U bent hier

De heer Bothuyne heeft het woord.

De Europese klimaatdoelstellingen die we tegen 2020 willen realiseren, omvatten, naast het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en een toenemende productie van hernieuwbare energie, ook een verbetering van de energie-efficiëntie ofwel een vermindering van het energiegebruik. De Vlaamse bedrijven zijn verantwoordelijk voor een bijzonder belangrijk deel van de verbruikte energie in Vlaanderen. Ze kunnen en moeten dus een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de doelstelling met betrekking tot de energie-efficiëntie.

Net daarom omvat de resolutie voor een sterker Vlaams klimaatbeleid, die we op 23 november 2016 glorierijk hebben goedgekeurd in het Vlaams Parlement, ook een heel aantal aanbevelingen met betrekking tot de Vlaamse bedrijven en de industrie.

In de kmo's is de aandacht voor energie-efficiëntie vaak nog te beperkt. In tegenstelling tot de energie-intensieve bedrijven is energie voor deze bedrijven geen grondstofkost. Mede daardoor gaat de aandacht van die bedrijven uit naar andere zaken en wordt de energiefactuur zonder veel vragen te stellen, betaald. Toch kunnen ze nog heel wat energie en kosten besparen en tegelijk een mooie bijdrage leveren aan het realiseren van de klimaatdoelstellingen. De regering zette extra maatregelen in de steigers, maar die lijken veeleer traag op gang te komen.

Een goed kmo-energie-efficiëntiebeleid moet uit vier pijlers bestaan. Eerst en vooral wordt behouden wat goed is. Dat zijn de REG-premies (rationeel energiegebruik) voor bedrijven. Ook een bedrijf kan REG-premies aanvragen. Vandaag lazen we in de krant dat onze gezinnen de weg naar de REG-premies te weinig vinden, maar eigenlijk geldt dat ook voor de bedrijven. Nochtans gaat het over heel concrete projecten zoals het isoleren van kantoorgebouwen of relighting enzovoort waarvoor premies kunnen worden verkregen. Die premies zorgen voor een kortere terugverdientijd van de investering. In de eerste helft van 2017 was er een daling in het aantal aanvragen. Te weinig bedrijven kennen deze premies en de mogelijke winst die te halen valt uit dergelijke investeringen.

Een tweede spoor, en helemaal nieuw, was de oprichting van een ESCO-fonds (energy service company) van 20 miljoen euro in de schoot van de ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV) begin 2017. Twee weken geleden hebben we daar met minister Muyters van gedachten over gewisseld. PMV zegt dat het ESCO-fonds wat te traag uit de startblokken is geschoten. Het doel was om samen te werken met private ESCO-fondsen. Nu blijkt dat slechts met één ESCO-fonds effectief een samenwerking is opgezet, goed voor een bedrag van 2,5 miljoen euro.

Er zijn wel al concrete investeringen gebeurd, in 2017 voor 595 000 euro, samen goed voor 19 projecten. De privé-investeringen die op die manier zijn losgeweekt, zijn goed voor 3,9 miljoen euro. Samen is er dus voor 4,5 miljoen geïnvesteerd in energiebesparing. De totale energiebesparing wordt geschat op 4000 megawattuur, goed voor het elektriciteitsverbruik van 1150 gezinnen gedurende 20 jaar.

PMV voert nog gesprekken met negen andere ESCO-bedrijven en plant nog bijkomende investeringstoezeggingen. Maar PMV zelf zegt dat het allemaal zeer traag gaat en had gehoopt sneller meer resultaten te boeken.

Het gericht begeleiden van bedrijven is een derde spoor. Voorheen werd vooral vertrokken vanuit energieaudits en energiescans die nog altijd worden aangeboden vanuit het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) en die worden uitgevoerd bij bedrijven. De vaststelling is vaak dat de meeste van die verslagen in een schuif verdwenen en geen van de aanbevelingen in de praktijk werden gebracht.

Minister, een meer gerichte aanpak moest hier verandering in brengen. Sectoren krijgen middelen en mankracht en energiecoaches om bedrijven te ontzorgen bij het doen van deze investeringen. De samenwerking met de sectororganisaties is belangrijk en cruciaal. Zij kennen hun bedrijven zeer goed en hebben op die manier al een goed beeld van maatregelen die doeltreffend kunnen zijn. Er werden door u al akkoorden gesloten met Fevia, Horeca Vlaanderen en Agoria. Andere sectoren zouden, indien de ervaringen positief waren, volgen.

Een vierde en laatste spoor is de communicatie. Samen met de administratie, sectoren, studiebureaus enzovoort is inzetten op communicatie en sensibilisering bijzonder belangrijk. Daarvoor werd een paar jaar geleden al een online-benchmarktool aangekondigd waarmee bedrijven met sectorgenoten hun energieverbruik kunnen vergelijken. Kmo's moeten zo de meerwaarde beter en sneller inzien van energiebesparende investeringen voor hun bedrijf. Maar ook hier is het voorlopig nog wachten op resultaten.

Het stimuleren van energie-efficiëntie, zeker bij kmo’s, is nochtans bijzonder belangrijk. Dat is niet alleen belangrijk voor de competitiviteit van deze bedrijven, maar ook voor het klimaat en de doelstellingen die we op dat vlak hebben gesteld. De intenties van uw beleid zijn er zeker. Een aantal zaken zijn ook al gebeurd, maar allicht kan en moet het nog wat sneller.

Minister, hoe beoordeelt u de evolutie inzake de REG-premies voor bedrijven? Wat zijn de resultaten voor 2017? Hoe kunnen de bekendheid en het gebruik van deze premies worden opgetrokken? Plant u aanpassingen? Het ESCO-fonds bij PMV is traag op gang gekomen. Hoe beoordeelt u de eerste investeringen en de evolutie bij het fonds? Hoe kan de werking ervan worden versneld en versterkt?

Er zijn bij mijn weten overeenkomsten gesloten met drie sectoren om kmo’s te begeleiden inzake energie-efficiëntieprojecten. Wat zijn de resultaten tot op heden? Wat kunnen we hieruit leren? Moet er worden bijgestuurd? Zijn er ondertussen ook gesprekken en of akkoorden met andere sectoren in voorbereiding? Zo ja, welke en wanneer mogen we daar iets van verwachten? Hoever staat de ontwikkeling van de beloofde online benchmarktool? Wat zijn de perspectieven in dezen? Hoe kunnen we kmo’s nog meer begeleiden en leiden tot energiebesparende investeringen? Plant u op dat vlak nog bijkomende initiatieven?

De heer Gryffroy heeft het woord.

Het verhogen van de energie-efficiëntie bij ondernemingen is een belangrijke uitdaging die deze regering mee heeft onderschreven. Er zijn immers nog veel energie-efficiëntiewinsten te halen bij de kmo’s. Hoe men dit het best aanpakt, is natuurlijk de belangrijkste vraag.

3E maakte in 2016 reeds een evaluatie van de toen bestaande maatregelen. Zo hebben we de energiepremies via de netbeheerders en we hebben ook de investeringssteun na audit per bespaard kilowattuur, ook via de netbeheerders. De REG-premies (rationeel energiegebruik) van de distributienetbeheerders (DNB’s) die na de energiestudie worden toegekend, werden in 2016 reeds als niet echt succesvol bestempeld, maar bestaan vandaag nog steeds. Volgens de cijfers die ik heb opgevraagd, is er een daling van 14 procent voor niet-woongebouwen, dus vooral bedrijven en kantoren. Het gaat om 18 procent minder dossiers en 13 procent minder uitbetaalde premies. Daarnaast geeft het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) bijvoorbeeld een mogelijkheid tot een ecologiepremie en een verhoogde investeringsaftrek.

We hebben dus eigenlijk vier soorten van premies die deels overlappend zijn. Zo is een ecologiepremie combineerbaar met de premies van de investeringssteun van de netbeheerder en zijn de energiepremies combineerbaar met de verhoogde investeringsaftrek. Het is dus deels te begrijpen dat ondernemers niet altijd hun weg naar deze verschillende vormen van ondersteuning vinden. Daarenboven blijkt uit deze evaluatie dat er veelal geen opvolging is van de investeringen en de verwezenlijkte besparingen. Men doet dus iets, maar wat het opgebracht heeft en het goede voorbeeld stellen naar de sector toe, wordt onvoldoende uitgewerkt. We weten dus niet bij welke grootte van bedrijven de premies worden aangevraagd en hoeveel kilowattuur we hiermee besparen. Bijgevolg weten we ook niet welke bedrijven typisch achterblijven. De aanvraag gebeurt door een bepaald bedrijf met een bepaald btw-nummer, maar men houdt daar niets van bij en men gaat achteraf ook niet checken hoe zwaar men heeft geïnvesteerd en hoeveel kilowattuur bespaard wordt. Men houdt daar geen databank van bij. Mochten we wel weten welke doelgroep van bedrijven daar al dan niet gebruik van maakt, dan zou er bijkomend ruimte kunnen zijn om het beleid rond de energie-efficiëntie van ondernemingen te verbeteren.

Minister, hoe evalueert u het huidige instrumentarium om bedrijven te stimuleren om energie-efficiëntieverhogende maatregelen te nemen? Erkent u dat er te veel soorten van premies zijn? Is daar een vereenvoudiging mogelijk? Acht u het wenselijk om tot één premiesysteem voor ondernemingen te komen om energie-efficiëntieverhogende maatregelen te komen die bijvoorbeeld via het ondernemersloket aangevraagd worden? Zo zouden we naar een unieke loketfunctie gaan, waarachter natuurlijk een backoffice zit naar de DNB’s en VLAIO. Een benchmarktool is een van de mogelijkheden om ondernemingen aan te sporen om maatregelen te nemen. Hoever staat u met het opnemen van een benchmarktool in het e-loket voor ondernemers? Gaat men ook ‘best practices’ meegeven per benchmarktool en mogelijke premies? Komt er nog een opvolgingsonderzoek naar het gebruik van de instrumenten om bedrijven te stimuleren om energie-efficiëntieverhogende maatregelen te nemen? Wat is de timing die u beoogt om dit onderzoek af te ronden?

Mijnheer Gryffroy, u hebt nu het woord voor uw vraag over de sectorale energiebeleidsovereenkomst.

Ik sla de inleiding van mijn vraag over. Het is belangrijk dat het niet blijft bij intenties, maar dat er ook daadwerkelijk tot actie wordt overgegaan. In dat opzicht zijn er sinds 2014 de energiebeleidsovereenkomsten (EBO's) voor grote bedrijven met het oog op energie-efficiëntie.

Op basis van een haalbaarheidsstudie van het Vlaams Energieagentschap (VEA) kreeg het concept van de mini-EBO’s met de sectororganisaties vorm. De sector neemt de taak als vertrouwenspersoon, coach en ontzorger waar voor de betrokken kmo’s voor het uitvoeren van energiebesparende initiatieven. De minister sloot in mei 2017 met Horeca Vlaanderen een eerste sectorale energiebeleidsovereenkomst of mini-EBO af. Het Vlaams Energieagentschap geeft ondersteuning aan de Vlaamse horecasector om gedurende twee jaar duizend horecazaken te begeleiden om energie-efficiënter te worden. De Vlaamse overheid trekt daarvoor net geen 145.000 euro uit. Dat was toen een primeur. Fevia, de Vlaamse voedingsindustriefederatie, startte in het najaar 2017 het proefproject Easy Food Energy Savers (EFES) op.

Minister, wat zijn de concrete resultaten van deze eerste sectorale EBO’s? Hoe wordt dat geëvalueerd en eventueel bijgestuurd? Welke lessen kunnen we daaruit trekken? Welke concrete afspraken werden gemaakt met Horeca Vlaanderen en Fevia? Welke concrete resultaten worden vooropgesteld? Hoe zal de monitoring gebeuren? Op welke manier zal er worden samengewerkt met de andere sectoren? Welke andere sectoren komen eveneens in aanmerking voor een mini-EBO?

Minister Tommelein heeft het woord.

Bedrijven denken in eerste instantie aan investeringen in hun corebusiness. Dat heb ik al ondervonden vanaf dag 1 dat ik als minister van Energie op het terrein was. Investeringen in hun pand zelf zijn minder of zelfs helemaal niet prioritair. Vaak maken kosten voor verwarming en elektriciteit ook maar een klein deel uit van de operationele kosten van een bedrijf. We hebben energie-intensieve bedrijven maar we hebben er ook een pak die niet energie-intensief zijn. Een investering die leidt tot een daling van deze kosten, heeft eerder weinig invloed op de winst van het bedrijf, al hangt dit, zoals ik al zei, af van onderneming tot onderneming. Een klein boekhoudkantoor dat gehuisvest is in een privéwoning vergt een andere benadering dan bijvoorbeeld een distributie- of voedingsbedrijf. Daarbij is het voor de meeste bedrijven geen reflex om bij investeringen naar de premies van de netbeheerders te kijken. Het is voor mij dan ook evident dat ondersteuning voor investeringen in bedrijfspanden steeds in samenspraak met mijn collega’s van VLAIO moet gebeuren zodat deze optimaal zijn aangepast aan de noden van de ondernemingen.

Wat de wenselijkheid en de effecten zouden zijn om voor premies inzake energie-efficiëntie via het ondernemersloket één aanspreekpunt te creëren, zal moeten worden onderzocht. Een dergelijke switch van netbeheerders- naar ondernemersloket vraagt uiteraard een geheel andere aanpak en financiering, maar het is zeker nuttig om dit grondiger te bekijken. Ik hoor meer en meer stemmen opgaan om toch eens grondig na te denken over het feit dat wij alle kosten van de elektriciteit doorrekenen in de elektriciteitsfactuur. Dat is een beweging die de laatste jaren zeer sterk is ingezet, ook in de discussie die we daarnet hebben gevoerd, mijnheer Gryffroy. Ik deel uw bekommernis om de competitiviteit en de concurrentiepositie van de bedrijven, maar als dat betekent dat de elektriciteitsfactuur van de gewone consument weer omhoog moet om die competitiviteit te waarborgen, dan hebben we een probleem. De vraag is of wij het kunnen blijven volhouden om alles via de elektriciteitsfactuur van voornamelijk de gewone Vlaming te financieren. Misschien moeten we er eens over beginnen nadenken om een aantal zaken uit de algemene middelen te halen en niet louter via de factuur. Dat is trouwens ook een probleem dat deze namiddag waarschijnlijk aan bod komt in de plenaire vergadering, heb ik begrepen.

Op 22 februari 2016 werd een projectsubsidie toegekend aan het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen (NSZ) voor het ontwikkelen en onderhouden van een webtool ‘kmo-energiewijzer’. Deze webtool, te beschouwen als een benchmarktool voor kmo’s, werd online gezet tijdens de zomer van 2016.

Tussentijdse analyse van bezoekersaantallen en ingevoerde data leert dat de kmo-energiewijzer niet het gewenste bereik en impact heeft. Hoewel de tool technisch goed gebouwd is en de benchmark en bijhorende rekentools werken, is de zichtbaarheid en het gebruik van de tool ondermaats. De oorzaak is te vinden in een van de voornaamste beperkingen van de tool: het invullen ervan vereist namelijk de energiegebruiksgegevens. Het opzoeken van die gegevens vormt net zoals bij particulieren blijkbaar een drempel die verhindert dat veel ondernemers gebruik maken van de tool.

Een benchmarktool integreren in het e-loket voor ondernemers lijkt een van de opties om hieraan te remediëren. Het e-loket komt voort uit de ambitie van de Vlaamse overheid om een uniek loket te creëren waar elke ondernemer met al zijn vragen terechtkan, waar alle relevante overheidsinformatie gecentraliseerd is en waar de ondernemer een overzicht heeft van zijn dossier, zijn mandaten enzovoort. Ook de energiegerelateerde informatie en gegevens zullen in de toekomst aan het portaal www.vlaanderenonderneemt.be kunnen worden gekoppeld.

Voor PMV verlopen de eerste investeringen die werden uitgevoerd volgens de verwachtingen. De vooropgestelde besparingsdoelstellingen worden eveneens behaald. Het kapitaal van PMV blijkt een belangrijke schakel te zijn in de financiering van energiebesparingsprojecten. Dankzij de aanzienlijke hefboom die PMV creëert op haar geïnvesteerde middelen, kunnen voldoende private middelen en bankfinanciering worden aangetrokken. PMV speelt hier dus een belangrijke ondersteunende rol. Het investeringsritme verloopt inderdaad langzamer dan oorspronkelijk vooropgesteld, voornamelijk door de vraagzijde die zich nog moet ontwikkelen: het identificeren, ontwikkelen en effectief contracteren van goede energiebesparingsprojecten bij klanten. Dat is momenteel één van de grootste uitdagingen voor de ESCO-markt in Vlaanderen. Deze rol moet in de eerste plaats worden opgenomen door de ESCO-bedrijven zelf.

Met drie sectorfederaties Fevia, Agoria en Horeca Vlaanderen is een mini-EBO afgesloten waarbij deze sectorfederaties zich verbonden tot de aanwerving of aanstelling van een ontzorger, die als dienstverlening bij geïnteresseerde kmo’s de aanwezigheid van rendabele energiebesparende investeringen zal nagaan. Om zoveel mogelijk energiebesparing te realiseren bij zo veel mogelijk kmo’s, zal in een tweede fase voor het uitvoeren van de energiebesparende investeringen gewerkt worden met raamcontracten. De ontzorger bepaalt in overleg met de sectororganisaties en haar leden welke maatregelen er ruim toepasbaar zijn.

Aan de projectsubsidie is een semestriële rapportage verbonden over het aantal gecontacteerde ondernemingen, de voorbereiding en afsluiting van de raamcontracten, het aantal ondernemingen in een traject en de monitoring van de uitgevoerde energiebesparende investeringen. Zowel van Fevia als van Horeca Vlaanderen hebben we inmiddels de eerste rapportage gekregen via het Vlaams Energieagentschap. Voor Agoria wordt deze verwacht tegen september 2018. Pas wanneer later dit jaar de betrokken sectororganisaties hun tweede rapportage indienen, is er zicht op het aantal bedrijven dat effectief een energiebesparende maatregel uitvoerde. Pas dan is een eerste evaluatie mogelijk over de mini-EBO als middel om kmo’s te ontzorgen inzake energie-efficiëntie. Toch kan ik nu reeds stellen dat de eerste signalen positief zijn en de interesse bij individuele kmo’s zeker aanwezig is.

Wat het potentieel voor bijkomende mini-EBO’s betreft, hebben Comeos en de Boerenbond interesse getoond. Comeos diende reeds een voorstel in, waarover op dit moment de gesprekken lopen. De contacten met de Boerenbond zitten in de opstartfase.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, ik had een vraag gesteld over het gebruik van de energiepremies. U hebt over de financiering van de energiepremies gesproken, maar het gebruik van de energiepremies bij bedrijven hebt u niet echt becommentarieerd, tenzij ik het gemist heb. Kunt u daar eventueel cijfers van bezorgen? Dat zou wat duidelijkheid kunnen geven.

Mijnheer Bothuyne, als u daaromtrent cijfers nodig hebt, dan stel ik voor… (Opmerkingen van Robrecht Bothuyne)

U hebt ze al.

De vraag was niet alleen de cijfers, maar hoe u die beoordeelt en in welke mate de bekendheid ervan verhoogd kan worden en dergelijke meer.

Maar u hebt die cijfers al opgevraagd via een schriftelijke vraag. Die komen eraan.

De cijfers komen eraan, oké, maar hoe beoordeelt u ze? Dat was de vraag.

Als u schriftelijke vragen stelt, dan ga ik die hier niet becommentariëren als u het antwoord nog niet hebt gekregen. (Opmerkingen van Robrecht Bothuyne)

Mijnheer Bothuyne, laat ons nu eens wat praktische afspraken maken. We hebben hier vandaag een massa vragen. U stelt schriftelijke vragen en tijdens de mondelinge vragen om uitleg begint u dan uw schriftelijke vragen hier in de commissie te stellen.

De eerste zin van de eerste vraag in de vraag om uitleg, minister.

Wat zijn de resultaten? Ik zal u de cijfers bezorgen, mijnheer Bothuyne.

Ik ga ervan uit dat er een daling zal zijn. De vraag is hoe u die beoordeelt en wat u eraan gaat doen om ze eventueel op te trekken.

Daarover volgt straks een vraag van de heer Gryffroy.

Het lijkt me het beste om zelf de vragen niet zo verhakkeld te stellen en het totaal aantal vragen te beperken. Ik hoop dat dat de conclusie kan zijn, want als de secretaris en ikzelf permanent alle vragen moeten gaan koppelen omdat ze allemaal met elkaar gelinkt zijn, dan heeft het geen zin.

Jullie zijn naarstige parlementsleden, maar op de duur …

Het is niet de hoeveelheid die uitmaakt, het is de inhoud en de kwaliteit van de vragen die telt. Er is nu een vraag gesteld, die u dadelijk, na de bijkomende tussenkomsten van commissieleden, eventueel kunt beantwoorden.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Ik dank de minister voor het antwoord dat hij toch nog gegeven heeft. De discussie over de premies kunnen we dan ongetwijfeld straks nog hebben. We kunnen wel een aantal zaken regelen. Het energie-efficiëntiebeleid ten aanzien van kmo’s uitrollen is niet evident. De Energiewijzer heeft een te beperkt bereik. Ik hoop dat u een aantal nieuwe pistes onderzoekt, zoals het integreren in ‘Vlaanderen onderneemt’. De samenwerking met andere sectorfederaties, zoals met de Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO) en met het Vlaams netwerk van ondernemingen (Voka), kan ook nuttig zijn, omdat deze benchmarktool geïnitieerd is vanuit één bepaalde bedrijfsorganisatie, terwijl we hieromtrent natuurlijk een veel breder bereik beogen.

Wat PMV betreft, de heer Casselman van PMV is in de commissie komen vertellen dat het allemaal te traag gaat naar zijn zin als het gaat over het ESCO-fonds en dat vooral de toeleiding aan de vraagzijde, het vinden van bedrijven die investeringen willen doen, trager en moeilijker gaat dan verhoopt. Dat is inderdaad een rol voor de ESCO-bedrijven zelf, maar we kunnen ook linken maken met andere onderdelen van uw energie-efficiëntiebeleid, minister. Als u al met de drie sectorfederaties mini- energiebeleidsovereenkomsten (EBO’s) heeft afgesloten waarbij de betrokkenen langsgaan bij bedrijven om concrete investeringen te bespreken, dan hoop ik en vraag ik dat die ook de PMV-ESCO-fondsen als instrument meenemen en promoten bij de betrokken bedrijven. Dat kan zorgen voor een versnelling van de investeringen door de financiering waarin is voorzien via PMV.

Ik ben ook blij met de mogelijke uitbreiding van de mini-EBO’s naar Comeos en de Boerenbond. Het zou ons benieuwen om eventueel de rapportages te krijgen van Fevia en Horeca Vlaanderen die al zijn binnengelopen. Als u die achteraf nog kunt bezorgen, zou dat zeer nuttig zijn, waarvoor dank.

De heer Gryffroy heeft het woord.

De bezorgdheid van u en van mij is er enerzijds voor zorgen dat er geen significante daling van de koopkracht van de gezinnen is en anderzijds de competitiviteit van ondernemingen beschermen. Dat is een moeilijk evenwicht. Ik ben gewoon op zoek naar de verschillende methodieken, zijnde ecologiepremies, een verhoogde investeringsaftrek of hetgeen via de distributienetbeheerders (DNB’s) kan worden gekregen, ofwel een bepaalde ondersteuning voor een specifieke investering, ofwel een ondersteuning na een energiestudie. Dat zijn dus vier elementen waarvoor men ondersteuning kan krijgen. Kunnen we niet werken met een uniekloketsysteem? Wat daarachter gebeurt, is een backofficegebeuren. Dat blijft dan weer hetzelfde, maar gewoon om het voor de bedrijven misschien toch interessant genoeg te maken om investeringen te doen, hoewel ik daaruit niet wil besluiten dat bedrijven minder in energie-efficiëntie investeren dan vroeger, maar er worden wel minder premies aangevraagd. Mijn vraag was eerder: hoe staat u tegenover het gebruik van een uniek ondernemersloket, met een benchmarktool? Op dat laatste hebt u geantwoord, maar vooral, hoe staat u tegenover het principe van het uniek ondernemersloket?

Mijnheer Bothuyne, u hoopt en u vraagt ook dat mini-EBO’s ook ESCO-fondsen vanuit PMV mogen gebruiken. Normaal gezien wel, ja. Dat zal mogelijk zijn.

Wat het uniek ondernemersloket betreft, heb ik geantwoord dat dit zal moeten worden onderzocht, mijnheer Gryffroy. Ik ben het ermee eens dat die piste wel degelijk onderzocht moeten worden, maar ik heb er ook bij gezegd dat als men een aantal zaken wil gaan veranderen, en men wil het weghalen bij de distributienetbeheerder, de financiering van een aantal zaken dan misschien eens in vraag zal moeten worden gesteld.

Het is een belangrijk onderwerp. Er zijn een aantal zaken in gang gezet. Ik kijk uit naar een aantal cijfers. Blijkbaar zult u in het antwoord op andere vragen van de heer Gryffroy, antwoorden op vragen die nu zijn gesteld. De conclusie zal toch zijn dat we op een aantal fronten nog een aantal tandjes kunnen en moeten bij steken als het gaat over energie-efficiëntie bij onze kmo’s. Meer sectoren betrekken kan alvast een belangrijke eerste stap zijn om meer resultaten te boeken.

Ik wil nog twee zaken zeggen, omdat u het al een paar keer hebt aangekaart, voorzitter. De vragen waren misschien beter gebundeld geweest, maar u moet er ook rekening mee houden dat we niet elke week een commissievergadering hebben, waardoor soms vragen worden ingediend en er daarna een andere actualiteit is waardoor er dan een andere vraag wordt ingediend die soms gelijklopend is. Dan zou men het lef moeten hebben om beide vragen in te trekken om dan een nieuwe vraag te maken. Dat gebeurt dan ook niet. Dat is nu de realiteit waarmee we rekening moeten houden. De volgende commissievergadering Energie vindt waarschijnlijk in september plaats.

U beheert zelf uw vragen, dus als u vaststelt dat er nieuwe actualiteiten zijn, weet u dat u inderdaad het best uw vragen aanpast – want u kunt uw eerste vraag aanpassen – of dat u ze eventueel intrekt en opnieuw indient. U beheert uiteraard steeds uw eigen vragen, maar laat ons dat verder bespreken in de regeling van de werkzaamheden. Daar moeten nu geen andere mensen mee verveeld worden.

Minister, dat bedrijven wel degelijk groen investeren, bewijst dat er voor de ecologiepremie 321 aanvragen waren voor een totaalbedrag van een kleine 25 miljoen euro. Dat is ongeveer 20 procent van de totale investeringen. Er werd dus in 2017 wel 100 miljoen euro geïnvesteerd in groene energie of in energie-efficiëntie. Er is dus wel heel wat bezig, maar we zien louter dat het element rond de REG-premies achteruitgaat. Vandaar dus mijn vraag, maar u gaat het bestuderen, dus ik ga ermee akkoord.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.