U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Het 31e Schoolverlatersrapport, dat VDAB op 5 juni bekendmaakte, toont aan dat in 2016 77.365 jongeren hun school of onderwijsinstelling verlieten. Een jaar later was 10,5 procent van deze schoolverlaters werkzoekend, wat het laagste percentage is in zes jaar tijd. Door de aantrekkende arbeidsmarkt gaan meer jongeren meteen na het secundair onderwijs aan het werk, wat de toename van het totaal aantal schoolverlaters van 71.810 in 2015 naar bijna 78.000 in 2016 verklaart. Dat is een significante stijging. Van de schoolverlaters is 12,9 procent laaggeschoold; daarvan zijn drie op vijf ongekwalificeerd. Daarmee bedraagt het aandeel van de jongeren die zonder diploma secundair onderwijs de school verlaten, voor heel Vlaanderen 7,8 procent. Vooral deze ongekwalificeerde uitstroom vertaalt zich naar een werkloosheidsgraad van meer dan 30 procent. 

Het Schoolverlatersrapport toont aan dat het aantal middengeschoolden, komende uit de derde graad aso, bso, tso en kso, eveneens is toegenomen van 36,8 procent naar 39,6 procent wat het geheel van de schoolverlaters betreft. Het is echter opvallend dat er een toename is tot 5107 jongeren die, na afloop van hun laatste jaar aso, het onderwijs verlaten. Nochtans is het niet de bedoeling dat deze jongeren zich tot de arbeidsmarkt wenden, maar integendeel dat ze hun studies zouden aanvatten in het hoger onderwijs. 13,2 procent van hen was werkzoekend na een jaar. 

Bijna de helft van de aso3-schoolverlaters is afkomstig uit de richtingen economie-moderne talen en humane wetenschappen. Ook de richting wetenschappen-wiskunde telt verhoudingsgewijs veel schoolverlaters. Bekijken we het geheel, dan zien we dat tal van schoolverlaters afkomstig zijn uit een richting met veel aandacht voor STEM-richtingen (Science, Technology, Engineering en Mathematics). In absolute cijfers gaat het om bijna tweeduizend jongeren van de ruim vijfduizend, oftewel 39 procent. Het Schoolverlatersrapport stelt terecht dat daardoor heel wat potentiële hoogopgeleide STEM-werknemers verloren gaan. 

Dat is uiteraard één manier om de zaak te bekijken, collega's. Ik zag ook meteen, toen het rapport publiek werd gemaakt, enthousiaste reacties van enkele mensen uit de technologische sector. Zij vonden het fijn dat sommige jongeren meteen enthousiast zijn om te gaan werken. Maar natuurlijk, wat men in het middelbaar leert aan STEM-vakken, is niet altijd sterk genoeg om een volledige loopbaan aan op te hangen. Vandaar deze vraag om eens te zien wat we kunnen doen aangaande die groep jongeren die ofwel niet gekwalificeerd is, ofwel een STEM-richting volgde en dan niet verder ging studeren, of die wel gekwalificeerd uitstroomt uit het aso en dan niet verder gaat studeren.

Ondanks alle initiatieven om STEM-profielen aan te trekken naar het hoger onderwijs tonen deze cijfers aan dat er geen beterschap op komst is. Zowel aantal als aandeel is gestegen ten opzichte van 2011. Welke handelingen op korte termijn zijn mogelijk om deze cijfers terug te dringen of om de cijfers naar het hoger onderwijs te doen stijgen?

Ook de schoolverlaters niet-STEM-richtingen in aso3 laten veel kansen op de arbeidsmarkt varen indien zij een hoger diploma niet halen. Welke initiatieven ziet u, minister, om deze jongeren naar het hoger onderwijs te leiden? 

Het STEM-actieplan 2012-2020 heeft aandacht voor de instroom in STEM-opleidingen in het hoger onderwijs, maar minder voor de opvang van schoolverlaters uit het secundair onderwijs. Zal een nieuwe versie van dat actieplan daar concreet aandacht aan besteden?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Ik vind dit een bijzonder interessante vraag. Alle partijen die zo'n zware kritiek hebben op de hervorming van het secundair onderwijs en alles wat we gerealiseerd hebben, zouden hier aanwezig moeten zijn om te debatteren. Maar wie is hier aanwezig? Alleen de meerderheidspartijen. Dat moet mij eens van het hart. Volgende week gaan we dan weer actuele vragen krijgen om van alles te kunnen bekritiseren, maar hier waar het moet gebeuren… Er zullen wel redenen voor zijn, maar ik vind dit toch een beetje spijtig. Help mij dan, mochten er later nog vragen komen. (Opmerkingen)

Het is toch waar? (Instemming)

Mevrouw Brusseel, ik wil het een beetje nuanceren, maar u hebt het eigenlijk zelf ook al gedaan. De STEM-studies kennen sinds de start van het STEM-actieplan een voorzichtige maar gestage groei in het secundair onderwijs. Het is niet zo dat we achteruit boeren. We gaan vooruit, voorzichtig, maar het lukt.

De instroom in STEM-opleidingen in het hoger onderwijs stijgt. Dat is niet zo slecht. Ik heb geen indicaties dat het slechter zou worden.

Dat neemt niet weg dat 1977 jongeren uit het aso met een STEM-vooropleiding – al dan niet tijdelijk – beslissen om geen verdere STEM-opleiding te volgen in het hoger onderwijs. Dit aantal is een beetje gestegen – 39 procent tegenover 36 procent in 2013 – maar het gaat nog altijd over een beperkt aandeel van alle aso-gediplomeerden.

Er worden jaarlijks zo’n 24.500 aso-studiebewijzen uitgereikt, waarvan meer dan de helft voor STEM-studierichtingen. Het is dus niet zo’n leeuwenaandeel, maar het is wel iets.

Tot slot, en dan stop ik met nuanceren, de VDAB-statistiek is een momentopname. In de cijfers zitten bijvoorbeeld ook jongeren die in de loop van hun eerste jaar afhaken, en de rest van het jaar werken om daarna een nieuwe studie aan te pakken. Dat hebben we ook, jongeren die een foute keuze maken. Het is dus iets minder dan wat in de monitor zit.

We hebben een aantrekkende economie, daar hebben we het al over gehad, waardoor de verleidingskracht van de werkvloer een bijzondere impact heeft op jongeren. Ze worden ook gevraagd om te gaan werken. Ondernemers die zelf een grote carrière hebben gemaakt, vinden inderdaad dat je het ook zo kan maken, wat misschien wel juist is, maar waar ik als minister van Onderwijs niet echt gelukkig mee ben. U hebt er ook naar verwezen, de kansen op de arbeidsmarkt liggen voor aso’ers die uitstromen en niet verder studeren, niet zo spectaculair goed.

Vandaar, en dat was ook mijn oorspronkelijke oproep, dat we stappen zetten in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs. Ik ga toch wel wat voorbeelden geven waarvoor die modernisering een goede zaak is.

STEM krijgt een zeer duidelijke plaats binnen ons onderwijsaanbod. We krijgen STEM-domeinscholen met doorstroomrichtingen, dubbelefinaliteitrichtingen en arbeidsmarktrichtingen.

Er komen STEM-eindtermen, wat voor mij een belangrijk item is, als we meer meisjes in het hoger onderwijs willen krijgen in de STEM-richtingen. Ze worden aangetrokken door de meerwaarde van de integratie. Ze zien de maatschappelijke meerwaarde. Met puur alleen wiskunde zal het niet lukken, maar als we de twee geïntegreerd aanbieden, verplichten we om dat geïntegreerd te bekijken.

We voeren een pakket STEM-acties uit, en die zijn goed.

Dan is er de veelbesproken matrix. Ik vind dat fantastisch. Ik ga nog eens herhalen: op één A3 zie je alle richtingen die exclusief voorbereiden op dat hoger onderwijs en die bedoeld zijn om verder te studeren. Daarnaast is er een palet richtingen die we duidelijk op één pagina definiëren als arbeidsmarktrichtingen. We willen er ook goed voor zorgen dat men goed is voorbereid op de arbeidsmarkt. Dan zijn er nog de gemengde finaliteiten, die op de twee voorbereiden.

Dat duidt er nog eens op dat elke aso-richting – vandaag maar ook in de toekomst – voorbereidt op het hoger onderwijs en jongeren niet voorbereidt om op de arbeidsmarkt te stappen.

Dan hebben we Columbus, ontwikkeld in het kader van het masterplan secundair onderwijs. Ik heb al vaker gezegd dat Columbus voor mij een emanciperend effect heeft. Jongeren met een thuissituatie waar geen aandacht is voor verdere studies, kunnen door het afleggen van de Columbustest getriggerd worden en gaan inzien dat er interessante studierichtingen bestaan, en dat het wel goed zit met hen. We moeten dat emanciperende effect blijven benadrukken. Het is niet alleen een test om eens te snuffelen. Het is een test die iemand op weg kan zetten of die leerkrachten of klassenraden kan stimuleren om nog eens met de ouders te gaan praten en te gaan zeggen: dit heeft toch ook een emancipatorisch effect.

Ik verwijs naar de ‘Onderwijskiezer’. We leggen daar de kaarten op tafel. We geven nu ook de studierichtingen en het studiesucces mee. Het is de bedoeling om jongeren aan te zetten om goed na te denken.

Er zijn de hbo5-opleidingen die er nu gekomen zijn.

In het studieaanbod staan ook heel expliciet nu de tso-studierichtingen met doorstroomfinaliteit. Het is van belang dat die worden meegenomen.

Waar ik nog grote zorgen rond heb, maar waar we ook acties aan het ondernemen zijn, is de gebrekkige doorstroom van sommige studierichtingen. (Opmerkingen)

Voor de humane wetenschappen had het kleinere wiskundepakket misschien ook wel een impact op het studiesucces. Dit geeft ons zoveel kansen om inhoudelijke versterkingen te doen. Dat is ook dankzij de modernisering van het secundair onderwijs. De zorgen die u aangeeft, zitten daar ook net achter. We willen ervoor zorgen dat onze aso-studierichtingen, die bedoeld zijn om hoger onderwijs te gaan volgen, daar inderdaad ook effectief voor bedoeld zijn. En jongeren moeten meer instrumenten krijgen om de juiste studiekeuze te maken.

Duaal leren speelt in het aso geen rol, dat klopt. Maar, en daar moeten we nog aan werken, binnen het aso wordt zeer luid gevraagd om jongeren in het secundair meer in contact te brengen met de werkvloer. Het is dan niet de bedoeling om hen de sprong te laten maken naar de arbeidsmarkt, maar wel naar een studiekeuze, of om dat keuzeproces beter te maken. Technologische bedrijven of bedrijven die veel technische profielen nodig hebben, bieden zeer interessante activiteiten. Dat kan jongeren stimuleren om een STEM-richting te kiezen.

Het huidige plan loopt tot 2020. Het nieuwe STEM-actieplan wordt op dit moment voorbereid door het STEM-platform. Het zal worden goedgekeurd in de volgende legislatuur en door de volgende regering in de loop van het schooljaar 2019-2020. Het STEM-platform is zeer actief. Voorzitter Françoise Chombar ontwikkelt een hoge activiteitsgraad. Dat is zeer aangenaam voor mij om te zien. Het is super om zo'n ‘leading woman’ te hebben binnen STEM. Dat kan een zekere uitstraling hebben.

Mevrouw Brusseel, ja, ik ben wel bezorgd, maar ik vind dat we goede keuzes gemaakt hebben in het moderniseringsproces. Ik ben ervan overtuigd dat u dat ook zult vinden. Ik vond het wel van belang om dat toch nog even mee te geven.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik dank u voor uw antwoord, minister. Ik wil om te beginnen onderschrijven dat we belangrijke stappen hebben gezet. Natuurlijk, het effect moet zich nog laten voelen eenmaal die modernisering volledig wordt uitgerold. Dat is juist. De eindtermen zullen eveneens worden aangepast, zowel de vakspecifieke als de eindtermen over een geïntegreerde aanpak van STEM.

Ik denk dat het inderdaad belangrijk is om een aantal zaken duidelijker te maken aan leerlingen, om hen echt te tonen wat je kunt doen met wetenschappen, technologie en wiskunde. Nu klinkt STEM heel erg hip en het wordt geassocieerd met zaken die worden getoond op infodagen, een drone die rondvliegt bijvoorbeeld. Maar eigenlijk moet je ten gronde uitleggen waarover het gaat. Je moet echt goed zijn in wiskunde, dat is belangrijk. Je moet alle wetenschappelijke vakken grondig aanpakken.

Ik ben het met u eens: de geïntegreerde aanpak is nodig om jongeren over de streep te trekken, meisjes vaker dan jongens. We moeten de maatschappelijke kant ervan tonen. Meisjes zijn eerder aangetrokken tot studierichtingen in de zorg-STEM, maar we moeten ook de link leggen met de creativiteit. We moeten niet alleen STEM maar ook STEAM-richtingen (Science, Technology, Engineering, Arts and Mathematics) promoten. Zodra de creativiteit erbij wordt betrokken zijn meisjes sterker geneigd om ervoor te kiezen. Kijk maar naar het aantal meisjes in de groep burgerlijk ingenieur/architect. Daar zitten veel meer meisjes dan in de groep burgerlijk ingenieur/bouwkunde. Daar zie je verschillen.

Er kunnen een aantal linken worden gelegd. De matrix verschaft duidelijkheid, maar nu is het aan ons om eerlijk te zeggen waar je naar kunt doorstromen. Laten we eerlijk zijn, de humane wetenschappen en economie/moderne talen blijft een beetje een zwakke plek, zolang we dat niet versterken. In veel scholen hebben de leerlingen voor economie/moderne talen geen positieve keuze gemaakt. Ze kiezen dat omdat ze niet meer houden van Latijn. Ze zijn niet zo sterk in wetenschappen of wiskunde. Economie vinden ze wel interessant. Talen, dat lukt hun wel.

Maar als je dan kijkt naar het niveau voor Frans dat ze behalen, wat toch de eerste taal is in Moderne Talen, zie je dat ze daar ook vaak zwak op scoren. Dat is niet goed. Als je een bewuste keuze voor talen maakt, dan mag de lat voor die talen hoog liggen.

Minister, ik wil een suggestie doen om af te ronden. Ik ben er zeker van dat het volgende STEM-actieplan nog concrete maatregelen zal bevatten. Ik kijk ernaar uit om het te zien. Het is belangrijk om die opleidingen uit het hoger onderwijs beter in de verf te zetten. De hogescholen voornamelijk – want het probleem zit voor een stuk in de universiteiten, maar dat heeft volgens mij een andere oorzaak – krijgen niet de hoogste financiering voor de STEM-opleidingen. De onderwijsbelastingseenheid ligt vrij laag voor STEM, en toch zijn het studierichtingen waarvoor je heel grote investeringen moet doen. We hebben het hier daarnet gehad over de kost van materiaal en uitrusting, dat is ook zo voor STEM in het hoger onderwijs. Er zijn labo's nodig, er is uitrusting nodig. We kunnen ook nagaan wat we meer kunnen doen om de hogescholen in contact te brengen met het werkveld, maar eigenlijk zijn die hogescholen daar al vaak mee bezig. Ik denk dus dat de financiering voor STEM omhoog moet zodat hogescholen, en ook universiteiten, echt de middelen hebben om sterker en wervender op te treden en om de nodige investeringen te kunnen doen om studenten warm te maken voor de STEM-opleidingen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord

Collega's, het is een niet onbelangrijke vraag die eigenlijk gaat over oriëntering in het secundair onderwijs. Als je aso volgt of een specifieke tso-richting waarna je expliciet moet verder studeren, maar het niet doet, dan wordt het lastig op de arbeidsmarkt. Ik ben blij dat er in het masterplan secundair onderwijs eindelijk een kolom ‘doorstroom’ is waar tso afzonderlijk staat als domeinspecifiek. Als ik dan documenten van een aantal koepels zie waar men dat vrolijk weglaat, ook nog zeer recent, dan maak ik mij zorgen. Diegenen die dan staan te roepen dat wij tso moeten herwaarderen, maken er opnieuw één potje van waardoor het tso niet meer herkenbaar terug te vinden is en dus devalueer je de doorstroom van het tso, devalueer je het technisch onderwijs dat net nu met het masterplan secundair onderwijs toeleidt naar verder studeren. Als ze dus nog komen roepen waar we blijven met de herwaardering van het technisch en beroepsonderwijs, zet het dan expliciet in de matrixen en in de tekst onder de matrixen die je zelf verspreidt.

Collega's, ik wil toch nog een pleidooi houden voor een aantal zaken. We hebben met deze commissie Fyxxilab in Gent bezocht, we hebben LEGO Education bezocht. Een aantal leden hebben daar zeer actief aan kunnen deelnemen, een aantal anderen waren genoodzaakt te telefoneren op dat moment. Het neemt niet weg dat dit een niet onbelangrijk gegeven is, ook in het lager onderwijs. Daar begint het al. Willen we nu eindelijk de wetenschap- en techniekmicrobe valideren in het onderwijs en op het einde van het lager onderwijs al kunnen zeggen dat een leerling niet de grote abstracte denker is maar wel iemand die inzicht heeft in 3D, dan moeten we op zoek gaan naar die talenten. Dat kunnen we doen via LEGO Education en andere zaken in het basisonderwijs uit te rollen.

We hebben het leergebied wereldoriëntatie gesplitst in wetenschappen en techniek en mens en maatschappij. Wat stellen we vast? Er is in de praktijk niets van terug te vinden. Collega Krekels en ikzelf pleiten regelmatig voor vakleerkrachten. Neen, dat is niet dat elk vakje apart moet worden gegeven, maar wel dat wetenschap en techniek kan worden gegeven door de leerkracht die er gepassioneerd mee bezig is, die zich daar goed bij voelt. En toch stellen we vast dat in allerlei pedagogische discours wordt gezegd: ‘Doe dat niet, want het geïntegreerde wereldbeeld van het kind zal in elkaar stuiken.’ Het geïntegreerde wereldbeeld van kinderen die in een klas zitten met leerkrachten in een duobaan, valt al bij al goed mee. Dat valt niet in elkaar. Ze hebben ook nog een aparte leerkracht voor lichamelijke opvoeding en dat valt ook nog goed mee. Het lukt dus wel.       

Het laatste wat ik wil aanhalen, zijn de OBE’s. Het klopt. Ik betreur dat we de middelen van het kliksysteem niet hebben gebruikt om de OBE’s aan te passen of een deel ervan om de opstart te doen in het hoger onderwijs om die richtingen te valideren.

De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

Een groot deel van de mensen die geen hoger diploma dan aso behalen – het blijkt ook uit een studie van professor Laurijssen van de VUB – hebben wel van het hoger onderwijs geproefd, maar drie kwart van hen strandt in hun eerste poging. Het belang van een zeer goede studie-oriëntering – en de minister heeft er ook naar verwezen – mogen we niet onderschatten. In principe zijn het mensen die hoger onderwijs aankunnen, maar hoogstwaarschijnlijk in een te zware of verkeerde richting terechtkomen. Hoe beter we dat kunnen uitbouwen, hoe sneller ze zich kunnen oriënteren en hoe minder mislukkingen we zullen kennen.

Er zijn natuurlijk mensen die op die manier toch op de arbeidsmarkt terechtkomen, maar zeer duidelijk het potentieel hebben om verder te studeren. Het een sluit natuurlijk het ander niet uit. Het is niet omdat men al een aantal jaren gewerkt heeft, men niet terug naar het onderwijs kan gaan. Ik wil dus een pleidooi houden om werkstudentenprogramma's te versterken en mensen er warm voor te maken en hen erop te wijzen via oriënteringsproeven enzovoort. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat ook mee te nemen.

De voorzitter

De heer Durnez heeft het woord.

Jan Durnez (CD&V)

Mijn betoog ligt helemaal in de lijn van wat de heer Cordy daarnet zei. We zijn hier bezig over 2,5 procent van de 24.000 mensen die na een jaar geen werk hebben. Dat is een eerste luik: het relativeren aan de ene zijde. En anderzijds moeten we bijzondere zorg hebben voor die groep die geprobeerd heeft in het hoger onderwijs en nagaan wat hun vooropleiding was. We beschikken niet over alle gegevens. Nadien kunnen we hen begeleiden naar graduaatsopleidingen, naar volwassenenopleidingen of naar de arbeidsmarkt.

Kathleen Helsen (CD&V)

Ik wil de benadering ondersteunen dat het niet enkel en alleen de oriëntering binnen het secundair onderwijs is die optimaal moet zijn, maar dat we ook moeten nagaan op welke manier de heroriëntering gebeurt als iemand start in het hoger onderwijs en afhaakt. We hebben daar inderdaad veel minder zicht op. Mogelijks wringt daar het schoentje. In de toekomst moeten we misschien de heroriëntering – niet de oriëntering – versterken, want de hervorming van het secundair onderwijs zou toch moeten leiden tot zeer goede resultaten. Ik denk dat we ook moeten kijken naar de trajecten die nadien worden doorlopen en hoe de oriëntering daar kan worden versterkt.

Collega's, ik ben het met de meeste van de opmerkingen eens.

De OBE’s hangen voor mij samen met een groter debat rond financiering van het hoger onderwijs. We hebben vorig jaar eventjes nagedacht of we de middelen van de kliks daarvoor zouden gebruiken, maar je voelde – ik heb het met de hogescholen besproken – dat de druk op de ketel zo hoog was omdat we de kliks twee jaar niet hadden toegekend. De groei van de studenten is overal zo groot en we voelen dat de tijd wel rijp is om eens naar het mechanisme te kijken.

Ik kan niet ontkennen dat, zoals gezegd, de OBE’s van de STEM-richtingen niet de hoogste zijn. Dat klopt. Om dat nu nog snelsnel aan te passen, is niet zo evident. Het is ook niet iets wat je op een week kunt doen. Maar dat we de globale financiering eens onder de loep moeten nemen, daar ben ik het wel mee eens. Anderzijds was het lang geleden ook een heel moeilijke bevalling om het te maken zoals het is gemaakt. Zonder afbreuk te willen doen aan de goede intenties om het te herbekijken, zal het toch een zware oefening worden.

De opmerking over heroriënteren na het eerste jaar of na de start is zeker terecht. Ook hier kijken sommigen naar de financiering. Is men wel gemotiveerd om jongeren goed te heroriënteren? Ik persoonlijk denk dat de financiering daarvoor niet in de weg staat, maar het gebeurt te weinig. Dat merken we ook. Wat is de studiebegeleiding bij de heroriëntering? Ik hoor er heel diffuse verhalen over. Je kunt niet zeggen dat de ene hogeschool of universiteit beter is dan de andere. Het zit zelfs op opleidingsniveau, zelfs binnen bepaalde faculteiten is er een andere aanpak. Er is nog werk te doen.

Straks is er het decreet Leerlingenbegeleiding dat van start gaat voor het secundair onderwijs. Studiebegeleiding in het hoger onderwijs moet betrekking hebben op een mogelijke heroriëntering. We mogen jongeren niet zoekende laten, maar we moeten hen helpen om goede keuzes te maken. Ik ben het zeker eens met dat onderdeel.

Ann Brusseel (Open Vld)

Collega's, ik dank jullie voor jullie opmerkingen.

Collega Durnez, het gaat inderdaad over een kleine groep, maar we moeten ambitieus zijn voor elke jongere. Vlaanderen wil in de kenniseconomie kampioen zijn en je kunt geen kampioen zijn als je niet meteen de lat hoog legt. Het is ook zonde voor de individuele jongere als hij tijd verliest, als hij de juiste keuzes niet maakt, als hij hulp zoekt maar die niet vindt. Ik denk dat wij met deze regering inderdaad stappen hebben gezet om die hulp te bieden. Dat is zo. De meeste hogescholen en universiteiten doen hun best om studenten te heroriënteren als dat kan. Hier en daar zit natuurlijk wel volgens sommigen het financieringsmechanisme in de weg, maar dat moeten we eens grondiger onderzoeken. Op dit moment wordt dat een beetje moeilijk, denk ik.

Ik heb nog een bekommernis die ik deel met collega Daniëls. Ik heb het er daarnet niet over gehad. Het is inderdaad zo dat het enthousiasme voor wetenschap, techniek en wiskunde jong start. Als we kwaliteit willen tot in het hoger onderwijs, is het belangrijk dat leerlingen goed worden opgeleid in het secundair onderwijs, waar geïntegreerde zaken worden getoond, maar ook dat er vakspecifiek een sterk theoretische onderbouw is. Het is niet allemaal voor te stellen in een leuk project, soms is het ook hard studeren. In de lagere school moet je die leerlingen vooral werven en hen enthousiast maken voor wetenschappen door het op een heel goede manier en sterk onderbouwd geïntegreerd aan te pakken. Daarvoor heb je onderwijzers nodig die ook goed zijn in STEM. Laat me toe te zeggen dat daar het schoentje knelt. Als we kijken naar de instroom van de voorbije jaren in de lerarenopleiding, waren er steeds minder studenten met een wetenschappelijke achtergrond, bijvoorbeeld uit STEM-richtingen uit het aso. Dat is een probleem. Als je zelf bijvoorbeeld de eerste principes van optica moet uitleggen, kan je dat doen op een heel speelse manier. Je kunt het zelfs aan kleuters uitleggen. 'Pour la petite histoire': mijn dochter heeft dat al zelf ontdekt. Ik vond dat zeer geestig. En haar oma, fysicus zijnde, was heel fier. Je kunt heel veel doen, maar daarvoor moet je het zelf ook wel snappen. Je moet zelf als leerkracht de regels van de optica kennen. Het is niet voldoende om te zien wat een spiegel is, en een holle en een bolle lens. Je moet de regels ook kennen. Je moet begrijpen wat de mechanismen zijn in STEM.

Minister, misschien moeten we wat bijscholing betreft, een tandje bij steken of overleggen met het veld en met hogescholen om na te gaan of we voor STEM voor de onderwijzers niet nog wat meer kunnen doen. 

Wat STEM betreft, is er een STEM-netwerk. Er komen steeds meer leerkrachten basisonderwijs naartoe. Ik heb een netwerksessie meegemaakt. In de onderwijzersopleiding zit zoveel creativiteit en techniek dat je dat wel zou moeten kunnen overbrengen. Het netwerk werkt wel. Het kan nog beter, maar ik denk dat er de laatste keer twee- of driehonderd mensen waren.

Ann Brusseel (Open Vld)

Dat is bemoedigend en daar moeten we verder op inzetten.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.