U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Voorzitter, ik wil eerst melden dat ik in de titel van mijn vraag om uitleg een fout heb gemaakt. Het gaat niet om de Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2018, maar om de studie ‘Samenleven in Diversiteit’ (SID Survey).

De titel spreekt voor zich. De studie heeft onderzocht welke diversiteitskenmerken Vlaanderen bezit en ik heb hierin een aantal zeer positieve punten gelezen. Zo wordt de levenstevredenheid door de verschillende doelgroepen als zeer hoog ingeschat. De betrokkenen zijn ook heel positief over de inburgeringscursussen en over de cursussen Nederlands als tweede taal (NT2). Ik denk echter dat het iedereen ook is opgevallen dat uit de studie een aantal merkwaardige cijfers naar boven zijn gekomen die me heel erg hebben verontrust. Bijna vier op de tien Turkse Vlamingen vinden dat de eigen religieuze wetten boven onze wetten moeten staan. In de Marokkaanse gemeenschap is dat iets minder, maar met 23 procent in mijn ogen nog veel te veel.

Minister, wat zijn volgens u de belangrijkste vaststellingen in dit dossier? Op welke wijze zult u in uw beleid rekening houden met de vaststellingen in het onderzoek? Ik heb het dan uiteraard voornamelijk over de bevinding die me het meest verontrust, namelijk dat religieuze wetten boven onze Belgische wetten zouden moeten staan.

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Voorzitter, ik heb gemerkt dat ook andere Vlaamse volksvertegenwoordigers in dit onderzoek geïnteresseerd zijn. Het gaat eigenlijk om twee studies die een beetje samenvallend zijn gepresenteerd en waarin we zeer veel informatie en een aantal belangrijke en opvallende vaststellingen kunnen terugvinden.

Als we zien dat 20,5 procent van de bevolking van het Vlaamse Gewest van buitenlandse herkomst is, moeten we zeggen dat dit veel is en dat dit snel evolueert. In een aantal gemeenten gaat het zelfs om meer dan 50 procent. Dat is bijzonder significant voor het beleid.

Daar staat dan in negatieve zin tegenover dat personen van buitenlandse herkomst niet allemaal en niet voldoende volwaardig aan onze samenleving participeren. Ik wil een zwart-witverhaal vertellen, maar in het rapport zijn in dit verband toch belangrijke cijfers terug te vinden. Wat de media heeft gehaald en waar net al naar is verwezen, is de vaststelling dat vier op tien personen van Turkse herkomst van oordeel zijn dat de regels van hun geloof op de Belgische wetten moeten voorgaan.

Er zijn ook heel wat elementen terug te vinden die we volgens mij veeleer positief inschatten. Dat zeven tot acht personen op de tien hebben aangegeven dat de inburgeringscursussen hen zeer goed hebben geholpen, vind ik een zeer belangrijk signaal.

De cijfers tonen aan dat het Vlaamse Gewest een populaire bestemming is voor vreemdelingen die eerst nog in een ander gewest in dit land hebben gewoond. Zowel vanuit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest als vanuit het Waalse Gewest maken meer vreemdelingen de verhuisbeweging naar Vlaanderen dan omgekeerd het geval is. Dit heeft wellicht te maken met de verschillende sociaal-economische ontwikkelingen en de tewerkstellingskansen in het Vlaamse Gewest.

Samengevat tonen de cijfers en het rapport onomstotelijk aan dat Vlaanderen een zeer diverse regio is. Als 20,5 procent van de bevolking van een regio van buitenlandse herkomst is, moet die regio niet divers worden. Die regio is dat gewoon al. Dat is dan een gegeven voor elke beleidmaker en voor elk programmapunt in het beleid.

Minister, de vaststellingen in beide rapporten lopen ook door zowat alle beleidsdomeinen heen. Het gaat om wonen, onderwijs, werk of integratie. Dit zijn allemaal zaken die de hele Vlaamse Regering en niet enkel de minister van Inburgering en Integratie tot actie moeten en kunnen aanzetten, maar het is wel aan u dat ik een aantal vragen zou willen stellen.

Minister, welke conclusies verdienen volgens u prioritaire aandacht?

Beoogt u een interdisciplinaire aanpak waarbij onder meer ook de ministers van Werk en Onderwijs betrokken worden?

In bepaalde gemeenten ligt het aandeel personen van buitenlandse herkomst boven de 50 procent. Het gaat dan onder meer over Maasmechelen, Genk, Machelen en Vilvoorde. Wordt een meer specifieke ondersteuning overwogen voor die gemeenten om deze uitdagingen aan te pakken?

Een van de opvallende zaken die men in het rapport terugvindt, is dat personen van buitenlandse herkomst en dan vooral personen van niet-EU-herkomst niet volwaardig participeren aan onze samenleving. Welke inspanningen zullen bijkomend geleverd worden om die participatie wel een volwaardig karakter te geven?

Opvallend is ook de vaststelling dat vier op de tien personen van de Turkse herkomstgroep van oordeel is dat de regels van hun geloof altijd moeten voorgaan op de Belgische wetten. Welke conclusies trekt u uit deze vaststelling?

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, mijn antwoord is redelijk lang omdat er initieel vier vraagstellers waren. Ik heb een aantal zaken geschrapt, bijvoorbeeld wanneer het gaat over vragen die enkel door de heer Janssens waren gesteld.

Een deel van de survey is donderdag al aan bod gekomen in de commissie Gelijke Kansen. Het ging toen onder meer over het aanvaarden van holebiseksualiteit, maar ik zal daar hier nog dieper op ingaan. Ik heb toen een korte inleiding gegeven die ik hier nog eens wil herhalen, namelijk dat de SID-survey absoluut niet is opgesteld als een beleidsevaluatie-instrument. Het is in de eerste plaats een instrument om de temperatuur in de samenleving te meten. Daarvoor werden, naast de Belgische herkomstgroep, de vijf grootste herkomstgroepen waar ook de herkomstkloof groot is, bevraagd. Het gaat om personen van Marokkaanse, Turkse, Poolse, Roemeense en Congolese herkomst. 4491 respondenten hebben deelgenomen aan de enquête. De enquête is per herkomstgroep representatief naar geslacht, leeftijd, nationaliteitshistoriek en graad van verstedelijking.

Dit is wel degelijk een representatief onderzoek. Het is de eerste keer dat een dergelijke grootschalige en brede bevraging plaatsvond. Tot voorheen konden we aspecten zoals sociale samenhang, interculturele contacten, taalgebruik, wederzijdse houdingen, identiteitsbeleving, enzovoort niet in beeld brengen.

Verschillende mensen hebben dit onderzoek al geloofd, bijvoorbeeld een onverdachte bron, professor Elchardus, die in het panel zat bij de voorstelling van deze survey. Hij zei dat het heel goed is dat dit voor de eerste keer gebeurt, dat het een goede steekproef is en dat het een representatief beeld geeft van hoe het er in Vlaanderen aan toe gaat.

De resultaten die vorige week zijn voorgesteld, zijn de eerste beschrijvende analyses. Ik wil dat hier vandaag nogmaals onderstrepen, ik heb dat ook vorige week en in de media al gedaan. Vandaag is het immers nog te vroeg om de oorzaken al volledig in beeld te hebben. Daarvoor zijn meervoudige analyses nodig waarbij rekening gehouden wordt met verschillende achtergrondkenmerken. Die analyses worden de komende maanden en jaren uitgevoerd.

Het is de ambitie deze bevraging elke vier à vijf jaar te herhalen. Het gaat hier dus om het begin van een longitudinaal onderzoek, wat op termijn zal toelaten om evoluties vast te stellen. Het is belangrijk om over die informatie te kunnen beschikken.

Het integrale rapport van de SID-survey telt meer dan driehonderd pagina’s. Ik ga hier dus geen voorstelling geven van alle resultaten. Ik neem aan dat wie interesse heeft, die survey al heeft geraadpleegd. U vindt die integraal terug op we website www.samenleven-in-diversiteit.be.

Wat zijn voor mij de belangrijkste aandachtspunten, dus eigenlijk de alarmsignalen, als ik ze zo even mag noemen, en hoe gaan we daar concreet beleidsmatig mee om? Uit de survey blijkt dat een groot aandeel respondenten van Turkse herkomst, maar ook van Marokkaanse herkomst, het eens zijn met de stelling dat de regels van hun geloof altijd moeten voorgaan op de Belgische wetten. Onder andere mevrouw Sminate heeft dat aangehaald. Meer concreet gaat het om 39 procent bij mensen van Turkse herkomst en 23 procent bij mensen van Marokkaanse herkomst. 7 procent van de respondenten van Marokkaanse herkomst heeft begrip voor mensen die in naam van extremistische groeperingen geweld gebruiken. Dat is toch wel een zeer groot alarmsignaal, lijkt me.

Welke beleidsmatige initiatieven lopen er momenteel? Ik heb daarnet in mijn inleiding al gezegd dat al die data nog dieper en verder zullen worden geanalyseerd, om daar echt conclusies en oorzaken aan te kunnen koppelen, maar wat doen we momenteel al aan dit grote alarmsignaal? U weet dat ik vanuit mijn bevoegdheid voor het binnenlands bestuur insta voor de coördinatie van het actieplan ter preventie van radicalisering en polarisering. Op woensdag 20 juni, als ik me niet vergis, en ik kijk naar de voorzitter van die commissie, zal de nieuwe voortgangsrapportage ter zake uitgebreid worden toegelicht. Een van de beleidslijnen in dat actieplan is het mobiliseren van het middenveld om tegengeluiden luider te laten klinken. Er wordt sterk ingezet op boodschappen en verhalen die het extremistisch discours ondermijnen. Zo ondersteun ik vanuit mijn bevoegdheid elf projecten vanuit het middenveld om dergelijke boodschappen en verhalen luider en duidelijker te kunnen laten klinken.

Dit is echter natuurlijk niet alleen een taak van de overheid. Ik verwacht ook van de gemeenschappen – ik weet dat dat een containerbegrip is, maar in dit debat kan ik niet anders dan die term gebruiken – dat ze zelf hun verantwoordelijkheid nemen door de kernwaarden van onze seculiere, democratische rechtsstaat mee te verdedigen en vooral ook vanuit die gemeenschappen mee uit te dragen. Ik denk dat ze absoluut een voorbeeldfunctie hebben, ook tegenover die mensen, en 7 procent van de respondenten, dat vind ik echt wel alarmerend. Wij moeten als overheid onze verantwoordelijkheid nemen, wij doen dat ook, maar het zijn de gemeenschappen zelf ook die hun verantwoordelijkheid moeten nemen in dezen.

Een tweede alarmbel is wat mij betreft de acceptatie van gendergelijkheid, dus de gelijkheid tussen man en vrouw, en nog meer die van holebiseksualiteit. Dat blijkt een zeer groot knelpunt te zijn bij de bevraagde buitenlandse herkomstgroepen. We zien dat in belangrijke mate bij de respondenten van Turkse, Marokkaanse en Congolese herkomst, maar ook bij de respondenten van Poolse en Roemeense herkomst ligt de acceptatie beduidend lager dan bij de Belgische herkomstgroep. Ik neem het tabelletje op pagina 266 van de survey er eventjes bij om dat te illustreren. De vraag werd gesteld of men het oké zou vinden als zijn kind een partner van hetzelfde geslacht zou hebben. Daarop zei 75 procent van de respondenten van Marokkaanse herkomst het daar absoluut mee oneens te zijn, net als 81 procent van de respondenten van Turkse herkomst en 75 procent van de mensen van Congolese herkomst. Dat is anno 2018 onaanvaardbaar, denk ik, en iets dat we niet moeten tolereren in dit toch wel redelijk gastvrij, tolerant en open Vlaanderen.

Wat doen wij daar momenteel al aan? Ik heb het donderdag al eens gezegd, maar zal het toch nog eens herhalen: vanuit mijn bevoegdheid inzake het gelijkekansenbeleid loopt er momenteel een oproep Intersectionaliteit, die zich specifiek richt op experimentele en innoverende projecten op de kruispunten tussen gender en seksuele identiteit enerzijds en herkomst anderzijds. De focus ligt op projecten die de emancipatie bevorderen van mensen die zich op die kruispunten bevinden, en op het wegwerken van drempels in hun omgeving. U weet ook, en dat heb ik donderdag ook gezegd in de commissie, dat we ook een oproep hebben gelanceerd om holebiseksualiteit en de gelijkheid tussen man en vrouw aanvaardbaar te maken binnen de groepen van andere herkomst, als ik ze eventjes zo mag noemen. We hebben beslist dat niet vanuit de overheid zelf te zullen doen. Ik denk dat het goed is dat zelforganisaties binnen de gemeenschappen daar zelf mee aan de slag gaan. Die projectoproep heeft in een of andere krant ook op de voorpagina gestaan. Men kan nog tot 11 juni projecten indienen. Er is een organisatie van mensen met een vreemde herkomst waarvan toch wel bekend is dat ze pleit voor het aanvaarden van holebiseksualiteit en de gelijkheid van man en vrouw en dergelijke meer. Als je de webstek van die organisatie opent, dan lees je dat meteen. Ik vond het dan ook heel jammer dat die organisatie op de vraag die een journalist stelde wat ze van die projectoproep vond, antwoordde veel belangrijkere zaken te doen te hebben, namelijk het bestrijden van racisme. Dat vind ik verdomd jammer. Moet racisme worden bestreden? Ja, natuurlijk wel, maar als de zin van je bestaan als organisatie het aanvaardbaar maken van holebiseksualiteit en de gelijkheid tussen man en vrouw bij de vreemdeherkomstgroepen is, dan vind ik het toch wel zeer vreemd dat je dan zo’n antwoord geeft. Maar bon, dat is voor hun rekening, niet voor die van mij.

Ik wil u ook nog meegeven dat we de acceptatie van holebiseksualiteit en gendergelijkheid, de gelijkheid tussen man en vrouw, ook steeds meer zijn gaan benadrukken in onze cursussen Maatschappelijke Oriëntatie die deel uitmaken van het inburgeringstraject. Daar komt dat ook veel meer dan vroeger aan bod.

Een derde alarmbel wat mij betreft is de vaststelling dat vrouwen van Marokkaanse en Turkse herkomst ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt. Op die manier blijft er veel talent onbenut, en bovendien blijven vrouwen zo veel te afhankelijk van hun partner, wat we anno 2018 toch ook niet zo oké kunnen vinden.

Welke zijn de beleidsmatige initiatieven die momenteel al lopen? Er is een specifiek inburgeringsaanbod voor laaggeletterde moeders met jonge kinderen, om hen beter te integreren in onze samenleving. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de centra voor basiseducatie (CBE’s) en Kind en Gezin. Door die vrouwen vertrouwd te maken met onder andere kinderopvang, kleuteronderwijs enzovoort, kunnen ook drempels naar de arbeidsmarkt worden weggewerkt.

Belangrijk in dit kader is het doorbreken van vastgeroeste rolpatronen. U kent ze: de vrouw aan de haard, de man gaat uit werken. Daar moeten we van af. Ook hier zet ik op in via mijn gelijkekansenbeleid.

Ik verwijs naar het antwoord van collega Muyters op een vraag om uitleg van mevrouw Kherbache over deze thematiek die aan bod kwam in de commissie van 24 mei, waar minister Muyters verwees naar het beleid ‘Focus op Talent’. Dat beleid richt zich op drie sporen: activeren van talenten, investeren in talenten en vooroordelen doorbreken; het non-discriminatiebeleid via sensibilisering en via zelfregulerende initiatieven vanuit de sectoren; de lopende VIONA-leerstoel (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) Migratie, Integratie en Arbeidsmarkt, mede door ons – door mij dus – gesubsidieerd, waarin onderzoek wordt verricht naar de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen van buitenlandse herkomst.

Een vierde alarmbel in mijn ogen zijn de verschillende resultaten uit de SID-survey (Samenleven in Diversiteit). Die wijzen op een gebrekkige binding of zelfs segregatie. Ik vind dat een groot probleem. De grote meerderheid van de respondenten heeft soms, zelden of nooit het gevoel als Belg te worden beschouwd. Men voelt zich in de eerste plaats nog steeds verbonden met het herkomstland. Meer dan de helft – meer dan de helft, collega’s – van de personen van Turkse, Poolse en Roemeense herkomst vindt dat er te veel personen van buitenlandse herkomst in België wonen. Ik weet niet wat ze daar juist mee bedoelen. Dat moeten we dus verder onderzoeken. Met andere woorden, ook bij de buitenlandse herkomstgroepen zijn er vaak kritische attitudes ten aanzien van diversiteit. Dat kan diversiteit zijn naar de autochtone bevolkingsgroep maar natuurlijk ook binnen de allochtone bevolkingsgroepen, als ik ze zo eventjes mag noemen.

Nog een kritisch punt is dat het aangaan van gemengde huwelijken vaak als een graadmeter voor diversiteit wordt beschouwd. Uit de SID-survey blijkt dat de partnerkeuze bij het merendeel van de respondenten iemand uit de eigen herkomstgroep betreft. Dat vind ik anno 2018 ook een grote alarmbel.

Er lopen al beleidsmatige initiatieven, los van het feit dat er nog bij komen, en dat alle data nog worden geanalyseerd door experten. Via het Asylum, Migration and Integration Fund (AMIF) worden verschillende projecten, voornamelijk in centrumsteden, ondersteund die als doelstelling hebben om actief en gedeeld burgerschap bij derdelanders te versterken, enerzijds door het verhogen van beleidsparticipatie en anderzijds door het stimuleren van de burgerzin. Bijvoorbeeld vaardigheden, attitudes en kennis over waarden en normen, democratie en pluralisme zijn absoluut belangrijk. Deze projecten gingen van start op 1 mei 2018, dus nog heel recent.

Tot slot, mijnheer Kennes, u had een specifieke vraag over de ondersteuning van steden en gemeenten om te kunnen omgaan met de uitdagingen inzake samenleven in diversiteit. U hebt een aantal gemeenten genoemd waar het aandeel personen van buitenlandse herkomst boven de 50 procent ligt, onder meer Maasmechelen, Genk, Machelen en Vilvoorde, en misschien vergeet ik er eentje. Het is belangrijk om niet enkel te kijken naar het aandeel personen van buitenlandse herkomst. De buitenlandse herkomstgroep in mijngemeenten zoals Genk en Maasmechelen is anders dan deze in gemeenten in de Vlaamse Rand rond Brussel, om maar een voorbeeld te geven. In een grensgemeente zoals Maasmechelen wonen dan weer meer dan 3000 Nederlanders. Kortom, het is belangrijk om telkens oog te hebben voor de specifieke context van de gemeente. U hebt een paar gemeenten opgenoemd, mijnheer Kennes, maar ik neem aan dat u het ermee eens bent dat we rekening moeten houden met de specifieke situatie van elke gemeente op zich.

De Vlaamse overheid beschouwt de gemeenten als een prioritaire partner en neemt verschillende initiatieven om hen te ondersteunen bij het voeren van een lokaal integratiebeleid. De lokale integratiesubsidies werden, net als de andere sectorale subsidies, geïntegreerd in het Gemeentefonds. Dit biedt de gemeenten meer beleidsvrijheid.

In het kader van de vluchtelingencrisis hebben we aanvullend nog eens 22,5 miljoen euro vrijgemaakt om de gemeenten te ondersteunen. Dat verhaal kent u. Er werd ook 3 miljoen euro vrijgemaakt voor de ondersteuning van Vilvoorde, Dilbeek en Halle, gelet op de specifieke grootstedelijk problematieken. Gemeenten kunnen voor inhoudelijke ondersteuning ook terecht bij het Agentschap Integratie en Inburgering. Zij hebben kennis en expertise rond verschillende thema’s zoals taalbeleid, taalpromotie, toegankelijkheid, omgevingsanalyse, sociale cohesie, vrijwilligersinitiatieven enzovoort.

Daarnaast lanceerden we diverse projectoproepen die openstonden voor gemeenten of vaak zelfs exclusief gericht waren naar gemeenten. Ik geef u twee voorbeelden: de oproep met betrekking tot intergemeentelijke samenwerking rond integratie en de oproep met betrekking tot het stimuleren van actief en gedeeld burgerschap.

Het was een lang antwoord, maar er waren ook veel vragen. Het is een belangrijke en interessante survey met heel interessante data. Ik wil wel nog eens herhalen dat het niet de bedoeling was om het beleid hiermee te evalueren, maar wel gewoon eens de temperatuur te meten, voor de eerste keer, van een aantal aspecten waar we eigenlijk veronderstellingen konden maken, maar nu is het wetenschappelijk onderbouwd. Het is ook een representatief onderzoek. Veel mensen hebben de lof gezwaaid over dit onderzoek. We gaan het herhalen. Er zitten een aantal zeer positieve zaken in, maar er zitten ook grote alarmsignalen in. Ik hoop dat we met ons allen het lef hebben om die alarmbellen te benoemen en niet onder de mat te vegen, anders gaan we er nooit geraken met ons inclusief en multicultureel Vlaanderen anno 2018.

De voorzitter

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, u zegt dat het te vroeg is om de oorzaken van al die alarmsignalen te kennen.

Minister, ik kan dat aannemen. Ik denk dat het zeer positief is dat u hebt aangekondigd dat de komende maanden een analyse zal worden uitgevoerd.

Wat we wel weten, is wat de Vlaamse overheid in dit verband al heeft gedaan. U hebt gedurende een kwartier alle acties opgesomd die de afgelopen jaren zijn ondernomen. Als dat nog niet volstaat, denk ik dat het hoog tijd wordt om de individuele verantwoordelijkheid van die mensen en van die gemeenschappen zelf onder de aandacht te brengen. U hebt het reeds kort aangehaald. We moeten daar bijtellen dat die gemeenschappen vinden dat er te veel mensen van buitenlandse origine in hun buurt wonen en dat ze zelf vaak te weinig aan onze actieve samenleving deelnemen. Ik denk dat dit allemaal indicatoren zijn die erop wijzen dat het hoog tijd is niet enkel naar de overheid te kijken om dit probleem op te lossen. We moeten ook naar de gemeenschap zelf kijken. Wat ik nu zeg, is vaak een taboe, maar het mag niet meer onder de mat worden geveegd.

De voorzitter

De heer Kennes heeft het woord.

Ward Kennes (CD&V)

Minister, ik denk dat het een zeer goede zaak is dat een dergelijk grootschalig onderzoek wordt gevoerd. Het onderzoek is grootschalig en wetenschappelijk onderbouwd. Nu al staat vast dat het om de vier of vijf jaar zal worden herhaald. We moeten een beeld krijgen van hoe de zaken evolueren.

U hebt, net als ik in mijn vraagstelling, een aantal positieve zaken die hieruit naar voren komen, vermeld. Die zaken zijn bevestigend voor een gedeelte van het beleid, en goede trends moeten ook worden benoemd. Daarnaast hebt u wat aandacht besteed aan de knipperlichten. Dat is natuurlijk wat ons in de politiek altijd het meest bezighoudt. Over wat goed gaat, worden weinig vragen gesteld. In het Vlaams Parlement en op andere plaatsen focussen we ons veel op de zaken die knipperlichten doen afgaan of alarmbellen laten rinkelen.

Ik denk dat een beetje vertrouwen in evolutie belangrijk is. We zien dat er voor de mensen in Vlaanderen die niet van buitenlandse herkomst zijn, de voorbije veertig of vijftig jaar ook veel is veranderd. U hebt verwezen naar de opvattingen over het geloof, de acceptatie van holebi’s, de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt en hoe op een aantal plaatsen soms gesegregeerd werd geleefd.

Ik denk dat we wat vertrouwen in evoluties moeten hebben, maar we hebben met betrekking tot radicalisering ook gezien dat evoluties plots heel snel in een negatieve richting kunnen gaan en zeer gevaarlijk kunnen zijn. We moeten dus waakzaam zijn en niet enkel de zaken afwachten. We kunnen niet zeggen dat het allemaal wel goed zal komen, want dat is al een paar keer door de feiten tegengesproken. Het is goed zaken te monitoren.

Ik ben ook blij dat u naar de rol van de zelforganisaties hebt verwezen. Indien we een mentaliteit of een overtuiging willen laten evolueren en veranderen, denk ik dat we dat niet van bovenaf kunnen opleggen. Een Franse socioloog heeft ooit het volgende geschreven: “On ne change pas la société par décret.” Dat is natuurlijk waar. Door hen met regels en verboden te confronteren, zullen we mensen niet overtuigen of zal een verandering niet worden geïnterioriseerd. Het moet de bedoeling zijn dat de mensen bepaalde zaken zelf in vraag stellen en aansluiting vinden bij een aantal evoluties en veranderingen.

Als het om holebi’s, tewerkstelling of partnerkeuze gaat, kunnen diverse rolmodellen een belangrijke bijdrage leveren. Het is echter ook belangrijk vanuit de politiek duidelijkheid te scheppen. Wat vinden we belangrijk? Wat zijn voor ons de rode lijnen die we niet overschreden willen zien? We moeten ook durven zeggen waar we een evolutie niet positief vinden.

In die zin biedt dit zeker mogelijkheden. Ik ben blij dat nu zo veel materiaal beschikbaar is. Gemeentebesturen, de Vlaamse overheid en de federale overheid, maar ook veel zelforganisaties, VDAB of het onderwijs, kunnen hiermee aan de slag. Ik denk dat er nu goed materiaal voorhanden is voor heel wat organisaties, instellingen en diensten.

De voorzitter

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, ik dank u voor het uitgebreid antwoord. Ik vind die survey zelf ook zeer interessant. Er wordt op een wetenschappelijke manier een totaalplaatje gemaakt. Zeker met betrekking tot een thematiek als samenleven en diversiteit is het goed te beschikken over een objectief terrein waar de meningen over de oplossingen kunnen botsen, maar waar tenminste een objectieve foto van de samenleving is gemaakt. Dat is zeer belangrijk. Ik hoef niet te zeggen dat ik vind dat dit ook met betrekking tot discriminatie zou moeten gebeuren om de welles-nietesdiscussie te overstijgen, maar dat geheel terzijde. Dit benadrukt het belang van een objectieve foto die de temperatuur meet. Daar ben ik het volkomen mee eens.

In de commissie Werk heb ik al eens een alarmsignaal gegeven met betrekking tot de onderparticipatie op de arbeidsmarkt van vrouwen met een migratieachtergrond. Zou u eens met minister Muyters kunnen vergaderen? U hebt hier een aanpak voorgesteld en u wilt met de zelforganisaties vergaderen. Kunt u een projectoproep lanceren om dat ook te doen met de vrouwenbeweging en met de zelforganisaties die zich specifiek op deze groep focussen?

Het gaat niet altijd om vrouwen die bij VDAB zijn ingeschreven. Vaak participeren ze amper aan de samenleving, maar er zijn organisaties die deze vrouwen kunnen bereiken. Ik geloof heel sterk in de emanciperende kracht van het aanmoedigen, het vormen, het opleiden en het helpen tewerkstellen van die vrouwen.

We doen daar naar mijn mening nog veel te weinig. De aanpak in het antwoord dat ik heb gekregen van minister Muyters, gaat over wat er nu al gebeurt. Ik denk dat we daar nog een tandje bij moeten steken.

Wat de beleidsconclusies betreft, blijf ik op mijn honger wat het integratiepact betreft. Ik hoop echt, minister, dat met de signalen die in deze survey worden gegeven, zowel de positieve signalen als de alarmsignalen, het integratiepact een motor wordt om op het vlak van inburgering en integratie een tandje bij te steken en op het vlak van integratie in de ruime zin van het woord verder te gaan dan sensibilisering en de dialoog die men nu op gang heeft gebracht. Het mag toch wat meer zijn dan louter het benoemen van het probleem.

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Ik denk dat iedereen heel blij is dat er eindelijk een compleet en betrouwbaar overzicht is van samenleving en diversiteit in Vlaanderen. Wat mevrouw Sminate heeft gezegd in haar repliek, is heel belangrijk. Een overheid – het maakt niet uit of het dan gaat over de Vlaamse overheid, een lokale overheid, de federale overheid of zelfs de Europese overheid – kan heel veel doen, maar er ligt ook nog altijd een heel grote verantwoordelijkheid bij de gemeenschappen zelf. Ik hoop dat we die mening allemaal delen en dat we niet altijd uitsluitend in de richting van de overheid kijken om alle problemen op te lossen.

Mevrouw Kherbache, wat uw opmerking over minister Muyters betreft: ik doe niets anders en ik doe niets liever dan samen te zitten met mijn lieftallige collega. Dat is geen enkel probleem, maar als ik me niet vergis, werkt het beleid ‘Focus op talent’ al samen met zelforganisaties. Ik denk dat minister Muyters daar absoluut het nut van inziet. Ik was eigenlijk van plan om daar zelf niets meer over te zeggen, maar u bent zelf over het belang van zelforganisaties begonnen. Ik geloof dat sommige zaken beter kunnen worden opgelost met de hulp van zelforganisaties dan door de Vlaamse overheid die dan met het vingertje wijst. Ik heb dat daarnet in mijn antwoord ook al gezegd.

Ik kom nog eens terug op het aanvaarden van gelijkheid tussen man en vrouw en holebiseksualiteit. Als u naar de webstek kijkt van de zelforganisatie Merhaba, ziet u wat in hun ogen hun bestaansrecht is, namelijk het aanvaardbaar maken van holebiseksualiteit en de gelijkheid tussen man en vrouw. Dat is in mijn ogen een zelforganisatie die positief zou moeten reageren op de projectoproep die op 11 juni afloopt. Zij zeggen dat zij wel een project zullen indienen maar dat ze zich daar eigenlijk niet mee bezighouden maar wel met racisme en discriminatie. Dan stel ik me echt wel vragen bij de bestaansreden van deze organisatie. Ik wil echter niet veralgemenen naar andere zelforganisaties.

Mevrouw Kherbache, ik ben net als u overtuigd van de belangrijke rol die zelforganisaties kunnen betekenen maar dan moeten ze hun rol wel serieus nemen en niet op de manier waarop Merhaba dat heeft gedaan in het kader van het aanvaardbaar maken van holebiseksualiteit en gelijkheid tussen man en vrouw.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.