U bent hier

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, minister, wij hebben onlangs de Onderwijsspiegel 2018 in handen gekregen. Vooreerst wil ik mijn appreciatie uitdrukken voor dat document. We hebben nog niet zo lang geleden de inspecteur-generaal bij ons gehad. Het is goed dat we op basis van de Onderwijsspiegel een beeld krijgen van de werking en de kwaliteit van ons onderwijs. Op basis van die Onderwijsspiegel sprong me toch iets in het oog. Als we de resultaten van het schooljaar 2016-2017 bekijken, is daar, wat mij betreft, iets opvallends in te zien. Er staan veel cijfers in en heel veel nuttige informatie.

In ons lager onderwijs hebben wij zes leergebieden, met Frans erbij. Ik heb deze week in de pers nog de vraag gelezen of het decreet Basisonderwijs ondertussen niet moet worden vernieuwd, want dat is 20 jaar oud. Ik herinner me toen we dat 20 jaar geleden bespraken en bediscussieerden, dat er gesteld werd dat die leergebieden allemaal even belangrijk zijn en dat zij allemaal evenveel aandacht behoeven. U kent de belangrijkste leergebieden waar we hier vaak over spreken onder meer Nederlands en wiskunde. De voorbije periode hebben we het ook uitvoerig gehad over wetenschap en techniek en mens en maatschappij. Over Frans worden ook regelmatig vragen gesteld. Er is ook lichamelijke opvoeding.

Wat mij vooral opviel, is dat wat muzische vorming betreft, de Onderwijsspiegel blijkbaar niet zo'n fraai beeld schetst, en zeker de evolutie daarin, maar ik denk dat mevrouw Brusseel het daar in het bijzonder over zal hebben.

Muzische vorming is zeer belangrijk, net zoals die andere leergebieden, omdat we hier aandacht geven aan twee belangrijke woorden die beiden met een c beginnen: creativiteit en cultuur. Wij weten dat onderwijs belangrijk is in de totale vorming van jongeren. Maar als we dan vaststellen dat de muzische vorming nog zeer goed scoort met 81 procent in het kleuteronderwijs, dan zien we vervolgens in 77 scholen in het lager onderwijs waar de doorlichting plaatsvond wat muzische vorming betreft, dat we zakken naar voldoende, 53 procent. Dat is met de hakken over de sloot, maar voor een belangrijk leefgebied mogen we daar niet tevreden mee zijn. Dat grote verschil tussen het kleuteronderwijs en het lager onderwijs valt toch wel op.

De inspecteur-generaal denkt dat de oorzaak vooral ligt bij het feit dat men te eenvoudige opdrachten geeft en dat men in dit leerdomein de verschillende mogelijkheden te beperkt aandient. Het gaat over beeld, muziek, drama, beweging, media en noem maar op.

Minister, in die optiek wil ik niet onvermeld laten dat we ondertussen met het decreet Deeltijds Kunstonderwijs (dko) ook wel een incentive hebben gegeven om een betere samenwerking tussen het basisonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs te bewerkstelligen. Hopelijk zal dat een aanzet geven om ook hier betere resultaten te verwerven.

Minister, hoe gaat u met deze slechte cijfers wat muzische vorming betreft om? Wat vindt u zelf van de bevindingen en de uitspraak van de inspecteur-generaal dat het misschien te oppervlakkig aan bod komt? Ik wil bij dezen een lans breken voor het volgende. Leerkrachten hebben allemaal verschillende talenten, los van de lerarenopleiding. Maar ik ken ook voorbeelden van scholen waar men leerkrachten flexibel inzet in bepaalde leergebieden. Een leerkracht die goed is in muziek en zang, gaat in verschillende klassen lesgeven, terwijl een andere leerkracht dan in die klassen bijvoorbeeld plastische opvoeding geeft. Misschien wordt dat te weinig toegepast. Het zijn mogelijkheden die zo oud zijn als de straat om leerkrachten in te zetten. Misschien is het ook een mogelijkheid om daar meer de klemtoon op te leggen. Hoe denkt u vanuit het beleid er meer zorg voor te dragen dat het niveau van muzische vorming opgetild wordt en dat we in de toekomst een neerwaartse spiraal kunnen ombuigen en er meer aandacht is voor creativiteit en cultuur zodat we in de brede opvoeding van jongeren ook dat aspect ten volle aan bod laten komen?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Op 2 mei stelde de Vlaamse onderwijsinspectie haar jaarverslag voor. Vergeleken met andere schooljaren zien we voor 2016-2017 vergelijkbare resultaten wat muzische vorming betreft. De ruime meerderheid van de onderzochte leergebieden voldeed. Toch zijn er wat kanttekeningen specifiek bij het leergebied muzische vorming.

De vorige editie van Onderwijsspiegel had beterschap opgemerkt, maar we gaan opnieuw achteruit. In het kleuteronderwijs voldoet muzische vorming in 81 procent van de doorlichtingen; in het lager onderwijs bedraagt dit slechts 53 procent. 

Minister, we hebben het hier in deze commissie al vaker gehad over de uitdagingen waarvoor muzische vorming staat. Naar aanleiding van de Onderwijsspiegel 2017 verwees u naar de resultaten van Cultuur in de Spiegel, en de daaruit voortkomende tools voor leerkrachten. Ook kan via Cultuurkuur een cultuureducatief project vanuit de klas worden georganiseerd. Er zijn zo nog wel meer mogelijkheden om cultuureducatie op school te ondersteunen. Er is het initiatief dynamoPROJECT en dergelijke meer. Net zoals collega Van Dijck wil ik ook verwijzen naar de nieuwe opportuniteiten die voortkomen uit het nieuwe niveaudecreet Deeltijds Kunstonderwijs. Maar dit alles bij elkaar, de initiatieven die of nieuw zijn of al enkele jaren lopen, zorgen nog altijd niet voor de gevoelige stijging waar wij naar op zoek zijn.

Zowel ikzelf als verschillende van mijn collega’s stelden in het verleden al vragen over cultuureducatie in het algemeen en het versterken van muzische vorming via bijvoorbeeld Cultuur in de Spiegel. Er werden ook initiatieven genomen door uw collega van Cultuur, minister Gatz. Uit de vaststellingen gemaakt door de Vlaamse onderwijsinspectie zien we nog steeds weinig concrete vorderingen.

We weten trouwens ook dat in heel wat secundaire scholen er amper nog aandacht is voor cultuureducatie en muzische vorming. In het vrije net is er vaak nog ruimte voor het vak esthetica, maar in het gemeenschapsonderwijs niet. Daar is voor het secundair onderwijs de muzische vorming, op de eerste graad na, nagenoeg onbestaande. Dat heeft natuurlijk wel zijn invloed. Het feit dat creativiteit in de vorm van muzische vorming niet expliciet beoefend wordt op school, beïnvloedt ook de mentaliteit in Vlaanderen en het belang dat men eraan hecht. Ik vraag me af of we echt verbaasd moeten zijn door die slechte cijfers.

Minister, hoe verklaart u de terugval vergeleken met 2015-2016, toen muzische vorming in het lager onderwijs nog voor 59 procent voldeed?

Kunt u toelichting geven bij de werking van www.mijncultuurspiegel.be en www.cultuurkuur.be, vooral dan wat het bereik van leerkrachten kleuter- en lager onderwijs betreft?

Het niveaudecreet Deeltijds Kunstonderwijs (dko) zet in op de versterking van de samenwerking tussen academie en leerplichtonderwijs. Welke bijkomende initiatieven zijn mogelijk opdat vooral de basisscholen worden betrokken?

Het aantal keren dat het leergebied muzische vorming in het lager onderwijs niet voldeed, ligt opeenvolgende jaren erg hoog. Acht u het bijgevolg geen noodzaak om werk te maken van een concreet actieplan?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Collega’s, het is goed dat er een aantal vragen worden gesteld over onze Onderwijsspiegel. We doen vandaag eigenlijk een voorafname. Ik geef dan ook graag mee dat er volgende week een hoorzitting gepland staat om die Onderwijsspiegel te bespreken. Ik denk dat onze inspectie een aantal duidingen wil geven. Ik zal mij dus beperken tot een aantal beleidsmatige vragen. Voel u zeker vrij om daar volgende week nog dieper op in te gaan met de inspectie. Dat wilde ik even meegeven. Maar zelf ben ik er dan niet.

Uiteraard deel ik jullie bezorgdheid. Het is trouwens een bezorgdheid die zich voornamelijk – dat zullen jullie ook wel hebben gezien – situeert in het lager onderwijs, waar iets meer dan de helft, 53 procent, van de doorgelichte scholen voldoet op het vlak van muzische vorming. In het kleuteronderwijs ligt dat cijfer met 81 procent toch een heel stuk hoger. Dat is op zich een supergoede zaak. Het is moeilijk om te spreken over een terugval – de inspectie zal u dat wel uitleggen – omdat de cijfers altijd gebaseerd zijn op een stukje van de doorlichtingen. Het is telkens een beperkt aantal scholen dat wordt doorgelicht. Je kunt eigenlijk pas conclusies trekken als je een volledig beeld hebt van alle basisscholen in Vlaanderen. Wat wel duidelijk is voor mij, collega’s, is dat we een slechte score zien. Oorzaken en remedies zijn minder eenvoudig te duiden dan de conclusie dat de score niet goed is.

Het is spijtig dat nog te vaak de perceptie leeft dat muzische vorming een soort tweederangsvak is. Een vak als muzische vorming – dat hebben jullie ook gezegd – kan ervoor zorgen dat een leerling, die misschien minder uitblinkt in andere vakken, nieuwe talenten bij zichzelf ontdekt. Dat kan alleen maar het zelfvertrouwen ten goede komen.

Leerlingen moeten tijdens hun schooltijd ‘goesting’ krijgen in cultuur en kunst. Daarin hebben leraren bij uitstek, zoals voor zoveel terreinen, een voorbeeldfunctie. Als jongeren die met een lerarenopleiding starten, zelf op school heel weinig in aanraking gekomen zijn met kunst en cultuur, is het moeilijk om die passie over te dragen. Daarom is het van belang om van jongs af aan zoveel mogelijk dat opsnuiven te hebben.

Muzische vorming zit vervat in de basiscompetenties van de lerarenopleiding. En die vormen dan het referentiekader voor de lerarenopleiding. Ik wil dat eigenlijk ook graag zo houden. Ik vind dat die muzische vorming een elementair onderdeel is van een globale lerarenopleiding. Ik heb er geen probleem mee dat je leergebiedexpert of zo wordt. Maar ik vind het wel elementair dat het geïntegreerd blijft in de algemene basisopleiding, omdat elke leerkracht dat wel een beetje moet uitdragen. Dat geef ik mee als kader.

Een belangrijk aspect is ook het durven. Toen daarnet het liedje gezongen werd, heb ik gezwegen. Ik zag een aantal mensen heel spontaan zingen, anderen heel voorzichtig en sommigen zwegen. Misschien kan ik wel goed zingen, maar ik mankeer soms de durf om gewoon de ‘full monty’ te gaan. (Opmerkingen. Gelach)

Nee, nee. Ik heb zelfs al samen met John Crombez gezongen. Als ik dát durf, dan durf ik al de rest ook. Voor sommige leerkrachten zal de drempel om te zingen in de klas aanzienlijk hoger liggen dan om een wiskundeoefening uit te leggen.

We moeten zoeken hoe we daar een goed kader kunnen bieden. Een kader als Cultuur in de Spiegel biedt een ondersteuning voor leerkrachten om cultuur binnen te brengen in alle lessen, dus niet enkel tijdens de les muzische vorming. Op die manier kan het zelfvertrouwen van de leerkrachten stijgen. Dat kader van Cultuur in de Spiegel is niet alleen nuttig voor het basisonderwijs, waar de aanpak geïntegreerd is, maar ook voor het secundair onderwijs. Ik geef een voorbeeld, speciaal voor collega De Ro. Het KTA De Brug in Vilvoorde is een van de pilootscholen die Cultuur in de Spiegel toepaste tijdens de lessen verwarmingstechnieken. U zult zich misschien afvragen hoe het in godsnaam mogelijk is om dat toe te passen tijdens de lessen verwarmingstechnieken. Via het bestuderen van het materiaal waarmee de leerlingen dagelijks aan de slag gaan, werd gekeken hoe muziek mee kon worden gemaakt en ontdekten de leerlingen dat bepaald materiaal daar meer geschikt voor is dan andere materialen. Dat vind ik heel mooie voorbeelden om die muzische vorming toch via een atypische weg – bij de kleuterscholen doen ze dat automatisch – binnen te brengen.

Mevrouw Brusseel, mijnheer Van Dijck, zoals u weet, verwacht ik veel van het niveaudecreet Deeltijds Kunstonderwijs en de samenwerking tussen het deeltijds kunstonderwijs en het leerplichtonderwijs via Kunstkuur. Hierbij komt een leerkracht deeltijds kunstonderwijs in de leerplichtklas tijdens de lessen muzische vorming. Op die manier komen de leerlingen uit het leerplichtonderwijs op een laagdrempelige manier in contact met de academie. Hopelijk zullen hierdoor meer leerlingen de stap zetten naar de academie. Collega De Ro heeft deze thematiek onlangs nog onder de aandacht gebracht.

Daarnaast zullen leerkrachten ook aan coteaching kunnen doen. Het is de bedoeling dat leerkrachten uit het leerplichtonderwijs bijleren op muzisch vlak van leerkrachten uit het dko. Maar omgekeerd is het ook de bedoeling dat leerkrachten uit het deeltijds kunstonderwijs bijleren van de collega’s uit het leerplichtonderwijs op pedagogisch vlak, bijvoorbeeld over hoe je omgaat met heel jonge kinderen. We plannen ook dat studenten uit de lerarenopleiding stage kunnen lopen in deze projecten. Dat is ook een belangrijke meerwaarde voor het ontwikkelen van de muzische feeling.

Er zullen gelijktijdig een 300-tal lokale samenwerkingsinitiatieven kunnen plaatsvinden. Dat wil zeggen dat elke academie – er zijn er 168 in Vlaanderen – ongeveer twee samenwerkingen zal kunnen organiseren. Dat komt overeen met zes klassen een heel schooljaar lang gedurende twee uur per week kunnen ondersteunen. Dat lijkt mij een mooie startbasis. Voor deze projecten zijn ook werkingsmiddelen begroot. Daarenboven kan een samenwerkingsproject subsidies vragen via dynamoPROJECT en dynamoOPWEG.

Zowel kwantitatief als kwalitatief komt dat neer op een grote intensifiëring van cultureel bewustzijn en culturele expressie binnen ons gewoon dagonderwijs.

Om de werking van Kunstkuur te ondersteunen maken we een tool met goede praktijkvoorbeelden. Op die manier willen we inhoudelijke verdieping en inspiratie bieden voor het uitwerken van een geslaagd Kunstkuur-project.

Ik zie heel wat initiatieven die basisscholen verder kunnen ondersteunen. Scholen kunnen subsidies aanvragen om bij een kunst- of cultuurproject op school ondersteuning te krijgen van een professional. Ik heb dat al twee keer meegemaakt. Het is heel mooi om te zien dat een kunstenaar naar een klas komt en dan een hele klas kan begeesteren. Met de huidige ronde van 15 mei hebben we het maximumbedrag opgetrokken naar 2000 euro per project in plaats van 1500 euro. Via dynamoOPWEG kunnen scholen kosteloos met De Lijn naar culturele bestemmingen. Op Cultuurkuur kunnen leerkrachten meer dan 200 praktijkvoorbeelden vinden die hen kunnen inspireren om met kunst en cultuur aan de slag te gaan.

Er is een inspiratiedag Cultuur op School. Die vond dit jaar plaats in Museum M in Leuven. Daar waren live contacten mogelijk tussen leerkrachten onderling en culturele partners. Er is ook een Netwerk Lezen op School, dat vier keer per jaar samenkomt.

Zoals ik daarnet zei, hebben we deze legislatuur sterk ingezet op de samenwerking met Cultuur en Jeugd. In februari 2017 werd hier het actieplan Cultuur en Onderwijs besproken. Dat heeft ons heel interessante nieuwe inzichten geleverd.

Cultuur in de Spiegel versterkt de scholen verder, samen met de pedagogische begeleidingsdiensten, die een duidelijke rol hebben. Maar ik wil jullie graag vragen om tijd te geven, zodat de zaadjes die we hebben geplant, kunnen groeien en we later kunnen oogsten.

We hebben een nieuw decreet in de steigers staan. Er zijn heel wat projecten. We moeten niet negatief zijn. Het is van belang dat de ogen geopend zijn. Als we allemaal overtuigd zijn van het belang van die muzische vorming, moeten we bekijken hoe we dat kunnen versterken. Ik denk dat we echt al wat zaadjes hebben geplant voor beslissingen die we samen met jullie hebben genomen. Een bijkomend actieplan lijkt me dus niet echt nodig. We moeten inzetten op de nieuwe hefbomen en instrumenten die er zijn.

De website www.mijncultuurspiegel.be bevat een interactief reflectie-instrument over cultuur in het onderwijs. Het is bedoeld voor leerkrachten in het leerplichtonderwijs. Het geeft een test waarmee je kunt nadenken over jouw visie op cultuur en onderwijs. Het instrument biedt ook een spiegel om te analyseren welke muzische aanpak je nu hanteert en hoe je daarin meer kunt variëren en verdiepen.

Ik geef u wat cijfers mee. Tussen mei 2017 en mei 2018 – het voorbije jaar dus – werd er 3736 keer een enquête ingevuld op www.mijncultuurspiegel.be. Ik vind dat een heel positief resultaat. Het bevat aparte testvragen voor elk onderwijsniveau. 42,7 procent vult de test voor kleuteronderwijs in, 16 procent voor de lagere school. De overige zijn studenten uit de lerarenopleiding. Het kan dus nog wel wat beteren wat het lager onderwijs betreft. Dat is evident.

Na het invullen van de test, krijgt de leerkracht gedetailleerde feedback en tips. Sinds kort kunnen leerkrachten de resultaten opslaan. Als zij dan later de enquête opnieuw invullen, kunnen ze de evoluties in kaart brengen. We maken dat dus eigenlijk om jezelf te monitoren.

De website www.cultuurkuur.be is op één jaar tijd, tussen 10 mei 2017 en 10 mei 2018, 20.000 keer bezocht. 1500 culturele organisaties maakten hun aanbod daar kenbaar. Leerkrachten kunnen dus zoeken naar iets dat heel specifiek bij hen past.

Zoals ik al zei, kunnen er subsidies worden aangevraagd via dynamoOPWEG en dynamoPROJECT.

Tot slot wil ik nog meegeven dat ook in het OKAN-onderwijs (onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers) muzische vorming een zeer belangrijk onderdeel is en kan zijn om jongeren te integreren. Ik heb zo’n klas bezocht. Mijnheer Daniëls, u was daar ook, net als collega De Meyer. Dat was bij Sanne, in Belsele. Zij bevestigde dat samen muziek maken een universele taal is en zeer helend werkt, maar ook zeer integrerend naar kinderen in de klas. Dat mogen we dus iets vaker in de vitrine zetten als instrumenten die zeer goed zijn om te hanteren.

Ik wil dit ook in de commissie toepassen, maar ik denk, als ik de leden zo bekijk, dat iedereen zeer goed geïntegreerd is. Als er natuurlijk nieuwe commissieleden een vraag komen stellen, zouden we een liedje kunnen zingen om hen zich thuis te laten voelen. Voor de rest denk ik dat er hier weinig integratieproblemen zijn. (Gelach)

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Ik ben zeer tevreden met uw antwoorden. Ik heb in mijn vraagstelling reeds aangehaald dat er een aantal zaken in de pijplijn zitten. Er is decreetgevend werk gebeurd en we hopen inderdaad dat er verbetering komt. Maar het moet nog altijd op de klasvloer zelf gebeuren.

Ik wil nog één voorbeeld aanhalen. Voor een stuk komt dat tegemoet aan wat u aanhaalde. Ik stel nog steeds vast dat er veel jongeren zijn die bijvoorbeeld voor een groep niet alleen moeilijk of niet durven zingen, maar zelfs niet durven spreken.

Ik heb dinsdag nog een workshop voorgezeten met een zestigtal studenten. Het was de bedoeling om dat heel interactief te doen, met het stellen van vragen en met antwoorden.

Toen we nadien met anderen die gelijkaardige workshops voorzaten – onder andere weerman Frank Deboosere was er een van – een koffie dronken, zeiden we dat het toch zo moeilijk was om vragen te stellen en antwoorden te krijgen op wat eigenlijk open vragen waren. Er waren diverse studenten die inderdaad aangaven dat de groep wat groot was, dat ze het eigenlijk niet goed durfden. Bij muzische vorming, maar niet alleen als het gaat over zingen, maar ook over voordracht, moet men inderdaad jongeren meer standvastig kunnen maken, zelfvertrouwen kunnen geven om voor een groep iets durven voor te brengen, een van buiten geleerde tekst of om het even wat. In die optiek ben ik dus tevreden met uw antwoord. Ik hoop dat we door deze cijfers, althans door de aandacht die we daaraan geven en die we daar volgende week ongetwijfeld ook aan zullen geven, toch wel de vinger op dat wondje kunnen leggen, dat men daar ten volle aandacht aan kan blijven spenderen, want dit is inderdaad heel, heel belangrijk.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, dank u voor uw antwoord. Ik denk dat het goed is dat we volgende week opnieuw kunnen spreken met de inspectie. Ik zal hen dan ook vragen of ze daadwerkelijk de directies en schoolteams die het niet goed doen qua muzische vorming, aanmanen gebruik te maken van alle instrumenten en mogelijkheden die er zijn. We hebben inderdaad nieuwe mogelijkheden gecreëerd. Het zal zaak zijn om de komende jaren op te volgen in hoeverre men daarvan gebruikmaakt. Wat we echter eigenlijk gedaan zouden moeten krijgen, is dat die leerkrachten die er weinig voeling mee hebben, toch in deze ‘spiegel’ gaan kijken en op zoek gaan naar oplossingen. Een van de oplossingen kan zijn dat men de experten in het leergebied op school aanspreekt om het goed te doen, want volgens mij zal je niet mooi leren zingen van iemand die zelf niet kan zingen. Ik heb daarnet meegezongen, maar ik verontschuldig me bij mijn medewerker, die naast me zit en dat heeft moeten aanhoren. Pas op, voor mijn dochter heb ik leren zingen. Het helpt dus om kindjes in huis te hebben. Ik heb dus ook zelf een inspanning gedaan – maar dat geheel terzijde.

Ook voor het secundair onderwijs zou ik maatregelen willen bepleiten, voor de toekomst. Ik heb het niet over de eindtermen die nu in de maak zijn, maar men moet daar toch eens over nadenken als men een mentaliteitsomslag wil maken. Welke profielen zullen in tijden van digitalisering en robotisering, van wijzigingen in de arbeidsmarkt het sterkst aanwezig zijn? Zij die wendbaar en creatief zijn, en creativiteit is iets dat je vanaf je jonge jaren moet leren. Kijk naar heel kleine kinderen: die zijn creatief. Naarmate ze langer naar school gaan, gaat dat er wat uit, en dat is eigenlijk spijtig. Dat zou niet zo mogen zijn. Het is gemakkelijker om die muzische vorming in de kleuterklas te realiseren. Daar is men minder bang om het te doen. Men experimenteert er meer. In de 21e eeuw is het meer dan ooit essentieel dat dat experimentele erin blijft, dat we dat stimuleren door cultuureducatie. Het is daarom ook niet verbazingwekkend dat zoveel wetenschappers vandaag pleiten voor STEAM (Science, Technology, Engineering, the Arts and Mathematics): men wil de link leggen tussen de kunsten en de wetenschappen omdat daar ook mogelijkheden zijn. Men haalde het voorbeeld van het tso aan. Dat is zo: met materie aan de slag gaan, dat is wat een kunstenaar doet, dat is wat wetenschappers doen. Ik wil ook de link leggen tussen taal en kunst, want kunst is een universele taal. Men moet daar dus van gebruikmaken. Ik kan me niet voorstellen dat je literatuur eigenlijk heel goed kunt voorstellen vandaag zonder gebruik te maken van cultuur en kunst.

Men moet daar dus meer mee doen, en niet alleen voor het doel op zich. Dat heeft ook een sociaal doel. Minister, daarin zult u me zeker volgen. Als Ada onvoldoende muzische vorming krijgt in de lagere school, dan zal ik dat wel compenseren. Ik heb daar de middelen voor en ik heb daar de ingesteldheid voor. De kinderen die dat echter thuis niet meekrijgen, die zijn voor cultuureducatie afhankelijk van de school en de school alleen. Daarom is het belangrijk dat we daar nu echt een omslag in maken. We zullen daar volgende week een hartig woordje over spreken met de inspectie.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Ik zal toch elke kans in deze commissie blijven aangrijpen om de volgende boodschap mee te geven. Minister, u hebt er ook eventjes naar verwezen.

Muzische vorming komt jaarlijks terug. De collega’s Brusseel en Van Dijck hebben daar al diverse keren vragen over gesteld, anderen ook, bij de Onderwijsspiegel van 2017, van 2016, van 2015. Als we hier nu met de commissie van een wit blad zouden moeten vertrekken inzake de vraag hoe we die leerkrachten beter kunnen ondersteunen, dan zouden we met zijn allen zeggen dat het een kwalitatieve professionalisering moet zijn dicht bij de leerkrachten, zodat ze zich niet ver moeten verplaatsen. Wel, collega’s, we hebben op heel veel plaatsen mensen zitten in het dko die op dat terrein experten zijn, experten in zang, in dans, in beeldende kunsten, in expressie, in woord, in het overwinnen van angsten, in samenzang, in samenspel. Die hebben we allemaal. Dit is eigenlijk een warme oproep aan de koepels en het dko om binnen het nieuwe decreet inzake het dko zo snel mogelijk kort- of langlopende programma’s te ontwikkelen waarbij men aan de collega-leerkrachten van kleuter-, lager en secundair onderwijs initiaties of zelfs expertopleidingen geeft met betrekking tot muzische vorming. Niet elke leerkracht in het kleuter- en lager onderwijs zal degene worden die op dat terrein de grootste expertise zal ontwikkelen, maar als het gaat over het laten proeven, het overwinnen van de angst om omtrent dat thema zelf wat creatiever te werken, denk ik dat de oplossing zeer lokaal ligt, met zeer veel expertise. Dat kan een samenspel zijn van dko en het lager onderwijs. Ik denk – en u hebt dat ook al een paar keer op mijn vragen geantwoord – dat het decreet dat is goedgekeurd en vanaf september van toepassing zal zijn, die mogelijkheid nog vergemakkelijkt. Uit heel de Onderwijsspiegel – en ik zal daar volgende week de inspecteur-generaal ook nog eens over bevragen – blijkt toch wel één ding: als ze expert in iets zijn, durven onze leerkrachten eigenlijk zeer weinig die expertise open te stellen. Is dat omdat ze vrezen als arrogant te worden bekeken, omdat ze vrezen dat dat niet van hen zou worden aanvaard? Of geloven ze zelf niet dat ze zelf expert zijn? Dat zelf delen van expertise – en er is zoveel expertise in het onderwijs – gebeurt eigenlijk veel te weinig. Ik denk dus dat we daar vanuit dit parlement toch altijd mee de nadruk op moeten blijven leggen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik kijk natuurlijk uit naar het gesprek dat we volgende week hebben met de inspectie, zodat we deze cijfers nog beter kunnen duiden en analyseren, en bekijken welke de remediëringsmogelijkheden zijn. Ik lees in het rapport dat er wat het kleuteronderwijs betreft 81 doorlichtingen zijn geweest met de focus op muzische vorming, en in het lager onderwijs in 77 scholen met die focus. In het kleuteronderwijs voldeden er 15 niet, in het lager onderwijs 36. Minister, collega’s, ik denk dat dat een belangrijk signaal is, maar anderzijds vraag ik me wel af of dit representatief is voor Vlaanderen, of we die cijfers mogen extrapoleren. Ik blijf met een aantal vragen zitten, maar ik hoop op meer verheldering volgende week. Ik hoop dat we nog beter zullen kunnen inschatten hoe we dit moeten duiden en op welke wijze er kan worden geremedieerd.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Ik wil eerst en vooral mijn twee collega’s danken voor de zeer interessante vraag. Dit moet elke keer opnieuw terugkeren, want het is eigenlijk een oud zeer, zeker in het basisonderwijs, die mindere resultaten voor muzische vorming bij inspectie. Ik wil toch een aantal dingen duiden, ook vanuit mijn praktijkervaring. Alle domeinen zijn even belangrijk. Dat is hier ook al aangehaald, maar dat is zo, in het kader van de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de kinderen. Er is ook de horizontale en verticale samenhang van de diverse domeinen: in de basisschool moet elk domein als even belangrijk worden beschouwd. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Wiskunde is even belangrijk als muzische vorming. Er moet ook een integratie zijn van de diverse domeinen. Het is niet zo dat muzische vorming een domein is dat op zichzelf bestaat. Neen, muzische vorming moet ook terugkomen geïntegreerd in diverse anderen domeinen. Dat staat ook zo in het leerplan. Dat is die verticale samenhang die je moet hebben in de basisschool.

Wat is echter het probleem? Het probleem is niet eenzijdig. Ten eerste, de jongste jaren zijn er enorm veel nieuwe leerplannen gekomen. Muzische vorming was daar een van. De school heeft drie jaar de kans om leerplannen te implementeren, en het gebeurt dan wel eens dat men muzische vorming achteraan plaatst, dat men dat wat op de achtergrond duwt.

Ten tweede, leerkrachten die dertig jaar geleden zijn afgestudeerd, hebben die opleiding, die basiscompetenties niet meegekregen. Ik zal dat nuanceren. Als je het leerplan van muzische vorming nu bekijkt, dan is dat in de verste verte niet meer te vergelijken met wat men zoveel jaar geleden op school als basiscompetenties heeft geleerd. Geloof me, ik heb de nieuwe leerplannen nog zelf meegemaakt en gezien. Dat is een enorme inspanning voor mensen die pakweg dertig jaar geleden zijn afgestudeerd. Onderschat dat niet. Het is hier al opgenoemd: beeld, drama, bewegen, media... Ik vergeet er zelfs nog een, maar dat doet er niet toe. Al die domeinen of tussendomeinen moet je als leerkracht gaan beheersen. Als je dat domein echt wilt integreren in je team, dan zijn vorming en tijd om vorming te volgen noodzakelijk. Dat is ook al aangehaald door de collega’s. Dat is cruciaal als je dat heel ingewikkelde leerplan – echt waar, het is heel ingewikkeld – van muzische vorming in je team wilt implementeren. Dan komen we weer tot de vraag welke prioriteiten worden gesteld en welke niet. Muzische vorming wordt niet altijd door alle scholen als prioriteit nummer een geplaatst.

Het is ook niet meer dan normaal dat het kleuteronderwijs een stuk beter scoort dan het lager onderwijs. Dat is ook een evidentie. Waarom? Omdat dat in het kleuteronderwijs veel meer en beter is geïmplementeerd in het totaalpakket. Kleuterleerkrachten hebben die basiscompetenties nog meer. Dat zit nog meer in hun programma.

Ik pleit ook voor een goede overgang tussen basisonderwijs en secundair onderwijs. Dat moeten we ook zeker meenemen in het debat.

Tot slot, maar niet het minst, collega De Meyer, we mogen hier niet licht overheen gaan. Ik denk dat dat absoluut wel representatief is, en dat we die hefbomen aan de scholen moeten kunnen aanbieden op allerhande vlakken om de resultaten voor muzische vorming op te krikken. Zoals de minister zegt: het zal echter niet zo gemakkelijk zijn om dat te doen, omdat er daar geen eenduidige oplossing voor is.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Ik denk inderdaad dat het debat dat we volgende week zullen voeren over de Onderwijsspiegel, een belangrijk debat zal zijn.

We kijken zeker uit naar de eindtermen, de minimumdoelstellingen, en die zullen er ook zijn voor muzische vorming en andere scheppende, creatieve vormingen.

Ik treed de collega’s bij: de mensen die expertise hebben, die zich goed voelen in een bepaald domein, of dat nu wiskunde, muziek, Nederlands of wetenschap en techniek is, die moeten we toch werkelijk durven in te zetten. Dat debat hebben we hier al een aantal keren gehad. Ik merk op het terrein dan enige tegenstelling. Aan de ene kant zegt men dat alles geïntegreerd moet blijven, dat men niet met vakleerkrachten gaat beginnen omdat dat zeer nefast zou zijn voor het geïntegreerde wereldbeeld van de jongere. Aan de andere kant wil men echter dan wel experten uit het dko in het basisonderwijs binnenbrengen. Wel, collega’s, voor mij kunnen dat experten uit het dko zijn, maar dat kunnen ook collega’s zijn die daar al sterk in zijn, en die dan in al die klassen die muzische vorming geven. Dat kunnen ook collega’s zijn die aan de hogeschool een bijkomende vorming hebben gevolgd voor dit of een ander leergebied. Laten we nu dus alstublieft afstappen van het idee dat iedereen alles perfect moet kunnen. Zoals de minister heeft gezegd, sommigen hebben hier daarnet luidop ‘Happy Birthday’ gezongen en anderen hebben niet gezongen. Ik neem ze niet kwalijk dat ze niet hebben gezongen. Ik stel voor dat je de meest enthousiaste en degene die dat het beste kan, vooraan zet, want dan merk je dat er veel meer volk zal meezingen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Dit is een vraag die tot heel veel bijkomende opmerkingen leidt, dus op zich is dat een zeer goede zaak. Ik heb niet zoveel vragen aan mij gehoord, behalve eentje van de heer Van Dijck, dan gevolgd door de heer De Meyer, over het aantal scholen. (Opmerkingen)

Kwam dat niet van u? Ik heb in mijn inleiding gezegd dat je die resultaten niet zomaar kunt transponeren naar heel Vlaanderen omdat men elk jaar maar een paar scholen doorlicht. Je kunt dus niet zeggen dat de resultaten nu slechter zijn dan die van vorig jaar en het jaar daarvoor. We zien echter wel een constante: ze zijn nooit echt goed. Als u dus vraagt of er een pijnpunt is, dan is het antwoord sowieso ja. Mag je de resultaten van de jongste doorlichtingsronde zomaar extrapoleren naar heel Vlaanderen? Neen. Ik denk dat de inspectie daar volgende week ook nog op zal terugkomen en er wat meer duiding over zal geven.

Ik kom terug op de opmerking over de leergebiedexperten.

Ik heb al gezegd – en ik zag heel veel instemming in de zaal – dat het voor mij zeer belangrijk is dat muzische opvoeding deel blijft uitmaken van de geïntegreerde opleiding voor leerkrachten.

Toen ik in de lagere school zat – en dat is heel lang geleden, niet van de oertijd, maar toch lang geleden –, toen ik in het vijfde leerjaar kwam, werden de vakken aardrijkskunde, biologie en nog iets gesplitst gegeven. Mijn mama stond ook in het vijfde leerjaar en gaf overal natuurkennis en biologie, haar collega gaf overal aardrijkskunde. Er werd dus al goed gemixt tussen de klassen. Dat is ook een beetje iets van alle tijden. Dus ik vind dat op zich totaal geen probleem dat er voor muziek iemand anders komt. Maar voor mij is het in het basisonderwijs wel heel goed dat de leerlingen één leerkracht hebben. Ik zou het een verarming vinden als ze voor elk vak iemand anders kregen. Ik vind dat het deel moet uitmaken van de opleiding.

Dat een school kiest wie welk vak geeft en daar afspraken rond maakt, dat is oké. Zelfs coteaching in een grotere groep, zeker voor muziek, lijkt me perfect mogelijk. Met grotere groepen zijn dat allemaal opportuniteiten die bestaan. Het belangrijkste voor mij is dat muziek een volwaardige plaats krijgt op school.

Dat zegt de inspectie ook: men innoveert een beetje weinig met die muzische vorming. Dat was de eerste opmerking, men legt de lat eigenlijk vrij laag. Men denkt al snel dat het wel goed zal zijn. Dat is een beetje spijtig, uiteraard. Als men muziek op hetzelfde niveau plaatst als andere vakken, als wiskunde en taal – muziek is wat mij betreft een extra taal –, zal men er meer innovatief mee omgaan.

Dit wordt vervolgd, volgende week met de inspectie. Mocht u daarna nog vragen aan mij hebben, weet dat ik ze met heel veel plezier zal beantwoorden, maar volgende week ben ik er zelf niet.

Voorzitter, minister, er zijn naar aanleiding van deze vraag heel veel waarheden verteld. Ik ben het ermee eens dat muzische vorming deel moet blijven van de algemene opleiding van onze leerkrachten. Ik heb met heel veel belangstelling naar collega Vandenberghe geluisterd rond de evolutie ter zake. Zijn onze leerkrachten nog mee in de nieuwe aanpak van muzische vorming? Ik hoor bij velen, hoe doorslaggevend deze cijfers ook zijn, dat er toch een algemene vaststelling is dat het niet goed zit, en dat we de scholen oproepen om de juiste tools te gebruiken en de juiste leerkrachten, ongeacht de brede opleiding die ze gekregen hebben. Daar moet de nodige aandacht naartoe gaan.

Ann Brusseel (Open Vld)

In de korte tijd tussen de aankondiging van deze vraag deze ochtend via Twitter en nu zijn er heel wat reacties gekomen. Heel wat mensen hebben negatieve ervaringen met die muzische vorming. Het is natuurlijk absoluut te vermijden dat het zo klassiek en gestandaardiseerd wordt gegeven. Er mag dan wel een verband zijn tussen wiskunde en muziek, het is toch fundamenteel iets anders. De blokfluitnachtmerries van sommigen, het uit het hoofd leren van componisten in de eerste graad, dat zijn zaken die niet meteen enthousiasmeren. Kunst- en cultuureducatie en een goede muzische vorming zijn zeer breed en innoverend en worden gegeven door mensen die daar een passie voor hebben, of toch zeker belangstelling. We gaan daar de komende maanden en jaren nog aandacht aan besteden.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.