U bent hier

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Op maandag 7 mei bracht het Leuvens studentenweekblad Veto als eerste de resultaten van een grote bevraging door de Vereniging- voor Alcohol en Andere Drugproblemen (VAD) over het drinkgedrag van jongeren. Uit deze resultaten zou blijken dat 90 procent van de 6733 bevraagde jongeren tussen 18 en 26 jaar ooit al heeft ‘ingedronken’, ‘ingepilst’ of heeft voorgedronken – welke term men ook wil gebruiken – of dus reeds alcohol consumeerde alvorens uit te gaan. 9 op de 10 van de jongeren die indrinken, studeren aan een universiteit of hogeschool, vandaar dat het studentenweekblad ermee uitpakte, waarschijnlijk. Het werd daarna overgenomen door andere media.

VAD stelde – terecht, denk ik – dat dergelijke cijfers problematisch zijn en duiden op een potentieel maatschappelijk probleem, of een echt maatschappelijk probleem. We moeten ook het positieve onthouden: het aantal min-16-jarigen dat alcohol gebruikt, zit in dalende lijn, maar is toch nog hoog, met 66 procent van de 12- tot 15-jarigen. Het daalt tegenover vroeger, dat is positief, de preventiecampagnes op scholen werpen hun vruchten af.

Wel is het fenomeen van indrinken niet altijd onschuldig. Veel preventiewerkers slaken een alarmkreet, ze zijn steeds bezorgder hieromtrent. Van de 12- tot 15-jarigen drinkt al meer dan de helft in, van de jongeren tussen 16 en 26 doet 70 procent dit regelmatig. Jongeren gaven aan dit vaak te doen om reeds in de sfeer van het uitgaan te komen alvorens naar de feest- of fuiflocatie te vertrekken, of omdat in huiselijke of vriendenkring – dat gebeurt nog veel meer – indrinken goedkoper was dan dezelfde consumptie betalen op café of in een andere horecazaak.

Zoals gezegd, niets zonder gevaren, problematisch is soms de snelheid waarmee die alcohol wordt geconsumeerd, het kan soms zelfs beantwoorden aan de definitie van bingedrinken. In de enquête staat hoeveel glazen de verschillende leeftijdscategorieën drinken.

Er is ook een probleem met betrekking tot de hoeveelheid alcohol die, mede door het indrinken, op een hele avond wordt geconsumeerd. Dat wordt ook aangegeven in de enquête.

Ook de frequentie, met een op vijf die wekelijks verklaart in te drinken, moet een aandachtspunt zijn.

VAD concludeert dat er een hoge maatschappelijke aanvaarding is voor wat kwalijk middelengebruik – in dezen van alcohol – kan zijn. Zij pleiten dan ook voor een gericht actieplan met alle betrokkenen en actoren om te sensibiliseren en aan preventie te doen.

Minister, u hebt ongetwijfeld kennis kunnen nemen van de resultaten van deze VAD-bevraging. Beaamt u de conclusies en gevolgtrekkingen die daaruit door de media getrokken zijn?

Zult u gevolg geven aan de vraag vanuit VAD om samen met alle betrokkenen tot een actieplan inzake preventie en sensibilisering rond indrinken en – meer in het algemeen – alcoholgebruik te komen?

Specifiek wat de studentensteden betreft, verklaarde onder meer een vertegenwoordiger van de Leuvense Overkoepelende Kring Organisatie (LOKO) dat indrinken bij studenten aan populariteit toeneemt en tot overlast leidt op het openbare domein. Minister, beschikt u over cijfers of indicaties die dit bevestigen? Zo ja, bent u bereid om, samen met de instellingen van het hoger onderwijs en de studentenraden, die vandaag al acties ondernemen inzake excessief alcoholgebruik, te werken aan een actieplan dat de specifieke doelgroep van studenten op hogescholen en/of universiteiten bereikt?

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, zoals de heer Bertels al zei, zijn er heel wat jongeren tussen 12 en 26 jaar die al alcohol hebben gebruikt maar die, vooral, ook indrinken. Met indrinken wordt de periode van twee uur voor het uitgaan bedoeld waarin men, middels voldoende gebruik van alcohol, probeert in de stemming te komen vooraleer uit te gaan. Het sociale aspect speelt natuurlijk een rol. De jongeren zien het indrinken als een bijzonder gezellige gebeurtenis die plaatsvindt bij vrienden thuis.

Een van de zaken die mij opviel, was dat, ondanks de leeftijdslimiet voor de aankoop van alcohol, de helft van de tieners tussen 12 en 15 jaar toegeeft dat ze meestal of altijd indrinken. Een vierde van de jongeren die indrinkt, nuttigt vooral sterke drank, die ze op een gemakkelijke manier kunnen vinden in nachtwinkels. Er is dus een ernstig probleem aan de aanbodzijde. Alleen blijft een nationaal alcoholplan al sinds 2013 uit. Het Drugpunt ijvert alsnog, en met reden, voor een leeftijdsspecifieke en geïntegreerde aanpak, ook op lokaal niveau. Op die geïntegreerde aanpak blijft het wachten. Vlaanderen is wel bevoegd voor preventie. Dan hebben we het over de vraagzijde.

Op eerdere vragen die ik u hierover stelde, bevestigde u telkens dat u het preventiebeleid zou versterken. Er kwamen ook nieuwe acties. Alleen stellen we samen vast dat de uitdaging om jongeren te behoeden voor alcoholmisbruik bijzonder groot blijft.

Minister, welke conclusies maakt u op basis van het onderzoek van het Drugpunt en VAD? Welke beleidsacties gaat u nemen met betrekking tot het indrinken bij jongeren, onder andere specifiek voor de doelgroep van 12- tot 15-jarigen? Op welke manier worden de ondernomen preventieve acties geëvalueerd? Welke conclusies kunt u vandaag voorleggen op basis van een dergelijke evaluatie? Wat is er tot op heden al gebeurd ten aanzien van en vanuit het federale niveau met het oog op een geïntegreerde aanpak vanuit Vlaanderen? Welke acties zult u ondernemen met welke actoren om minstens met het lokale niveau een geïntegreerde aanpak te bewerkstelligen?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, ik wil erop wijzen dat dit onderzoeksrapport vanuit de Drugpunten, in samenwerking met de VAD, gebaseerd is op een online survey bij jongeren tussen 12 en 26 jaar. Er wordt in het onderzoeksrapport vermeld dat negen op de tien respondenten schoolgaand zijn of, voor wat betreft de 18-plussers, student. Dit gegeven koppelen aan het resultaat dat negen op tien 18- tot 26-jarigen ooit indronken, en daaruit besluiten dat acht op tien studenten aan indrinken doet, klopt niet. Naast het feit dat beide resultaten niet zomaar gecumuleerd mogen worden om tot 80 procent te komen, is dit ook inhoudelijk een te-kort-door-de-bochtgevolgtrekking: ooit indrinken betekent niet dat het recent is gebeurd of nog steeds gebeurt.

Op basis van het betreffende artikel van Veto, het onafhankelijke studentenweekblad van LOKO, lijkt het alsof acht op de tien studenten indrinkt.

Bijkomend willen we de aandacht vestigen op het feit dat VAD binnen enkele dagen de resultaten van de vierde studentenbevraging zal lanceren. In tegenstelling tot het indrinkonderzoek waar VAD aan meewerkte, worden in de studentenbevraging enkel studenten bevraagd. Daarnaast maakt de studentenbevraging, eveneens in tegenstelling tot het indrinkonderzoek, gebruik van een representatieve steekproef van Vlaamse studenten. Binnenkort zullen er dus meer betrouwbare gegevens over het indrinkfenomeen bij studenten beschikbaar zijn.

We volgen evenwel de conclusies die in het rapport van de Drugpunten vermeld worden, met name dat een integrale en geïntegreerde aanpak aangewezen zal zijn om het fenomeen van indrinken bij jongeren aan te pakken. We moeten daarbij inzetten op zowel de jongeren zelf, als op hun ouders, op de horeca en op de supermarkten en nachtwinkels. Het mag duidelijk zijn dat deze integrale aanpak verder gaat dan mijn bevoegdheden inzake preventieve gezondheid toelaten.

Deze visie wordt al jaren gehanteerd binnen het preventieve gezondheidsbeleid. Die visie is dan ook opgenomen in het strategisch plan ‘De Vlaming leeft gezonder in 2025’. Om op een efficiënte wijze aan preventie te kunnen doen, dient te worden ingezet op educatie, het maken van afspraken en regels, het nemen van omgevingsinterventies en het voorzien in preventieve zorg en begeleiding. De aanbevelingen uit het rapport van de Drugpunten sluiten aan bij die vier strategieën.

We blijven verder inzetten op alle bestaande initiatieven, zoals een volgende campagne ‘Tournee minérale’ en de lokale vertaling daarvan door de Drugpunten: ‘Meer van zonder’. Daarnaast blijft VAD ouders in hun preventieve rol versterken door middel van de methodiek ‘Als kleine kinderen groot worden’. We hebben ook heel wat in ons arsenaal zitten om de horeca ertoe aan te zetten om op een structurele wijze om te gaan met alcohol. Voorbeelden daarvan zijn de methodieken Quality Nights, Quality Bars, Feestwijzer en de fuifcoaches.

VAD vraagt niet om een actieplan voor de preventie en sensibilisering rond indrinken en alcoholgebruik, maar wel een geïntegreerde aanpak, waarbij volgens de Drugpunten en VAD het lokale niveau het meest aangewezen is.

Sinds de recente staatshervorming vallen de Oost-Vlaamse Drugpunten en de andere intergemeentelijke preventiewerkingen onder onze bevoegdheid. In 2018 wordt de intergemeentelijke preventiewerking in Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant gecontinueerd. Vanaf 2019 gaan we naar een nieuw model van intergemeentelijke samenwerking, waarvoor de contouren uitgetekend worden. Het staat als een paal boven water dat de lokale aanwezigheid van preventiewerkers kan bijdragen tot een versterking van het gevoerde alcoholbeleid.

De Oost-Vlaamse Drugpunten lieten al weten dat zij na de verspreiding van de resultaten in overleg gaan met het jeugdwerk, de horeca en de ouders inzake het fenomeen van indrinken. In samenwerking met die partners, het lokaal drugoverleg en VAD zal Drugpunt lokale acties plannen.

De preventiemethodieken die door de Vlaamse partnerorganisaties worden ontwikkeld, dienen de leidraad voor methodiekontwikkeling te volgen. In die leidraad wordt gevraagd naar een evaluatie van de implementatie van de methodiek. Niet voor elke methodiek zal een uitgebreide proces-, product- en effectevaluatie mogelijk zijn. Wel kunnen we de mate waarin bepaalde methodieken worden verspreid door het loco-regionaal gezondheidsoverleg en -organisatie (Logo) nagaan. Maar zelfs dan nog kunnen we moeilijk uitspraken doen over het effect op de volksgezondheid van elk van die afzonderlijke methodieken. Fenomenen als alcoholgebruik worden bepaald door een breed scala aan beleidsmaatregelen en invloeden, zoals de prijs, de reclame, de leeftijd waarop gedronken mag worden, de gepercipieerde sociale norm enzovoort.

Wel is het zo dat de jaarlijkse leerlingenbevraging ons laat zien dat het alcoholgebruik bij jongeren daadwerkelijk aan het evolueren is: zowel bij jongere kinderen als bij de oudere zien we een daling van zowel het ooit-gebruik van alcohol als het later worden van de leeftijd waarop begonnen wordt met alcohol drinken.

We zijn uiteraard nog steeds voorstander van een nationaal alcoholactieplan. Daarover lopen op dit moment geen besprekingen. Indien VAD inderdaad van oordeel zou zijn dat we specifiek met het oog op het studentenpubliek samen met studentenverenigingen een initiatief zouden moeten nemen, zullen we dat zeker ter harte nemen. Wat ons betreft, is dat zeker iets wat met VAD kan worden opgenomen.

Zoals eerder vermeld, werd het fenomeen indrinken bij studenten onderzocht in de laatste editie van de studentenbevraging van VAD, waarvan de resultaten binnenkort zullen worden bekendgemaakt. De voorgaande studentenbevragingen onderzochten het indrinken niet. Volgens Veto onderneemt LOKO een jaarlijkse sensibiliseringscampagne rond overlast en werd die campagne vorig jaar gewijd aan het fenomeen uitgaansoverlast bij indrinken. Volgens Veto ligt het thema van de komende sensibiliseringscampagne nog niet vast. Wel is zeker dat de preventiewerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) kan helpen bij het opstellen van een beleidsmatige aanpak van het fenomeen indrinken en andere problematische vormen van alcoholgebruik door studenten. Dat kan, zoals gezegd, wat ons betreft zeker samen met VAD worden opgenomen. Daarbij dient aandacht te gaan naar een brede waaier aan maatregelen. We kunnen bekijken wat binnen onze bevoegdheid nog mogelijk is.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, dank u. Het moge duidelijk zijn: wij vinden dat jongeren moeten kunnen uitgaan en zich kunnen amuseren. Ze moeten kunnen fuiven en sfeer maken en plezier maken met elkaar. Elke ouder van een tienerjongere of adolescent kan bevestigen dat indrinken een toenemende tendens is. Ik heb zelf een tienerdochter. Het is een gewoonte geworden om ‘in’ te ‘drinken’. Dat hoeft niet altijd negatief te zijn. Ze komen samen om al iets te drinken, vooraleer naar een fuif of een andere festiviteit te gaan.

Minister, we moeten nog een bevoegdheid ter harte nemen. We moeten jongeren, maar eigenlijk iedereen, bewust maken van de risico’s die verbonden zijn aan alcoholgebruik in het algemeen en specifiek aan indrinken, zeker als dat te straffe vormen aanneemt.

We weten dat dat kan werken. We hebben het ook gehad met betrekking tot het rijden onder invloed. Na jaren campagne voeren kunnen we nu vaststellen dat de campagne heeft gewerkt. Wie nu wordt betrapt tijdens het rijden onder invloed, is meestal niet een jongere. Het zijn meestal hardleerse generatiegenoten van mij. De jongeren hebben die boodschap goed begrepen. De BOB-campagnes hebben hen heel bewust gemaakt van het feit dat rijden en drinken niet samengaan. De meesten organiseren zich om een BOB aan te stellen wanneer ze gebruik maken van een individueel voertuig. Minister, ik zou er willen op aandringen dat we vanuit Vlaanderen activiteiten opzetten. Ik begrijp dat u de lokale overheden daarbij wilt betrekken, maar we kunnen dat niet alleen aan de lokale overheden en preventiewerkers overlaten. We moeten ook vanuit Vlaanderen leeftijdspecifieke campagnes opzetten. We kunnen dat eventueel doen samen met VAD. We moeten dit doen om de lokale besturen te ondersteunen want, ja, er moet een geïntegreerde aanpak zijn.

Ik heb nog een specifiek laatste vraagje. U verwijst naar de studentenbevraging van VAD. Ik neem aan dat de resultaten daarvan, wanneer ze binnen enkele dagen worden bekendgemaakt, kunnen overgemaakt worden aan het parlement, zodat we ze niet in de media moeten lezen, met al dan niet foutieve conclusies. (Instemming van minister Jo Vandeurzen)

Als we ze op hetzelfde moment als u krijgen, zijn we al heel content.

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, dank u voor het uitgebreide antwoord. Ik ben het eens met de heer Bertels: jongeren moeten zich kunnen amuseren wanneer ze uitgaan. Tegelijkertijd is het minstens zo belangrijk dat jongeren zich bewust zijn van de mogelijke risico’s die ze lopen bij het overmatige gebruik van alcohol. Hoe je het ook draait of keert, niet weinig jongeren leggen in hun jonge jaren de kiem van een alcoholprobleem waarmee ze de rest van hun leven worstelen. Vroeg of laat worden ze daarmee geconfronteerd. Daarvan af geraken lukt niet, dat blijft een uitdaging, een worsteling voor de rest van hun dagen. Het is belangrijk dat jongeren zich daarvan bewust zijn.

In dat opzicht verrast het me niet, maar het verheugt me wel, dat u de belangrijkste conclusie van dat rapport, de nood aan een integrale aanpak, onderschrijft. U hebt dat eerder al kenbaar gemaakt.

Minister, tegelijk zei u ook, als het gaat over het nationaal alcoholplan, dat daarover op dit ogenblik geen gesprekken lopen, al bent u wel vragende partij voor een integraal alcoholplan over de verschillende beleidsniveaus heen. Dat is niet uw schuld, maar ik vind het wel pijnlijk om dat te horen. Het is ontnuchterend dat er blijkbaar mensen zijn die dat niet zo belangrijk vinden. Misschien tegen beter weten in, wil ik u daarom toch nog eens vragen om te polsen bij het federale niveau of die draad weer opgepikt kan worden. Wie weet lukt er dan toch iets? Het is immers onze morele plicht om te blijven proberen.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Het fenomeen van het indrinken is niet nieuw. We zien dat het steeds meer gebeurt. Men wil niet alleen gezellig samenzijn met vrienden, maar vaak speelt ook de prijs van alcohol een rol. Bewustwordingscampagnes zijn belangrijk en als men zich tot scholen richt, is dat een eerste belangrijke stap. Zoals de heer Anseeuw ook zegt: jongeren moeten zich bewust worden van de gevaren, want daar ligt vaak al de kiem voor mogelijke alcoholproblemen later. Als we aan preventie willen doen, kan dat een heel belangrijk punt zijn.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Iedereen beklemtoont hier het geïntegreerde beleid. Ik sluit me aan bij de heer Anseeuw om te zeggen dat Vlaanderen daarbij de lokale actoren en de horeca moet betrekken. De federale overheid moet dan actie ondernemen en het kan niet dat het nationaal alcoholplan om welke reden dan ook in de lade blijft liggen. Daar zijn geen goede redenen voor te vinden in het kader van de bewustwording van de gevaren van overmatig alcoholgebruik, die we vanuit Vlaanderen tot stand moeten brengen.

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, ik heb een oproep tot u gericht waar u niet op gereageerd hebt. Misschien betekent uw stilzwijgen dat u ermee instemt. Ik herhaal dat het belangrijk is omdat we van alles kunnen proberen op preventief vlak in Vlaanderen, maar als we geen integrale aanpak hebben en niets aan de aanbodzijde kunnen doen dat een verschil maakt, blijft het dweilen met de kraan open. Dan zien we dat er niet alleen onder de studenten maar ook onder de scholieren een aantal jongeren nu al een probleem hebben of er minstens één aan het ontwikkelen zijn. Voor hun welzijn en welbevinden en voor hun verdere leven moeten we er alles aan doen om dat tegen te gaan. Ik hoop dus dat u stilzwijgend hebt ingestemd met mijn oproep.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.