U bent hier

Commissievergadering

donderdag 14 juni 2018, 10.30u

Voorzitter
van Jos De Meyer aan minister Hilde Crevits
2067 (2017-2018)
De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Mijn vraag dateert reeds van 29 mei, toen dit thema nog actueler was. Op woensdag 23 mei werd in de media een lijst bekendgemaakt met ‘zware beroepen’: beroepen waarin het aantal gewerkte jaren met een bepaalde coëfficiënt zou worden vermenigvuldigd in de telling van de anciënniteit die nodig is om met pensioen te kunnen gaan. Mensen met een zwaar beroep kunnen vroeger met pensioen gaan. Het principe van de zware beroepen zal op termijn het huidige systeem van ‘preferentiële tantièmes’ vervangen. 

Op de discussie in de commissievergadering van 19 april hebt u aangegeven dat de Vlaamse Regering vertegenwoordigd is in de Commissie Pensioenen van de publieke sector, en dat het standpunt blijft gelden dat de eventuele budgettaire opbrengsten van een pensioenaanpassing niet van het Vlaamse naar het federale niveau mogen verhuizen.

De lijst met zware beroepen in de openbare sector is het resultaat van een akkoord van twee vakbonden met federaal minister van Pensioenen Bacquelaine, maar de lijst is nog niet goedgekeurd door de Federale Regering. Zoals aangegeven in de media, lijkt de lijst zeer ruim. Het is echter opvallend dat de leidinggevende beroepen in het onderwijs niet opgenomen zijn in de lijst, terwijl een recente studie van professor Devos van de UGent, uitgevoerd in opdracht van de minister van Onderwijs, aangeeft dat de helft van de schooldirecteurs symptomen heeft van een burn-out.

Minister, strookt de invulling van de lijst met de visie van de Vlaamse Regering? Welke onderwijsniveaus of beroepen ziet u als zwaar beroep? Met welke argumentatie? Hoe wordt die visie door de vertegenwoordiging van de Vlaamse Regering in de commissie Pensioenen meegenomen, gecommuniceerd en desgevallend verdedigd? Is er een garantie dat eventuele budgettaire opbrengsten van een pensioenaanpassing niet van het Vlaamse naar het federale niveau verhuizen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Mijnheer De Meyer, ik zal nog niet al uw vragen kunnen beantwoorden, maar ik zal mijn best doen. U weet dat dit een federaal dossier is. Het voorontwerp van wet is op 4 april 2018 door de Federale Regering voor de eerste maal goedgekeurd. Het voorontwerp legt de elementen en criteria vast die bepalend zijn voor de zwaarte van een beroep om te kunnen genieten van een erkenning als zware functie. Deze zijn: belastende arbeidsomstandigheden door fysieke inconveniënten verbonden aan de werkomgeving of door lichamelijke belasting; belastende werkorganisatie; belasting wegens verhoogde veiligheidsrisico’s; belasting van mentale of emotionele aard.

Het voorontwerp van wet verduidelijkt de manier waarop de lijst moet worden opgemaakt van de functies die een of meerdere elementen bepalend voor de zwaarte ervan omvatten. De opgestelde lijst moet per functie aangeven of de functie één of meerdere van de vier elementen bepalend voor de zwaarte ervan bevat. Deze lijst kan enkel worden opgemaakt in nauw overleg met de vertegenwoordigers van de personeelsleden. Zo staat er in de wet dat deze lijst zal worden vastgelegd bij een in federale ministerraad overlegd koninklijk besluit, op voorstel van de minister bevoegd voor de pensioenen van de publieke sector en op voorwaarde van het akkoord van één of meerdere delegaties van de vakorganisaties in het Comité A. Men kan pas een lijst voorleggen aan de minister als men het akkoord heeft van een of meer delegaties in Comité A.

De onderhandelingen in Comité A over het wetsontwerp vonden plaats op 23 mei. Daarop is de lijst, waarover een akkoord is gevonden tussen de minister van Pensioenen en twee vakorganisaties, bekendgemaakt. Over de inhoud van de lijst is in het Comité A niet gesproken of onderhandeld. De lijst is aangekondigd, maar er is geen inhoudelijk gesprek. Er waren enkele gesprekken tussen minister Bacquelaine en de vakbonden. Het ontwerp van wet moet nu nog door de Federale Regering worden goedgekeurd.

Het koninklijk besluit met de lijst van zware beroepen moet ook nog worden goedgekeurd door de Federale Regering en onderhandeld in Comité A, waarin de gemeenschappen en gewesten zijn vertegenwoordigd. Dat is de stand van zaken op dit ogenblik.

Ik kan daar verder niet zoveel uitspraken over doen. Maar ik wil wel meegeven dat ik een beetje treurig word als ik aan de discussie in de media denk. De Federale Regering wil een noodzakelijke harmonisering van de diverse pensioensystemen doorvoeren. De onderwijssector heeft bepaalde statuten en tantièmes, net zoals vele andere sectoren. Dat tweede luikje van het debat wordt nooit meegenomen. Voor het onderwijs betekent de discussie dat de tantièmes worden afgeschaft. Het hele bestaande systeem zou worden aangepast. Daar hoor ik heel weinig over. Ik vind dat dit moet worden meegenomen in de discussie.

Ik zeg dit nu met grote schroom. Ik ben de dochter van een directeur in het basisonderwijs, die niet boven maar tussen zijn leerkrachten stond. Het verschil tussen een directeur en de leraren in het basisonderwijs vind ik zelf al moeilijk. In het basisonderwijs werkt men in een heel specifieke context. Zo is het aan de onderhandelaars om daar verder het gesprek en het debat over te voeren.

We hebben met de Vlaamse Regering lang geleden – dat weet u, u hebt me daarover ondervraagd – een nota goedgekeurd waarin we gevraagd hebben dat het hele systeem niet tot gevolg zou hebben dat er grote budgettaire verschuivingen zouden komen van het Vlaamse naar het federale niveau. Als we de tantièmes in de onderwijssector zomaar afschaffen, betekent dat een enorme shift van Vlaanderen naar federaal. Dat willen we niet.

Onze minister-president heeft altijd gezegd dat we niet willen dat iemand aan het einde van zijn carrière plots minder gaat verdienen. Dat moet ook worden gehonoreerd. We hebben in Vlaanderen wel een kader. Ik ben al bij de minister van Pensioenen geweest om dat kader toe te lichten. De eigenlijke onderhandelingen zijn gevoerd tussen de vakbonden van de publieke sector, niet de onderwijsvakbonden, en minister Bacquelaine. Ik vind dat de vakbonden wat onderwijs betreft goed werk hebben geleverd inzake het statuut. Er zijn uiteraard nog een aantal zorgen. We hebben daar uiteraard ook nog geen beslissing over genomen. Er is vanuit Vlaanderen zelfs nog niet onderhandeld in Comité A, enkel over het wetsontwerp.

Jos De Meyer (CD&V)

Het is evident dat het een federaal dossier is, minister. Ik onthoud dat u het standpunt van de Vlaamse Regering herbevestigt. De mensen uit het onderwijsveld mogen aan het einde van hun carrière, als ze met pensioen gaan, en langer gewerkt hebben, duidelijk niet minder pensioen ontvangen. Dat is een eerste duidelijke standpunt.

Twee, er mogen geen middelen van het Vlaamse naar het federale niveau verschuiven. De Vlaamse Regering maakt uiteraard deel uit van de Commissie Pensioenen. We weten met ons allen dat de vakorganisaties hier in dit dossier een heel belangrijke rol spelen.

Ik begrijp dat voor de rest de Vlaamse Regering – welke groepen uit het onderwijsveld of welke niet – nog geen standpunt ingenomen heeft, en dat men dat op dit moment overlaat aan de discussie met de vakorganisaties. Men kan uiteraard discussiëren over welke onderwijsniveaus in aanmerking komen voor de term zwaar beroep. Dat is een discussie die niet alleen moet worden gevoerd, en uiteraard in de eerste plaats, met het onderwijsveld, maar ook met andere groepen, met de ruimere samenleving. Daar heb ik alle begrip voor.

Voor mij lijkt het wel essentieel als men zegt: dit niveau behoort tot de zware beroepen, namelijk het kleuter- en basisonderwijs, dat de directies van die niveaus worden meegenomen in deze groep. Dat geldt zeker omdat die mensen zwaar belast zijn en probleemsituaties tegenkomen, en zeker omdat veel schooldirecteurs een burn-out hebben, jammer genoeg. Ik vind het zeer gerechtvaardigd dat zij worden meegenomen in de zware beroepen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega's, dit is een belangrijk thema, de pensioenen in onderwijs, ik denk pensioenen in het algemeen en tout court. Ik denk ook dat we daar met de nodige aandacht aan de slag moeten gaan. Degenen wier job niet als zwaar beroep wordt gecatalogeerd, komen direct naar buiten met de vraag: doen wij dan niet goed ons best, werken wij dan niet hard, is ons beroep dan niet zwaar? De directeurs basisonderwijs stellen zich terecht vragen. Maar er zijn nog personeelscategorieën die vragen stellen: ‘wat met ons’?

Omgekeerd, zijn er bepaalde profielen binnen onderwijs, gedetacheerde leerkrachten, die niet meer in de school staan. Is dat dan nog een zwaar beroep? Hoe gaat men die eruit filteren?

De kwestie zware beroepen is op zich al heel geladen. Misschien moeten we wel eens kijken naar ‘zware taken’ binnen bepaalde beroepen. Dan denk ik aan het loopbaanpact. Gaan we mensen verleiden om in het onderwijs te komen werken om hun op het einde van hun carrière, na veertig jaar dienst te zeggen: nu kunt u één jaar vroeger stoppen?

De onderwijsmensen, dat zien we allemaal, vallen niet uit als ze 62 zijn. We hebben de uitval in de eerste vijf jaar, en we hebben vooral de uitval tussen 35 en 50 jaar. Gaan we die mensen aan boord houden door ze het vooruitzicht te geven dat ze een of twee jaar vroeger kunnen starten? Die vraag moeten we luidop durven stellen.

Op dit punt zegt de N-VA: we moeten vooral zorgen dat het niet langer een zwaar beroep is. Ik kijk naar mijn collega's naast mij, inderdaad, die planlast, een realistisch M-decreet, de aanpak van pesten, dat zijn de thema's waar mijn collega's naast mij mee bezig zijn. Taalbaden Nederlands, te grote klassen, te veel nieuwsbrieven met allerlei pedagogische en andere richtlijnen die niet aansluiten op hun realiteit, dat maakt dat mensen uitvallen en dat het beroep zwaar wordt. Ik denk dat we wel degelijk een Vlaamse verantwoordelijkheid hebben om daar heel hard op in te grijpen.

Ik ben blij dat de heer De Meyer zegt dat er geen middelen van Vlaanderen naar het federale niveau mogen vloeien. Ik voel dat er een nieuwe consensus ontstaat voor een bijsturing van de Financieringswet, waar die middelen nog altijd wel vloeien. Ik hoop dat we dat kunnen doen.

Ik wil er toch ook op wijzen dat de tbs in Vlaanderen reeds is afgeschaft. In Wallonië bestaat dit nog. Daar bestaat de kans inderdaad dat er geld blijft vloeien.

Evident, we hebben het zelf ook gezegd, langer werken: ja, maar niet met minder pensioen. Ik begrijp dan ook niet dat vakorganisaties aan het strijden zijn voor een coëfficiënt van 1,1 of 1,15 en in hun berekening vergeten wat het gevolg is van de aanpassing van de tantième. Want dat leidt wel degelijk tot minder pensioen, tenzij ze dat willen, en dan moeten ze dat luidop zeggen. Voor mijn fractie is het zeer duidelijk wat wij willen. Langer werken? Ja. Dat is nodig. U hebt het al aangekaart, minister. We hebben het met heel deze meerderheid naar voren geschoven: met behoud van het pensioen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik zal niet ingaan op de pensioenkwestie maar op de notie ‘zwaar beroep’. Waarom hebben wij een zwaar beroep en wat kunnen wij daaraan eigenlijk doen? Want aan het einde van de rit aan de slag gaan, aan het werk gaan met de notie zwaar beroep verandert dus weinig aan de loopbaan, zoals de heer Daniëls ook al zei.

Ik verwijs naar de interessante blog van Pedro De Bruyckere, u allen bekend, veronderstel ik. Hij heeft het over de ongelijkheid in opdrachten voor hetzelfde loon, over het kariger loon voor zijinstromers, en over extralegale voordelen die niet zouden helpen. Wel, het is inderdaad nodig om meer leerkrachten aan te trekken. Dus moeten we ervoor zorgen dat het beroep aantrekkelijker wordt. Daar hebben we al zo vaak over gepraat, we hebben ook al veel zaken ondernomen, maar we moeten alert blijven voor de dingen die gebeuren op het terrein.

Dus, minister, laat me duidelijk zijn, zeker een pluim voor wat al gerealiseerd is. Die aanvangsbegeleiding is heel erg belangrijk: men krijgt begeleiding voor de zaken die men nog niet goed kan, of als je nog weinig ervaring hebt, namelijk het lesgeven op zich, het schoolse gebeuren op zich. Als je aan het begin van je loopbaan goed wordt ondersteund, ben je goed vertrokken of gelanceerd voor een sterke loopbaan.

Waar men nu mee komt zwaaien, extralegale voordelen zoals in Nederland, zal het beroep niet minder zwaar maken. Trouwens, Pedro De Bruyckere wijst op een ander gevaar. Hij verwijst naar Zweden, waar men de beste en meest ervaren leerkrachten naar scholen kon lokken met veel financiële middelen, maar dat zijn dan de scholen met het rijkste publiek en het minste kansarmen. De uitdaging om meer winst te boeken is daar het minst groot, zodat men nog meer ongelijkheid gaat creëren, terwijl we die sociale mobiliteit zoveel meer nodig hebben.

Lesgeven in bepaalde scholen maakt het beroep zwaarder, ja, precies daarom kun je inderdaad naar de inhoud en naar taken kijken in plaats van naar het beroep in zijn geheel. Dat is één zaak.

Waar ik zeker voor wil pleiten, en dat is voor Open Vld fundamenteel, is om nog sterker in te zetten op wat vandaag nog niet is uitgeklaard, of waar we het nog te weinig over hebben en waar de vakorganisaties het ook te weinig over hebben.

En dat is eigenlijk arbeidsvreugde geven door meer eigenaarschap te geven aan de leerkrachten. Soms hebben we het er wel over dat de leerkrachten in een carcan van leerplannen en pedagogische dictaten zitten en dat helpt niet. Dat neemt arbeidsvreugde af.

Zij hebben wel degelijk nog planlast. Wij hebben met Operatie Tarra grote inspanningen gedaan, waarvoor een pluim, minister, maar feit is dat op het niveau van de school er wel nog planlast is, en een enorme verantwoordingsdrang door de druk van de juridisering zoals we ook in het hoger onderwijs zien. En dat neemt ook arbeidsvreugde weg, dat maakt het beroep zwaar omdat er frustraties zijn. Niet omdat er daardoor meer of minder moet worden gewerkt, maar omdat het frustrerend is, omdat er te weinig erkenning is, te weinig respect, te weinig eigenaarschap. Ik vind het fundamenteel om de komende jaren in het beleid na te gaan hoe we daaraan kunnen verhelpen.

Ik geef een voorbeeld. Ik kreeg alarmerende berichten van leerkrachten wiskunde die van hun directie te horen kregen dat ze nu maar eens op de ‘zelfontdekkende leermethode’ moesten overschakelen. Dan moet je geluk hebben met veel Einsteins en Pythagorassen in de klas zodat het lukt. Als leerkrachten op die manier opgelegd krijgen hoe ze het moeten doen, terwijl zij eigenlijk de expert zijn in hun vak en vakdidactiek, dan nemen we arbeidsvreugde weg en maken we het beroep zwaar. We moeten daar aandacht voor hebben. 

Collega's, er wordt een heel debat geopend. Ik ga een paar dingen op scherp proberen te stellen.

Collega Daniëls, u hebt geprobeerd om te vragen of ik ga zeggen dat ze dan een beetje vroeger op pensioen mogen gaan. Eigenlijk is het omgekeerd. Ze hebben vandaag een statuut, een statuut met gunstige tantièmes en een loopbaan die ze eigenlijk voor zich zien. Door de afschaffing van de diplomabonificaties en door de maatregelen die men neemt om langer te werken, is er een impact en zal men langer moeten werken. Als je nu nog eens zomaar die tantièmes gaat afschaffen, dan komt er nog eens een lap bij.

U vraagt of ik ze ga lokken door te zeggen dat ze vroeger met pensioen mogen. Neen. De boodschap die je gaat geven, is dat ze voor de derde keer het bericht gaan krijgen dat ze nog langer gaan moeten werken. Ik vind dat we dit gesprek met een zeker respect moeten voeren voor een statuut dat vandaag bestaat. Ik vind het eigenlijk een beetje jammer dat het allemaal wordt herleid tot 'zwaar beroep'.

Wat we doen, is een harmonisering van de statuten. Collega Daniëls, u zegt dat we moeten differentiëren, maar het is bij de politie niet anders. Er werken mensen bij de administratie, er werken er in het veld. Bij de buschauffeurs heb je dat ook. Ik vind het zeer nefast dat men voor onderwijs dan zulke opmerkingen maakt, maar voor al die andere groepen is dat blijkbaar niet nodig dat men zo gaat kijken. Het stoort mij een beetje en het maakt me ook een beetje droevig.

Het is ook onze samenleving die voor elk probleem dat er is – kijk vandaag in de pers over pesten en naar de zware cijfers die niet stroken met wat ik heb als enquêtecijfers over pesten – naar het onderwijs kijkt. Ik vind het evengoed de verantwoordelijkheid van de sportclub, van de cultuurbeweging, van de ouders, van iedereen. Maar onderwijs moet het weer oplossen. Alles komt in de bak van onderwijs, maar dan wel lachen als we zeggen dat we er een probleem mee hebben dat men het statuut zoals het vandaag bestaat, met de tantièmes, zomaar zou afschaffen. Ik vind dat erg. Ik vraag een beetje respect voor de taak van de leraar en bij uitbreiding voor de taak van de directeur. Dat is debat nummer één. Het debat is niet afgerond. Ik ben het er zeker mee eens dat als niet iedereen binnen onderwijs hetzelfde is, het frictie teweegbrengt. Dat is ook waar, maar het gaat over een statuut dat vandaag bestaat. Ik had eigenlijk liever gehad dat men probeerde om de verschillende stelsels een beetje te harmoniseren, zonder dat het direct de connotatie van zwaar beroep kreeg, want het geeft onmiddellijk een ander gevoel. Het is dat wat mij wat stoort op bepaalde momenten.

Wat een loopbaandiscussie betreft, is het zeer interessant wat u meldt, collega Brusseel. Ook hier wil ik toch wel een opmerking maken. Ik hoorde vanmorgen op de radio mevrouw Verdyck zeggen dat het maar kleine stapjes zijn die nu worden gezet. Ik vind dat eigenlijk erg. We gaan opnieuw een lerarenplatform invoeren, werkzekerheid voor 2500 leraren. We gaan verplichte aanvangsbegeleiding geven. Som maar op. Ik heb vanmorgen opnieuw de directeurs toegesproken over de maatregelen die wij met deze coalitie hebben genomen, ook om het basisonderwijs sterker te maken, en de aanpassing aan het M-decreet. Dus, zeggen dat we niet investeren in de loopbaan, vind ik intellectueel niet correct. Het afdoen als pietepeuterige maatregelen waardoor scholen genoodzaakt zijn om een extra verzekering aan te bieden aan hun personeel, vind ik niet oké. Mijn maag keert net niet om.

U hebt het correct gezegd: we hebben wel investeringen gedaan. Moet er nog meer worden geïnvesteerd en willen we graag een loopbaanpact? Ja. Ik wil jullie allemaal toch wel erop wijzen dat alle sociale partners, niet alleen de vakbonden maar ook de werkgevers, akkoord gegaan zijn en mij zelfs hebben gevraagd om een tijdsbestedingsonderzoek te doen. ‘Beslis er niet zomaar over. Onderzoek het toch eerst eens.’ De studie is uitgeschreven en loopt tot eind dit jaar. Ik was bereid om beslissingen te nemen twee jaar geleden. U weet dat. Het ging toen over de opdracht en de noemer. Maar het kon toen niet want er moest eerst een taakbelastingsonderzoek komen en dat is er nu. En dan vragen waar het loopbaanpact blijft, vind ik eigenlijk niet fair. Men heeft ernaar gevraagd en we gaan nu correct deze procedure zo afwerken.

Ik ben het ermee eens dat Tarra nog veel beter kan, maar dit is ook een verantwoordelijkheid van de partners op het veld. Gisteren nog hoorde ik mevrouw Krekels op de banken van het Vlaams Parlement zeggen dat leerkrachten goed functioneren zolang ze een handleiding hebben, maar neem de handleiding weg, en het gaat niet meer. Dat staat wel een beetje haaks op dat ze eigenlijk worden versmacht onder al die dingen van bovenaf. We zitten met uitgeverijen samen om te kunnen stoppen met invulboeken en invulblaadjes. Het neemt alle creativiteit weg. Wat hoor ik van veel leerkrachten? Dat die invulboeken wel aangenaam zijn. Ook hier voel je dus een zekere spanning. Ik hou het meest van leraars die totaal uit de band springen, en zo zijn er ook veel. U moet eens nagaan wat we aanbieden met KlasCement, materiaal dat leraren zelf maken. Het is fantastisch. Het kan naast handboeken of in de plaats van handboeken worden gebruikt. Je kunt ermee doen wat je wilt. Er is een schitterend aanbod. Je voelt ook dat leraren meer en meer op zulke platformen terechtkomen, en dat is een goede zaak.

Collega De Meyer, ik weet dat het een beetje buiten de scope van uw vraag is, maar het hangt er wel mee samen omdat men soms zegt dat het een zwaar beroep is en men moet investeren in arbeidsvreugde. Ik vind wel dat deze regering echt stappen voorwaarts zet. Ik ben er ook trots op. Natuurlijk moeten die loopbaangesprekken nog volgen, maar die komen niet – en ik weet dat dat ook de stelling is van collega De Meyer – in de plaats van de discussies op federaal niveau. Ik vraag gewoon respect voor de manier waarop het onderwijs nu is georganiseerd. Onderschat de impact niet op alle gesprekken en op alles wat we proberen te doen, ook binnen het onderwijs.

Wat de shift van middelen betreft, collega Daniëls, is het geen verandering van gedacht. Het is een Vlaams standpunt dat al heel lang geleden is ingenomen door de Vlaamse Regering, van bij de start van de gesprekken. Wij willen niet dat er een besparing op de kap van het onderwijs wordt gerealiseerd om op federaal niveau andere zware beroepen te realiseren. Ik hoop dat we daarin ook hard blijven en we zullen erop toezien dat dat zo is.

Zo zie je, collega De Meyer, dat een voorzichtige vraag toch een bijzonder interessant debat uitlokt. Waarvoor dank.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, wat ik bijzonder belangrijk vind, is dat u volgens mij terecht stelt dat een zwaar beroep misschien niet de juiste term is om het discours te voeren. Wat ik duidelijk niet heb gezegd, is dat de pensioenregeling van onderwijsmensen een middel is om jongeren te laten kiezen voor het lerarenberoep. Wat ik wel heb gedaan, is respect vragen voor mensen die werken in het onderwijsveld.

Collega's, een goed loopbaanpact is bijzonder belangrijk, maar het zou van grote naïviteit getuigen om te denken dat na een goed loopbaanpact elke kleuterleidster tot haar 67e kan werken. Dat wil ik heel duidelijk tegenspreken.

Minister, mijn bezorgdheid is dat dit gesprek wordt gevoerd op basis van objectieve criteria. Ik heb heel duidelijk mijn grote bezorgdheid geformuleerd voor de directies in het basisonderwijs en ik hoop dat dit zal worden meegenomen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.