U bent hier

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Het is al even geleden, maar op 5 maart hebben 3302 kinderen in Brussel te horen gekregen dat er voor hen helaas geen plek is in het basisonderwijs in Brussel. Er waren in totaal meer dan 6000 aanmeldingen. Ongeveer de helft daarvan is positief beantwoord, maar meer dan 3000 kinderen hebben dus een ‘njet’ gekregen op hun vraag om een plek in een Nederlandstalige school.

Minister, het is niet de eerste keer dat we die vraag stellen en het is niet de eerste keer dat u op die vraag antwoordt. We kennen intussen dus wel de antwoorden die erop komen. Er zijn een aantal nuances, en een aantal nuances zijn ook terecht, want een deel van die kinderen zijn kinderen die van school veranderen. Als een kind van de ene school naar de andere gaat, komt er natuurlijk ook weer een plekje vrij. Dat plekje kan dan naar een ander kind gaan. Op sommige scholen zal er ook nog wel extra capaciteit bij komen, omdat er altijd wordt ingeschat hoeveel kinderen men zal moeten houden, bijvoorbeeld in het eerste leerjaar voor zittenblijvers. Daar kan altijd wel marge bij komen.

Maar een groot deel van die kinderen, zo weten we ook uit vorige jaren, en dat kunnen we niet nuanceren, zijn kinderen die noodgedwongen verderop een plaats gaan zoeken. Dat gaat dan vaak om plaatsen in de randgemeenten of in het Franstalig onderwijs. Dit jaar zijn er voor het lager onderwijs 157 kinderen meer in die situatie dan vorig jaar. Ieder jaar melden meer kinderen zich aan, vragen meer kinderen een plekje in het Nederlandstalig lager onderwijs, en ieder jaar groeit dat.

U hebt er de vorige jaren, en daarvoor wil ik u alvast lof geven, werk van gemaakt om te kijken wat er gebeurt met de kinderen die geweigerd zijn en waar die terechtkomen. De conclusie was dat 60 procent van die kinderen eindigt in een Nederlandstalige school buiten Brussel. Een tijdje geleden hoorden we klachten uit Grimbergen, waar de scholen vol zitten, en we hoorden wat het in Vilvoorde betekent, maar zelfs in Aalst en verdere gemeenten en steden: dat zijn Brusselse kinderen die steeds verder een plek zoeken. Want ouders, wat er ook gebeurt, zoeken een plaats voor hun kind. Sommigen kiezen voor het Franstalig onderwijs. Sommigen gaan binnen Brussel van de ene kant van de stad naar de andere.

Ook in het Nederlandstalig secundair onderwijs zijn er 464 kinderen en jongeren die geen school vonden. In januari 2018 schreven zich zo’n 2000 kinderen in in een van de scholen van het Nederlandstalig Brussels secundair onderwijs. Dat was het hoogste aantal tot nu toe. Van die groep kregen ongeveer 1500 kinderen een school, niet altijd de eerste of tweede keuze, maar wel een school. Binnen het secundair onderwijs zijn er nog steeds scholen die niet meedoen met de aanmeldingsprocedure. Dat zijn voor alle duidelijkheid geen scholen die ervan genieten om wachtlijsten te hebben. Dat zijn scholen die uit ervaring weten dat er bij hen plaats is en die daarom niet meedoen met de aanmeldingsprocedure. Kinderen en jongeren zullen daar dus nog kunnen proberen een plaats te vinden. Anderen zullen buiten Brussel gaan of in het Franstalig Brussels onderwijs. Ik wil er wel bij zeggen dat als je de cijfers bekijkt voor het secundair onderwijs, de urgentie en de nood daar van een andere aard zijn dan bij het lager onderwijs. Het zal wel komen in de toekomst, maar dit jaar denk ik dat de meeste kinderen nog wel binnen Brussel een plaats in het secundair onderwijs gevonden hebben. Maar we voelen de druk daar ook gigantisch toenemen.

Volgens de Onderwijskoepel van Steden en Gemeenten (OVSG) werkt de Vlaamse Gemeenschap voor de investering in scholenbouw nog steeds met parameters uit 1990. Dan is het natuurlijk niet te verwonderen dat we een beetje achterlopen met die scholenbouw en dat we ondanks de vele berichten over uitbreidingen van scholen en nieuwe scholen, met plaatsgebrek blijven kampen.

Er is een capaciteitsmonitor gebeurd, er zijn oefeningen gemaakt, maar we merken nog steeds dat de uitbreidingen die daartegenover staan, niet volstaan. Ondanks wat er nodig is om in de toekomst voldoende scholen voor alle kinderen te hebben, staan daar niet voldoende scholen tegenover.

– Kathleen Helsen treedt als voorzitter op.

Minister, hebt u een zicht op het profiel van de kinderen en jongeren die een negatief antwoord kregen? Gaat dat om Brusselse kinderen? Gaat het om kinderen uit de buurt? Zijn het vooral kinderen die onder de parameters van kansarme kinderen vallen? Zijn dat kinderen die veeleer Franstalig of anderstalig zijn? Wat is het profiel van die kinderen die een negatief antwoord kregen?

Welke stappen worden nu ondernomen om die kinderen toch nog in een Nederlandstalige school een plaatsje te geven, behalve de gekende zoektochten van de ouders zelf? Welke ondersteuning wordt er gegeven?

Hoeveel kinderen en jongeren die via de aanmeldingsprocedure in 2017 geen plaats vonden in het Brusselse Nederlandstalige onderwijs, hebben zich uiteindelijk ingeschreven in een Franstalige school of een Nederlandstalige school buiten Brussel? Omdat u het voor 2016 hebt laten onderzoeken, interesseert het mij wel wat dat voor 2017 betekent.

Welke parameters worden gehanteerd voor de bouw van Nederlandstalige scholen? Hoe gaat u om met de kritiek van de OVSG daarop? Hoe wordt het toenemende aantal aanmeldingen eventueel in rekening genomen om daarmee aan de slag te gaan?

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, in Brussel verlopen de inschrijvingen voor het Nederlandstalige onderwijs inderdaad alles behalve vlekkeloos, zoals de collega al heeft aangehaald. Wat het basisonderwijs betreft, zou maar liefst de helft van de kinderen niet ingeschreven raken in de voorkeurscholen. Voor het secundair onderwijs werd een tijdje terug gemeld dat van de 1908 kinderen die zich aanmeldden voor een plaats in een van de 26 Nederlandstalige secundaire scholen, een kwart nog geen school gevonden had via de aanmeldingsprocedure. Zij kunnen zich alsnog proberen in te schrijven, maar dan in een van de zes scholen die niet meedoen met de aanmeldingsprocedure of in scholen waar op 6 mei nog plaatsen over zouden zijn.

In Brussel bestaat er, zoals de collega’s van deze commissie weten, een behoorlijk ingewikkeld voorrangssysteem, waarbij eerst voorrang wordt toegekend aan broers en zussen en schoolpersoneel, en vervolgens voor GOK- en niet-GOK-leerlingen (gelijke onderwijskansen) voor respectievelijk 35 en 65 procent van de plaatsen en voor Nederlandstalige ouders ten belope van 55 procent van de plaatsen.

Veel Nederlandstalige ouders die hun kind niet in een school van hun voorkeur kunnen inschrijven, hebben daar – mijns inziens terecht – weinig begrip voor. Ze zijn immers het slachtoffer van de genoemde voorrangregels. Door een combinatie van de voorrangsregeling voor broers en zussen en de regeling voor GOK-leerlingen ten belope van 35 procent van de plaatsen blijven er in veel scholen nog maar weinig plaatsen te verdelen voor Nederlandstalige kinderen.

U hebt ongetwijfeld het opiniestuk gelezen dat op 15 maart in een krant stond van een wanhopige Nederlandstalige Brusselse moeder die voor haar zoon, die ze wilde inschrijven in het secundair onderwijs, maar liefst zeven scholen had opgegeven maar hem in geen enkele van die zeven scholen kon inschrijven. De dame vertelde in het opiniestuk dat ze zich genoodzaakt voelt om Brussel te verlaten, weliswaar met pijn in het hart, maar in het belang van haar zoon.

Dat veel Vlaamse ouders zich in dezelfde situatie bevinden en er niet in slagen hun kind in te schrijven in een Nederlandstalige school in Brussel, terwijl niet-Nederlandstalige ouders daar door de voorrangsregels voor broers en zussen en GOK-leerlingen wel in slagen, is eigenlijk onaanvaardbaar. De dame van het opiniestuk geeft het voorbeeld van enkele Nederlandstalige scholen waar ze haar kind wilde, maar niet kon inschrijven met minder dan 10 procent Nederlandstalige leerlingen. Nochtans, en dat is toch belangrijk in dit aspect, wordt het Nederlandstalige onderwijs in Brussel wel gefinancierd met Vlaams belastinggeld.

We hadden onlangs in het Vlaams Parlement een geanimeerd actualiteitsdebat over de hervorming van het inschrijvingsbeleid in het onderwijs. Laat dat dan een opportuniteit zijn om ook voor Brussel een nieuw inschrijvingsbeleid uit te werken dat de Brusselse Vlamingen opnieuw vlot toegang geeft tot het door Vlaanderen gefinancierd Nederlandstalig onderwijs in onze hoofdstad.

Minister, hoe evalueert u het Brusselse inschrijvingsbeleid in het licht van voormelde cijfers en problematieken? Is het inschrijvingsbeleid voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel aan herziening toe? Zo ja, in welke zin?

Vindt u het aanvaardbaar dat Vlaamse kinderen niet terechtkunnen in Brusselse Nederlandstalige scholen omdat broers en zussen van vaak Franstalige en ook allochtone leerlingen, absolute voorrang krijgen en de nodige plaats en opvullen? Vindt u het acceptabel dat Vlaamse kinderen niet terechtkunnen in Brusselse Nederlandstalige scholen omdat overwegend Franstalige GOK-leerlingen voor 35 procent van de plaatsen voorrang krijgen? Vindt u het acceptabel dat in door de Vlaamse overheid gefinancierde Nederlandstalige scholen maar 10 procent van de schoolpopulatie Nederlandstalig is?

Kan een betere afstemming met het inschrijvingsbeleid voor het Franstalige Brusselse onderwijs en het Vlaamse onderwijs in de Rand de situatie enigszins verbeteren?

Werd er al onderzoek gedaan naar voormelde inschrijvingsproblematiek voor het Nederlandstalig Brussels onderwijs en de stadsvlucht die daarmee verbonden zou zijn? Moet er voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel geen absolute voorrang voor Nederlandstaligen worden ingevoerd?

Welke initiatieven wilt u in dit verband nemen?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik wil beginnen met te verwijzen naar een opiniestuk dat vanmorgen in De Morgen stond waarbij een journalist de link legt tussen de hervorming van het secundair onderwijs in Wallonië en de verwachte, nog eens extra toestroom daardoor van jongeren naar ons Vlaams onderwijs. Ik hoop dat die toestroom zich niet zal voordoen, want wij kunnen onmogelijk in Brussel alle kinderen een plaats geven. Er zijn twee systemen, de Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering acteren daar. We doen dat zeer goed, denk ik, maar het is wel belangrijk dat we in de toekomst ons onderwijs in Brussel zeer kwaliteitsvol houden.

Het is niet de eerste keer dat dit thema hier aan bod komt. Bovendien is de inschrijvingsperiode nog volop bezig, dus de vragen zijn ook zeer actueel. Maar aangezien de inschrijvingsperiode nog niet afgesloten is, kunnen we nog geen definitieve cijfers geven. Dat zult u hopelijk begrijpen.

Dit onderwerp verdient zeker een debat, vandaar dat ik vrij uitgebreid zal antwoorden. U kunt nadien, zoals de voorzitter altijd uitgebreid toelaat, uitgebreid repliceren.

Voor ik inga op de specifieke vragen, wil ik toch graag eerst reageren op een aantal beweringen die ik hoorde in de vraagstelling. Mevrouw Van den Brandt, u bent in uw mondelinge vraagstelling milder dan in uw schriftelijke, dat is zeer sympathiek van u. Ik had dan ook een hele commentaar voorbereid op uw vraag. Indien u de indruk zou krijgen dat ik cijfers nuanceer of wegnuanceer, dan is dat helemaal niet zo. Maar u zei net dat de nuances soms terecht zijn. Ik denk dan ook dat we het ongeveer eens zijn.

Ik wil ook benadrukken dat ik bijzonder veel begrip heb voor de grote teleurstelling van ouders die hun kind willen inschrijven in een Nederlandstalige school van hun eerste keuze in Brussel, maar daar geen plaats vinden. Ik ben zelf ook moeder en ik weet hoe belangrijk het is om een school te kunnen kiezen en hoeveel aandacht mensen daaraan besteden.

Ik begrijp ook dat dit ongerustheid en ontgoocheling teweegbrengt. Ik denk dat Nederlandstalige ouders in Brussel bewust een positieve keuze maken om in Brussel te komen of te blijven wonen, maar dan ook graag hebben dat hun kinderen naar een Nederlandstalige school kunnen gaan.

Al die Nederlandstaligen in Brussel dragen sowieso ook al bij tot de noodzakelijk sociale mix in de stad en in de scholen. Dat vind ik op zich een fantastische zaak. Ik zou het bijzonder spijtig vinden indien mensen Brussel zouden verlaten wegens het feit dat ze voor hun kinderen geen plaats vinden in een school. Dat moeten we absoluut proberen te vermijden.

Ik wil proberen jullie een zo volledig mogelijk beeld te geven van de situatie. Ten eerste, leerlingen en ouders moeten ook weten dat nog niet alle hoop per definitie verloren is, aangezien een aantal bewegingen nog voor een aantal vrijgekomen plaatsen zullen zorgen. Er zijn schoolveranderaars, dubbele inschrijvingen enzovoort. Mevrouw Van den Brandt heeft daar ook al naar verwezen. Dat is dus niet nuanceren, maar de realiteit. Je kunt maar definitief weten hoe het precies is als de hele procedure afgelopen is.

Collega’s, ik heb de dame van het opiniestuk opgebeld. Iemand van jullie heeft ernaar verwezen, ik weet niet meer precies wie. We hebben die mevrouw opgebeld, naar haar verhaal geluisterd en haar de volledige informatie gegeven. En als wij het niet doen, doet mijn administratie dat, net om te proberen rekening te houden met de gevoeligheden van mensen.

Collega’s, ik vind het een beetje sterk dat de inspanningen die wij als Vlaamse overheid, samen met de VGC, leveren om in extra capaciteit in Brussel te voorzien, zouden worden weggecijferd. Ik ben ooit in het Brussels Parlement geweest om toelichting te geven bij de inspanningen en activiteiten die we doen. Ik had het gevoel dat er vrij veel respect was voor de inspanningen die Vlaanderen levert en de manier waarop we Brussel en de Rand rond Brussel – want het gaat niet alleen over Brussel – middelen toekennen als we capaciteitsuitbreidingen doen.

Wat die capaciteitsmiddelen betreft, kan ik u melden dat we de voorbije jaren vanuit de Vlaamse overheid 71,2 miljoen euro in capaciteitsprojecten in scholen in Brusselse scholen hebben geïnjecteerd. Die 71,2 miljoen euro is goed voor 5637 extra plaatsen op school. Dat zijn uiteraard theoretisch berekende plaatsen, maar het zijn de plaatsen die zo worden doorgegeven voor hen die het project indienen.

Wat de uitvoeringsgraad betreft, zijn er op dit ogenblik voor 26 miljoen euro plaatsen bij gekomen. In totaal zijn dat 2035 plaatsen van de 5637. De werken zijn gestart voor 18,5 miljoen euro of voor 1739 plaatsen. Dat zijn plaatsen die er binnen korte tijd – want ze zijn aan het bouwen – zullen bij komen. De werken zijn nog niet gestart voor 26,7 miljoen euro of voor 1863 plaatsen. Er komen de komende periode sowieso plaatsen bij.

Ook via de samenwerking met de private sector, de zogenaamde DBFM-procedure (Design Build Finance Maintain) en via de tweede oproep van de huursubsidies doen we belangrijke inspanningen om de schoolcapaciteit in Brussel fors te vergroten. De middelen waarover ik het net had, zijn enkel de capaciteitsmiddelen, die met reguliere budgetten worden uitgevoerd. Daarnaast heb je nog de DBFM en de huursubsidies.

Zowel mijn Brusselse collega als een aantal Brusselse scholen zijn bij mij uitleg komen vragen over de huursubsidies. Men is actief aan het zoeken om nieuwe projecten te realiseren. Ik kan niet zeggen dat men in Brussel en dat ook de scholen in Brussel niet echt proberen gebruik te maken van al wat er is. Ik zou in het begin misschien gedurfd hebben om daarover te twijfelen, omdat ik dacht: ‘Wat is dat hier? We hebben middelen, maar die worden niet gebruikt.’ Maar we zien nu dat men steevast probeert om extra noden te lenigen. Tot zover mijn inleiding.

Ik ga nu in op de vragen over het inschrijvingsbeleid, die vooral van de heer Janssens komen. Collega, u bent er ongetwijfeld van op de hoogte dat er na het debat rond het inschrijvingsrecht en de kampeersituaties geprobeerd wordt om tot een initiatief te komen om een nieuw decretaal kader voor het inschrijvingsrecht op tafel te leggen. U weet wat daarover in het regeerakkoord staat.

Een mogelijke vereenvoudiging zou voor mij – ik heb jullie dat al heel vaak gezegd – het invoeren van een uniforme tijdslijn voor alle scholen in Vlaanderen kunnen zijn. Dat betekent geen administratieve overlast voor scholen waar geen capaciteitsprobleem is. Als je overal op hetzelfde moment inschrijft en dan ook overal op hetzelfde moment in een aanmeldingsprocedure – indien nodig – voorziet, vermijd je dat mensen op twee, drie plaatsen gedurende weken plaatsen bezet zullen houden, iets wat we zien in alle steden die met zo’n procedure werken. Eén tijdslijn voor alle scholen in Vlaanderen is wat mij betreft prioriteit nummer één.

Dat zou ook betekenen dat de inschrijvingen in Brussel en de Vlaamse Rand rond Brussel zouden samenvallen, zodat alvast de dubbele inschrijvingen die louter het gevolg zijn van de verschillen in inschrijvingsperiode, overbodig worden. In het meest ideale scenario zou ook de tijdslijn van het Franstalig en het Nederlandstalig onderwijs parallel lopen. Dat zou eigenlijk in het belang van alle Brusselse scholen zijn. Ik weet dat dit niet evident is, maar we hebben nog al niet-evidente dingen gedaan. Ik vind het wel de moeite waard om daarover te spreken met mijn Franstalige collega’s.

Bovendien is het uiteraard mijn wens dat de Nederlandstalige scholen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dezelfde tijdslijn volgen als de scholen in Vlaanderen. Als je Brussel optimaal wilt dienen, moet je één tijdslijn hebben.

Twee, de absolute voorrang voor Nederlandstaligen zal, collega’s, nog niet garanderen dat alle Nederlandstaligen terechtkunnen in hun absolute voorkeurschool. Ook bij onze Nederlandstaligen zijn sommige scholen populairder dan anderen en de vraag naar een inschrijving in een meer populaire school kan altijd groter zijn dan het aanbod vrije plaatsen. We moeten dus een systeem uitdenken voor als er meer vragen zijn dan plaatsen.

Er zijn ook scholen die bewust klein of kleiner willen blijven omdat dat beter past in hun pedagogisch project.

In die context moeten we ook bekijken wat we doen als er meer vragen zijn dan aanbod. Dan komen we bij het ordeningscriterium: wat doe je dan? Elk LOP in Vlaanderen hanteert de ordeningsprocedure die het verkiest. Daar komt de overheid niet in tussen. Het LOP Brussel Secundair Onderwijs hanteert een ordeningsprocedure die verschilt van die in Gent en Antwerpen. In Brussel is de eerste schoolkeuze de absolute prioriteit. De kinderen krijgen op basis van toeval een nummer toegewezen, en op basis van dit nummer worden ze geordend voor alle scholen waarvoor men aangemeld heeft. Het feit dat sommige kinderen geen plaats vinden in een school van hun keuze, zoals ook het geval was voor het kind van de mevrouw die het opiniestuk schreef, heeft te maken met een combinatie van factoren: het aantal beschikbare vrije plaatsen in de scholen waarvoor aangemeld wordt en het aantal aanvragen voor die scholen; het prioritair inzetten op de eerste schoolkeuze; het inzetten op het ordeningscriterium. Ik kom straks terug op de manier waarop met GOK rekening wordt gehouden.

Onderzoek dat specifiek de impact van de inschrijvingsproblematiek in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel op de stadsvlucht in kaart brengt, is bij mijn administratie niet gekend. Maar ik heb in mijn inleiding gezegd dat dit te vermijden is omdat we Vlamingen in Brussel nodig hebben. Ik weet dat schoolkeuze of de mogelijkheid om Nederlandstalig onderwijs te volgen sowieso een rol speelt.

Ik kom bij de vragen over de GOK-criteria. Ik zet eerst een misverstand recht. Als wij over GOK-beleid in Vlaanderen spreken, zijn er altijd vier criteria: het diploma van de mama, bepaalde wijken, Nederlands als niet-thuistaal en schooltoelage. Bij de ordening bij inschrijvingen tellen maar twee criteria mee voor GOK: het diploma van de mama en de schooltoelage. Of je al dan niet Nederlands spreekt, zit daar dus niet bij.

Mijnheer Janssens, wat de broers en zussen betreft: zoals in elke school in Vlaanderen hebben ook in de Nederlandstalige scholen in Brussel broers en zussen voorrang op alle andere leerlingen. Ik denk dat u daar geen probleem mee zult hebben. De achterliggende reden hiervoor is dat gezinnen maximaal naar dezelfde school moeten kunnen gaan. Net in capaciteitsgebied die regel loslaten, zou kunnen betekenen dat ouders een heel traject moeten afleggen om verschillende kinderen naar verschillende scholen te brengen. Mocht het zo zijn dat de groep broers en zussen zodanig groot is dat het aantal vrije plaatsen daarna nog zeer beperkt is, en de broers en zussen zijn allemaal anderstalig, zullen de resterende plaatsen allemaal worden toegewezen aan Nederlandstaligen. Dat is de reden waarom in Brussel de voorrang voor Nederlandstaligen geldt. U stelt dat tijdens de voorrangsperiode voor broers en zussen alle plaatsen ingevuld worden door niet-Nederlandstaligen. Dit is niet helemaal juist. Uit de gegevens van het LOP Brussel Basisonderwijs en het LOP Brussel Secundair Onderwijs blijkt dat er bij de start van de aanmeldingen, dat wil zeggen na de inschrijving van de voorrangsgroepen – broers en zussen en kinderen van personeel –, meer plaatsen overblijven voor Nederlandstaligen dan er Nederlandstaligen zich aanmelden. Dat is zo op een aantal plaatsen, ik geef een paar voorbeelden. In de onthaalklas van het kleuteronderwijs waren er 1423 plaatsen voorbehouden voor Nederlandstalige niet-GOK-leerlingen. 993 kleuters waarvan de ouders het Nederlands in voldoende mate machtig zijn, worden aangemeld voor deze plaatsen. Voor elke Nederlandstalige niet-GOK-instapper waren er dus 1,4 plaatsen voorbehouden op niveau van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In het secundair onderwijs waren 1046 plaatsen voorbehouden voor Nederlandstalige leerlingen. Er meldden 779 leerlingen aan voor deze plaatsen. In het secundair onderwijs waren er dus voor elke Nederlandstalige niet-GOK-leerling 1,3 plaatsen voorbehouden op het niveau van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

U stelt ook dat overwegend niet-Nederlandstalige GOK-leerlingen voorrang zouden krijgen op Nederlandstalige leerlingen, en dat voor 35 procent van de plaatsen. Ook dat is volgens onze mensen niet helemaal juist. Na de broers en zussen en kinderen van personeel zijn de Nederlandstaligen de eerstvolgende voorrangsgroep. Die voorrang geldt voor 55 procent van de plaatsen, en in een aantal gevallen voor meer dan 55 procent, omdat leerlingen die tot de voorrangsgroep Nederlandstaligen behoren, maar tegelijk ook GOK-leerling zijn, niet meetellen voor de niet-GOK. Zij zitten dus in de GOK. Afhankelijk van het aantal Nederlandstalige GOK-leerlingen dat zich aanmeldt voor de school kan dus zelfs tot 90 procent van de plaatsen worden ingevuld door leerlingen uit de voorrangsgroep Nederlandstaligen. In de praktijk kunnen dat uiteraard alle vrije plaatsen zijn die overblijven na de voorrang voor broers en zussen. De voorrang voor Nederlandstaligen primeert. Pas als de voorrang van Nederlandstaligen is ingevuld, worden indicatorleerlingen toegewezen. In het geval dat er bij de broers en zussen en de 55 procent Nederlandstaligen al 35 procent indicatorleerlingen zijn, dus leerlingen die aantikken op GOK, geldt de voorrang voor indicatorleerlingen in de praktijk niet meer, dit zowel in het basisonderwijs als het secundair onderwijs.

Ik geef een voorbeeldje. Uit gegevens van het LOP Brussel Basisonderwijs blijkt dat opvallend meer Nederlandstaligen worden toegewezen dan niet-Nederlandstalige leerlingen. In de onthaalklas voor kleuters krijgt 90 procent van alle Nederlandstaligen, GOK en niet-GOK, de gevraagde plaats toegewezen, ten opzichte van 49 procent van de niet-Nederlandstaligen, GOK en niet-GOK, die een plaats kregen toegewezen. Via de voorrang Nederlands geven we voorrang aan kinderen van wie minstens één ouder het Nederlands in voldoende mate machtig is, wat wil zeggen dat die het Nederlands beheerst op minstens het niveau B2 en daarvan een geldig document ter bewijs kan voorleggen. Als een school een laag percentage leerlingen met Nederlandstalige ouders heeft, dan is dat omdat Nederlandstalige ouders niet kiezen voor die school.

Mevrouw Van den Brandt, dan komen we tot uw vragen. Sorry dat u zo lang moest wachten, maar het is een heel uitgebreid vragenpalet dat ik heb gekregen. Voor de gegevens over het profiel van de leerlingen die een negatief antwoord kregen, hebben we uiteraard vragen gesteld aan het LOP Brussel Basisonderwijs en het LOP Brussel Secundair Onderwijs. Zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs hebben we de profielen van de leerlingen ingedeeld in vier categorieën. Je hebt niet-GOK niet-Nederlandstalig, niet-GOK Nederlandstalig, GOK niet-Nederlandstalig en GOK Nederlandstalig. Per categorie hebben we een zicht op het aantal leerlingen dat ongunstig werd geordend, zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs.

Voor de aanmeldingsperiode van januari 2018 gaat het om de volgende cijfers. Ik start met het basisonderwijs. Voor niet-GOK Nederlandstalig ging het om 399 leerlingen, voor GOK niet-Nederlandstalig om 1152 leerlingen, voor GOK Nederlandstalig om 88 leerlingen. Ik hoop dus dat u aan deze cijfers ook echt wel ziet dat er verhoudingsgewijs veel meer Nederlandstaligen gunstig geordend zijn.

In het secundair onderwijs heb je een iets ander beeld, maar dat zijn er ook veel minder. In het basisonderwijs heb je in totaal 3302 ongunstig geordende leerlingen. In het secundair onderwijs heb je in totaal 464 ongunstig geordende leerlingen. Bij niet-GOK Nederlandstalig ging het daar om 211 leerlingen, bij GOK niet-Nederlandstalig over 148 leerlingen en bij GOK Nederlandstalig 0 leerlingen.

Ik zie nu dat ik iets niet heb gezegd. In de categorie niet-GOK niet-Nederlandstalig ging het in het basisonderwijs om 1663 leerlingen en in het secundair onderwijs om 105 leerlingen. In het basisonderwijs heb je dus twee keer heel hoge cijfers bij de niet-Nederlandstaligen. In het secundair onderwijs is het iets meer verspreid, maar de cijfers zijn in totaal lager. Ik wist dat ik iets was vergeten. Dat stond ook niet in mijn tabel, maar na een moeilijke rekenoefening is het mij gelukt. (Opmerkingen)

Heeft iedereen de cijfers genoteerd? Beide LOP’s informeren ouders vóór de start van de aanmeldingen over het verloop van de aanmeldingsprocedure. Daarbij besteden ze ook aandacht aan de stappen die ouders kunnen zetten als ze bericht krijgen dat de aanmelding van hun kind voor alle scholen waarvoor ze zich hebben aangemeld, ongunstig is geordend. Na het ontvangen van een ongunstig toewijzingsresultaat kunnen ouders voor meer informatie telefonisch, per e-mail of fysiek terecht bij de Helpdesk Brussel of bij de LOP-deskundigen. De beide LOP’s informeren ook ouders van leerlingen die ongunstig waren geordend.

Na de inschrijvingen van de aanmeldingsperiode starten de vrije inschrijvingen. Tijdens die vrije inschrijvingen verlopen de inschrijvingen chronologisch. Wie dan dus eerst binnenkomt, is eerst ingeschreven. De vrije inschrijvingen voor het basisonderwijs starten op 31 mei. Er zit dus wel een gap tussen de twee. Die voor het secundair onderwijs starten op 4 mei. Vandaag is het 3 mei, dus dat is morgen. Een week daarvoor, dus vorige week in het geval van het secundair onderwijs, publiceren de LOP’s een actueel overzicht van de vrije plaatsen op www.inschrijveninbrussel.be. Dat stelt de ouders van niet-toegewezen kinderen in staat om tijdig een schoolkeuze te maken. Bovendien zal het LOP Brussel Basisonderwijs in oktober 2018 opnieuw de vrije plaatsen in het Nederlandstalig kleuteronderwijs en het eerste leerjaar van het lager onderwijs in kaart brengen. Ouders van kinderen die niet gunstig werden geordend en waarvoor in oktober nog geen inschrijving is gerealiseerd in het Nederlandstalig onderwijs, ontvangen het overzicht van de vrije plaatsen per mail.

Voor het schooljaar 2017-2018, dus het lopende schooljaar, werden in het basisonderwijs 3145 kinderen ongunstig geordend. Daarvan zijn 644 kinderen ingeschreven in het Franstalig onderwijs, en 1983 kinderen in het Nederlandstalig onderwijs, waarvan 305 kinderen in een Nederlandstalige school buiten Brussel. Voor 580 kinderen die zich hadden aangemeld, is geen inschrijving teruggevonden. Dat betekent echter niet dat ze niet naar school gaan, natuurlijk.

In het secundair onderwijs werden 301 leerlingen ongunstig geordend. In september 2017 zijn 280 leerlingen alsnog ingeschreven in het Nederlandstalig onderwijs, waarvan 105 in een school buiten het gewest. Van 21 leerlingen weet het LOP niet waar ze zijn ingeschreven. Voor het secundair onderwijs heeft men nog niet de cijfers met betrekking tot de inschrijvingen in het Franstalig onderwijs, maar die worden wel al uitgewisseld. We moeten dat dus eens bekijken, want normaal zouden we die via onze administratie moeten kunnen terugvinden.

Ik geef graag nog een kleine kanttekening bij het cijfer van die 580 en 21 kinderen. Het feit dat we geen inschrijving van hen terugvinden, betekent niet dat die kinderen ‘thuis zouden zitten’. Het gaat hier om de oefening om te kijken hoeveel van de kinderen die zich aangemeld hebben voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, inderdaad ook ingeschreven zijn in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Dat is nog iets anders dan de controle op de leerplicht, waar we kijken naar alle leerplichtige kinderen op basis van hun rijksregisternummer.

Er zijn verschillende redenen mogelijk waarom voor deze kinderen geen inschrijving werd teruggevonden. Sommige scholen registreren de inschrijving van de leerling pas op het moment van de instap. Kinderen die pas instappen na de uitwisseling van de gegevens met de Franse Gemeenschap, zijn mogelijk wel ingeschreven maar nog niet geregistreerd. Leerlingen die een inschrijving realiseerden met een fictief of ontbrekend rijksregisternummer, kunnen niet gekoppeld worden aan de inschrijvingsgegevens van het Franstalig of Nederlandstalig onderwijs. Leerlingen die aanmeldden met een fictief of ontbrekend rijksregisternummer, worden niet teruggevonden. Het kan ook zijn dat een leerling helemaal niet is ingeschreven in het Nederlandstalig onderwijs en we hem om de redenen die ik zopas heb uiteengezet, niet terugvinden in het Franstalig onderwijs.

Dan komen we bij de vragen over de capaciteit. In 2015 heeft onderzoek geleid tot de eerste editie van de capaciteitsmonitor schoolinfrastructuur leerplichtonderwijs. Dankzij de capaciteitsmonitor kunnen we anticiperen op de actuele en toekomstige capaciteitsnoden. Op een objectieve manier hebben we de verwachte evolutie van de schoolbevolking afgezet tegen het aantal beschikbare plaatsen op school. In 2016 hebben we zo 150 miljoen euro aan capaciteitsmiddelen toegekend aan scholen in die gemeenten waar de capaciteitsnoden het grootst bleken te zijn. Van deze 150 miljoen euro werd 30 miljoen euro toegekend voor de driejarige periode 2016-2018 aan capaciteitsprojecten in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In het najaar van 2018 zullen we opnieuw 150 miljoen euro aan capaciteitsmiddelen verdelen over scholen in gemeenten en regio’s met de grootste capaciteitsnoden. Op dit ogenblik wordt de laatste hand gelegd aan de update van de capaciteitsmonitor schoolinfrastructuur leerplichtonderwijs. Voor deze update maken de onderzoekers gebruik van de nieuwe Vlaamse gemeentelijke demografische vooruitzichten 2018-2035, uitgegeven door Statistiek Vlaanderen. Het is van belang om naast de leerlingenprognoses ook een zo realistisch mogelijk beeld te hebben van de beschikbare plaatsen in het basis- én secundair onderwijs. Daarvoor heb ik aan alle Vlaamse gemeenten én ook aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) gevraagd om samen met de Nederlandstalige scholen op hun grondgebied het concrete aanbod plaatsen op school effectief in kaart te brengen. Ik doe een oproep aan u allen om deze boodschap breed te verspreiden, want we moeten weten wat de effectieve capaciteit is om te weten of er al dan niet middelen zullen toegewezen worden.

Ik geef u nog mee dat het GO! mogelijke capaciteitsuitbreidingsprojecten selecteert op basis van een integrale benadering, op een eigen manier die anders is dan bij de gesubsidieerde onderwijsverstrekkers. Naast de capaciteitsmiddelen waarin de Vlaamse Regering voorziet, stelt ook de VGC in nauw overleg met de lokale taskforce capaciteit middelen ter beschikking voor de renovatie én uitbreiding van het aantal plaatsen in scholen. Ook via andere financieringsmechanismen, zoals de nieuwe projectspecifieke DBFM en de huursubsidies van AGION, is het voor schoolbesturen mogelijk om extra schoolcapaciteit te realiseren. Dat gaf ik daarstraks al aan.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uitgebreid antwoord en ik heb de cijfers en de gegevens waar ik naar op zoek was gehoord. U bent begonnen met te zeggen dat wij niet alle kinderen kunnen opvangen en dat het Franstalig onderwijs ook zijn deel moet doen. Dat klopt, en ik weet dat mijn collega's van Ecolo in het Franstalig parlement dezelfde vragen stellen. De verhouding tussen het Franstalig en het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is de voorbije jaren stabiel gebleven. Dat wil zeggen dat de Vlaamse overheid inderdaad geïnvesteerd heeft in Brussel. Dat is goed en dat was nodig. Maar ook de Franse Gemeenschap heeft dat gedaan. Die verhouding is op 80/20 gebleven: 80 procent van het onderwijs is Franstalig en 20 procent is Nederlandstalig. Langs de twee kanten van de taalgrens worden er dus inspanningen gedaan, maar toch blijven we met een tekort zitten.

Ik vind het vervelend om het te zeggen, ik zou liever zeggen dat alles opgelost is. Helaas is dat niet de realiteit. De realiteit is dat er in Brussel nog veel kinderen geen school hebben. Ik vind dat belangrijk voor de Nederlandstalige kinderen. Als die naar een Nederlandstalige school willen gaan op een redelijke afstand van thuis en het liefst in een school die aansluit bij de keuze van de ouders, dan moet dat kunnen. We mogen ook niet blind zijn voor de andere kinderen. De helft van de kinderen in Brussel spreekt thuis Frans noch Nederlands. Ik wil morgen geen aparte scholen zien ontstaan voor de Turkse, Kroatische, of Italiaanse gemeenschappen in Brussel. Neen, ik hoop dat alle kinderen, ongeacht hun thuistaal, in het reguliere onderwijs terechtkomen. En dus hebben wij ook een verantwoordelijkheid, als Vlaamse overheid, voor die grote groep kinderen die noch Nederlands, noch Frans spreken thuis. Bovendien vind ik het een goed teken dat we eindelijk, na al die jaren, waarin er is ingezet op het aantrekkelijk maken van het Nederlandstalig onderwijs, nu een generatie kinderen hebben waarvan de ouders ze naar het Nederlandstalig onderwijs willen sturen omdat ze de kennis van het Nederlands als een troef beschouwen voor de toekomst van hun kind. Dat is een openheid naar het Nederlands waar onze collega's, die twintig of dertig jaar geleden in het parlement zaten en die daarvoor geijverd en gevochten hebben, jaloers op zouden zijn geweest. Die openheid voel je nu aan de schoolpoort, en dat is een uitdaging waar kansen in zitten om het Nederlands in Brussel te versterken. Het is dus belangrijk dat we naar de Nederlandstaligen kijken en ervoor zorgen dat ze naar een Nederlandstalige school kunnen, maar het is ook onze verantwoordelijkheid om te kijken hoe het zit met de rest van de kinderen in Brussel en wat we daaraan kunnen doen.

U zegt ook: je weet dat ouders verhuizen. We hebben nu één verhaal in de krant gehad, maar iedere Brusselaar kent mensen die verhuisd zijn uit Brussel omdat ze ofwel geen school vonden ofwel schrik hadden om geen school te gaan vinden. Want al vanaf de babysit denk je: wil ik dit aangaan, wil ik deze onzekerheid, of verhuis ik ineens? Iedereen kent van die mensen. Dus ja, mensen verlaten de stad om die reden, en dat is jammer.

U zegt ook dat u begrijpt dat het heel frustrerend is als je niet de eerste keuze hebt. Voor het middelbaar gaat het heel vaak om de eerste of tweede keuze, voor het basisonderwijs is de realiteit dat de ouders al lang niet meer de luxe hebben om überhaupt hun keuze te hebben. De vraag is: heb ik een school of heb ik geen school? Het is zwart of wit. De keuze om een school te hebben die al dan niet bij je eigen overtuiging past – ouders die wel of niet een katholieke school willen of die wel of niet in het gemeenschapsonderwijs willen enzovoort – is in de praktijk weggevallen. Ouders zijn blij met een school en durven zelfs niets meer moeilijk te doen over: ‘Ik wil een kleine school, ik wil een grote school, ik wil dat er meertalig onderwijs is of niet.’ Ouders willen een school, en de luxe van een keuze is helaas weg. Ik hoop dat er een dag komt dat we over de luxe van de keuze kunnen gaan praten en kunnen kijken hoeveel scholen er meertalig onderwijs aanbieden en of dat voldoende is, hoeveel scholen kleinschalig of grootschalig zijn. Vandaag is dat gewoon niet de realiteit.

U zegt ook: ‘Kijk hoeveel inspanningen we doen.’ U bent naar het Brussels Parlement geweest. Ik ben daar mee naartoe gegaan. Er gebeuren inderdaad inspanningen. Er gaan vele miljoenen naar onderwijs in Brussel. Dat is belangrijk en dat is nodig. Onze Brusselse kinderen zijn die investeringen ook waard. Ik hoop dat niemand dat in twijfel trekt. Maar ik moet daarop blijven zeggen dat zolang niet alle kinderen een school hebben, de vaststelling zal zijn dat het niet genoeg is. En zolang de verhouding tussen Nederlands- en Franstalig onderwijs niet plots helemaal anders is, kun je ook niet zeggen dat dit een puur Franstalig of puur Nederlandstalig probleem is. Dit is een gezamenlijk probleem.

Ik ben wel heel blij u te horen zeggen dat we misschien samen met de Franse Gemeenschap moeten gaan kijken om samen die inschrijvingsrondes te organiseren. Ik denk dat dat absoluut nodig is. Aan Nederlandstalige kant is er sinds 2009 een systeem waarbij er één moment van inschrijven is. Je schrijft elektronisch in via de website, en op die manier krijg je een verdeling. Aan Franstalige kant is het nog veel chaotischer. Het zou voor de Brusselse kinderen veel duidelijker zijn, mocht er één inschrijvingsmoment zijn en mocht je één toegangspoort hebben, waarbij je natuurlijk wel nog de keuze hebt welke taal je kiest voor de school van je kind. Daar moet veel meer uniformiteit in komen.

Daarom wil ik u een eerste vraag stellen, minister, die ik u hier de vorige keer ook heb gesteld. Er was in de vorige legislatuur een overlegstructuur tussen de gemeenschappen. Het was de Brusselse minister-president die dat samenriep, de taskforce Brussel voor het onderwijs. Dat is nog iets anders dan de taskforce waarin minister Gatz de administraties samenriep. Het ging specifiek over onderwijs, en daarin werden een aantal zaken aangepakt, bijvoorbeeld spijbelen, leerplichtonderwijs enzovoort. Die taskforce is deze legislatuur, bij mijn weten, niet samengekomen. Nu, het gaat om het doel, en niet om het middel, maar mijn vraag is dan wel of er structureel overleg is, hoe dat verloopt en wat er op de agenda staat. Ik hoor u graag zeggen dat we die inschrijvingen meer op elkaar moeten afstemmen, maar loopt daar concreet overleg voor? Zijn er ook andere zaken, bijvoorbeeld het uitwisselen van gegevens, het omgaan met spijbelgedrag, het vullen van de leegtes die er nog zijn? We hebben immers nog een aantal wijken waar we echt een prangend scholentekort hebben. Loopt er over al die thema’s structureel overleg, zodanig dat die problemen in Brussel gezamenlijk worden aangepakt? Het heeft geen nut dat we hier zeggen: ‘Kijk eens hoeveel we doen, het is genoeg.’ In de VGC zegt men dan dat de scholen die erbij gekomen zijn, er vooral dankzij de VGC gekomen zijn. En aan Franstalige kant horen we: ‘Wij doen ook ons best.’ Ergens moet iedereen gewoon samenkomen, zijn verantwoordelijkheid nemen en zorgen dat we voortgaan en dat de problemen worden aangepakt. Waar loopt dat? Hoe loopt dat?

Dan zijn er de 580 plus 21 kinderen, minister. Dat zijn kinderen die dus een school hebben aangevraagd en die we niet terugvinden in het systeem. U geeft een aantal redenen waarom dat kan zijn. Dat zijn daarom nog geen kinderen die niet naar school gaan, en gelukkig maar. Ik weet dat we vorig jaar zo 1 kind hadden dat leerplichtig was, maar niet naar school ging. Als het er nu 580 waren, dan was dat een hallucinant cijfer.

Welke initiatieven zijn er al genomen om dat uit te zuiveren? Want u zegt bijvoorbeeld dat instappertjes soms pas worden ingeschreven op het moment dat ze naar school gaan. Als u de cijfers zou uitzuiveren op basis van leeftijd, zou u daar misschien wel al een zicht op kunnen hebben om hoeveel van die kinderen het effectief gaat. Hoeveel ervan zijn leerplichtige kinderen die werkelijk naar school moeten gaan? Hoeveel ervan zijn kinderen die nog niet onder de leerplicht vallen? Als ik rondhoor in Brussel, zijn er heel veel ouders die zich inschrijven, een ‘njet’ krijgen en dan zeggen: ‘Dan houd ik ze wel thuis’. En dat is ongelooflijk jammer. Zolang ze niet leerplichtig zijn, heb je ook geen instrument.

We hebben vorige week het decreet op de kinderbijslag goedgekeurd waarbij – voor Vlaanderen, niet voor Brussel – kinderen die niet naar school gaan in het kleuteronderwijs, een stuk van hun kinderbijslag niet krijgen. Het is dan bijzonder cynisch als daar niet genoeg scholen tegenover staan. En dat is wel een dynamiek die je voelt. Zeker in Brussel is dat iets dat je voelt. En daar moeten we op inzetten. We moeten ervoor zorgen dat we die mensen die een ‘neen’ krijgen, wel vasthouden, ook al zijn die kinderen niet leerplichtig. We moeten proberen die wel naar school te trekken, want het zou heel jammer zijn dat je daar een groep verliest die je effectief naar school wilt halen.

Vorig jaar hebt u die oefening wel helemaal uitgezuiverd, tot op leerplichtniveau. Gaat dat dit jaar ook gebeuren? Wanneer mogen we die cijfers verwachten, zodat we kunnen weten van al wie zich heeft aangemeld, wie waar gekomen is en hoe ver? Ik zou daarbij de oproep willen doen om niet enkel te kijken of ze een school hebben of niet, maar ook in welke mate die school voor de ouders op een redelijke afstand ligt. Want als je van Jette naar Schaarbeek moet gaan voor een school, dan kun je wel zeggen dat het opgelost is en dat men een school heeft, maar die ouders zijn wel soms een uur onderweg ’s morgens, en dan nog eens een uur naar hun werk. Dat is bezwaarlijk een deftige oplossing te noemen. Het lijkt me dus interessant om niet alleen zwart of wit te kijken of er een school is of niet, maar ook of het een school is die op een redelijke afstand van de woonplaats ligt en of het voor de ouders een aanvaardbare oplossing is.

Voor het secundair onderwijs gaat het om 21 kinderen. Daar gaat het niet meer om instappers, want die zijn normaal gezien ouder dan 2,5 als ze naar het secundair onderwijs gaan. De verklaringen die u geeft, lijken mij dus vooral van toepassing op peutertjes. Hebt u er een zicht op hoe het daarmee zit?

U zegt dat degenen die uiteindelijk uit de boot zijn gevallen, meestal wel opgevist zijn op een school. 105 kinderen zijn ingeschreven buiten Brussel. En voor het secundair is de afstand die kinderen kunnen afleggen, sowieso groter. De schoolkeuze kan dus iets verder van huis zijn. Maar ook daar is de vraag of u daar kwalitatief een zicht op hebt in welke mate ouders die schoolkeuze aanvaardbaar vonden. Voor een lagere school kun je er nog van uitgaan dat scholen voor een stuk vergelijkbaar zijn – iedere school heeft zijn eigenheid enzovoort – maar voor het middelbaar heb je studierichtingen en heb je keuze, en kan het een heel specifieke keuze zijn waarom je voor een bepaalde school gaat. En dus is de vraag of er veel kinderen zijn die bijvoorbeeld niet de richting van hun dromen kunnen doen. Ik heb hier gisteren hele pleidooien over Grieks gehoord. Er zijn maar een aantal scholen die Grieks aanbieden. Maar hetzelfde geldt eens zo hard voor technisch en beroepsonderwijs. Er zijn enorm weinig scholen die technisch en beroepsonderwijs aanbieden. Hebt u daar een kwalitatief zicht op in welke mate de keuze die ouders of kinderen zelf willen maken voor een school en een studierichting, al dan niet gerespecteerd is kunnen worden?

Ik ga daarmee afsluiten, minister. De kernboodschap blijft voor mij: er wordt geïnvesteerd, en dat is positief, maar het blijft onvoldoende om alle kinderen een school te geven. We kunnen die kinderen beter in Brussel een school geven, want het effect is dat ze naar Vilvoorde, Grimbergen of Aalst gaan. Laat ons dus in Brussel in die scholen voorzien, dicht bij de mensen. Dat is beter voor de kinderen, voor de ouders en voor de overheid. Je moet toch in die school voorzien, dus dan beter op de plaats waar ze het meest gevraagd is, en niet op een plaats waar er toevallig nog een optie is.

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, bedankt voor het uitgebreide antwoord. Bij een aantal elementen ervan moest ik weliswaar terugdenken aan het opiniestuk waar u ook naar verwezen hebt. In de eerste paragraaf zei die dame: “In Brussel is er een extra voorrangsregel voor Nederlandstaligen, die de indruk wekt dat die een streepje voor hebben in de scholen van het Nederlandstalig onderwijs. Maar dat klopt niet.” En als je naar de realiteit achter de cijfers kijkt, dan wordt inderdaad bevestigd dat dat niet klopt.

Naar aanleiding van dat opiniestuk barstte er toch wel een behoorlijke discussie los tussen Nederlandstaligen in Brussel. Er hebben mij ook nog een aantal mensen gecontacteerd daarover. Zo was er een mevrouw die haar dochter had ingeschreven in zes Nederlandstalige scholen in de buurt, waarbij ‘de buurt’ dan nog een vrij breed begrip is, want in de plaats waar ze woont, Elsene, zijn weinig Nederlandstalige secundaire scholen. Zij zei: “In niet één van deze zes Nederlandstalige scholen heb ik een plaats gekregen voor mijn Nederlandstalig kind”, terwijl diezelfde Nederlandstalige scholen wel volop bevolkt worden door anderstaligen. Ze zegt daarbij: “Dat is toch een hallucinant feit. Dat is toch absurd, dat wij in een dergelijk systeem terechtkomen, een totaal onrechtvaardig systeem, dat Nederlandstaligen in Brussel geen plaats meer vinden of geen volledige voorrang krijgen in een Nederlandstalige school naar keuze.”

En het zijn dergelijke voorbeelden, dergelijke verhalen die aangeven dat dit slechts enkele van de vele tientallen, honderden gezinnen zijn in Brussel die in eenzelfde schrijnende situatie verkeren. Door onder andere het lotingsysteem blijven heel wat Vlaamse Brusselaars in de kou staan.

U zegt dat ook wanneer absolute voorrang zou worden gegeven aan Nederlandstaligen, dat nog altijd geen garantie is op een school van de eerste keuze, en dat zal inderdaad wel correct zijn, maar misschien dan toch wel op een school van de tweede of derde keuze, en niet zoals in de voorbeelden die we vandaag hebben besproken waarbij men zich inschrijft in zes of zeven scholen en daar uiteindelijk nergens terechtkan.

Mijn pleidooi is dan ook, minister, net als de dame in De Standaard van 15 maart schreef, waarbij ze enkele suggesties deed voor een eerlijker systeem, absolute voorrang te geven aan Nederlandstalige kinderen die in Brussel wonen. Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is voor hen opgericht en wordt door de Vlaamse overheid gefinancierd met Vlaams belastinggeld. Dus, zei die dame, zie ik niet in waarom het aantal Nederlandstalige kinderen in Nederlandstalige scholen beperkt moet blijven tot 55 procent. Ik kan dit voorstel alleen maar onderschrijven.

Minister, u hebt verwezen naar de VGC. Ik heb eens de moeite genomen om het gelijkaardig debat over dat opiniestuk en de hele situatie die daarmee gepaard gaat in de VGC, na te lezen. Het was een vrij uitgebreid debat, waarbij men grote ogen trekt over wat heel wat Vlaams-Brusselse parlementsleden daar allemaal durven te beweren. Maar bottomline van heel dat debat is dat men gewoon verwijst naar het Vlaams Parlement en in het bijzonder naar de Vlaamse Regering. Ook uw partijgenoot, de heer Delva, die tijdens de vorige legislatuur in dit parlement zat, zegt dat de voorrangsregels worden bepaald door de Vlaamse overheid en dat we inderdaad eens vanuit Brussel moeten bekijken of die voorgangsregels wel het juiste effect hebben gehad voor Nederlandstalige kinderen in het Nederlandstalige onderwijs in Brussel.

En inderdaad, dat debat wordt ook hier in Vlaanderen gevoerd. Men wacht op resultaat, ook de Nederlandstaligen in Brussel wachten op resultaat, zodat zij Brussel, de hoofdstad van Vlaanderen, niet moeten ontvluchten omdat zij voor hun kind geen plaats vinden in het Nederlandstalig onderwijs. Die voorrangsregels en aanmeldingsprocedure moeten worden hervormd. Over iets minder dan een jaar sluiten we tijdelijk de deuren van dit parlement om naar verkiezingen te gaan en dus wil ik u vragen, minister, wanneer u met een concreet voorstel naar het parlement komt.

De heer Poschet heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw zeer uitgebreid antwoord. Voldoende en kwalitatief Nederlandstalig onderwijs uitbouwen in Brussel is voor CD&V altijd en historisch een prioriteit geweest. Mevrouw Van den Brandt heeft er nog naar verwezen dat het ooit anders is geweest, in de jaren 70 en 80, toen de scholen leegliepen. Het was toenmalig CVP-minister Hugo Weckx die volop heeft ingezet op een campagne om mensen aan te trekken. Eigenlijk trekt u die lijn, waarbij enorm veel belang wordt gehecht aan dat kwalitatief Nederlandstalig onderwijs, door en hebt u tijdens deze legislatuur al meer geïnvesteerd, 37 miljoen euro, dan uw voorganger over de hele vorige legislatuur.

Daarnaast hebt u een goede samenwerking met uw Franstalige collega uitgebouwd, onder andere inzake de leerplichtcontrole. U zegt dat er eigenlijk nog een koppeling zou moeten worden gemaakt tussen de effectief ingeschrevenen binnen de netten van de Franse Gemeenschap en die van ons, om uit te zuiveren wie van die 601 – 580 plus 21 – zouden overblijven. Voor hetzelfde geld is dat niemand. Ik wil het probleem daarmee niet minimaliseren maar dat zou ons meer inzicht geven in de cijfers.

Plant u, wat de uniforme tijdslijn betreft waar u het over had, overleg met de Franse Gemeenschap om tot een gezamenlijke en heldere tijdslijn voor de inschrijvingen te komen?

Ik heb nog twee bedenkingen.

Het klopt dat een capaciteitsuitbreiding nooit alles zal oplossen. Er zullen altijd scholen zijn die populairder zijn dan andere, om welke reden dan ook. Er zullen dan ook altijd op een bepaalde manier voorrangsregels nodig zijn.

Wat de Brusselnorm betreft, waarnaar ook is verwezen in het debat in de raad van de VGC en waaraan mevrouw Van den Brandt alludeerde, klopt het dat we er nog niet zijn. Wanneer we de Brusselnorm willen halen, moeten we voor het basis- en secundair onderwijs ook 30 procent van de markt hebben. We hebben nu slechts 20 procent, al groeit dat percentage in het kleuteronderwijs, daar zitten we hoger dan 20 procent. Maar ook daar wil ik voor een zekere nuance pleiten, want het lokale niveau heeft daar echt een grote verantwoordelijkheid en die nemen ze niet altijd. Ik wil die verantwoordelijkheid niet van ons wegduwen maar in mijn vorige gemeente, Watermaal-Bosvoorde, zijn zeven gemeentelijke scholen lager onderwijs Franstalig terwijl er geen enkele Nederlandstalige school is. Ook daar moet absoluut nog een tand worden bijgestoken. Als we dat allemaal samen doen, dan kunnen we er wel geraken, denk ik.

De heer De Ro heeft het woord.

Over de capaciteit is al veel gezegd, maar ik wil toch nog iets toevoegen. We zien ook bij Welzijn en in de Vlaamse Rand dat je plaats moet vinden. De plaatsen zijn schaars in Brussel en in de Rand. En als er schaarste is, is er ook een hoge kostprijs. We moeten dan ook nog eens onderzoeken of we geen bijkomende inspanning moeten doen inzake het verwerven van terreinen. Ik heb het dan over de Vlaamse Gemeenschap en over de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Iedereen is het erover eens dat er één datum moet komen. Ik stel voor dat we daar inderdaad mee landen. Ik kan getuigen vanuit de Rand dat door het feit dat in Brussel een andere datum wordt gehanteerd dan in de Vlaamse Rand tussen het afsluiten van de inschrijvingen in Brussel en het begin van de inschrijvingen in de Rand, zowat elke administratieve medewerker en directeur in de Rand een maand of ettelijke weken niets anders doet dan telefoontjes aannemen of mensen te woord staat aan de poort om te zeggen dat de inschrijvingen nog niet bezig zijn, en dat in alle talen die in onze regio worden gesproken.

Tot slot moet me bij die aanpassing ook van het hart dat ik hoop dat iedereen die pleit voor voorrang in Brussel voor Nederlandstaligen, nog eens goed kijkt wie die Nederlandstaligen zijn. Een kind van 2,5 jaar van ouders die noch Nederlandstalig noch Franstalig zijn, en die zich willen voegen bij de Vlaamse Gemeenschap, is voor mij als kind van een Schaarbeekse, toch nog altijd een belangrijk signaal. Ik hoop dat we die ambitie om een grote diverse Vlaamse Gemeenschap te zijn, niet laten vallen, maar bijvoorbeeld thuistaal niet-Nederlands als criterium voor het Inschrijvingsdecreet invoeren, prioritair in Vlaams-Brabant, maar wat mij betreft in heel Vlaanderen. Dat is een vraag die nogal wat inrichtende machten en schepenen van Onderwijs hebben gesteld, maar waar sindsdien nogal wat doofheid over bestaat in dit huis.

De heer Daniëls heeft het woord.

Dit is een niet onbelangrijk thema, waarop in het verleden de heren Willy Segers en Kris Van Dijck al zijn ingegaan.

De organisatie van het inschrijvingssysteem in Brussel is eigenlijk heel opvallend. Men heeft elk kind één nummer gegeven voor alle scholen. Wanneer een kind dus uit de boot viel in één school, dan viel het de facto, door die keuze van het LOP Brussel, uit de boot in alle scholen. De minister heeft er terecht op gewezen dat men het in Brussel anders organiseerde dan in Gent en Antwerpen. Ik denk dat ze daar eens goed moeten kijken naar hun systeem.

U hebt er ook op gewezen dat de Vlaamse Regering 71,2 miljoen euro extra heeft geïnvesteerd in de capaciteit in Brussel. De heer Poschet had het over 37 miljoen euro. We zitten in totaal aan 71,2 miljoen euro, iets meer dan 40 miljoen euro tijdens de vorige en iets meer dan 37,5 miljoen euro tijdens deze legislatuur. Die middelen zijn nodig maar ik stel wel vast dat we in Brussel problemen hebben om scholen te bouwen omdat lokale besturen, ook al is er een nood, op een of andere manier de komst of uitbreiding van een Nederlandstalige school niet zo genegen zijn.

En ik wil het hier met zoveel woorden zeggen, want dat is natuurlijk een heel ander verhaal. Vlaanderen voorziet in middelen en een inrichtende macht wil bouwen. En dan kunnen ze niet bouwen wegens allerlei lokale bestuursmatige regels. Ik vind dat we dat ook wel eens duidelijk mogen zeggen.

Ten derde, de kwaliteit van het Franstalig onderwijs. Neem alle internationale vergelijkingen erbij: tja, ik snap waarom iedereen probeert in dat Nederlandstalig onderwijs binnen te komen. Maar het is dan natuurlijk ook aan onze collega's van de Franse Gemeenschap om hun Franstalig onderwijs op te krikken. Kunnen wij dat doen? Neen. Maar met de recente acties die ze hebben gedaan in het secundair onderwijs, met een absolute brede eerste graad en uitgestelde studiekeuze, neemt de druk op het Nederlandstalig onderwijs in Brussel nog toe. En dus krijgen we daar een bijkomend probleem.

Minister, er is iets waarnaar ik graag wil verwijzen. Ik weet niet of u de cijfers hier bij hebt, maar u kunt ze natuurlijk altijd nadien bezorgen. In het decreet, artikel 37sexies, wat betreft het decreet Basisonderwijs, hebben we in paragraaf 3 opgenomen dat voor Brussel “het aantal leerlingen vermeld in het eerste lid gericht moet zijn op het verwerven of het behoud van 55 procent van de leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.” In de schóól.

Met andere woorden, mijn vraag in dezen is: in welke mate is het werkelijk zo dat vandaag in het Brusselse Nederlandstalige onderwijs 55 procent van de leerlingen in de school – dus niet in de nieuwe plaatsen, maar in de school, het gaat dus ook over degenen die zijn binnengekomen via een ouder die er werkt, via broers en zussen – een ouder heeft die voldoet aan de voorwaarden, zijnde Nederlands op niveau B2? Die vraag is niet onbelangrijk. Wat in het decreet hebben we gezegd dat het LOP kan beslissen om een hoger percentage dan 55 procent voorrang voor Nederlandstaligen te handhaven. Dat kan. Met andere woorden, als we vaststellen dat, in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, de Nederlandstaligen, degenen die zich tot onze gemeenschap richten, er niet in geraken, dan staat het het LOP Brussel vrij om die 55 procent omhoog te trekken.

Collega’s, als ouders dermate overtuigd zijn van de Vlaamse Gemeenschap en de inspanningen die de Vlaamse Gemeenschap doet – en ik kan ze daarin geen ongelijk geven –, als ze zeggen: ‘Nederlands is de toekomst, we vinden dat dermate belangrijk voor ons kind’ en ze schrijven hun kind van 2,5 jaar in voor het kleuteronderwijs en hun kind van 6 jaar in het lager onderwijs – en dat zijn niet allemaal ouders die hier onder de conventie van Genève zijn toegekomen, maar ook mensen die hier al een hele tijd leven –, dan neem ik aan dat zij zelf als ouder ook heel wat inspanningen doen om Nederlands te leren. Ik vind het raar dat er dan zovelen zijn die zeggen: ‘Nederlands is cruciaal voor mijn kind, maar zelf ga ik niet aan die voorwaarden voldoen.’

Afsluitend wil ik nog twee zaken meegeven. Eén, voor het Franstalig onderwijs het zelfde tijdstip voor inschrijven en aanmelden? Ja. Dat spreekt voor zich, want anders krijg je daar inderdaad problemen.

Twee, de Vlaamse Rand die zich rond Brussel bevindt, kampt eigenlijk met hetzelfde probleem, door de vlucht rond Brussel. We moeten daar absoluut over nadenken. Willy Segers heeft daar voor onze partij in het verleden al meerdere keren een lans voor gebroken, om ervoor te kunnen zorgen dat je ofwel een voorrang krijgt binnen de grenzen van de gemeente, zodat je op zijn minst een beetje beleid kunt voeren, ofwel ook daar een voorrang krijgt voor bewezen Nederlandstaligen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, ik dank u voor uw uitgebreid palet aan opmerkingen. Ik probeer op een en ander nog wat te antwoorden.

Ik start met de cijfers over de investeringen. In totaal hebben we 71,5 miljoen euro. Hoe is dat bedrag vastgesteld? 34,5 miljoen euro is van de vorige legislatuur. Het saldo, 37 miljoen euro, is van deze legislatuur. En zo komen we tot deze legislatuur die grotere aantallen miljoenen genereert dan de vorige legislatuur. Dan is dit toch al uitgeklaard.

Met het tweede punt haak ik aan bij een aantal opmerkingen van sommigen. Het is zeer interessant – om meerdere redenen, maar ook wegens deze vraag – om het interview met Jacky Goris te lezen, de gedelegeerd bestuurder van het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!), die nu met pensioen gaat in Brussel. Hij zegt: ‘Er is geld genoeg, maar er is geen plaats.’

Een paar weken geleden ben ik naar de opening geweest van een splinternieuwe basisschool – of tenminste: de school bestond al, de gebouwen waren nieuw – De Muziekladder in Schaarbeek. Ik heb toen samen met collega Vanhengel de site bezocht. Hij had op die plek nog gevoetbald als kind. Er was dus een heel lang verhaal rond. Cruciaal daar was dat men echt heeft durven kiezen voor inbreiding. Er is daar een muziekacademie, een basisschool, kleuterschool en lagere school op één site: een fantastisch stuk stadsinbreiding in Brussel. Maar zoiets is zeer moeilijk te realiseren in Brussel. We hebben gehoord hoeveel jaren het gekost heeft om die grond te verwerven en een akkoord over de prijs te vinden. Dat is ongelooflijk geweest.

Mijnheer Daniëls, ik zal het niet communautair spelen. Ik ga ervan uit dat ieder lokaal bestuur – daar hebt u een punt – inspanningen moet doen om een voldoende aanbod Nederlandstalige scholen te krijgen. Maar als men dan inspanningen wil doen, zie ik dat er ook nog bezwaren komen op het pad naar het realiseren van extra capaciteit. Mevrouw Van den Brandt, het is dus niet alleen een kwestie van budget, maar ook van het vinden van locaties en ervoor gaan. Er worden nu heel wat inspanningen geleverd rond de site Sint-Michiel of Saint-Michel. Het is fantastisch dat scholen hun verstand en hun budgetten beginnen samen te leggen en zeggen: ‘Laat ons misschien iets totaal nieuws doen op een grotere site.’ Maar dat is natuurlijk moeilijker voor een basisschool. Want iedereen wil natuurlijk dat die zo dicht mogelijk bij de woningen blijven, dus moet je proberen om dat in de stad te doen.

Er is budget nodig, daarmee ben ik het eens. Ik nuanceer, opnieuw, dus niet alles plat. Maar er is ook een probleem in verband met het vinden van plaats. En dat is in alle grote steden zo. In Antwerpen en in Gent heb je dat eigenlijk op dezelfde manier. Maar in Brussel is dat misschien nog net iets acuter.

Mevrouw Van den Brandt, u vraagt naar de overlegstructuur tussen de gemeenschappen. Ik heb geen zicht op hoe mijn voorganger, collega Smet, alles organiseerde in Brussel. Wat ik geïnstalleerd heb, zijn geen zware formele procedures. Wij hebben open lijnen tussen de VGC, het Departement Onderwijs, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en ook mijn Franstalige collega's. Elke keer als we elkaar met de ministers zien, staat Brussel op de agenda. Ik verwijs naar de koppeling die er gemaakt is tussen de databanken, om te kijken waar de kinderen op school zitten. We starten natuurlijk bij het begin van het schooljaar. De kindjes die nog inschrijven op 5 september, vallen natuurlijk tussen de mazen van het net. Dat wordt geoptimaliseerd. Maar dat bestond niet in de vorige legislatuur. We wisten totaal niet waar de kinderen waren. Nu wisselen we die gegevens uit. Dat is een goede zaak.

Mijnheer Janssens, u maakt een opmerking rond de VGC, die zegt: ‘Het is vooral Brussel.’ Weet u, mij interesseren in dezen de pluimen totaal niet. We moeten de krachten bundelen. Ik heb nog nooit met collega Vanhengel een pluimendiscussie gevoerd over wie de grootste inspanning heeft geleverd. We moeten die inspanning samen leveren. Ik heb hem nodig, bijvoorbeeld om locaties te zoeken, want hij heeft goede contacten in Brussel. En wij moeten budgettair samen met Brussel inspanningen leveren. Dat gebeurt wel. Mocht de indruk ontstaan dat men naar elkaar verwijten stuurt: dat is allemaal verloren energie. We hebben extra capaciteit nodig en we moeten proberen samen zaken te realiseren. Het doet mij oprecht plezier, telkens wanneer ik in Brussel naar een gerenoveerde school of een splinternieuwe school kan gaan. Ik verkies openingen boven eerstesteenleggingen, omdat een opening ervoor zorgt dat je extra kinderen naar school kunt laten gaan.

Mevrouw Van den Brandt, zullen wij proberen om tot op leerplichtniveau die cijfers uit te zuiveren? Ja. We doen de uitwisseling en we proberen echt om van elk kind op te volgen wat er gebeurt. Voor de leerlingen die nu tussen de mazen van het net gevallen zijn, kunnen we in het kader van de leerplichtcontrole gaan kijken of ze wel op school zitten. Dat moeten wij ook doen, als ze bij ons op school zitten. Dat gebeurt dus zeker.

Hebben we, in het secundair onderwijs, waar de problemen voorlopig iets minder groot zijn, zicht op hoeveel jongeren niet de richting van hun dromen kunnen volgen? Neen. Dat hebben we niet.

Maar, los van die dromen, als we willen dat meer jongeren in de toekomst de studierichting van hun dromen kunnen volgen in Brussel, hebben we het meest beroeps- en technische scholen nodig. Er gaan in Brussel veel te veel jongeren naar het aso. Ik trap hiermee een open deur in. We zullen op alle fronten een aanbodtekort hebben. Maar in het beroeps- en technisch onderwijs zijn die noden acuut. En die leerlingen gaan dan allemaal naar de Rand, voor de richting die ze willen volgen. En dan ontstaan er problemen. In de gesprekken die we voeren met onze onderwijsverstrekkers, vragen we echt naar extra capaciteit in het secundair onderwijs voor dat beroeps- en dat technisch onderwijs.

Dan komen we bij de criteria. Het systeem in Brussel is totaal anders dan in Gent en Antwerpen. Ik leg het nog eens uit. Ik heb daarover met Gent en Antwerpen ook zware discussies gehad. Daar steekt men iedereen in een pot met alle keuzes. Dan doet men daar het lotje-trek – dat is West-Vlaams, excuseer. Een onschuldige kinderhand of de computer doet dan de lottrekking. In Brussel doet men het anders: daar geeft men alle mensen de eerste keuze. Dat heeft tot gevolg dat wie zijn eerste keuze niet heeft, onmiddellijk bijna helemaal uit de boot valt. In Gent heb je ook een tweede keuze. Maar daar zit je met het probleem dat er mensen zijn die allebei een tweede keuze hebben gekregen, die dan willen ruilen omdat het elkaars eerste keuze was. Dat gaat dan ook weer niet. Geen enkel systeem is de ideale wereld – en ik refereer niet aan het televisieprogramma. Beide systemen hebben hun waarde. We zouden eens de puzzelstukken naast elkaar moeten leggen om te bekijken hoe het nog beter kan. Maar ook met veel extra capaciteit zullen er toch altijd situaties zijn waarbij doorheen de tijd bepaalde scholen populairder zijn dan anderen. Dat is nu eenmaal zo, ook als je heel veel extra capaciteit creëert.

Dan zijn er de voorrangsregels. Ik heb niet alle fracties gehoord, maar ik ben bijzonder blij dat ik kan vaststellen dat er over meerderheid en oppositie heen grote overeenstemming bestaat om naar één tijdsmoment te gaan, als het kan in Vlaanderen en Brussel en als het ook kan samen met onze Franstalige vrienden. Ik wil daar gerust mijn nek voor uitsteken en dat aan jullie goedkeuring voorleggen. Ik denk dat onze regering het daar ook wel mee eens zal zijn. We moeten die knoop maar eens doorhakken. Dat zou al een aantal problemen oplossen.

Hetzelfde geldt voor de voorrang van Nederlandstaligen in de Rand. Het is aangewezen om te bekijken op welke manier we de voorrangsregels, zoals ze in Brussel bestaan, ook in de Rand kunnen doen gelden. We hebben er nog niet over gediscussieerd hoe we dat dan zouden moeten doen, maar het zou niet slecht zijn indien er ook aandacht voor zou zijn. Ik ben zeker bereid om dat ook ten gronde te bekijken.

Wat betreft de vragen over de 55 procent zal ik moeten bekijken hoe we dat kunnen doen, en hoeveel leerlingen er werkelijk zitten en wat het effect is van de broers en zussen. Het LOP kan dat inderdaad ook optrekken. Maar uit de cijfers die ik heb gegeven, kun je toch opmaken dat het probleem veel groter is bij de niet-Nederlandstaligen dan bij de Nederlandstaligen. Mijnheer Daniëls, u hebt gelijk: het is niet in de school, maar na aanmelding, dat je tot relatief goede cijfers komt.

De mevrouw van het opiniestuk heeft ook een aantal suggesties aangereikt. We zien ook dat de Nederlandstaligen heel vaak dezelfde scholen opgeven waar ze graag naartoe willen. We stellen dat objectieve gegeven vast.

Ik zal niet oordelen over het niveau van het Franstalige onderwijs. Onderwijs is al heel lang een geregionaliseerde bevoegdheid. Iedereen moet op de best mogelijke wijze zijn hervorming doorvoeren, het liefst ook overtuigd van datgene wat er wordt gedaan. Het zou natuurlijk wel effecten kunnen hebben op de voorkeuren van mensen in Brussel indien men aan Franstalige zijde inderdaad zo doorgaat, en zeker als men daar de leerplichtleeftijdsverlaging doorvoert. Ik vind dat geen goed idee, zeker in tijden van arbeidskrapte. Dat zal nog meer jongeren aanzetten om op hun zestiende al onmiddellijk te gaan werken. Alle statistieken wijzen uit dat dit je erg kwetsbaar maakt in je latere leven. Ik vind dat echt geen goede evolutie. Ik zal dat ook opnemen met mijn collega’s.

Wanneer gaat er een voorstel naar het parlement? Dat ligt in de handen van de parlementsleden. We zijn het over een aantal zaken eens, dacht ik zo, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen. Ik denk dat ik alleen sp.a niet heb gehoord, maar ik vermoed dat dat ook geen probleem zal zijn.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Ik kom niet zo vaak in deze commissie, maar het Inschrijvingsdecreet lijkt mij hier een beetje het monster van Loch Ness te worden. Er wordt veel over gepraat maar niemand heeft het al gezien. Ik kijk er heel hard naar uit omdat het voor Brussel echt van belang is.

Vandaag komt hier onder meer aan bod welke criteria gelden voor de Rand. De collega’s in de Rand en in Vlaanderen moeten het daarover hebben, maar het criterium van de afstand tussen school en de thuis- of werkplaats, zoals wij het in Brussel hebben, lijkt mij verdedigbaar. Dan vermijd je natuurlijk ook dat daar het gevoel ontstaat, zoals in Grimbergen, bij mensen die op de hoek van een school wonen en vaststellen dat mensen die op 6 kilometer in Brussel wonen de voorrang krijgen. Ik heb het, voor alle duidelijkheid, over de basisscholen. Als je voor basisonderwijs voorrang aan Nederlandstaligen gaat geven, dan vraag ik mij af hoe het zal zijn voor de anderstaligen die in Vlaanderen wonen. Die zullen toch ook naar een Nederlandstalige school moeten gaan? Dat vind ik een vreemde redenering. Maar goed, dat zullen we dan te gepasten tijde bespreken. Voor het secundair onderwijs is er nog een heel ander debat. Hoe aanlokkelijk ook, ik zal dit nu niet openen, om toch in zekere mate de vragen te beperken tot waar het oorspronkelijk om begonnen was.

Minister, capaciteit is niet alleen een kwestie van geld, er moet ook plaats zijn. Daarover ben ik het met u eens. Het is niet evident om in Brussel plaats te vinden. In de vorige legislatuur heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een kadaster gemaakt van alle gebouwen en plaatsen en mogelijke opties waar er scholen zouden kunnen komen. Er is een versnelling gekomen van de aanvraag voor de bouwvergunningen enzovoort. Ik heb wel het gevoel dat er langs alle kanten actoren bereid zijn om te werken. Sommige mensen werken tegen, dat is helaas in de politiek altijd een realiteit. Maar we moeten zoeken naar de mensen die vooruit willen gaan, en er zijn wel degelijk stappen gezet. Ik pleit ervoor om de kostprijs ernstig te nemen. Daar moet zeker rekening mee worden gehouden.

Minister, u zegt dat u geen vaste overlegstructuur hebt en dat u wel een aantal zaken realiseert. Zolang u zaken realiseert, is het goed, maar er moet inderdaad met de Franse Gemeenschap een overleg komen over spijbelen, schooluitval, capaciteit en het uitwisselen van gegevens. Dat zijn ongelooflijk belangrijke thema’s. Ik kan er nog veel meer bedenken, maar ik hoop dat er regelmatig een onderbouwd overleg is met resultaten. Ook al is het informeel, we hebben dat nodig. We kunnen elkaar de schuld geven en zeggen dat het in die of die school slechter is of beter, de realiteit is dat we samen voor al die kinderen in Brussel een deftig onderwijs moeten hebben en dat iedere school kwaliteit moet bieden. Iedereen moet er zijn verantwoordelijkheid in opnemen.

De verhouding 80-20 is stabiel gebleven. Het is niet zo dat alle Franstaligen nu opeens naar het Nederlandstalig onderwijs komen. De cijfers zeggen iets anders. Het blijft dezelfde verhouding. De Vlaamse overheid heeft inspanningen geleverd. Dat is belangrijk. Maar het is onvoldoende. Ook de Franse Gemeenschap heeft stappen gezet, en ook die zijn onvoldoende. Ik herhaal het nog eens: er is een kans, er is een opening naar het Nederlands. Sla die deur niet dicht. We hebben in Brussel zo lang geijverd om het Nederlands te versterken. Al die kinderen die vandaag naar Nederlandstalig onderwijs gaan, zijn misschien de dokters vanmorgen. Zo gaan we misschien in de toekomst in onze ziekenhuizen in het Nederlands bediend kunnen worden. Grijp dus die kans: hoe meer kinderen we in Brussel Nederlands kundig kunnen maken, hoe beter onze stad later de Nederlandstaligen zal kunnen verzorgen.

Minister, u zei dat u zou controleren op leerplichtniveau om dat cijfer van die 580 uit te zuiveren. Ik herhaal mijn pleidooi: doe het ook voor de niet-leerplichtigen. Zo zullen we niet alleen weten waar de leerplichtige leerlingen zitten, maar ook de niet leerplichtige. Zo zullen we kunnen zien hoeveel van de kinderen die niet naar het kleuteronderwijs gaan, het eigenlijk wel wilden. Dat is een ongelooflijk belangrijk element, zeker gezien het debat over het feit dat we al die kinderen naar school willen krijgen: niet enkel de leerplichtige kinderen maar ook de kleutertjes. We moeten weten waar zij die zich zij hebben aangemeld zijn terechtgekomen, of ze naar school gaan en hoe ze echt nog tot op de school kunnen krijgen.

U zei terecht dat er extra tso- en bso-scholen moeten komen, of toch een aanbod. Het hoeven geen aparte scholen te zijn. Integendeel, het zou heel goed zijn dat dat gemengde scholen zijn, waar je aso, tso en bso hebt, en zelfs kso. Daar moet worden op ingezet.

Er staan een aantal extra secundaire scholen in de steigers, maar bij mijn weten zijn dat geen scholen van het technisch of beroepsonderwijs. Op één richting na zijn het vooral opnieuw aso-scholen, dus in de praktijk mis ik nog wel dat extra aanbod qua tso en bso in Brussel, maar ook dat is misschien weer een ander debat, dat we op een ander moment moeten voeren.

Men wil gaan naar één tijdspad. Eigenlijk hoor ik dan een pleidooi om dat meteen in heel België te doen. Ik hoor immers ook de N-VA zeggen dat één tijdspad met de Franse Gemeenschap voor zich spreekt. Ik hoor ook zeggen dat er één tijdspad moet zijn voor Brussel én Vlaanderen, dus we gaan naar één tijdspad op Belgisch niveau. Minister, ik denk dat dat wel nodig en zinvol is, maar ook dat het niet de gemakkelijkste opdracht is die we geven. U hebt alvast onze steun om daarop in te zetten, om ervoor te zorgen dat we al van start kunnen gaan wat dat stukje euvel betreft, dat men op één moment inschrijft, want dat zullen we in Brussel zeker weten te waarderen. Dat zou een belangrijke verbetering zijn, voor de ouders, maar ook voor het personeel ter plaatse dat daadwerkelijk al die ouders moet onthalen en alles opnieuw uitleggen.

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, ik heb de indruk dat uw commissie vanochtend wordt gemonopoliseerd of ‘geduopoliseerd’ door twee leden die geen vaste leden zijn van deze commissie, met verontschuldigingen aan de anderen.

Minister, tot slot van dit uitgebreide debat wil ik dan nog beknopt een oproep doen. Ik denk dat te veel Nederlandstaligen op dit moment het gevoel hebben dat ze worden uitgesloten, zelfs worden gediscrimineerd in de hoofdstad van Vlaanderen, en dat ze niet begrijpen hoe ze in een dergelijke situatie zijn terechtgekomen. Ik denk dat we die situatie maar kunnen rechttrekken of in grote mate rechttrekken door het inderdaad invoeren van een absoluut voorrangsbeleid voor Nederlandstalige kinderen in het Nederlandstalig onderwijs. Ik denk dat alleen dan het Nederlandstalig onderwijs in Brussel er prioritair zal voor Nederlandstaligen, en dat lijkt me toch een kwestie van gezond verstand, zeker als je ziet dat de Vlaamse Gemeenschap het Nederlandstalig onderwijs in Brussel ook financiert. Daarbij zou er, voor alle duidelijkheid, alsnog plaats zijn voor anderstaligen, want de resterende plaatsen kunnen wat mij betreft uiteraard ook worden ingevuld door anderstalige leerlingen, op voorwaarde tenminste dat ze een minimumkennis van het Nederlands hebben of een intensief taalbad volgen, zodat ook de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs maximaal gegarandeerd blijft in Brussel.

Minister Hilde Crevits

Ik wil gewoon nog aan mevrouw Van den Brandt en alle andere leden zeggen dat er via DBFM in Molenbeek een nieuwe school komt, van 12000 vierkante meter. Dat is goed voor 850 plaatsen, en het is een tso-school. Men zei immers dat het allemaal aso is. In dit geval zijn het de jezuïeten. Dat denk ik toch. Excuses als het de jezuïeten niet zijn, maar ik denk het wel. Ik wil daarmee maar aantonen dat men echt aan het zoeken is naar datgene wat nodig is. Ik zou ter zake dus ook niet te wanhopig zijn. (Opmerkingen van Elke Van den Brandt)

U noemde de andere. Ik mocht eigenlijk niet meer, maar dan moet ik dit ook meegeven.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.