U bent hier

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, binnen het studiegebied land- en tuinbouw hebben de 21 secundaire land -en tuinbouwscholen in Vlaanderen veelal een eigen bedrijf om praktijklessen aan de leerlingen te kunnen geven. Sommige van die schoolgebonden praktijkbedrijven zijn eerder gericht op landbouw, andere op tuinbouw of dierenzorg, of op een combinatie van verschillende deelsectoren.

Om de leerlingen kwaliteitsvol onderwijs te kunnen geven, is het uiteraard wenselijk dat de inrichting van zulke schoolgebonden praktijkbedrijven ook voldoende up-to-date is. Werken met verouderd materiaal is voor de leerlingen niet motiverend, maar het strookt ook niet met de doelstellingen van de leerplannen. Zowel de infrastructuur als de machines en inrichting zijn daardoor snel aan aanpassingen of vervanging toe. Anderzijds zijn de mogelijke winstmarges op een schoolgebonden bedrijf uitermate beperkt: de bedrijven zijn eerder kleinschalig en ze zijn sterker gericht op leerpraktijk dan op winst.

De gewone werkingsmiddelen voor het onderwijs zijn nodig voor de gewone werking van de school – onderhoud van gebouwen, lokaalinrichting, computers, leermiddelen – en zijn daardoor niet toereikend voor de nodige investeringen die te maken hebben met land-of tuinbouwactiviteiten: tractoren, melkapparatuur, ploegen, minigraaftoestellen, machines voor tuinaanleg en zo meer.

Omdat een school geen ‘landbouwer in hoofdberoep’ kan zijn, is steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds echter niet mogelijk, zelfs Europees niet mogelijk, hoewel schoolgebonden praktijkbedrijven daar zeker baat bij zouden kunnen hebben.

Minister, is het niet wenselijk dat land- en tuinbouwscholen een beroep kunnen doen op specifieke ‘uitrustingssubsidies’ voor hun investeringen in schoolgebonden praktijkuitrustingen?

Overweegt u specifieke beleidsmaatregelen of -initiatieven om tegemoet te komen aan de noden van scholen met praktijkbedrijven? Zo ja, welke?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega De Meyer, ik dank u voor uw volgehouden pleidooi voor onze land- en tuinbouwscholen.

Bij de laatste herziening van de financiering/subsidiëring van secundaire scholen in 2008 werden de toenmalige werkings- en uitrustingsgoederen samengevoegd tot één globaal werkingsbudget. Met het gegeven van ‘praktijkbedrijven’ is toen geen rekening gehouden. Wel genereert het studiegebied land- en tuinbouw bij de huidige berekening van de werkingsbudgetten op basis van puntengewichten het hoogste puntengewicht, namelijk 22, net zoals maritieme opleidingen of bouw. Het toont aan dat er met de eigenheid van het landbouwonderwijs rekening wordt gehouden.

Aan land- en tuinbouwscholen die de studierichting landbouw, tuinbouw, landbouwtechnieken, tuinbouwtechnieken en paardrijden en/of -verzorgen organiseren, wordt – gelet op de specifieke context van die scholen – ook een specifiek aantal uren-leraar toegekend, de zogenaamde ‘teeltleiders’. Deze extra omkadering moet de scholen in staat stellen om hun culturen, serres en veestapel uit te baten en te onderhouden, ook tijdens vakantieperiodes, én om tijdens de praktijklessen aan de leerlingen demonstraties te geven die rekening houden met ontwikkelingen in de sector.

Daarnaast genereren leerlingen uit het studiegebied land- en tuinbouw dit schooljaar ook extra werkingsmiddelen voor de eenmalige investering in didactische uitrustingsgoederen. Dat is de aankoop van didactische uitrusting of beveiliging van reeds aanwezige didactische uitrusting. Vaste uitrusting van schoolgebouwen wordt bovendien sowieso mee gesubsidieerd door het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION) in het geval van een nieuwbouw- of verbouwingsproject bij het gesubsidieerd onderwijs. Dit is ook het geval als het zou gaan om duurdere uitrusting. Belangrijke voorwaarden zijn daarbij wel dat de uitrusting deel moet uitmaken van en gekoppeld moet zijn aan een subsidiedossier bij AGION, en dat de uitrusting in verhouding staat tot de uitgevoerde werken. AGION subsidieert immers in eerste instantie infrastructuurwerken, waar de uitrusting dan het gevolg van is. Het agentschap houdt er echter wel rekening mee dat in sommige gevallen de uitrusting in verhouding duurder is dan bij klassieke schoollokalen, bijvoorbeeld in het geval van labo’s, leskeukens, maar ook in technische richtingen. Als er nieuwe investeringen mogelijk zijn, is het logisch dat de landbouwscholen hier mee van kunnen genieten. Als er nog zo'n investeringsronde zou kunnen komen, zal ik zeker het landbouwonderwijs niet vergeten en, positief geformuleerd, het mee laten genieten.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, u hebt terecht gewezen op een aantal elementen zoals het puntengewicht, de teeltleiders, de mogelijkheden via AGION. Ik denk dat elk van deze verschillende mogelijkheden tot subsidiëring of tot omkadering belangrijk en waardevol is, maar desalniettemin moet ik hier heel duidelijk namens de land- en tuinbouwscholen toch een signaal geven dat velen van hen op dit ogenblik met zeer grote noden kampen en dat voor hen de situatie uitermate moeilijk wordt – en dan formuleer ik het eigenlijk op een heel vriendelijke manier.

Ik begrijp dat u een opening laat voor extra werkingsmiddelen. Afgerond was dat ongeveer 72 euro per leerling. U begrijpt dat men daar niet onmiddellijk zware en dure technische machines mee aankoopt. Mijn pleidooi is toch om te heroverwegen, als er bijkomende mogelijkheden zijn voor specifieke uitrustingstoelagen en zeker als er extra middelen zijn die vorig jaar reeds gepland waren en waar ik pleit voor herhaling – wat ik nu nog met meer overtuiging doe – zeker en vast te kijken naar de grote noden in het land- en tuinbouwonderwijs.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, dit is een interessante vraag over de aanschaf van uitrusting in … ik dacht eerst het technisch en beroepsonderwijs, maar toen stelde ik vast dat het een heel specifieke sector is die de collega hier naar voren haalt. Het is een specifieke sector waarvan de minister aanhaalt dat er al specifieke regels gelden. Voor de teeltleiders bijvoorbeeld is de hoogste coëfficiënt van toepassing.

In het technisch en beroepsonderwijs zijn er nog andere opleidingen, als we gaan kijken naar de matrix goedgekeurd voor de modernisering van het secundair onderwijs die de teeltleiders niet hebben, die niet zo’n hoge coëfficiënt hebben, die geen bijkomende middelen hebben, al begrijp ik wel de nood die men vanuit de sector lanceert. Maar ik stel vast dat in de houtbewerking de plc-gestuurde (programmeerbare logische sturing) machines in dezelfde categorie zitten als tractors inzake kostprijs. In de opleiding verzorging hebben we de nieuwste tilliften en bedden en de nieuwste communicatiesystemen inzake personenalarm. Die zijn ook duurder dan zo’n plastieken driehoek aan een ketting om je op te trekken. In de elektromechanica is heel wat uitrusting erg duur.

Mijn oproep is, minister, als u de bijkomende middelen waar de heer De Meyer naar vraagt, zou hebben, om dat dan toch niet te beperken tot het land- en tuinbouwonderwijs, maar goed na te gaan in het volledig technisch en beroepsonderwijs waar er noden zijn. In het regeerakkoord hebben we een passage opgenomen waar de N-VA heel hard achter stond om te zorgen voor gedeeld materiaal tussen volwassenenonderwijs, secundair onderwijs, VDAB en de sectoren. We hebben de regionale technologische centra (RTC’s). Minister, in welke mate staan die samenwerkingen op poten? Kunnen de RTC’s meer worden ontsloten voor alle scholen en niet alleen voor de scholen die er vlakbij liggen?

Minister Hilde Crevits

We moeten inderdaad in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs die middelen van de tweede en derde graad herzien. We kunnen dat nog herzien omdat de richtingen ook anders worden gedefinieerd. Ik hoed mij, zonder bijkomende middelen, voor heel grote aardverschuivingen op dat vlak.

Collega’s, u kunt veel vragen stellen over de middelen die extra nodig zijn, maar de financiering van het secundair onderwijs in vergelijking met het basis- en hoger onderwijs is oké. Ik zal het nog eens herhalen: ik vind – met alle bestaande middelen – dat momenteel in ons basisonderwijs moet worden geïnvesteerd. Daar zit de grootste ‘gap’ van allemaal.

Als we in het hoger onderwijs – die vraag is nu vandaag niet geagendeerd – de gemiddelden bekijken, zien we dat het hoger onderwijs ook minder goed gefinancierd is dan het secundair onderwijs. Het is voor mij niet zo evident. Ik kan aan iedereen zeggen: doe maar, we gaan extra investeren, maar dit is voor mij niet echt mogelijk.

Mijnheer De Meyer, ik erken wel dat het landbouwonderwijs heel specifieke contexten heeft. Die gelden wel voor een aantal van onze technische en beroepsopleidingen. We hebben in het kader van de arbeidsdeal met de Federale Regering vanuit Vlaanderen de vraag op tafel gelegd om een fiscale vermindering of vrijstelling te geven aan privé-investeerders die investeringen doen in technische en beroepsscholen. Ik zou het bijzonder sterk vinden als we daarin zouden slagen. Er is nu heel veel modernisering. Dat zien we ook in het landbouwonderwijs, u moet maar eens door een landbouwschool lopen. Als je daar een duwtje zou kunnen geven aan ondernemers die mee investeren in harde infrastructuur in scholen, kan dat ervoor zorgen dat men moderne uitrustingen heeft en daar meer gaat samenwerken. Het is nog niet goedgekeurd, maar mede op mijn vraag is dat daar op de tafel gelegd. Het zou een goede zaak zijn, mocht dat in orde kunnen komen. Dat zou ook in het kader van duaal leren, alle zaken die daar gebeuren naar materieel, heel positief kunnen zijn.

De RTC’s, mijnheer Daniëls, staan open voor alle scholen. Daar zijn heel wat samenwerkingen. Vaak gebruiken ze mobiel materiaal. Ik zie dat dat heel goed gaat. Voor het volwassenenonderwijs weet ik het niet. Het hangt een beetje van de locatie af waarschijnlijk.

Nogmaals, mijnheer De Meyer, ik begrijp uw pleidooi. Er is in mijn eigen stad een landbouwschool met heel veel dieren. Ik zie goed wat daar nog aan extra vrijwilligerswerk gebeurt. Ik begrijp uw zorg.

Ik kan alleen maar het volgende zeggen. Nu was de vraag of het landbouwonderwijs zou worden meegenomen bij de harde technische infrastructuur. We hebben daarop ja geantwoord, want die noden zijn even groot als bij het technisch onderwijs. Als we zo’n investeringsoperatie nog eens kunnen hernemen, zullen we het zeker meenemen.

Jos De Meyer (CD&V)

Mijn betoog is een pleidooi voor aandacht voor alle tso- en bso-richtingen, maar in het bijzonder voor het land- en tuinbouwonderwijs.

De collega’s die minder geïnformeerd zijn over deze sector, wat blijkt uit hun tussenkomst, wil ik toch nog even wijzen op de specificiteit van het land- en tuinbouwonderwijs waar 365 dagen per jaar gezorgd moet worden voor teelten en dieren. Dit is in geen enkele andere vorm van onderwijs het geval. Teeltleiders zijn dan ook geen luxe, maar een noodzaak naast veel vrijwilligerswerk van leerkrachten om deze scholen leefbaar te houden.

Minister, in de minuut die ik slechts heb voor repliek kan ik weinig andere elementen aanreiken. U hebt wel begrepen dat ik een vurig pleidooi heb gehouden om hier bij een volgende investeringsronde zeker en vast aandacht voor te hebben. (Instemming van minister Hilde Crevits)

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.