren.

Is er nog een andere situatie? In 2016 werden er in totaal 96.215 sollicitatieopdrachten gegeven. 40 procent daarvan waren voor vacatures in gedeeld beheer. Dat wil zeggen dat er op voorhand is gesproken tussen de werkgever en VDAB en dat de werkgever uitdrukkelijk vraagt dat VDAB mensen doorstuurt. 40 procent is dus in gedeeld beheer, waarbij de werkgever vraagt om kandidaten door te sturen. En bij 60 procent wordt er niet gezegd dat ze iemand zullen sturen, maar kan de werkgever, als hij dat wil, dat nagaan in ‘Mijn VDAB’.

Mevrouw Claes, u vroeg naar ander onderzoek. Eerder onderzoek van het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering (VIONA) uitgevoerd door KU Leuven en UGent is vertrokken vanuit werkelijke data van VDAB. Daar vond men een positief effect van doorverwijzing door VDAB op uitstroom naar werk. Ook VDAB ervaarde in het verleden dat de kans op werk, bijvoorbeeld van allochtone werkzoekenden, hoger is wanneer ze worden doorverwezen door VDAB. Het is echter een spijtige, maar correcte vaststelling uit het onderzoek dat er nog steeds heel wat vooroordelen bestaan ten opzichte van bepaalde uitkeringsgerechtigde werkzoekenden, ondanks het feit dat er daar heel wat talent voor het grijpen ligt.

Zal ik een vervolgonderzoek organiseren? Ik ben niet van plan om een nieuwe onderzoeksopdracht uit te schrijven. Gezien de VIONA-studie, die veel grondiger en op de gegevens is gebeurd, lijkt mij dat ook niet nodig. Ik zal de bevindingen uit dit onderzoek wel meenemen. Ik kom daar dadelijk op terug. En als er elders academisch onderzoek is, zullen we dat uiteraard blijven volgen.

Met het geven van sollicitatie-opdrachten bewandelen we momenteel twee paden. Enerzijds wordt de werkzoekende gesterkt in zijn sollicitatie. Door samen met de bemiddelaar te bespreken welke sollicitatie de werkzoekende moet volgen, zal die mee zoeken naar de competenties. De werkzoekende zal beter weten in welke competenties hij of zij sterk is en welke in de verf kunnen worden gezet bij een sollicitatiegesprek. Uiteraard volgt VDAB de werkzoekende daarna ook op, gaat die na of de werkzoekende gesolliciteerd heeft en hoe dat is verlopen.

Anderzijds kan, naar aanleiding van sollicitatiefeedback van de werkgever, de dienstverlening verder worden verfijnd, zowel naar de werkzoekende als naar de werkgever. Ik antwoord hiermee op een vraag van de heer Annouri. Sollicitatieopdrachten zijn ook een instrument om het zoekgedrag van de werkzoekenden te monitoren. Zoals jullie weten, vind ik de feedback van de werkgever zeer belangrijk, zowel wat een betere bemiddeling als desnoods sanctionering betreft.

Aangezien het aantal beschikbare vacatures op onze Vlaamse arbeidsmarkt steeds moeilijker ingevuld raakt, is een doorgedreven samenwerking met de werkgevers meer dan ooit aan de orde. Het is net de opdracht van VDAB om kandidaten gericht te activeren. De samenwerking met de werkgevers is daarin een belangrijk proces.

De doorstroom van sollicitatiefeedback is momenteel nog een werkpunt. Tot nu toe liep dat niet goed. We hebben nu met de werkgeversorganisaties een aantal acties afgesproken. De komende maanden wordt daarvoor een nieuwe contactstrategie van VDAB op poten gezet. Op de vraag van de heer Bothuyne in welke mate VDAB merkt dat bedrijven meer proactief een beroep doen op de diensten van VDAB kan ik u zeggen dat dat effectief het geval is. Ten opzichte van vorig jaar zijn er meer vacatures doorgegeven. Het percentage van vacatures in gedeeld beheer – samen zoeken en effectief vragen om mensen door te sturen – is bijvoorbeeld al 30 procent gestegen ten opzichte van vorig jaar.

Rekening houdend met de bevindingen uit het onderzoek gaat VDAB samen met de werkgeversorganisaties en hun leden in dialoog, om te bekijken hoe er nog verder kan worden gewerkt aan een meer positieve perceptie over uitkeringsgerechtigde werkzoekenden – want dat blijft een probleem, sommige werkzoekenden worden verkeerd gepercipieerd – en hoe het gebruik van sollicitatieopdrachten verder kan worden uitgebouwd ten voordele van alle partijen.

Hierbij worden de aanbevelingen van het onderzoek, bijvoorbeeld door later of meer positief te communiceren bij doorverwijzingen, mee in rekening genomen.

En uiteraard is er nog Focus Op Talent dat we kunnen gebruiken voor het wegwerken van de vooroordelen.

De heer Ronse heeft het woord.

Minister, dat is een hele boterham. Een belangrijke ook, want het laat ons toe om de onderzoeksresultaten even in perspectief te stellen. Als zo’n onderzoek in de pers verschijnt, wordt daar vaak oneer aan gedaan. Men trekt daar een aantal dingen uit, rukt ze uit de context.

Uit uw exposé heb ik alleszins twee zaken begrepen. Eén, het is helemaal niet zeker of die mensen anders worden gepercipieerd door werkgevers, aangezien er op een heel specifiek profiel en een specifieke sector werd gezocht. Twee, het verzwijgen dat de persoon via VDAB werd gestuurd, is onmogelijk in de praktijk, gezien de werkwijze. Het is ook niet aangewezen om dat te doen.

Ik heb verder begrepen dat we desalniettemin heel hard verder zullen inzetten op die sollicitatiefeedback. VDAB en werkgevers zullen nagaan hoe het effectief zit met die perceptie. En als we dingen kunnen verbeteren op dat vlak, zullen we dat ook doen. Want ik denk dat die sollicitatieopdrachten nog altijd een heel belangrijk onderdeel vormen van het activeringsbeleid. Dat is dus allemaal zeer goed.

Ik heb de studie misschien ook wat te snel gelezen. Ik had een wat perfide kanttekening gemaakt. Ik zag er namelijk een wetenschappelijk argument in om passieve en aangepaste beschikbaarheid af te schaffen. Want als een studie aantoont dat werkgevers mensen die worden doorgestuurd als minder gemotiveerd beschouwen, dan zou je kunnen zeggen: laat ons iedereen verplichten om actief te zoeken naar werk. Laat ons overal actieve beschikbaarheid invoeren. Maar ik zal er dus andere wetenschappelijke lectuur op moeten naslaan om daarvoor nog argumenten te vinden.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord, ook in verband met de verwijzing naar de werkgevers en de rol die zij daarin te spelen hebben.

Ik heb een bijkomende vraag. Vat ik het goed samen dat u zegt dat het onderzoek eigenlijk vooral heel theoretisch is en praktisch dus niet klopt, of dat wat erin beschreven staat, in de realiteit niet het geval is? Zegt u dat?

Want dat vind ik toch wel belangrijk. Het onderzoek toont een paar pijnpunten aan. Het probeert te waarschuwen voor een aantal zaken. Als ik u goed begrijp, zegt u: je moet dat onderzoek in het juiste daglicht zien. In de praktijk gebeurt er niet wat er in dat onderzoek beschreven staat, om die, die en die reden. Is dat inderdaad wat u zegt?

Ik heb een tweede vraag. U gaf zelf aan dat die vooroordelen er effectief zijn. Het vorig onderzoek heeft dat ook aangetoond. Er worden nu dingen uitgerold vanuit VDAB met de werkgeversorganisaties om daar iets aan te doen, om daaraan te werken. Werd er een timing vooropgesteld? Hebt u zicht op concrete acties? Worden daar bepaalde targets gesteld? Want dat komt toch altijd terug naar boven. Die vooroordelen zijn inderdaad hardnekkig. Ik ben dus wel benieuwd of er daarover, behalve een intentieverklaring, concreet iets meer te vertellen valt.

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Voorzitter, onderzoeken zijn belangrijk, maar we moeten ze inderdaad in de juiste context plaatsen. Niet alles is even meetbaar. Er zit altijd een zekere relativiteit in. We moeten daar met gezond verstand mee omgaan.

Sommigen zien er inderdaad een verlangen in om daar meteen een afschaffing van de aangepaste beschikbaarheid mee te kunnen lanceren.

Ik denk echter dat we realistisch moeten zijn. Het is ook niet zo dat, omdat we een en ander in vraag stellen wat het rapport betreft, we dat gewoon naast ons moeten neerleggen. Ik denk dat we daarmee moeten omgaan.

Mijn eerste bemerking was ook dat het toch wel raar is in tijden van krapte op de arbeidsmarkt dat werkgevers werkzoekenden op een andere manier zouden bekijken. Daarom is de algemene teneur eigenlijk vooral dat men constant moet werken aan dat imago dat VDAB heeft bij de werkgevers. Ik heb in 2016 ook al een vraag gesteld over wat werkgevers dachten over de kwaliteit van de opleidingen die door VDAB werden verschaft. U herinnert zich het misschien. We hadden opgevangen dat er ook daarbij wat kritische kanttekeningen waren. Mijn vraag is misschien wat naast de kern van deze vraag, maar u hebt ook een gemeenschappelijk kader aangekondigd voor externe kwaliteitszorg voor die beroepskwalificerende trajecten. Ik wou eigenlijk in de marge eens horen hoe het daarmee zit, want dat is toch wel een belangrijk element, ook om dat imago op te krikken.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Minister, bedankt voor uw uitgebreid antwoord, maar ik ben eigenlijk een beetje in de war door uw antwoord. U zei dat het onderzoek theoretisch is en dat u anders werkt. Ik wil gerust aannemen dat men door de andere werkwijze ook andere resultaten heeft. Dan zei u dat het VIONA-onderzoek dat u hebt gedaan, positiever was voor de VDAB-sollicitanten dan voor de anderen. Ik zou graag de referenties van dat VIONA-onderzoek krijgen. Hoe lang is dat geleden? Dat hoeft vandaag niet, maar dan kunnen we dat mee in overweging nemen, kunnen we dat eens lezen. Eerst zei u dus dat het anders is, ten tweede dat het VIONA-onderzoek zegt dat het positief is en het derde element is dat werkgevers toch kritisch zijn ten opzichte van VDAB, dat er voordelen zijn. Dat zijn dus eigenlijk drie verschillende dingen, waardoor ik eigenlijk niet zo goed weet hoe we daar nu naar moeten kijken en hoe we dat nu verder moeten aanpakken ten opzichte van VDAB.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het antwoord. De vraag was of u nog bijkomende initiatieven plant ten aanzien van werkgevers om de band tussen VDAB en werkgevers te versterken. Er zijn, zoals gezegd, in het verleden al acties geweest met werkgeversorganisaties en anderen, maar misschien ziet u nog nieuwe initiatieven en mogelijkheden daaromtrent.

Minister Muyters heeft het woord.

Ik hoef eigenlijk niet veel te reageren. Ik zal dat doen op basis van de vraag van mevrouw Claes, omdat ik denk dat dat het duidelijkst is. Mijnheer Annouri, ik verwijs ook naar uw vragen. De situatie is dus daadwerkelijk anders. Je hebt 100 procent sollicitatieopdrachten. 60 procent daarvan... (Opmerkingen van Yasmine Kherbache)

Excuseer me, mevrouw Kherbache, ik dacht dat iedereen hier aanwezig al zijn zegje had gedaan.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, ik dank u omdat u toch zag dat ik met een klein vraagje zat. Ik vind het zeer goed dat u wel duidelijk aangeeft hoe dat onderzoek is gevoerd, omdat je toch ook wel moet oppassen met het trekken van veralgemeende conclusies daaruit. Het goede aan onderzoek is natuurlijk dat het soms dan andere vragen oproept. U verwees naar een VIONA-onderzoek. Ik vroeg me af of er in onderzoek al een vergelijking is gemaakt tussen worden doorgestuurd door VDAB en worden doorgestuurd door een derdenorganisatie, om te zien of de resultaten anders zijn. Dan kun je zien of het dan toch vooral de perceptie van VDAB is die primeert, of iets anders.

Minister Muyters heeft het woord.

Ik kan die vraag meteen meenemen bij het eerste deel. Ik zal eerst de feiten nog eens herhalen. Je hebt 100 procent sollicitatieopdrachten. Bij 60 procent weet de werkgever, als hij het wil, op voorhand of dat een sollicitatieopdracht is. Hij wordt daar niet voor gecontacteerd, maar hij kan dat zien in Mijn VDAB. Bij 40 procent is het eigenlijk al op basis van afspraken tussen werkgever en VDAB, met name dat men geschikte sollicitanten stuurt. Dat is de praktijk. Als dus wordt gezegd dat vandaag de meeste werkgevers weten dat er iemand met een sollicitatieopdracht komt, dan klopt dat niet.

De VIONA-studie waar ik het over heb, is er een van vier jaar geleden. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt tussen derden en VDAB.

Ik denk dat het altijd moeilijk is om te veralgemenen. Dat is de moeilijkheid van heel dit gegeven. Uw conclusies zijn juist: een van de dingen die naar boven kwamen uit die VIONA-studie, was dat bepaalde categorieën werklozen méér kans maakten als ze waren gestuurd door VDAB. Kun je daarom zeggen dat dat voor iedereen zo is? Neen, wellicht niet, bij sommigen kan dat negatief overkomen. Het is dus een gevarieerd beeld dat je krijgt. Dat strookt ook met dat derde: bij sommige werkgevers wordt VDAB niet hoog ingeschat. Ze zullen ook hun vacatures niet bij VDAB aangeven. Daar zit je dus in een ander systeem. Het feit dat VDAB, zoals mevrouw Talpe zegt, altijd aan zijn imago zal moeten werken, blijft voor mij zeker gelden. Nog altijd worden niet alle vacatures aan VDAB doorgegeven, hoewel dat eigenlijk verplicht is. Dat gebeurt niet algemeen. Je hebt dus inderdaad die drie aspecten samen. Ik heb ook niet te negatief willen doen over die doctoraatsstudie. Die is waard wat ze waard is. Die studente heeft daar ook niks anders mee bedoeld. Ze zegt wat er is gezegd, en vanuit haar onderzoek trekt ze een aantal conclusies, maar in de praktijk is de situatie enigszins anders.

Wat kunnen we daaruit leren? Wat mij betreft, dat we aan al die elementen moeten blijven werken, aan het imago van VDAB bij de werkgevers. Mijnheer Bothuyne, wat initiatieven betreft, ik denk dat we vandaag zien, en die cijfers heb ik u ook gegeven, dat werkgevers nu sneller naar VDAB komen omdat ze zelf op de markt niks vinden. Vroeger zouden ze misschien veeleer hebben gedacht er te zullen komen met het gewoon in een krant zetten van een vacature, maar ze geraken er niet en proberen andere manieren om de nodige sollicitanten te krijgen, en VDAB lijkt ter zake een betere naam te krijgen dan tot op heden het geval was. Dat is het positieve element, en ik denk niet dat we ter zake nog specifiek verdere acties moeten doen. Er zijn de bestaande acties, met UNIZO, met Voka, met de bouwfederatie en anderen. Die lopen ook goed en we moeten die in elk geval allemaal voortzetten. We moeten dus verder aan dat imago werken. Ik denk dat die sollicitatieopdrachten, zoals hier is gezegd, een belangrijk instrument zijn en dat we met dat instrument moeten voortwerken, zodat dat een win-winsituatie is, voor de werkgever én voor de sollicitant.

Alles bij elkaar, laten we dus meenemen wat we eruit kunnen meenemen, en laten we hard voortwerken, beseffend dat er vooroordelen zijn, beseffend dat het imago van VDAB niet bij iedereen goed is en beseffend dat we daadwerkelijk wel met die sollicitatieopdrachten kunnen werken.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik volg u wat die conclusie betreft. Als er één rode draad is doorheen het doctoraatsonderzoek, dan is het wat u net zegt, dat er op sommige vlakken inderdaad nog wel vooroordelen zijn tegenover mensen die worden doorgestuurd vanuit VDAB. Laat dat dan ook hetgeen zijn dat we zeker moeten blijven opvolgen, zodat we dat maximaal kunnen tegengaan. We zullen dat blijven opvolgen.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Het VIONA-onderzoek zal vakantielectuur zijn. Als u die referenties mee zou kunnen laten opnemen in het verslag, dan lijkt dat me wel boeiend.

Dat wordt gezellig. (Gelach)

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.