U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, gisteren nog ontvingen we met een aantal collega’s uit deze commissie een aantal leerkrachten, zorgondersteuners en mensen uit het werkveld, die toch wel een noodkreet slaakten over de implementatie van het M-decreet. Die noodkreet was eigenlijk heel doorleefd en ging uit van een grote bekommernis voor de juiste zorg, de zorg op maat voor kinderen met een zorgvraag. Of dat nu basiszorg of verhoogde zorg is, eigenlijk vinden we, wars van de grenzen tussen meerderheid en oppositie, dat onderwijs op maat een recht is van elk kind en dat het toedienen van correcte zorg daar uiteraard centraal in staat.

Als we dan de voorbije weken de media gadesloegen, dan zagen we dat de vraag om een sereen debat niet altijd wordt gehonoreerd door de collega’s van de meerderheid. Integendeel, de principes van het M-decreet worden in vraag gesteld, soms via Twitter en door politici uit een ander parlement. Ik denk dat het onderwijsveld echter vooral nood heeft aan evaluatie en monitoring van de implementatie van het M-decreet, en voldoende middelen en transparantie in de maatregelen die worden genomen, met voldoende tijd om geleidelijk de overgang naar inclusief onderwijs te maken.

Collega’s, ik denk dat politieke manoeuvres in dezen de leerlingen en leerkrachten allerminst dienen. De sp.a-fractie heeft zich daar ook altijd aan gehouden.

Ik alludeerde al op de roep vanuit één meerderheidspartij dat het M-decreet op de schop moet. Minister, u deelde dan mee dat er bijsturingen zouden gebeuren. Ondertussen hebben we ook kennis kunnen nemen van die bijsturingen, maar de getuigenissen gisteren van de mensen uit Gent gaven toch aan dat er onvoldoende is geïnvesteerd in het draagvlak en de betrokkenheid van het veld.

We hebben al vaker de signalen gehoord over te beperkte middelen door de door de Vlaamse Regering besliste besparingen. Ik denk dat iedereen ook al wel heeft gehoord van het overmatige papierwerk, de planlast die gepaard gaat met de oprichting van de zorgondersteuningsnetwerken. We denken dat het belangrijk is voor het veld – directies, leerkrachten, ouders en leerlingen – dat er transparantie is, extra investeringen, een heldere koers inzake het eindpunt en vooral minder planlast. Dat is noodzakelijk.

Minister, mijn vragen dateren van voor de aankondiging van de eventuele bijsturingen van het M-decreet die u hebt gedaan. Ik kan daar dus misschien al kort over reflecteren. Met betrekking tot het wijzigingsdecreet dat holderdebolder is ingevoerd aan het begin van dit schooljaar, hebben we steeds gezegd dat het positief was dat de noodzakelijke medische diagnose verdwijnt voor ondersteuning in het gewoon onderwijs. We staan daar uiteraard nog steeds achter. Wat de bijsturingen betreft, is sp.a tevreden dat er een voltijdse coördinator voor elk ondersteuningsnetwerk zal worden aangesteld en dat er een bemiddelingsprocedure wordt uitgetekend. Zelf hebben we vragen bij de opportuniteit van de 'fast teams', een soort vliegende brigades die binnen de bestaande middelen en omkadering van CLB’s, pedagogische begeleiding en zorgondersteuningsnetwerken moeten worden georganiseerd. We hebben daarover toch ook al een aantal noodkreten vanop het terrein gehoord.

Minister, ik heb een aantal heel concrete vragen. Hoe zullen volgens u de maatregelen bijdragen tot het verhogen van de zorgondersteuning en het verlagen van de planlast op korte termijn? Welke bijkomende maatregelen plant u eventueel nog om het draagvlak voor een meer realistische implementatie van inclusief onderwijs te verbreden? Heb u ondertussen duidelijkheid over de exacte bedoeling en de lijn van uw coalitiepartner, gezien de tegenstrijdige berichten in de media over dit dossier?

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, ik zou bij de aanvang van mijn vraag even willen ingaan op wat collega Gennez net komt te zeggen, want ik voel me een klein beetje aangesproken, of althans mijn partij. Mevrouw Gennez, u geeft aan dat wij de principes van het M-decreet in vraag zouden stellen. Ik wil dat toch een beetje nuanceren. Wij stellen het principe van inclusief onderwijs niet in vraag. We stellen alleen uiteraard soms de snelheid in vraag waarmee sommige dingen zijn ingevoerd, maar er is ook het draagvlak in de scholen, zoals u zelf komt aan te geven, en de manier waarop we ervoor moeten zorgen dat dat draagvlak haalbaar blijft. Vandaar gewoon ons pleidooi – en ik zal het toch nog eens herhalen – voor de sterkte van het gewoon onderwijs, maar evenzeer ook de sterkte van het buitengewoon onderwijs. Ieder moet gewoon in zijn sterkte kunnen blijven functioneren. Dat is het enige dat wij aankaarten, want wij hanteren uiteraard de principes van inclusief onderwijs, net zo goed als onze coalitiepartners.

U vraagt ook waar de geplande middelen zijn. Ik wil hier dan toch ook nog eens fijntjes wijzen op het gegeven dat het M-decreet op het laatste nippertje is doorgevoerd op het einde van de vorige legislatuur en dat er geen enkele voorziening was getroffen. Normaal gezien zou de eerste waarborg pas zijn ingevoerd twee jaar na de invoering van het M-decreet. Ook ter zake wil ik dus toch even de puntjes op de i zetten. Wij hebben toch getracht om met een prewaarborg te werken, dan was er het uitwerken van een waarborg en sinds dit jaar hebben we ook de ondersteuningsnetwerken ingevoerd. Daarmee proberen we toch een antwoord te bieden op de noden die het veld ons aangeeft. Dit terzijde.

Minister, we zijn wel blij met de bijsturingen aan het M-decreet. Die waren nodig en we erkennen ze ook. We willen de vinger aan de pols houden. In het wijzigingsdecreet werd onder andere de ondersteuning voor kinderen met gedragsstoornissen of -problemen opgenomen. Daartoe worden een soort van FAST-teams opgericht die ad hoc ondersteuning bieden aan leerkracht en leerling. Dit maakt het mogelijk om flexibel in te spelen op prangende noden. Van bij het begin van de onderhandelingen over het nieuwe ondersteuningsmodel hebben we erop gehamerd dat ondersteuning flexibel moet zijn. We hebben nu wel vragen bij hoe u de werkwijze van deze teams concreet ziet.

Hoeveel budget wordt er uitgetrokken om te voorzien in projectmiddelen voor de ontwikkeling van de FAST-teams?

Op welke manier zullen de verschillende actoren het regionaal aanbod uitwerken? Zal hiervoor netoverschrijdend samengewerkt worden? Dit lijkt ons essentieel als we het zo efficiënt mogelijk willen laten gebeuren. Het vergroot wel het werkdomein, waardoor het ad-hocgegeven dan weer verloren dreigt te gaan. Kunt u toelichting geven bij de werking van de FAST-teams?

Hoe zult u waarborgen dat enkel deskundigen met ervaring in de omgang met kinderen met een gedragsproblematiek in deze teams terechtkomen?

Hoe en op welke termijn zult u dit aanbod opstarten en evalueren?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Na een meerderheidsoverleg op 20 februari en advies door de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) op 9 maart 2018 heeft de Vlaamse Regering op vrijdag 20 april een belangrijke conceptnota goedgekeurd over de bijsturing van het M-decreet.

Kinderen zullen in sommige omstandigheden sneller naar het buitengewoon onderwijs kunnen gaan, voor ouders met vragen over de aangeboden ondersteuning komen er meer mogelijkheden tot bemiddeling, en er worden snelle interventies mogelijk in het gewoon onderwijs wanneer de draagkracht van de klasgroep of de leerkracht overschreden wordt.

Onlangs heb ik in de commissie Onderwijs nog verklaard dat het buitengewoon goed is dat er goed buitengewoon onderwijs bestaat. De basisstelling is immers: gewoon onderwijs als dat kan, buitengewoon onderwijs zodra dat moet. Met de goedgekeurde conceptnota zien we duidelijke stappen om die basisstelling waar te maken en op deze manier het draagvlak voor meer inclusief onderwijs te vergroten.

Minister, hoe ziet u de verdere timing voor de uitrol van de voorgestelde aanpassingen?

Hoe wordt de steun door de “snelle interventies” in het gewoon onderwijs concreet gerealiseerd?

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Soms moet ik terugkeren naar het verslag van de plenaire vergadering van 12 maart 2014 om te zien wie er nu juist voor of tegen dat M-decreet was. U kunt dat in een tweet van mij vinden. Er bestaat een mooi kaartje van het verslag waar je heel duidelijk kunt zien wie op het groene knopje heeft gedrukt en wie op het rode. Als je dat dan naast sommige verklaringen legt, is het soms hallucinant. Mensen die destijds om goede redenen tegen het M-decreet hebben gestemd, zoals mevrouw Meuleman en ikzelf, moeten het soms uitleggen als we een aantal van die principes verdedigen, waar we destijds ook achter stonden. Mensen zeggen dan dat we gemakkelijk spreken hebben omdat we er toen voor waren. Welnu, we waren er niet voor.

Sommige mensen in de politiek vinden het fijn als de feiten hen later gelijk geven, maar ik denk dat het nogal wat parlementsleden bedroeft, zowel bij diegenen die voor stemden als bij diegenen die tegen stemden, dat zoveel van de kritische opmerkingen die toen geuit zijn, over de snelheid van de invoering, over het gebrek aan draagvlak, aan middelen, aan voorbereiding en aan expertise-opbouw, steeds weer bewezen worden.

Het traject dat door mevrouw Krekels en de heer de Meyer is beschreven, van de ingrepen die in deze legislatuur zijn gebeurd – zoals met de prewaarborg, de waarborg en de ondersteuningsnetwerken – is niet onbelangrijk, maar het blijft het repareren van wat er te snel gekomen is. Ik was ook bij het gesprek waar mevrouw Gennez naar verwees. Er zijn een aantal nieuwe elementen, maar sommige zaken horen we al jaren van mensen op het terrein.

De verwachtingen waren hooggespannen toen de Vlaamse Regering op vrijdag 20 april een akkoord bereikte over enkele bijsturing aan het M-Decreet. Zo zullen er ‘fast teams’ ter beschikking staan voor ‘gerichte en snelle interventies op de klas- en schoolvloer’ wanneer de draagkracht van leerkracht en klasgroep overschreden is. Het is belangrijk dat de Vlaamse Regering op deze manier verantwoordelijkheid neemt om dit decreet, dat initieel veel te snel zonder ondersteuning tijdens de vorige legislatuur werd opgesteld, actief op te volgen én aan te passen waar nodig.

Aangaande de goedgekeurde conceptnota en vooral het element van de ‘fast teams’ werden mij de afgelopen dagen heel wat bezorgdheden medegedeeld.

Hoeveel 'fast teams' komen er in Vlaanderen? Hoeveel cases kunnen bij deze teams terechtkomen? Uit welke hulp zal de ondersteuning van die 'fast teams' bestaan? Zullen die teams aan de netwerken gekoppeld worden of eerder aan de CLB’s? Of zal er een Vlaanderenbreed en netoverstijgend team komen?

Is de benaming ‘fast team’ wel goed gekozen? FAST staat in Vlaanderen voor Files Aanpakken door Snelle Tussenkomst door een takelwagen in het verkeer. Ook de passage “idealiter binnen de 24 of maximum 48 uur” kan sommige mensen hoopvol stemmen, maar strookt niet met de realistische verwachtingen over het werken met gedragsstoornissen. Dat vereist een aanpak op lage termijn. Een kind met gedragsstoornissen is geen auto die moet getakeld worden. Het kan enkel geholpen worden door mensen waarmee er een vertrouwensband is opgebouwd. Hoe moeten we ons dat in de praktijk voorstellen ? Wie gaat dat doen?

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Ook ik word geconfronteerd met veel bezorgdheid en vragen, net als iedereen in deze commissie, dat geldt niet alleen voor mij als oppositielid, maar ongetwijfeld ook voor de meerderheidspartijen en voor het kabinet van de minister. We zijn het er ook allen over eens dat er een visie nodig is op langere termijn over waar we naartoe willen met het inclusief onderwijs. En laten de bijsturingen die op 20 april zijn gebeurd, nu net het omgekeerde zijn. Een ‘non-paper’ werd prompt omgedoopt tot ‘conceptnota’. Die werd gecommuniceerd nog voor iemand van de stuurgroep op de hoogte was van de voorgestelde maatregelen. De mensen in het veld hoorden voor het eerst over de ‘fast teams’. Het leek dus eerder over een snelle communicatie-ingreep te gaan dan over een ingreep ten gronde.

Er was dus grote verbazing, ook bij alle onderwijspartners. Er waren heel wat vragen, vragen die ik hier ook heb proberen op te sommen. Het zijn er maar enkele, ongetwijfeld ben ik nog niet volledig.

Minister, kunt u het tijdsverloop en de omstandigheden van de totstandkoming van de conceptnota schetsen?

Wat is het legislatieve proces, rekening houdend met de deadline voor nieuwe decreten? Is dit een parlementair initiatief? Komt er een nieuw decreet? Wordt het toegevoegd aan de decreten die in de pipeline zitten? Worden het amendementen? Zal er tijd zijn voor een Vlor-advies op de nieuwe maatregelen die in de conceptnota vervat zitten?

Voor wie is het ‘fast team’ precies bedoeld? Wie roept een ‘fast team’ op? Is het ‘fast team’ bedoeld voor zowel basis- als secundair onderwijs? Zo ja, zijn daar voldoende middelen voor? Hoe zal die inzet van de ‘fast teams’ concreet in zijn werk gaan – wie, wanneer, wat? Met welke projectmiddelen zal dit bekostigd worden? Of is er een verschuiving vanuit andere onderwijsbudgetten?

Loop je niet het gevaar dat door deze twee maatregelen de scholen gewoon onderwijs niet meer gaan inzetten op fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm en men een grote toestroom gaat krijgen in het buitengewoon onderwijs?

Met betrekking tot het leerlingenpaspoort: wie beheert de databank en wanneer zal die er zijn?

Met betrekking tot coördinatie van de ondersteuningsnetwerken: wat met de competentiebegeleiders? Wat met de ondersteuning van ondersteuners nu er een kleine dertig competentiebegeleiders wegvallen omdat hun middelen naar coördinatie gaan? Hoeveel middelen van het huidige totaalpakket voor de competentiebegeleiders wordt door deze maatregel afgebouwd?

Met betrekking tot het schrappen van de IQ-grens: waar komen de middelen vandaan en over hoeveel gaat het? Zijn er al simulaties gemaakt over de kostprijs van deze maatregel?

Met betrekking tot de verdere verfijning van de doelgroepen ondersteuningsnetwerken en expertisescholen: zijn er voldoende scholen in Vlaanderen die de volledige scope van type 7 op een kwaliteitsvolle manier kunnen ondersteunen?

Met betrekking tot het bepalen van de historische ondergrens: zullen deze middelen volstaan om een kwalitatieve goede ondersteuning te kunnen geven aan alle hulpvragen binnen een ondersteuningsnetwerk?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u wel, collega’s. Er zijn heel veel vragen. Ik zal proberen zo goed mogelijk te antwoorden, zonder dat het avond is tegen dat ik gedaan heb.

Er zijn heel veel uitspraken gedaan over de totstandkoming van het M-decreet. Ik moet u bekennen dat ook ik wakker heb gelegen van het feit dat het M-decreet, dat eind vorige legislatuur in het parlement goedgekeurd is, ingevoerd moest worden. Sommigen zeggen dan dat iedereen heel veel tijd heeft gehad om zich voor te bereiden. Anderen zeggen dat scholen totaal niet voorbereid waren. Ik heb vastgesteld dat we zelfs in het eerste jaar van de legislatuur al een bijsturing moesten doen, namelijk zorgen dat de waarborg een jaar vroeger in werking trad. Anders waren we een pak middelen kwijt die konden dienen voor ondersteuning van kinderen in het gewone onderwijs. Dit is dus geen gewoon decreet.

Het is ook het decreet waarop ik het meest negatieve commentaar krijg van alle decreten. Leerkrachten die het ongelooflijk goed menen met inclusie, gaan er soms onderdoor. Scholen die heel veel kinderen aantrekken die specifieke zorgnoden hebben, die hebben nog een grotere aantrekkingskracht, maar die gaan er ook soms onderdoor. En tegelijk hoor ik bij alle leerkrachten dat ze wel de vaste wil hebben om die weg van inclusie verder te bewandelen. Je hoort nergens dat we helemaal terug naar vroeger moeten. Men wil echt wel die inclusie een kans geven. Maar het moet op een geleidelijke wijze gebeuren. Van een leerkracht gewoon onderwijs kun je niet onmiddellijk een leerkracht buitengewoon onderwijs maken. Dat is ook niet nodig. Maar als je natuurlijk een kindje in je klas hebt met heel specifieke zorgnoden, dan moet je wel de tijd krijgen om eraan te wennen en de gepaste ondersteuning om het te doen.

We hebben dan het eerste verslag gekregen van de ondersteuningsnetwerken. Ik heb hier toen ook een pak vragen gekregen van jullie. En die vragen waren meestal van: ‘Je moet eens kijken hoeveel zorgen en hoeveel noden er zijn, wanneer ga je ingrijpen?’ Ik heb toen gezegd: ‘Rustig, rustig, we gaan kijken om een aantal maatregelen te nemen, maar de maatregelen die we nemen, moeten wel in lijn zijn met de zorgen die we zien in dat eerste verslag.’

Wat mij betreft, zijn uit dat verslag twee grote zorgen gekomen. Ten eerste: wat met kinderen die zware gedragsproblemen of gedragsstoornissen vertonen en die in de gewone klassen aanwezig zijn? En ten tweede: ook heel wat zorgen rond kinderen van type 2. Dat waren de zaken – naast een aantal andere dingen, uiteraard – die in dat verslag zaten.

We hebben daarover ook gesprekken gehad in de Vlaamse Regering. Collega Meuleman, u vraagt welke weg we volgen. We volgen de weg naar inclusie, maar we hebben ook bij het begin van de legislatuur, en eigenlijk ook toen het M-decreet goedgekeurd is, heel nadrukkelijk gezegd dat het buitengewoon onderwijs ook blijft bestaan. Dat betekent dat wat ik ook helemaal in het begin van de legislatuur gezegd heb – laat ons naar gewoon onderwijs stappen als het kan, maar naar buitengewoon onderwijs als dat moet – vandaag ook bijzonder actueel is.

Hoe hebben we binnen onze Vlaamse Regering gewerkt, collega’s? We zijn niet over één nacht ijs gegaan. We hebben eerst en vooral al een wijzigingsdecreet goedgekeurd. Dat wijzigingsdecreet is goedgekeurd vóór het verslag van de ondersteuningsnetwerken. Die hebben elkaar als het ware gekruist. Wat waren de belangrijkste maatregelen in dat wijzigingsdecreet, dat uiteraard ook nog moet worden voorgelegd aan het parlement? Een eerste maatregel lijkt technisch, maar is heel belangrijk. En daar is nog door niemand iets over gezegd. We maken de overstap van een personeelslid dat in het buitengewoon onderwijs is aangesteld en dat naar het gewoon onderwijs gaat, gemakkelijker. Vandaag is dat een zeer onzekere stap die gezet wordt. We nemen een aantal maatregelen die schoolbesturen in het gewoon onderwijs op vrijwillige basis kunnen gebruiken om personeelsleden uit het buitengewoon onderwijs aan te trekken. Het meest in het oog springend daarbij is dat, zodra dit wijzigingsdecreet goedgekeurd is, de dienstanciënniteit die mensen hebben in het buitengewoon onderwijs, kan worden meegenomen naar het gewoon onderwijs. Het zal u misschien verbazen, maar dat was niet zo. Straks wordt dat zo. We voorzien ook in een verplichte wedertewerkstelling voor de personeelsleden buitengewoon onderwijs op het niveau van het schoolbestuur en we maken het ook mogelijk dat je bij een nieuwe affectatie of mutatie van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs het behoud hebt van de niet-verworven salarisschaal, in het kader van het getuigschrift buitengewoon onderwijs, bij overstap van buitengewoon naar gewoon onderwijs. We nemen dus een aantal maatregelen waardoor je gemakkelijker die overstap kunt maken, met behoud van datgene wat je al had.

Een tweede maatregel gaat over de evaluatie van het type basisaanbod. U zult straks ook de inspectieverslagen opnieuw kunnen lezen. Het basisaanbod buitengewoon onderwijs maakt geen goede beurt. De inspectie stelt vast dat ons basisaanbod een beetje stuurloos is. Dat is omdat in het basisaanbod, dus de samensmelting van type 1 en type 8, leerkrachten en directies de focus volledig op de terugkeer naar het gewoon onderwijs leggen en men enkel daarvoor aandacht heeft – leerprestaties, leerprestaties, leerprestaties – en de aandacht voor het individuele traject dat een kind moet kunnen lopen, weggeëbd is. Dat is de reden waarom we in het ontwerp van wijzigingsdecreet niet meer spreken over een inschrijving die twee schooljaren geldig is. Dat valt weg. Het CLB informeert de ouders en de leerlingen actief over de mogelijkheden die er zijn. De bedoeling is dus nog altijd dat er een terugkeer naar het gewoon onderwijs kan, maar we moeten de focus weer leggen op het feit dat een kind op basis van zijn mogelijkheden moet kunnen evolueren, en dat niet die idee-fixe er is dat iedereen na twee jaar terug naar het gewoon onderwijs moet. Ik hoop dat op die wijze ons basisaanbod weer een beetje kan floreren, en vooral een eigenheid kan ontwikkelen die het tot nu nog niet heeft kunnen ontwikkelen.

De derde maatregel heeft betrekking op leerlingen die een gemotiveerd verslag type basisaanbod hebben. Daar was er een voorwaarde om minstens negen maanden in het buitengewoon onderwijs te verblijven om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Wij schrappen nu die voorwaarde van negen maanden, omdat het natuurlijk een beetje gek is dat je eerst een passage moet doen in het buitengewoon onderwijs vooraleer je überhaupt iets van ondersteuning zou kunnen krijgen. Dat is niet logisch, vandaar dat we de logica daar herstellen.

De vierde maatregel is dat we de medische diagnose, die de voorwaarde was bij de opmaak van het gemotiveerd verslag om in aanmerking te kunnen komen voor ondersteuning binnen het ondersteuningsmodel, verlaten. Uiteraard blijft de medische problematiek nog altijd zeer relevant in het kader van het diagnosetraject dat gevolgd wordt, maar die medische diagnose wordt als absolute voorwaarde verlaten.

Een volgende maatregel heeft betrekking op de werkingsmiddelen. Daar maken we een nieuw systeem voor toekenning van werkingsmiddelen aan scholen buitengewoon onderwijs die ondersteuning bieden in het kader van het ondersteuningsmodel. We gaan naar een systeem dat gebaseerd is op een bedrag per omkaderingseenheid. Dat is de lestijd, het lesuur, het uur en de begeleidingseenheid. Heel dat nieuwe systeem vervangt de integratietoelagen zoals die vandaag bestaan.

Wat de stuurgroep betreft die de implementatie van het ondersteuningsmodel opvolgt en dus ook een eerste verslag heeft gemaakt, maken we het mogelijk dat een vertegenwoordiging vanuit het overleg met ouder- en belangenverenigingen kan aansluiten. Het was een vaak gehoorde kritiek dat ouders eigenlijk niet binnen geraakten in die stuurgroep, en dat willen we veranderen. We gaan nu na hoe we dat kunnen doen.

Vervolgens, en na het eerste verslag van het ondersteuningsmodel dat er is gekomen, zijn een aantal extra maatregelen afgesproken binnen de Vlaamse Regering. Het klopt, mevrouw Meuleman, dat dit is gelopen via een non-paper die een conceptnota is geworden. Dat is ook logisch, want ik had na de commotie die er de weken voordien was geweest en na het meerderheidsoverleg, geen zin om nota’s de wijde wereld in te sturen. Ik wilde dit dossier eerst bespreken binnen de Vlaamse Regering.

We hebben ook onmiddellijk gecommuniceerd omdat ik, om dezelfde reden als waarom het aanvankelijk een non-paper was, duidelijk wilde zijn over welke maatregel we zouden nemen.

Leen Van Heurck, die de stuurgroep ondersteuningsmodel voorzit, heeft uiteraard alle maatregelen die we hebben genomen, voorbereid en intussen ook besproken op de stuurgroepvergadering. Gisteren was er dan een nieuwe bijeenkomst van de stuurgroep waarop de praktische uitwerking van alle maatregelen is besproken.

Wat zijn nu die aanvullende maatregelen? In overleg met experten uit het diagnostische veld bekijken we hoe die diagnoses van gedragsstoornissen sneller kunnen worden gesteld in heel manifeste situaties. Collega’s, en in het bijzonder mijnheer De Ro, er is een verschil tussen een stoornis en een gedragsproblematiek. We moeten heel goed het verschil maken. Fast heeft geen betrekking op kinderen met gedragsstoornissen. Wanneer men een stoornis heeft, is dat vastgesteld, komt men naar het gewoon onderwijs en kan men begeleiding krijgen. Ik ben trouwens ook niet getrouwd met de term ‘fast’.

In situaties waar er een gedragsstoornis is, hebben we een aantal merkwaardige vaststellingen gedaan. We hebben gezien dat in een aantal scholen waar het nog niet vaststaat dat er een gedragsstoornis is, maar waar er wel een vermoeden is, niet eenmalig kinderen soms maandenlang niet naar school gaan. Scholen beslissen dat het niet meer gaat, ook scholen die heel wat ervaring hebben met kinderen die allerhande zorgnoden hebben. Dan moet het hele traject worden gevolgd om een attest te krijgen om naar het buitengewoon onderwijs type 3 te gaan. Dat kan een maand tot twee maanden duren. Ik vind dat persoonlijk onverantwoord in deze tijden. We hebben dan ook gezocht naar een manier om ervoor te zorgen dat, ook al zitten kinderen nog in het gewoon onderwijs, zij toch al het traject kunnen doorlopen om die gedragsstoornis te laten vaststellen. Het is dan perfect mogelijk dat die kinderen om een of andere reden in het gewoon onderwijs kunnen blijven, maar we moeten er in elk geval voor zorgen dat er geen situaties meer ontstaan dat kinderen gewoon thuiszitten. Dat lijkt me niet oké. Vandaar dat het woord ‘vermoeden van stoornis’ is ontstaan.

Er is met een aantal CLB’s gepraat over de wijze waarop ze dat zien en over de manier waarop dat moet gebeuren. We moeten immers vermijden dat kinderen zomaar terechtkomen in het buitengewoon onderwijs. Leen heeft aan een aantal CLB’s gevraagd of zij dat kunnen doen voor het hele traject is afgelopen en dat blijkt geen enkel probleem te zijn. Dit kan ervoor zorgen dat kinderen niet thuiszitten.

Een volgende maatregel gaat over kinderen met gedragsproblemen in het basisonderwijs. Wanneer we kijken naar het eerste verslag van onze ondersteuningsnetwerken, dan zien we dat gedragsproblemen het grootste probleem vormen. Ik heb een aantal experten gehoord en visies op inclusie gelezen, maar wanneer het gaat over gedragsproblemen, dan stel ik vast dat dit op veel plaatsen een blinde vlek is. Voor een kind dat blind is of een kind dat niet hoort, kan men met ondersteuning perfect maatregelen nemen, maar kinderen met gedragsproblemen kunnen soms hele klassen ontregelen en ontredderen. We moeten vermijden dat dit tot onoplosbare conflictsituaties zou leiden. Vandaar dat we op basis van ervaring die al op twee plaatsen in Vlaanderen bestaat, hebben bekeken of het niet mogelijk is dat binnen de bestaande ondersteuningsnetwerken een systeem wordt ontwikkeld dat wanneer er acute gedragsproblemen zijn, er begeleiding van de leerkracht komt in de klas. Dat is geen wekenlange ondersteuning, het gaat over snel en kort op de bal spelende interventies, die op een aantal plaatsen in Vlaanderen al werken.

Wij nemen maatregelen in verband met bemiddeling en klachtenbehandeling door ouders te informeren over de klachtenprocedures en door te voorzien in bemiddelings- en beroepsmogelijkheden op lokaal, regionaal en centraal niveau en in een laagdrempelige manier van bemiddeling. Een Europees comité heeft daar gezegd dat we geen beroepsprocedure hebben. Uiteraard bestaat er een beroepsprocedure maar voor mij, zeker wanneer het gaat over kwetsbare kinderen in het kader van M, is het echt niet oké om die beroepsprocedures zo in de spotlights te zetten. Ik denk dat we nog veel meer moeten investeren in bemiddeling en behandeling van klachten. Ouders moeten zich betrokken voelen bij de keuzes die worden gemaakt, vandaar dat we daar in extra informatie voorzien.

Over het leerlingenpaspoort was er al een actuele vraag in de plenaire vergadering en een bespreking in de commissie, waar dan discussie was over de naam. Ik denk dat ik toen al voldoende heb uitgelegd wat we daarmee bedoelen. Dat ligt ook in handen van de CLB’s. Ook de privacydiscussie is hier al gevoerd.

Over het toekennen van middelen voor de coördinatie van de ondersteuningsnetwerken is al discussie gevoerd. Elk ondersteuningsnetwerk, zonder uitzondering, vraagt coördinatie. Zeker voor grote gebieden en wanneer men grensoverschrijdend werkt, heeft men iemand nodig die coördineert. Wij hebben daar nog de 72 competentiebegeleiders van wie het voor mij heel belangrijk is dat zij met de voeten op de klasvloer terechtkomen of toch heel dicht bij de leraar staan. We hebben nu de keuze gemaakt om vanuit het contingent competentiebegeleiders één coördinator per netwerk vrij te stellen. Elk netwerk krijgt één coördinator en er blijven een 45-tal competentiebegeleiders werken.

We hebben op het kabinet heel veel gediscussieerd over de IQ-grens. Er zijn al zo veel discussies gevoerd met heel veel mensen waaruit blijkt dat IQ geen modern criterium meer is. Werken met IQ is totaal verouderd. Toen ik in mijn begintijd als minister over IQ begon, kreeg ik heel wat kritische blikken. Dat is totaal geen manier van werken, en wanneer men dat dan ook nog toepast op kinderen met een verstandelijke beperking, dan wordt dat nog delicater. In het eerste verslag staat trouwens dat het exact bepalen van het IQ-cijfer voor effect had dat een aantal leerlingen die net iets te hoog scoorden op een IQ-test, niet in aanmerking kwamen voor het aanbod in type 2. We kregen dan het signaal zowel van scholen type basisaanbod als van ouders van kinderen met het syndroom van Down dat dit eigenlijk unfair was. We hebben dan ook beslist alle criteria te laten bestaan maar alleen de IQ-grens weg te nemen omdat we alle kansen willen geven om gepast onderwijs te kunnen aanbieden aan leerlingen.

Een achtste maatregel betreft de open-endfinanciering. Wat zagen wij nu? Door de werking van de waarborg zoals die nu georganiseerd is, zien we dat, als je meer kinderen van een bepaald type hebt, bijvoorbeeld meer kinderen die blind zijn of die gehoorstoornissen hebben, en je geeft hen ondersteuning, zij de rest van de ondersteuning opeten. Die waarborg is één box en daar was niets meer open end. Dat betekent dat je, afhankelijk van de evoluties, plots tot situaties kon komen dat je veel minder of veel meer ondersteuning had.

Voor de kleine types – type 2, 4, 6 en 7 – koppelen we de ondersteuning los van de omkadering voor de ondersteuningsnetwerken en zullen we er dus voor zorgen dat, los van waar de kinderen schoollopen, in het gewoon of buitengewoon onderwijs, de kinderen krijgen waarop ze recht hebben.

En voor de omkadering van de ondersteuningsnetwerken gaan we naar een minimale ondergrens. We hebben alle ondersteuning geteld op 1 februari 2018 en we maken daarvan de ondergrens. Dat betekent dat in de komende jaren de ondersteuning kan toenemen, maar nooit meer kan zakken onder het niveau waarin we zaten.

De negende maatregel heeft betrekking op de verfijning van de doelgroepen van de twee sporen van het ondersteuningsmodel. Wij brengen dus enerzijds de spraak- en taalontwikkelingsstoornissen bij type 2, 4, 6 en 7 apart en de ondersteuning voor leerlingen met DCD, type 4, binnen de ondersteuningsnetwerken. Daarover zijn we nu, om precies af te bakenen wie tot de doelgroep behoort, overleg aan het plegen met academici en ouders van het werkveld. Als u daarover technische vragen hebt, zal Leen daar straks antwoord op geven. Zeker wat de afbakening betreft, waren er ook voordien heel wat klachten en discussies.

We hebben dus: één, het decreet, twee, de conceptnota. En dan is er nog een derde punt. Niemand is daarop ingegaan, maar ik vind dat wel belangrijk. We hebben op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 beslist om het aanbod in het buitengewoon onderwijs uit te breiden met achttien scholen: twaalf scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs en zes voor het buitengewoon basisonderwijs. Het gaat hier vooral over scholen die een aanbod willen organiseren voor leerlingen met gedragsstoornissen type 3 of met autismespectrumstoornissen type 9.

Ook voor het gewoon onderwijs zijn type 3 en de uitbreiding van het aanbod van belang. Waarom? Omdat al die scholen ook mee in de ondersteuningsnetwerken zitten en ook gepaste ondersteuning kunnen aanbieden in het gewoon onderwijs. Ook om die reden is de uitbreiding van het aanbod wel relevant.

Waarom werd alles niet in één pakket bekendgemaakt? U weet – ik heb het net gezegd – dat we binnen de Vlaamse Regering met een wijzigingsdecreet het traject gestart waren vooraleer het eerste verslag van het ondersteuningsmodel er was. Omdat we geen tijd wilden verliezen, zijn de adviezen van de Vlor en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en de onderhandelingen al in dat eerste kader gevoerd. De eerste set aan maatregelen is nu klaar en wordt uitgewerkt. Uiteraard zal die ook de procedure doorlopen die noodzakelijk is.

Ik kom tot de vragen over de snelle teams die kunnen ondersteunen en de manier waarop we dat voorstel uit de conceptnota naar het basisonderwijs zullen vertalen.

Collega’s, het gaat hier om specifieke ondersteuning naar het basisonderwijs. Dat wil ik meegeven. Waarom naar het basisonderwijs? In het secundair onderwijs hebben we namelijk naadloos flexibele projecten. Als leerlingen dus om een of andere reden verdrinken of als er problemen en moeilijkheden zijn, dan kun je een specifiek traject lopen met die leerlingen. Voor kinderen in het lager onderwijs is dat een beetje moeilijk. Je kunt moeilijk tegen kinderen in het lager onderwijs zeggen: ‘Ga nu even elders naar school.’ Of: ‘Loop een apart traject.’ We zien dat heel veel lagere scholen kampen met gedragsproblemen. Ik ga ervan uit dat de oorzaak van die gedragsproblemen nooit bij het kind ligt. Het is ook geen gedragsstoornis, het zijn gedragsproblemen, dus heb je ergens een extern iets dat heel negatief werkt op een kind. We zien dat er in de gewone scholen vaak geen expertise is om er onmiddellijk mee om te gaan en dat er nood is aan een snelle manier om toch te kunnen overleggen en te bekijken wat we kunnen doen om dat kind te helpen.

De ondersteuningsnetwerken hebben vandaag al een werking rond kinderen met gedragsproblemen. Op ons kabinet zijn, onder leiding van Leen, CLB’s, pedagogische begeleidingsdiensten, mensen van het gewoon onderwijs, het buitengewoon onderwijs, ondersteuningsnetwerken en organisaties uit de jeugdhulp, die rond gedragsproblemen aan de slag zijn, uitgenodigd.

Uit dat overleg is gebleken dat leerkrachten vooral nood hebben aan een snel perspectief: er zal iemand eens komen kijken wat er aan de hand is. Zoals jullie weten, bestaan er geen naadloos flexibele trajecten in het lager onderwijs. Die hoeven ook niet te bestaan. Of tenminste, met de meerderheid is er al over gesproken dat dit niet zo gemakkelijk te lanceren is.

Wij willen ons baseren op een praktijk die nu al wordt georganiseerd op het terrein. Je hebt zo’n praktijk in de regio Mechelen-Brussel en ook in de regio Kortrijk. Hoe werkt dat? Ik heb het eigenlijk al uitgelegd. Het gaat niet over een organisatie binnen de CLB’s, maar over een organisatie binnen de ondersteuningsnetwerken, pedagogische begeleidingsdiensten en scholen type 3. In Kortrijk heb je het project Aura XS. We bekijken nu of het opportuun is om effectief een projectsubsidie aan een vzw te geven die binnen de ondersteuningsnetwerken mee actief is en expertise deelt, dan wel of het beter is om binnen het ondersteuningsnetwerk in projectmiddelen te voorzien. Dat wordt nu binnen het ondersteuningsmodel besproken.

Ik maak even de vergelijking met hoe we het in het secundair onderwijs hebben gedaan. Toen we indertijd CONNECT hebben opgezet, hebben we zelf contact gezocht met de vzw Arktos en hebben we met hen een subsidieovereenkomst gemaakt. Dat zouden we nu ook kunnen doen. Maar de vraag is of dat de ideale manier van werken is. Het wordt nu bekeken binnen de netwerken. In Kortrijk is er Aura XS, het Oranjehuis. In de regio Mechelen-Brussel zijn er drie grote ondersteuningsnetwerken. Dat zouden we kunnen doen via de vzw Wonderwijs. Maar ook dit wordt nu met hen besproken. En binnen het GO! heb je eigenlijk hetzelfde.

Zullen we dat volledig overal in Vlaanderen kunnen doen? Voor mij is het nu van belang dat we heel snel gaan kijken of de manier waarop onder andere in Kortrijk wordt gewerkt, iets is waar allen mee zouden kunnen leven en of dat voor iedereen dezelfde meerwaarde zou betekenen. Het is dus de bedoeling dat wij projectmiddelen vrijmaken, afhankelijk van de plaatsen waar het kan worden uitgewerkt. We zijn hard aan het werken om, bij voorkeur, wat mij betreft, op 1 september zeker al op twee of drie plaatsen te kunnen starten. Als het goed is, zouden we dan Vlaanderenbreed moeten kunnen worden ingezet.

Voor hen die dat zouden zijn vergeten, geef ik nog even mee dat wij, specifiek voor gedragsproblemen, van het extra budget van 15 miljoen euro dat twee jaar geleden werd uitgetrokken, 11,2 miljoen euro hebben uitgetrokken voor kinderen met gedragsproblemen. Het is dus ook wel de bedoeling dat die middelen daar effectief worden ingezet. Daarbovenop plannen we projectmiddelen voor de samenwerkingsverbanden die van de grond zouden komen.

We verwachten zowel van de CLB’s als van de ondersteuningsnetwerken en de scholen type 3 dat ze samen met de actoren uit de jeugdhulp en regionaal zo’n aanbod uitwerken. Zeker in twee regio’s willen we snel van start gaan, maar als het kan, ook in andere regio’s.

De ondersteuning is vooral bedoeld voor het basisonderwijs, omdat de problemen zich daar op dit ogenblik significant voordoen. Het is ook de bedoeling om vanuit de concrete situatie in de klas met de leerling, de leerkracht en de klas te gaan werken. Collega’s, het is dus zeker niet de bedoeling om een extra circuit te gaan organiseren naast datgene wat we hebben. We moeten vooral geïntegreerd kunnen werken.

Er waren nog een aantal algemene vragen over het traject. De aanpassingen met een decretale impact, namelijk de mogelijkheid om op basis van een voorlopig verslag te oriënteren naar type 3 op een moment dat er nog geen diagnose is, de aanpassing van de IQ-criteria voor type 2 en de garantie van omkadering voor de ondersteuningsnetwerken, zouden we willen opnemen in het ontwerp van wijzigingsdecreet dat in voorbereiding is.

Uiteraard zal over de bijkomende maatregelen een bijkomend advies gevraagd worden. In de schoot van het onderhandelingscomité zijn op dit ogenblik de gesprekken over de extra maatregelen die worden genomen, volop bezig.

Mijnheer De Meyer, u gaf zelf het traject aan, en ik heb u het besluitvormingstraject uitgelegd.

Over de leerlingenpas heb ik al alle uitleg gegeven. Nog dit ter aanvulling – maar ik denk dat ik dat al heb gezegd –: de CLB’s beheren de verslagen en gemotiveerde verslagen van leerlingen via het Leerlingen Activiteiten en Registratiesysteem (LARS). Samen met de CLB-sector en mijn administratie werk ik op dit ogenblik aan de mogelijkheid om via het platform ‘Mijn Onderwijs’ een directe koppeling of integratie te maken met het LARS, in functie van het beheer van gedifferentieerde toegangsrechten en voldoende juridische bescherming voor alle actoren.

Over het effect van de IQ-grens hebben we zeer duidelijke afspraken gemaakt. Er zijn heel wat voorwaarden vooraleer je kan worden toegelaten tot het type 2. Die blijven allemaal gelden. We zullen dat zeer zorgvuldig monitoren. Er zijn al afspraken gemaakt. Er zullen ook met onze CLB’s afspraken over worden gemaakt.

De maatregel met betrekking tot type 7, de spraak- en taalstoornissen, nemen we net omdat type 7-scholen in het verleden ook al leerlingen met spraak- en taalontwikkelingsstoornissen in hun populatie hadden. Ze ervaren de huidige opsplitsing als kunstmatig. Voor de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met spraak- en taalontwikkelingsstoornissen zal dan de systematiek van het eerste spoor van het ondersteuningsmodel gevolgd worden. Dat betekent dat scholen voor gewoon onderwijs in overleg met de ouders, de leerlingen en het CLB bilateraal kunnen samenwerken met een school voor buitengewoon onderwijs met expertise, los van de samenstelling van de ondersteuningsnetwerken.

Wat betreft de historische ondergrens en de budgetten: jullie weten dat we in deze legislatuur al extra budgetten hebben vrijgemaakt. De ondergrens is bedoeld als beveiliging. Uiteraard zullen de budgetten voor het ondersteuningsmodel in de toekomst nog toenemen. Dat is de ‘open end’. We moeten er alleen maar voor zorgen dat er op geen enkele wijze een intering gebeurt op de middelen.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, dank u voor het omstandige antwoord. In een eerste repliek zal ik proberen een aantal punten aan te halen. Ze zijn gebaseerd op wat we vanuit het veld horen. Uit een treffende getuigenis van een leerkracht en van een zorgondersteuner blijkt dat slechts aan 10 procent van de kinderen waarvoor steun is gevraagd in een bepaald ondersteuningsnetwerk effectief steun kan worden gegeven. Dat is toch echt wel een bijzonder ontoereikend percentage. Er is ook een te beperkt aanbod van steun. Als dat voorbeeld exemplarisch is voor de meeste ondersteuning, denk ik dat we, in het kader van onze ambitie naar meer inclusief onderwijs, met een zeer ontoereikend zorgondersteuningsmodel zitten.

Mensen geven aan dat de planlast bijzonder groot is. Ik ontving deze week een mailtje over het aanmelden van vervoersonkosten en over het beschikbaar zijn van materiaal voor het kunnen uitvoeren van de taak in het kader van het zorgondersteuningsnetwerk. Zo zegt iemand: “Ik heb pas de week voor Pasen mijn laptop van de ankerschool ontvangen, terwijl sommige van mijn collega’s dit al hadden vanaf het begin van het schooljaar. Ik heb noodzakelijkerwijze zelf moeten investeren in computermateriaal. Nu mag ik alles opnieuw overzetten en installeren: wificodes van elke school die ik bezoek, documenten in mappen, onkostenstaten… Het allerleukste staaltje van extra planlast is de maandelijkse onkostennota voor vervoer. Ik moet maandelijks een mail met meer dan tien bijlagen bezorgen. Van elke mogelijke rit moeten wij een Google Maps-afdruk in een bijlage steken. Wij doen bijna nooit dezelfde routes. Wij moeten dit bijna elke maand helemaal opnieuw doen. Deze maand heeft me dat, afgeklokt, 2 uur en 47 minuten gekost. Volgende maand zal me dat opnieuw zoveel tijd en moeite kosten.”

Dan is er een heel concrete vraag, ook in het kader van de planlast en de ondersteuning van de mensen in de ondersteuningsnetwerken: de kilometers vanaf de deur tot de eerste school tellen voor zo’n zorgondersteuning blijkbaar niet mee als je ver van je eerste school woont. De betrokkene woont 31 kilometer van haar ankerschool. De eerste 31 kilometer van de plek naar de zorgverstrekking tellen dus in haar geval niet mee. Voor een collega die op 200 meter van de ankerschool woont, tellen die kilometers of, in dit geval, die meters wel mee. Zo zijn er een aantal onlogische elementen die de mensen een punthoofd bezorgen. Het klinkt misschien allemaal futiel, maar ik denk dat de draagkracht van heel wat ondersteuners, leerkrachten, ouders en uiteraard van leerlingen zelf danig op de proef wordt gesteld door het nieuwe zorgondersteuningsmodel, vooral voor wat betreft de planlast. Er is ook de frustratie in de feiten. In sommige gevallen kunnen tot 90 procent van de zorgvragen van kinderen niet worden gehonoreerd. Dat is toch wel een bijzonder grote kloof en een bijzonder pijnlijke zaak.

Minister, u hebt wat toelichting gegeven bij de werking of de doelstelling van de ‘fast teams’. Ik zou zelf ook op zoek gaan naar een andere naam. Maar ik zou ook een pleidooi willen houden dat gebaseerd is op de noodkreten van het veld, om met de zorgleerlingen meer vertrouwen te kunnen ontwikkelen. Dan is zo’n ‘fast team’ of een vliegende brigade niet noodzakelijk het beste instrument, zeker als het gaat om gedragsproblemen. U kaart terecht aan dat het in veel gevallen schort aan het opbouwen van vertrouwen tussen leerkracht, ondersteuner en leerlingen. Dat is essentieel. Het is natuurlijk niet evident als een externe hulp moeten worden ingeroepen binnen de 24 of 48 uur na een incident. Dan is het vertrouwen waarschijnlijk onvoldoende gerealiseerd en is het nog maar de vraag of zo’n ‘fast team’ het juiste instrument is.

Ik ben een voorstander van een coördinator omdat het veld aangeeft dat in grote ondersteuningsnetwerken dat het minimum minimorum is om het beter te kunnen organiseren. Maar u hebt daarvoor wel ingeteerd op de middelen voor competentiebegeleiders. Op het veld geeft men aan dat er allerlei nieuwe concepten en bijsturingen worden bedacht, een beetje ‘out of the blue’, zonder veel overleg. Maar men voorziet niet in extra middelen, ook al communiceert men alsof er bijsturingen zijn die het gemakkelijker zullen maken op het veld. In de feiten is het vooral een communicatie-operatie en geen duurzame versterking van de zorg die we op school nodig hebben.

Tot slot lijkt het mij belangrijk om ook rekening te houden met alle uitspraken die ondertussen worden gedaan, onder andere door het Europees Comité voor Sociale Rechten. Men geeft nog maar eens aan dat Vlaanderen te weinig werk maakt van het recht op inclusief onderwijs. Het is inderdaad nodig om een versnelling hoger te schakelen. We moeten niet van zorgcrisis naar zorgcrisis, van incident naar incident gaan. De bijsturingen die vandaag, of op 20 april, zijn aangekondigd, gaan niet noodzakelijk allemaal in de juiste richting. Het ‘fast team’ is een voorbeeld. Het feit dat men inteert op de middelen die toch al schaars zijn, is een ander voorbeeld. Samen met Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap (GRIP) maar ook samen met heel veel mensen uit het veld zelf denken wij dat er echt wel nood is aan een strategisch plan voor de realisatie van inclusief onderwijs voor alle leerlingen, met duidelijkheid over timing en inzet van middelen. Het M-decreet is deze legislatuur in voege getreden in 2015.

Het heeft geduurd tot begin dit schooljaar voor die zorgondersteuningsteams operationeel werden. Men heeft dat het onderwijsveld een beetje door de strot geramd door nog in juni, voorafgaand aan het schooljaar, die decretale ingrepen te doen, terwijl dat op 1 september operationeel moest zijn. In de feiten is dat niet gelukt. U kunt dat de mensen op het terrein niet verwijten. Dat is veeleer te duiden als politieke verantwoordelijkheid, denk ik. Ik denk echter dat we nu wel wars van de grenzen tussen meerderheid en oppositie nood hebben aan een duidelijke strategie op langere termijn, met duidelijk de bekrachtiging van de principes van het M-decreet, namelijk dat de eerste optie inclusief onderwijs is en dat buitengewoon onderwijs de tweede stap is, en met meer investeren in de ondersteuning en ontwikkeling van expertise in het gewoon onderwijs, met daadwerkelijk op langere termijn werken, en veel minder ad hoc dan tot nu toe het geval was.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw antwoorden. Ik ga even een aantal belangrijke wijzigingen aanstippen. U gaf meteen aan dat men in het onderwijs inderdaad die mentaliteit van het pro inclusie zijn heeft opgenomen, maar dat men er inderdaad op aanstuurt dat daarin ook wel de goede evenwichten worden bewaard. U geeft terecht aan dat er veel zorgen zijn over de types 2 en 3, dus de kinderen met een zwaardere mentale handicap en gedagsproblematieken en -stoornissen, en dat we daar inderdaad onze aandacht op moeten richten, om ook die zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen en begeleiden, en de kinderen te leiden naar daar waar ze het best onderwijs kunnen genieten.

Een maatregel waarover ik terecht heel tevreden ben, betreft die regelgeving inzake het personeel. U herinnert zich misschien nog dat ik eens een voorbeeld had gegeven van een school in Sint-Job-in-‘t-Goor waar men een aantal klasjes buitengewoon onderwijs had ingericht in de gewone school. Zij botsten inderdaad op die regelgeving voor hun personeel, want die is toch wel wat anders voor het buitengewoon onderwijs ten opzichte van het gewoon onderwijs. Voor hen zal dit dus inderdaad een manier zijn om in de toekomst hun werking iets gemakkelijker te kunnen organiseren en daarbij iets minder een beroep te moeten doen op de vrijwilligheid van sommige leerkrachten. Dat is dus zeker een positieve maatregel.

Dan is er de evaluatie van het type basisaanbod. U stelt dat men daar dikwijls wat stuurloos in is. U hebt terecht aangegeven die verslagen niet meer in tijd te beperken tot die twee jaar. Ik wou hierbij echter ook nog aangeven dat de stuurloosheid zich ook wel een beetje situeert in de profielen van de kinderen die nu binnenkomen in dat basisaanbod. Doordat veel kinderen van type 8 en type 1 nu in het gewoon onderwijs blijven en daar zo goed mogelijk worden ondersteund, krijgt men in het buitengewoon basisonderwijs dikwijls de kinderen die nog zwaardere problematieken hebben, zodat het profiel daar ook wel wat is gewijzigd. Ook daar botst men een beetje op, zodat het inderdaad nog moeilijker wordt om die kinderen opnieuw naar het gewoon onderwijs toe te leiden, terwijl dat in het verleden toch wel iets meer kon gebeuren. Ik wou ter zake dus toch wel een beetje die nuance aanbrengen.

Dan is er het gegeven van de types 2, 4 6 en 7, de kinderen die van het rugzakprincipe genieten wat ondersteuning betreft. Ik wil een vraag stellen over de organisatie. We hadden gezegd dat bijvoorbeeld scholen van type 7, en over heel Vlaanderen wordt dat maar in een paar scholen ingericht, zich niet per se bij een ondersteuningsnetwerk moeten aansluiten, zodat het voor de andere ondersteuningsnetwerken gemakkelijker is om ook van hun expertise gebruik te maken. Nu, bij de evaluatie van het opstarten van de ondersteuningsnetwerken hebben we gezien dat een heel deel van die scholen dat toch wel heeft gedaan. We merken nu dat dat daardoor voor andere ondersteuningsnetwerken dan soms toch een grens is om van die expertise gebruik te maken. In hoeverre volgen jullie dat op? In hoeverre kunnen jullie daarop inspelen om toch een soepel gebruik daarvan in de hand te werken?

Minister, we hadden eigenlijk het auditieve luik uit type 7 getrokken. U hebt aangegeven dat de spraak- en taalontwikkelingsstoornissen hier nu mee in kunnen worden opgenomen. Betekent dit dat dat dan sowieso ook wordt berekend binnen het rugzakprincipe, dus dat die kinderen ook binnen die aparte telling vallen om dan toch in het nieuwe omkaderingsprincipe van een rechtstreekse begeleiding te kunnen genieten?

Dan zijn er de 'fast teams'. U geeft terecht aan dat leerkrachten vooral nood hebben aan perspectief wanneer ze in een situatie zitten waarin de gedragsproblematiek van een kind een zware last legt op de hele klas. Ik denk dat het op dat moment voor de leerkracht niet zozeer uitmaakt of dat nu gaat over een probleem dan wel over een gedragsstoornis, want op het moment dat hij in nood is, gaat het natuurlijk gewoon over het feit dat er een gedragsproblematiek is die hij zelf, en ook zijn klas, niet meer goed de baas kan, zodat hij met de handen in het haar zit. U geeft aan dat de ondersteuningsnetwerken daar nu al wel op voorzien zijn en dat er op sommige plaatsen in Vlaanderen al een soort speciale werking voor is opgestart, maar ik zou hier toch ook niet de rol van de CLB’s volledig terzijde willen laten. We hebben er met het nieuwe decreet inzake leerlingenbegeleiding heel sterk voor gepleit dat zij die spilfunctie zouden hebben, dat zij diegenen zijn die ervoor moeten zorgen dat er op een juiste manier wordt toegeleid. Ik zou hen hier dus toch zeker in willen erkennen en hen als eerste aanspreekpunt zeker niet willen vergeten wanneer er inderdaad een problematiek is die de klas en de leerkracht wat overstijgt. Leerkrachten hebben op dat moment echt nood aan iemand met de juiste expertise. Misschien is ‘fast team’ geen goede term, maar er is wel het feit dat er snel moet worden gehandeld. Leerkrachten hebben een bepaald traject doorlopen binnen die basiszorg. Op het moment dat ze echt aan de noodrem trekken, willen ze dat er wordt geluisterd en dat er actie wordt ondernomen. Ik denk dat die actie inderdaad veel sneller moet gebeuren dan nu het geval is. Ondersteuningsnetwerken, maar zeker ook de CLB’s zijn daarin echt wel een partner.

Minister, u had het ook over die 15 miljoen euro van vorig jaar, afgerond, en die 11,4 miljoen euro die expliciet voor die gedragsstoornissen was uitgetrokken. Naar aanleiding van een actuele vraag heb ik eens gevraagd welke garantie we hebben dat dat geld daadwerkelijk voor die personen wordt gebruikt. U hebt toen aangegeven dat zeker te zullen opvolgen. Hebben we daar een zicht op? Is die garantie er? Hebben we daar zekerheid over?

Gisteren heb ik u op de radio gehoord. U kwam aan het woord over de onderwijsinspectie. U gaf daarbij aan dat de komende drie jaar drie jaar op rij 40 miljoen euro extra zal worden besteed aan ondersteuning. Waar komt dat vandaan? Is dat binnen die andere omkadering of die andere wijze van berekenen waarin u hebt voorzien? Of zijn dat nog andere middelen waarin u hebt voorzien? (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Ah, dat is de GOK-cyclus. Oké, dan heb ik het niet goed gehoord.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, de recente geschiedenis van het M-decreet is natuurlijk belangrijk, maar voor mij is de toekomst nog veel fundamenteler: welk perspectief geven we aan kinderen met specifieke zorgnoden? Ik denk dat de conceptnota op dat vlak zeker en vast een bijdrage is, niet alleen voor die kinderen en leerlingen, maar ook voor de betrokken leerkrachten en scholen die daadwerkelijk inclusief willen werken. Minister, we kijken dan ook uit naar de verdere uitrol daarvan. Het is evident dat u daarbij op de volle steun van onze fractie kunt rekenen.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, wetgeving is één zaak, en we moeten die dus inderdaad hier nog krijgen. Het toepassen is een andere zaak, en wat dat betreft, wil ik er toch wel een lans voor breken om er ook bij netten en koepels op aan te dringen dat ze qua interne communicatie er bij het gewoon onderwijs op zouden aandringen dat, waar de mensen van de expertisenetwerken komen, die expertise in de school meer zou worden gedeeld dan soms het geval is. We horen van nogal wat ondersteuners dat het ondersteunen van een klasleerkracht en een leerling nogal goed gaat, maar dan is er de expertisedeling op teamniveau, die toch niet onbelangrijk is. Als we geen permanente ondersteuning willen geven voor jaren, maar ook alle leerkrachten waar die leerling nadien bij komt te zitten, sterker willen maken, dan is die openheid een absolute voorwaarde. Het lijkt me heel goed om niveau 0 en 1 van dat zorgcontinuüm verder uit te bouwen op school, zodat die expertise meer wordt gedeeld dan alleen maar met de betrokken leerkracht.

Het zou goed zijn om in kaart te brengen hoe de trajecten effectief verlopen. Ik denk dat die opvolging en die evaluatie nu gebeurt. Ik heb de indruk dat de goede trajecten die nu lopen soms lang kunnen zijn en soms kort. Het verwachtingspatroon bij leerkrachten en ouders is soms anders dan wat de experts brengen.

Ik zal niet ingaan op alle goede aanpassingen die gebeurd zijn. Zowel in de conceptnota als in het decreet worden knelpunten rechtgezet, waarover terechte opmerkingen waren geuit. Er is nog heel veel werk op vlak van nascholing en lerarenopleiding om al onze leerkrachten sterker te maken voor een meer inclusief onderwijs.

Ik ontmoet nogal wat mensen in de ondersteuningsnetwerken, die vroeger in de waarborg en de prewaarborg hebben gezeten en die heimwee hebben naar dat stukje van hun werk. Ze konden immers op teamniveau werken. Ze moesten in de B-stroom in de eerste graad van het secundair onderwijs niet met één of twee leerlingen werken, maar met alle leerkrachten en alle leerlingen.

Ik heb in dit verband al enkele suggesties gedaan. Als er verschillende leerlingen zijn, is het misschien goed om met de gehele groep te werken. Dat moet volgens mij mogelijk zijn en het element van de waarborg en de prewaarborg moeten we meer kunnen meenemen.

Minister, als de projecten ingediend worden voor de fast teams, hoop ik dat we naar één project en één netwerk per regio zullen gaan. Ik hoop dat de centra voor geestelijke gezondheidszorg niet geconfronteerd moeten worden met vragen uit twee verschillende soorten teams, of overlegmomenten moeten hebben met twee verschillende teams in dezelfde regio. Ik wil op die nagel blijven hameren. Het blijft een gemiste kans voor leerlingen, leerkrachten en het Vlaams onderwijs dat dit systeem nog altijd moet worden georganiseerd met aan de ene kant het vrije net en aan de andere kant het officiële net. Voor onze partij mag dat gerust allemaal samen gebeuren.

Ik heb nog een kritische bedenking bij de maatregelen die genomen zijn. Zowel de kleine netwerken als de grote netwerken krijgen één coördinator. Het netwerk waar ik zelf mee aan de wieg stond, heeft 200 personeelsleden. Dat is net iets anders dan een netwerk waar er maar 20 of 50 personeelsleden zijn. Daarover hoor ik wel wat opmerkingen.

Tot slot wil ik graag weten hoe volgend jaar de financiering van de kleine types zal verlopen. Zal dat gebeuren op basis van het Vlaamse gemiddelde? Betekent dat in een netwerk waar het aantal leerlingen van die kleine types met 50 procent stijgt, terwijl het Vlaams gemiddelde 5 procent is, dat die maar een uitbreiding van de omkadering zullen krijgen met 5 procent? Zal er dan een soort interne solidariteit tussen de netwerken moeten spelen? Zeker in regio's waar het aantal kinderen en dus ook het aantal zorgenkinderen sneller stijgt dan het Vlaams gemiddelde is men daar bezorgd over.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, er is al meermaals verwezen naar het gesprek dat we hier gisteren gehad hebben met ondersteuners, leerkrachten en directies. Het ging niet om leerkrachten die niet bereid zouden zijn om na te denken over inclusie. Integendeel, hun boodschap was dat ze echt voor inclusie willen gaan. Ze hebben er geen probleem mee dat ze twee of drie leerlingen met een specifieke beperking in hun school moeten opnemen. In andere scholen, die bekend staan als zorgscholen, zal het om iets meer leerlingen gaan. Feit is dat er daarnaast veel leerlingen zijn met een of ander licht gedragsprobleem, er zijn niveauverschillen en taalproblemen. De algemene context is de voorbije jaren daardoor al veel zwaarder geworden. Die twee of drie kinderen die er dan bij komen, zijn dan soms de druppel die de emmer kunnen doen overlopen. We kregen de evaluatie van het decreet en het jaarverslag van de CLB. In de pers wordt gewag gemaakt van een stijging van het aantal gedragsproblemen met 72 procent in twee jaar tijd. Daar zit het grote probleem.

Ook al zoeken we nog naar de precieze oorzaken, de toename is een feit en heeft een effect op onderwijs. Daarom werd gisteren heel duidelijk gevraagd naar een veel betere ondersteuning van de basiszorg op niveau nul en één. De meest acute vraag vanuit het werkveld is extra ondersteuning voor de kinderen die nood hebben aan basiszorg of aan verhoogde zorg. Dat betekent dat er in de klassen anders zal moeten worden gewerkt en dat de schoolorganisatie anders zal moeten verlopen. Leerkrachten en schooldirecties zien dat in en zijn daartoe bereid. Ze weten dat ze veel meer in team zullen moeten werken om die verschillende problemen op te vangen, maar dat zal niet kunnen met de middelen waarin nu voorzien wordt. Die grote en dringende vraag kan niet opgelost worden met 'fast teams'. Het 'fast team' is als het ware slechts een pijnstiller, maar de onderliggende kwaal wordt daarmee niet aangepakt. Er moet een antwoord komen van deze Regering op die expliciete vraag naar extra ondersteuning.

Minister, u zei dat in het wijzigingsdecreet dat eind vorig jaar is goedgekeurd zeer goede maatregelen zitten, onder andere voor de personeelsleden. Zo kunnen personeelsleden uit het buitengewoon onderwijs sneller de overstap maken naar het gewoon onderwijs. Mensen die vast benoemd zijn kunnen hun anciënniteit meenemen. Dat is een goede maatregel. Blijft het probleem van de TADD’ers (tijdelijke aanstelling van doorlopende duur), ook vaak mensen die in het buitengewoon onderwijs al lang aan de slag zijn, minstens drie jaar, maar meestal langer. Sommigen doen dat al meer dan tien jaar en zijn dan teleurgesteld dat hun job verdwijnt. Ze zullen voortaan in het gewoon onderwijs aan de slag moeten gaan en dan kunnen ze hun anciënniteit meenemen, maar volgens de bepalingen van de maatregel is dat een gunst. Of er rekening gehouden wordt met hun opgebouwde anciënniteit, hangt af van de goodwill van het schoolbestuur. Minister, ik vind dat op die manier willekeur in de regelgeving geslopen is. Veel TADD’ers zijn daar bijzonder ontevreden over. Kan de regelgeving niet aangepast worden, zodat ook die mensen hun anciënniteit gegarandeerd kunnen meenemen?

Ik kan bevestigen dat er ongenoegen is over de coördinatie. In de eerste plaats is dat omdat het ten koste gaat van de competentiebegeleiders, die goed werk leveren. Ze zouden meer tijd moeten krijgen om de nodige ondersteuning te geven, veeleer dan dat dit naar de coördinatie zou gaan. Er is kritiek op het feit dat in dezelfde hoeveelheid coördinatie voorzien wordt, ongeacht de grootte van het netwerk. Kan dat herzien worden?

De conclusie is dat een aantal van de ad-hocmaatregelen een verbetering ten goede zijn. Er zitten nog heel wat haken en ogen aan deze, inderhaast samengestelde, conceptnota. De grote vraag vanuit het veld, zowel van GRIP, als van het katholiek onderwijs, als van de mensen die gisteren in De Standaard een opiniestuk hebben geschreven, is toch echt wel een vraag naar meer visie. Die verzuchting leeft in het veld: geef ons de tijd om langzaam aan, eerst via de lerarenopleiding, dan via de professionalisering van de mensen die nu in het veld staan, via klasorganisatie en via een aantal decretale ingrepen hieraan verder te werken. Wij moeten ervoor zorgen dat er een soort cultuur komt in het onderwijs waarbij veel meer wordt samengewerkt in teams dan dat er een leerkracht voor de klas staat. Dit moet een geleidelijke transitie zijn. Het decreet is iets wat we hadden moeten invoeren in tien jaar tijd, in plaats van dat in één jaar tijd door te voeren. Daar moet een visie voor ontwikkeld worden. Als zo'n plan er nog komt voor het einde van deze legislatuur, dan zou dat pas echt een stap vooruit zijn.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, ik ben blij dat hier veel vragen over zijn, want het is ook een belangrijk issue, dat ook in het regeerakkoord was opgenomen, met een passus die ik toch graag even meegeef: “We voeren het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften uit en volgen de resultaten nauwkeurig op, met bijzondere aandacht voor de eventuele impact op de leerlingen met specifieke onderwijsnoden, de betrokken leerkrachten en de medeleerlingen in de scholen van het gewoon onderwijs. Waar nodig, sturen we bij. Aan kinderen voor wie in het buitengewoon onderwijs de beste ontwikkelingskansen liggen, blijven we daar een duidelijk toekomstperspectief bieden.” Collega’s, ik vind dat een heel belangrijke passus, omdat daarmee het leidmotief dat wij als N-VA steeds naar voren hebben gebracht – gewoon als het kan, buitengewoon als het nodig is, voor de leerling zelf, de ouders, de medeleerlingen en de leerkrachten –wordt gerealiseerd.

Ik vind het goed dat de minister het nog eens overlopen heeft. Op 22 december 2017 was er een decreet Wijzigingen in het basis- en secundair onderwijs, en daarin zijn de maatregelen opgenomen die we absoluut ondersteunen: dat we voor kinderen type basisaanbod na twee jaar niet zeggen dat die per definitie terug moeten, maar wel afhankelijk van of het voor die leerling kan of niet kan. Dat vinden we een goede maatregel.

De bijstellingen die gebeurd zijn met de conceptnota, die ook online te vinden is, gaan niet zozeer over leerlingen die al toegang hebben tot buitengewoon onderwijs of al in buitengewoon onderwijs waren, maar wel over leerlingen die geen toegang hadden tot buitengewoon onderwijs, hetzij een verslag, hetzij een gemotiveerd verslag hadden. En dus zijn we blij met die bijstellingen, omdat die gaan over wat ieder van ons in zijn mailbox krijgt, maar ook wat je hoort als je op bezoek gaat in scholen, zijnde de realiteit in de klas.

Het zou te ver leiden om ze nog eens op te sommen, maar ik haal er toch twee aan. Kinderen met gedragsproblemen: ja, daar wordt op ingegrepen. De hele formulierenwinkel, en dan heb ik het vooral over het handelingsgericht werken dat volledig doorlopen moet worden en gestaafd moet worden met documenten, waar op bepaalde momenten dan wordt gezegd, op papier, zonder de leerling gezien en gekend te hebben: ‘We weten niet of we voor deze leerling al of niet een verslag willen geven.’ Maar ook, en dat is de kern van de zaak, dat we die leerlingen voldoende aandacht kunnen geven, maar dat er ook voldoende aandacht blijft voor de andere leerlingen in de klas. Ik citeer een leerkracht, die zei: ‘Het kan zijn dat ik nu aan die ene leerling die bij mij bij in de klas zit, meer aandacht moet besteden, maar daardoor creëer ik in mijn klas andere zorgleerlingen bij, vanwege het probleem dat ik onvoldoende tijd heb om in die andere leerlingen te kunnen investeren.’

Ik heb toch nog een aantal bijkomende vragen. Ten eerste, de vraag die collega Meuleman ook stelde: het meenemen van anciënniteit van collega’s. Dat is wat in het wijzigingsdecreet staat, niet in de bijkomende zaken uit de conceptnota. Er staat inderdaad ‘kan’. Wie beslist dat? Wat beslist dat? Hoe kunnen we dat meenemen?

Twee: de ouders, die gaan we meer kansen geven, ze betrekken. Er is inderdaad een bemiddelingscommissie, maar we stellen vast dat ook scholen gewoon onderwijs het niet altijd eens zijn of er een verslag gegeven wordt of niet, want zij moeten het wel degelijk doen. Hoe zal dat in zijn werk gaan?

Drie: de leerlingen met DCD en dyspraxie. Daar gaat het wat in alle richtingen. Het is mij niet volledig duidelijk wat we daar nu mee gaan doen. Dat zijn de leerlingen kleine type. Dat zijn de rugzakprincipes die we daar hanteren. Blijf het rugzakprincipe voor DCD en mensen met dyspraxie nu overeind of niet? Dat kan ik niet volledig uit de documenten halen.

Een laatste vraag gaat over het leerlingenpaspoort. Dat is een goede zaak, maar hoe gaan we er nu effectief voor zorgen dat de expertise van zorgcoördinatoren, directeurs en leerkrachten in het gewoon onderwijs, die vaststellen, samen met ouders, dat het niet lukt, voor waar wordt aanvaard, en niet zozeer de hoeveelheid papier die ze errond ontwikkelen, om aan te tonen dat ze het kind niet kunnen geven wat het nodig heeft en dat, zoals in het regeerakkoord staat, die leerlingen die de beste ontwikkelingskansen hebben in het buitengewoon onderwijs, daar ook effectief terechtkunnen?

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik zou zelf ook toch willen tussenkomen bij de voorstellen van aanpassing van het M-decreet. Daar zitten een aantal positieve voorstellen in, ten eerste de ondersteuning die in het gewone onderwijs zal geboden worden in de toekomst zonder dat de voorwaarde er is om eerst in het buitengewoon onderwijs een traject van negen maanden te hebben doorlopen. Dat is een positieve stap vooruit. En ook de evolutie dat de medische diagnose geen voorwaarde meer zal zijn in de toekomst, vind ik heel positief.

Het is belangrijk dat we aan het onderwijsveld, en zeker ook aan de CLB’s, die toch wel een belangrijke sleutel in handen hebben, heel duidelijk blijven stellen op welke manier wij naar onderwijs kijken, naar gewoon onderwijs, naar buitengewoon onderwijs, en de rechten die leerlingen op dat vlak hebben, om de overstap te maken of om ondersteuning te krijgen, zodanig dat de CLB’s ook het kader zeer goed kennen waarbinnen zij functioneren. Er is vrij snel kritiek op de centra dat zij bepaalde dingen niet goed doen. Vroeger verwezen ze te vlug naar buitengewoon onderwijs, vandaag wordt hun gezegd dat ze niet snel genoeg meer verwijzen. Zij passen gewoon de wetgeving toe. Dus voor hen is het wel belangrijk om te weten wat er van hen verwacht wordt.

Ik wil bij drie puntjes nog stilstaan die opgenomen zijn in de aanpassingen. Eén: het vermoeden van gedragsstoornis. Belangrijk is dat duidelijk gesteld wordt dat we een onderscheid moeten maken tussen een gedragsprobleem en een gedragsstoornis. Maar het is niet vanzelfsprekend voor een CLB om een vermoeden van gedragsstoornis uit te spreken, met zekerheid dat dat ook sowieso op termijn zal resulteren in een doorverwijzing naar buitengewoon onderwijs. Het zal altijd een hypothese zijn. Dat zal altijd tijd vragen. Het zal altijd voor hen na een handelingsgericht diagnostisch traject zijn. En het is ook niet altijd zo dat een hypothese altijd eindigt in een verwijzing naar bijvoorbeeld type 3, omdat niet enkel en alleen gekeken wordt naar gedrag, maar ook naar functioneringsproblemen, wat mogelijk toch wel een andere oriëntering kan inhouden. We moeten bekijken op welke manier wij het traject dat wij voor de leerling plannen, altijd doen in het belang van het kind en proberen om niet te veel veranderingen van school teweeg te brengen als wij daar verwijzingen doen.

Ik denk dat het ook interessant is om te bekijken hoe wij met externe diensten binnen het welzijnsveld, met kinderpsychiaters, ook tot een beter samenwerkingsverband kunnen komen. Ik heb in het verleden het voorstel gedaan om te bekijken of een kinderpsychiater mee deel kan uitmaken van de discipline binnen de centra voor leerlingenbegeleiding, zodat er werkafspraken gemaakt kunnen worden en er vlotter gewerkt kan worden, zodanig dat er iets minder tijd overheen gaat en er voor bepaalde doelgroepen, de kwetsbare doelgroepen, die het financieel niet kunnen om een psychiater te betalen, ook een oplossing geboden kan worden via die centra voor leerlingenbegeleiding en een samenwerking met de kinderpsychiatrie. Ik denk dat dat ons ook veel stappen vooruit kan brengen en dat dat ook een degelijke professionele werking van de CLB’s kan versterken.

Wat type 2 betreft, schrappen wij de IQ-grenzen. Op zich heb ik daar zeker geen problemen mee, omdat een IQ niet bepaald een element is waarop we ons heel sterk moeten baseren. Belangrijk is om te weten of de grens voor adaptief gedrag ook geschrapt wordt of behouden blijft. Het is belangrijk dat dat wel behouden blijft, want mochten we dat niet behouden, dan denk ik dat we de impact van de aanpassing van het schrappen van de IQ-grens niet mogen onderschatten, omdat dat dan een serieuze impact zal hebben, zowel op basisaanbod als op de types 3, 9 en 7. Vandaar toch wel de vraag om daar duidelijkheid in te brengen. Ik ben vragende partij om die grens voor adaptief gedrag wel te behouden. Daar is het voor mij toch ook wel belangrijk om te investeren in instrumenten die we in Vlaanderen kunnen gebruiken.

We gebruiken nu instrumenten maar in het buitenland beschikt men toch over betere meetinstrumenten. Het is belangrijk dat ook wij daar in de toekomst werk van maken.

Wat dyspraxie betreft, wordt in de nota opgenomen dat het beter is om dat te begeleiden vanuit de ondersteuningsnetwerken. Ik wil vragen om dat met grote omzichtigheid te hanteren omdat de expertise van type 4 bijvoorbeeld heel vaak nodig is bij de aanpak van dyspraxie. U hebt in uw antwoord verwezen naar een goede afbakening die nodig is. Ik denk dat we daar echt moeten verfijnen wat in de conceptnota staat om te voorkomen dat de expertise die voor een aantal kinderen nodig is, niet meer zou worden geboden. Ik ben heel sterk vragende partij om daarop in te zetten.

Ik kom heel regelmatig in de scholen en ik probeer om er op regelmatige tijdstippen een volledige dag mee te draaien. Wat ik daar zie, is dat we heel sterk moeten investeren in de professionalisering van leerkrachten. Zij hebben het moeilijk om met gedragsproblemen om te gaan. Ik denk dat investeren in de professionalisering van leerkrachten echt een positief antwoord kan bieden met mogelijkheden van alternatieve trajecten time-out binnen het gewoon onderwijs waardoor niet meteen de stap moet worden gezet naar het buitengewoon onderwijs. Daar zijn volgens mij echt mogelijkheden die een gepast antwoord kunnen bieden. En verder vraag ik aandacht voor de professionalisering binnen de CLB’s, ook wanneer het gaat over de begeleiding van kinderen met gedragsproblemen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Sommigen onder u zeggen dat die ondersteuningsnetwerken holderdebolder zijn ingevoerd. Ik ben echter godsgelukkig dat die ondersteuningsnetwerken zijn ingevoerd. Hadden we dat niet gedaan, dan zou er nu op een aantal plaatsen in Vlaanderen totaal geen ondersteuning zijn, geen netwerk en geen enkele euro aan investeringen. Nu is er overal ondersteuning.

Ik vind dat die netwerken dat ook zeer goed doen. Ze zijn allemaal gemotiveerd. Het eerste verslag dat ze hebben gemaakt, was een groot verslag waar extra zorgen uit voortsproten. Ik hoor overal, en ik heb dat ook hier bij een aantal collega’s gehoord, dat ze hun job willen doen, willen voortwerken en willen investeren in vertrouwen op het terrein. Ik ben ook van plan hen dat effectief te laten doen, maar dat neemt niet weg dat we op een aantal punten ook oor moeten hebben voor de verzuchtingen en ruimte moeten geven voor bijsturingen.

Mevrouw Meuleman, u vindt dat er eindelijk moet worden gewerkt aan een visie maar die visie is er. Er is een decreet en we sturen wat bij maar wanneer ik u zou volgen, dan zou de leerkrachtenopleiding eerst volledig hervormd moeten zijn en zouden we vervolgens moeten wachten tot er voldoende leraren opgeleid zouden zijn. Maar dan staan we over 10 jaar nog nergens. Ik erken dat alles nu zeer snel in werking is getreden, dat is het gevolg van de stemming die er is geweest tijdens het laatste jaar van de vorige legislatuur. En we zijn ook de rivier overgestoken, dat is ook een enorme wijziging. Ik hoor dat leerkrachten die 5 jaar geleden dachten dat het allemaal niet zou kunnen, nu veel meer openstaan voor inclusie. Zij zien nu veel meer positieve zaken aan inclusie maar we moeten wel zorgen dat onze leerkrachten inderdaad de tijd krijgen om zich aan te passen en bij te scholen, en dat zij ondersteuning krijgen wanneer dat nodig is.

Mevrouw Gennez, u zegt dat ik het veld niet heb geconsulteerd. Leen, die hier rechts van mij zit, is het levende bewijs van mijn consultatie van het veld. Ik heb zelf ook veel scholen bezocht zoals u allemaal trouwens. Gisteren zijn de Freinet- en de Steinerscholen hier geweest. We hebben allemaal een grote zorg, namelijk het verbeteren van die inclusie. Leen zit elke week samen met het netwerk en het klopt inderdaad dat niet elke maatregel tot in detail wordt doorgesproken met de netwerken maar alles wat we nu beslissen, is het gevolg van of gebaseerd op het eerste verslag.

Mevrouw Gennez, er is een verschil in omkadering tussen de ondersteuningsnetwerken omdat we in de transitiefase de gon-middelen hebben bevroren. Paritaire commissies zijn nu voorstellen aan het afronden om dat een beetje evenrediger te verdelen. Volgende week wordt daarover onderhandeld in het onderhandelingscomité.

Wat de planlast bij de ondersteuners betreft, rijzen mijn haren te berde. Als overheid hebben wij geen verplichtingen opgelegd. Uw verhaal, mevrouw Gennez, of de mail die u voorleest, is er echt compleet over. Dat is natuurlijk niet uw verantwoordelijkheid. Ik vind dat hallucinant. We moeten de boodschap breed uitdragen dat die fiches en al die manieren waarop dat gebeurt, niet worden gevraagd.

Er waren collega’s die vroegen hoe het nu zat met die kilometers, maar u weet dat er een verschillende regeling is voor het katholiek onderwijs en het GO!. Daar zijn signalen over gekomen in de stuurgroep omdat men het niet eens was over hoe de verplaatsingskosten precies moesten worden berekend, waardoor het twee verschillende regelingen zijn geworden.

Ik ben het met jullie eens dat wanneer een kind gedragsproblemen vertoont, vreemde ogen die daar vijf minuten bij zijn, niet zullen helpen. Maar vreemde ogen die samen met de leerkracht komen observeren, kunnen die leerkracht versterken om met het kind om te gaan. Maar dan moet je wel toelaten dat er expertise komt. Dat is ook wat leerkrachten vragen. Ze zijn er niet tegen, maar ze weten niet hoe ze ermee om moeten gaan en vragen dan ook hulp. Ik ga niet meer mee in het oude systeem waarbij een kind twee uur gon-begeleiding krijgt in de klas maar waarbij de leerkracht geen extra enkele expertise krijgt. Op die manier krijgen we twee onderscheiden werelden. We moeten eindelijk naar een situatie waarbij de hulp ook bij de leerkracht komt en de leerkracht zelf meer expertise kan opbouwen. En daarvoor zijn de teams bedoeld.

Ik hoor hier commentaar op de competentiebegeleiders. Ik herhaal dat ik geen afbreuk wil doen aan de manier waarop de competentiebegeleiders werken. Maar ik heb in het verleden van u allen vragen gekregen, kritische vragen, waarom zij niet volledig mee worden ingezet in het ondersteuningsnetwerk. We hebben nu een keuze gemaakt en die keuze is dat een aantal competentiebegeleiders mogen blijven doen wat ze doen maar dat er ook moet worden geïnvesteerd in coördinatie. Ik had inderdaad niet de middelen om daarin te voorzien maar ik wilde wel aan de netwerken de kans geven om in coördinatie te voorzien.

Mijnheer De Ro, we hebben gerekend op één per netwerk. U hebt gelijk dat dat misschien een beetje moet worden uitgebalanceerd, maar dat is de taak van de stuurgroep. Het volume ligt vast maar er kunnen wel onderling afspraken worden gemaakt.

Wat de uitspraken van het Europees Comité en de langetermijnplanning betreft, is Leen momenteel in gesprek met mensen van Unia om tot de langetermijnplanning te komen. Voor mij is dat moeilijk. Ik zie elke dag de grote meerwaarde van inclusief onderwijs, maar ik zie ook het gevecht dat nodig is om het draagvlak te houden. Men kan dan zeggen dat dat niet belangrijk is, maar dat is het wel degelijk. Men één foute ingreep kan men heel veel stukslaan. Op lange termijn weten we heel goed wat ons doel is, hoewel ik op een aantal punten wel van mening verschil met Unia. We krijgen echter ook veel complimenten over zwaar gehandicapte kinderen die nu voor het eerst ook onderwijs krijgen. Er zijn grenzen aan wat we kunnen bereiken. Ik heb daar al een positief gesprek over gevoerd met de mensen van Unia, maar men moet wel daar het vertrouwen blijven behouden in de richting die we willen uitgaan, en dat begrijp ik ook wel.

Ik heb hier heel veel problemen gehoord, maar er zijn ook realistische positieve voorbeelden. Ik zie die eigenlijk te weinig in het beeld vandaag. Het gaat dan over zaken die heel goed werken. Iemand zei hier dat inclusie kan zorgen voor een negatief effect op de hele klas, maar het kan ook omgekeerd. Waarom gaan we dus niet op zoek naar de plaatsen waar het wel goed werkt? Ik heb al vaker het voorbeeld van Blankenberge gegeven, waar de school gewoon onderwijs en buitengewoon onderwijs samen bouwt, waardoor kinderen soms apart blijven zitten maar soms ook dingen samen doen.

Je kunt Vlaanderen niet in één keer in zo’n systeem veranderen. Maar ik vind dat goed. Ik vind het niet oké dat het voor sommigen tot hun 18de of 20ste duurt tot ze in contact komen met kinderen met een beperking. Iedereen heeft wel iets. We zouden wat opener moeten zijn op dat vlak.

Mevrouw Krekels, de stuurloosheid van de profielen van de kinderen in het basisaanbod buitengewoon onderwijs, is de essentie van onderwijs op maat. Die profielen wijzigen, maar het buitengewoon onderwijs moet zich daaraan aanpassen. Door de druk van die twee jaren weg te pakken, zullen ze ook wat ruimte krijgen.

Types 7 hebben vaak ook andere types buitengewoon onderwijs, die wel in een netwerk thuishoren. De voorzitter verwees er ook al naar. Dat blijft een aandachtspunt. Maar we zijn dat nu met hen aan het bespreken.

Voor STOS blijft het terugzakprincipe inderdaad. Dat hebt u ook gevraagd.

De rol van CLB in ‘fast’ is uiteraard cruciaal. Ik blijf het ‘fast’ noemen, tot we een ander woord vinden. ‘Fast’ klinkt anders naar een leerkracht toe dan naar een kind. Daar zit er wat verwarring. De rol van het CLB is daarin cruciaal. We werken samen en dat moet ook worden gestimuleerd.

Mijnheer De Ro, ik ben het er volledig mee eens dat er meer expertisedelen moet komen binnen het gewoon onderwijs. Mevrouw Meuleman, u moet mij niet verkeerd begrijpen: er moet inderdaad worden geïnvesteerd in de lerarenopleiding. We doen dat ook. Ik weet niet of het nu nog zo is, maar een van de zaken die ik niet begreep, is dat, als je onderwijzer wilt worden, je geen langlopende stage kunt doen in het buitengewoon onderwijs. Ik viel van mijn stoel toen ik hoorde dat het niet kon. Dat kan blijkbaar maar voor een paar weken. Maar ook dat moeten we onder ogen durven zien.

Ook wat nascholing en opleiding betreft, is er inderdaad een weg te gaan. We hebben daarin al beslissingen genomen.

Waarom ben ik blij met het netwerk? Dat heb ik uitgelegd.

Mevrouw Meuleman, u stelde een vraag in verband met basiszorg en verhoogde zorg. Ik ben het ermee eens dat er heel wat nieuwe manieren van werken zijn. Maar onderschat het tempo niet waarop onze scholen zich aan het reorganiseren zijn.

Voor TADD hebben we nu een oplossing gevonden. Dat was een heel moeilijke onderhandeling. Want jullie vinden nu dat het een plicht zou moeten zijn. Maar wat er nu gebeurt in onderwijs, die soepelheid, is een revolutie. Want wij komen uit een heel rigide manier van aanpakken.

Kun je werkgevers verplichten om iemand aan te werven? Ik vind het tricky om dat verplicht te maken. Het moet sowieso op maat zijn van iemands competenties. In het compromis dat we hebben gevonden met de vakbonden – ik spreek nu uit het hoofd – denk ik dat enkel het ACOD nog verder wilde gaan, maar dat de rest er eigenlijk akkoord mee ging. Als ik nu een vakbond oneer aandoe, gelieve mij daarover dan te informeren. Maar ik denk dat er van daaruit een draagvlak gevonden is voor de manier waarop het nu wordt.

DCD wordt bekeken met experten. Ik heb dat al gezegd.

Mevrouw Helsen, we hebben dat vermoeden van stoornis ook bij ons lang besproken. We zien dat CLB’s zich zeer, zeer zelden vergissen als ze het traject lopen. Ze zijn voldoende voorzichtig. Dat wordt ook bekeken met de kinderpsychiatrische centra. In Brussel – om eens een goed voorbeeld te geven uit Brussel – is er bijvoorbeeld een kinderpsychiater aan de slag in het CLB. Het is natuurlijk fantastisch als dat zo kan. Kinderen mogen wat mij betreft nooit het kind van de rekening zijn. Ik ga er niet mee akkoord dat kinderen één tot twee maanden thuis zouden moeten zitten. Dat is de reden waarom we dit als mogelijkheid vastleggen.

Ik weet dat mijn antwoorden eigenlijk veel te kort zijn. Maar we werken die in de komende periode verder uit.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Mij is de discrepantie tussen het ‘fast team’ en de drie pijlers in het oorspronkelijke zorgondersteuningsmodel toch niet helemaal duidelijk.

We hebben duidelijk gezegd: we willen leerlinggericht werk, de leerkracht professionaliseren en het beleidsvoerend vermogen op schoolniveau versterken. Dat zit in het zorgondersteuningsmodel. Wij staan ook achter die drie niveaus. De ‘fast teams’ moeten nu eigenlijk hetzelfde doen, maar specifiek voor leerlingen met gedragsproblemen.

Dreigen we niet opnieuw te veel structuren te creëren? Want eigenlijk zijn het zorgondersteuningsmodel en zijn opdrachten daar al voor uitgerust. We moeten opletten dat we geen verwarring zaaien op het veld. Als het geen structuur is, zoveel te beter. Maar het lijkt mij belangrijk dat we eenduidig naar het veld communiceren en niet voor extra verwarring zorgen in onze communicatiedrift.

Ik ben blij dat u aangeeft dat u echt naar een strategisch plan wilt gaan. Ik ben ervan overtuigd, samen met vele organisaties, zoals GRIP, maar ook de inrichtende machten, dat een strategisch plan echt kan voorkomen dat men de weg kwijtraakt en dat wij ook hier jaarlijks de grote debatten moeten voeren over kleine en minder kleine wijzigingen en bijsturingen. Het is echt belangrijk dat we dat langetermijntraject hebben en duidelijk benoemen wat er in het VN-verdrag staat, waar we naartoe moeten en hoe we dat inclusief onderwijs kunnen realiseren. GRIP besluit dan in de laatste nota: “Dat is een verantwoordelijkheid die een minister van Onderwijs niet langer mag ontlopen.” U wilt de handschoen opnemen. Dat lijkt mij een goede zaak.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, met dit dossier zitten we zeker nog niet aan het einde. Het zal nog wel regelmatig de revue passeren om bezorgdheden te uiten en om te proberen het elke keer opnieuw beter te maken.

De belangrijkste conclusie is dat we inderdaad die goede evenwichten moeten bewaren. We hebben heel veel actoren op het veld. We hebben onze leerkrachten, onze ondersteuningsnetwerken, onze CLB’s, onze competentiebegeleiders, bij hoogste begeleiding. Iedereen op het veld moet zijn verantwoordelijkheid nemen in de rol die hij wil nemen.

We moeten heel goed naar de leerkrachten blijven luisteren en naar de kinderen blijven kijken. En vooral moet iedere keer iedereen binnen zijn eigen verantwoordelijkheid actie durven ondernemen. Niet nodeloos uitstellen, maar actie ondernemen en doen.

De voorzitter

Mijnheer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Omdat sommige collega’s daarnet even verwezen naar een fractiestandpunt, doe ik dit ook even: “Scholen voor buitengewoon onderwijs zullen we blijven verzekeren van voldoende ondersteuning en omkadering. Deze scholen bieden een grote meerwaarde voor heel wat kinderen in Vlaanderen met specifieke omkaderingsbehoeften. We waken er wel over dat kinderen met specifieke onderwijsbehoeften niet automatisch naar het buitengewoon onderwijs worden doorverwezen, maar dat de kinderen en hun ouders op advies van het CLB maximaal kiezen tussen gewoon onderwijs waar het kan en buitengewoon onderwijs wanneer dit beter is voor het kind. We gaan voor meer samenwerkingsverbanden tussen scholen gewoon en buitengewoon onderwijs om de integratiekansen van kinderen te vergroten.” Dit schreven we in 2004 in ons programma. Tussen 2004 en 2018 was er natuurlijk het VN-verdrag, met een aantal consequenties die we ook moeten naleven en respecteren.

Collega’s, toen ik zelf nog onderwijsdirecteur was, was een van mijn ministers de heer Daniël Coens. En een van zijn bijzondere zorgen was het buitengewoon onderwijs, gedreven als hij was voor de meest kwetsbare kinderen en jongeren.

Collega’s, de geschiedenis herhaalt zich soms, maar weliswaar in gewijzigde maatschappelijke omstandigheden, die vandaag uiteraard complexer zijn dan tien, twintig of dertig jaar geleden. Maar soms is het toch even goed om achteruit te blikken vooraleer je stappen voorwaarts zet, die we samen, op basis van deze conceptnota, zeker en vast moeten zetten. Want hier zitten ongetwijfeld heel wat opportuniteiten in.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

We moeten dit dossier heel goed blijven opvolgen in deze commissie.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Dat vind ik ook.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.