U bent hier

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, ik moet u niet vertellen dat heel wat jeugdlokalen, jeugdhuizen en cultuurhuizen in Vlaanderen niet zo goed scoren op het vlak van energie. De meeste van die gebouwen zijn al heel wat jaren oud. Ze zijn gebouwd op een moment dat energie nog onuitputtelijk leek en er alleszins minder aandacht ging naar de energiezuinigheid van gebouwen. Daardoor beschikken die gebouwen in geen of heel beperkte mate over isolatie. Er werd ook vaak geen dakisolatie aangebracht en heel wat van die gebouwen hebben ook nog enkel glas.

Al die jeugdverenigingen, jeugdhuizen en cultuurhuizen energiezuinig maken, zou aanleiding kunnen geven tot een sterke vermindering van het energieverbruik en de CO2-uitstoot. Het zou zonder twijfel ook een heel mooie bijdrage kunnen leveren aan de Europese klimaatdoelstelling, waarbij we tegen 2020 de energie-efficiëntie moeten verbeteren met 18 procent en de uitstoot van broeikasgassen verminderen met 15 procent ten opzichte van 2005, en die we met ons land moeten waarmaken.

Om die reden is het ook een heel goede keuze van het Fonds voor Culturele Infrastructuur om naast het automatiseren van theatertrekken en de toegankelijkheid van culturele infrastructuur, ook het energiezuiniger maken van infrastructuur die gesubsidieerd wordt vanuit Cultuur en Jeugd, als derde prioriteit voor de periode 2017-2021 naar voren te schuiven. Maar hoe terecht en nodig de invoering van de subsidie ook is, als we ze even van dichterbij bekijken, kunnen we toch wel vaststellen dat het voor jeugd- en cultuurverenigingen helemaal niet zo evident is om de subsidieaanvraag in te dienen, laat staan om in aanmerking te komen om de subsidie te kunnen behalen. Het is namelijk een vereiste dat het totale energieverbruik minstens 100.000 kilowattuur per jaar is, wat op zich best wel hoog gegrepen is voor een jeugdvereniging. Alleen als een aantal jeugdverenigingen zich clusteren, kunnen ze effectief in aanmerking komen voor de subsidie. Maar uit het advies van de Vlaamse Jeugdraad van 3 mei 2017 blijkt dat geen van de koepels echt in de mogelijkheid is om die clustering te organiseren, laat staan dat jeugdverenigingen zich daar zelf toe kunnen organiseren.

In datzelfde advies vraagt de Vlaamse Jeugdraad ook een zo eenvoudig mogelijke aanvraagprocedure. Als we het aanvraagformulier even bekijken, moeten we ook wel stellen dat dat op zich ook heel uitgebreid is en dat er heel wat gegevens moeten worden aangeleverd. Een jeugdvereniging die in aanmerking komt voor een subsidie, wordt ook gevraagd om haar energieverbruik gedurende tien jaar bij te houden voor de monitoring. Een ander gevolg van het feit dat ze in aanmerking komen voor subsidies, is dat de jeugdverenigingen ook werken zouden moeten gunnen volgens de wetgeving op de overheidsopdrachten. U weet ook, minister, dat dat misschien niet zo moeilijk is als je daarin thuis bent, maar dat dat geen evidente opdracht is als je daar niet thuis in bent.

De Vlaamse Jeugdraad wijst er in zijn advies ook nog op dat heel wat jeugdverenigingen niet echt een beeld hebben van de mogelijke energiebesparingen in hun lokalen. In hoeverre is men zich zelf bewust van het energieverbruik, laat staan van het energiegebouw en waar eventuele besparingen zouden kunnen gebeuren? Een instrument daarvoor is een energieaudit. Als verenigingen de kans zouden krijgen om een energieaudit te laten uitvoeren, dan zou dat zeer richtinggevend, duidend en sensibiliserend kunnen zijn voor die jeugdverenigingen, met interessante informatie over hoe zij in hun gebouw, specifiek op maat, besparingsmogelijkheden zouden kunnen uitvoeren, met kennis van zaken, waarbij keuzes worden voorgesteld en er met andere woorden wordt vermeden dat er een bepaalde lock-in zou gebeuren, dat de ene keuze voor de andere gebeurt of de ene maatregel de andere zou afbreken.

Daarom heb ik een aantal vragen voor u. Hebt u als minister overleg gepleegd met de jeugdverenigingen bij het uitwerken van dit subsidiereglement? In het advies worden toch enkele pertinente knelpunten naar voren geschoven. Op welke manier is de grens van het minimale energieverbruik van 100.000 kilowattuur bepaald, en waarom? Wat is de achterliggende reden daarvoor en waarom is er geen andere keus op dat vlak? Ik denk dat elke energiebesparing cruciaal is om onze doelstellingen te bereiken.

Is in het geval van een geclusterde aanvraag om tot het energieverbruik van 100.000 kilowattuur te komen, de vereiste ‘subsidiëring door de Vlaamse overheid’ alleen van toepassing op de vereniging die de effectieve aanvraag indient? De Vlaamse Jeugdraad deed dit voorstel in zijn advies van 3 mei 2017. Of moet elke vereniging uit de geclusterde aanvraag aan de vereiste voldoen?

Plant u nog vereenvoudigingen aan de procedure voor de aanvraag van de subsidie? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet? Hoe staat u daar tegenover? Vallen alleen energiebesparende investeringen onder deze FoCI-subsidie (Fonds Culturele Infrastructuur) of kunnen jeugdverenigingen ook een subsidieaanvraag indienen voor de opmaak van een energieaudit, zodat de jeugdverenigingen een zicht krijgen op de mogelijkheden om energie te besparen in hun infrastructuur?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Het overleg met de jeugdverenigingen is wel degelijk uitgebreid gevoerd, in het najaar van 2016 en het voorjaar van 2017. Er zijn overlegmomenten geweest met De Ambrassade, Formaat, Pulse Transitienetwerk en ook de werkgroep van de jeugdverblijven binnen De Ambrassade. Er is ook maximaal rekening gehouden met de adviezen van de Strategische AdviesRaad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC), van de Vlaamse Jeugdraad en van de Raad van State.

Hoe zijn we tot die grens gekomen van dat minimale energieverbruik van 100.000 kilowattuur? In 2016 werd een onderzoek uitgevoerd naar het energieverbruik in de sectoren van Cultuur en Jeugd. Het onderzoek werd gedaan door vzw Greentrack in het najaar van 2016. Het voorstel van die grens is gebaseerd op de onderzoeksgegevens van Greentrack en is een weergave van de gemiddelde grootte van energieverbruik van de organisaties binnen Cultuur en Jeugd. Het is dus een gemiddelde, maar er is wel een onderzoek geweest met een bepaalde benchmark. De normering van 100.000 kilowattuur is als maatstaf vooropgesteld voor het onderscheiden van gebouwen met een publiek karakter en ten behoeve van het in kaart kunnen brengen van de bovenlokale werking van een organisatie. De middelen zijn, hoewel ze gelukkig toegenomen zijn, nog altijd beperkt, en de vraag blijft groot.

We zetten middelen doelgericht in voor gebouwen met een publieksfunctie en vanuit de invalshoek bovenlokale werking.

Ik ben dan ook de jeugdverenigingen extra tegemoetgekomen met het creëren van de mogelijkheid van gecoördineerde of geclusterde aanvragen. Kleinere jeugdverenigingen maar met een bovenlokale uitstraling, bijvoorbeeld door het verhuren van lokalen, die niet individueel aan het vereiste energiegebruik komen, kunnen hun gezamenlijke energieverbruik berekenen en alsnog samen gebruikmaken van subsidiemiddelen.

Centrum voor Jeugdtoerisme vzw (CJT) slaagt er zeer goed in om dat voor de sector van de jeugdverblijven te realiseren. Ook jeugdbewegingen slagen daarin. Vanuit de jeugdhuizen blijft op dit ogenblik de respons inderdaad beperkt.

Ik kan opnieuw bevestigen, zoals ik ook heb gedaan in mijn antwoord aan de Jeugdraad, dat het belangrijk is dat er een bovenlokale werking en een publieksfunctie kan worden aangetoond en dat de jeugdorganisatie voldoet aan het toepassingsgebied van artikel 4 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980, zijnde dat ze onder jeugd-, kunst en cultuurbeleid vallen. Dat betekent niet dat elke individuele organisatie een rechtstreekse subsidiëring moet ontvangen van de Vlaamse overheid. De clustering kan binnen die bovenlokale jeugdwerking zeker gebeuren.

Er staan mogelijk vereenvoudigingen op stapel, en het wijzigingsbesluit wordt geëvalueerd. Zelfs met de voorbereiding met de jeugdsector en het ijkingspunt van Greentrack was het toch een nieuwe werkwijze voor onze administratie en voor de jeugdsector. We zijn van plan om de hele procedure van het besluit en alles wat daarbij hoort, de komende zomer te evalueren en dan mogelijk – maar daar kan ik nog niet op vooruitlopen – bij te sturen.

Vanuit onze doelstelling om doelgericht te werken, bovenlokaal en met een publieksfunctie, zien we toch dat er zeker voldoende dossiers komen om de vrijgekomen middelen nuttig te kunnen besteden. Ik sta zeker open voor verdere suggesties van vereenvoudiging waar mogelijk.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, als ik u goed begrijp, moet de 100.000 kilowattuur niet apart worden bereikt en mag dus worden opgeteld. Men mag dus clusteren. De vraag is dan wie bij machte is om bepaalde clusters te kunnen vormen. Ik ga ervan uit dat iedereen ondersteuning mag bieden om een clustering te organiseren.

Minister, u zegt dat er een bovenlokale werking moet zijn. Klopt het dat lokalen van lokale jeugdverenigingen niet in aanmerking komen voor deze subsidie, ook niet als ze in clustering gaan? Dat is niet voor iedereen duidelijk. Ik begrijp dat u bereid bent de aanvraagprocedure te bekijken en dat u in de zomer de oefening maakt om eventuele vereenvoudigingen door te voeren.

Minister, ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag naar energie-audits. Behoort een energie-audit ook tot de mogelijkheden om er een focussubsidie voor te kunnen krijgen? Dat is heel belangrijk. In een ander initiatief geeft u de mogelijkheid aan cultuur- en jeugdverenigingen om een goedkope energielening te krijgen voor zonnepanelen. Elk initiatief dat energiebesparende maatregelen ondersteunt, juich ik toe. Ik vraag me wel af welke jeugdverenigingen effectief in staat zijn om te investeren in zonnepanelen. Sommige staan sterk en hebben moderne, nieuwe jeugdlokalen. Maar de kloof tussen de verschillende jeugdverenigingen is bijzonder groot. Het merendeel van de lokalen zijn echt wel oude lokalen, waar isolatie het meest cruciale is. Daar raden we aan om niet te investeren in zonnepanelen zolang zeker het dak nog niet is geïsoleerd. Anders krijg je een lock-insituatie, wat te allen tijden moet worden vermeden. De energie-audit en de begeleiding kunnen daarin een cruciale rol spelen.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Minister, uit het onderzoek van Greentrack Gent werd geconcludeerd dat er mogelijkheden zijn om het aandeel van de CO2-uitstoot verder te laten zakken door meer te investeren in het bewustzijn van de gebruikers voor energiezuinig verbruik. Ik vraag me af op welke wijze u de jeugdsector kunt motiveren om bewust om te gaan met energiezuinig verbruik. Kan via een campagne, via een sensibilisering de bewustwording van de jeugdsector worden geactiveerd?

Vaak is het voor de organisatie moeilijk cijfers voor te leggen omdat infrastructuur wordt gedeeld met andere organisaties, of ze zijn maar ten dele eigenaar en er zijn afspraken over het gedeelde verbruik. In hoeverre kan het systematisch bijhouden van de verbruikersgegevens worden opgenomen in de subsidiecriteria? Die praktijk is al van toepassing in de Britse kunstwereld en heeft daar voor een merkbare vermindering van het energieverbruik en een verhoging van het bewustzijn gezorgd. Hoe staat u daartegenover?

Minister Sven Gatz

Ik begin met de energie-audit, want die was van mijn kar gevallen omdat het antwoord op een volgend blad staat. In elk geval is het goed nieuws. Iedereen die aan de algemene en specifieke voorwaarden van het wijzigingsbesluit voldoet, die dus in aanmerking komt in het algemeen, kan een projectaanvraag indienen. De kosten voor een energie-audit worden vernoemd in artikel 2 en kunnen dus zonder meer worden ingebracht, net zoals de kosten van een toegankelijkheidsdoorlichting. Dat kan dus worden meegenomen. Heel de discussie die daaraan vasthangt over zonnepanelen of isolatie, maakt daar onlosmakelijk deel van uit.

U weet dat er recent twee nieuwe subsidielijnen bij zijn gekomen: enerzijds voor energieduurzaamheid in het algemeen en anderzijds voor zonnepanelen. We zeggen helemaal niet dat voor alle jeugdlokalen zonnepanelen de beste oplossing zijn, maar voor een aantal kan dat wel zo zijn. Die energieaudit kan bepalen wat precies de beste oplossing is.

We zijn soepel wat betreft de clustering van de bovenlokale werking. Wanneer er nieuwe middelen voor een goede doelstelling worden aangewend, is het best dat die ook op een oordeelkundige manier op het terrein worden ingezet. Dat is soms moeilijker dan eerst wordt gedacht. Er is geen blauwdruk om bijkomende middelen op de meest efficiënte manier te verdelen met als doel de jeugdsector energieduurzamer te maken. We werken dan met ijkpunten van derden. Ik wil dit ook in een bredere context plaatsen. Ik las in de krant iets over een rapport waarin werd aangegeven hoeveel ministers hun energiemiddelen nog niet besteed hadden. Als die zaken met Pasen pas beslist worden, is het niet mogelijk om ze bij het begin van de herfst al te hebben besteed. Dat gebeurt wel tegen het einde van het jaar, het zou erg zijn om ze te laten liggen. We zijn in een verdedigbare en logische beleidsopbouw om die middelen op het terrein in te zetten. In de eerste plaats moet het met een bepaalde snelheid gebeuren. Het moet praktisch genoeg zijn en conform een aantal ijkpunten. Bij concurrentie tussen een dossier dat zeker een bovenlokale werking heeft en een ander dat er misschien één heeft, zullen we voor het eerste kiezen. In de mate dat er middelen beschikbaar zijn, willen we ze ook wel kunnen inzetten, en zal er enige soepelheid worden gehanteerd met betrekking tot die vereiste van geclusterde bovenlokale werking.

Dit soort zaken zullen we in de zomer evalueren, na de eerste doorlooptijd, die volgens mij vrij coherent en succesvol kan worden genoemd. Er zijn zeker nog verbeteringen mogelijk. We proberen van boven naar beneden te werken. De iets grotere organisaties zullen op dit ogenblik dus inderdaad een comparatief voordeel hebben om een dossier te kunnen indienen. Ook voor hen is het noodzakelijk om die energieduurzaamheid te organiseren. Als daar dan het grootste deel van het werk gedaan is, kunnen we zeker de kleinere spelers verder actief ondersteunen. Die zaken zullen worden meegenomen in de evaluatie van dit jaar. In onze opstelling combineren we dus doelgerichtheid en pragmatisme. We hebben zeker geen administratief monster gecreëerd waarbij de middelen niet kunnen worden besteed. Dat zou het ergste zijn en dat is helemaal niet het geval.

Ook de campagne wil ik meenemen in de evaluatie, maar het is al zo dat via de verschillende in het antwoord genoemde koepels die sensibilisering wel degelijk gebeurt. Meer dan vroeger moet daar een centrale campagne bovenop komen. Ik wil dat gerust met de sectoren zelf bekijken. We kunnen bijvoorbeeld vanuit de vaststelling dat de respons bij de jeugdhuizen beperkt is, daar een tandje bijsteken.

De vraag met betrekking tot de subsidiecriteria is een goede vraag. Ze zal wellicht meer stroomafwaarts aan bod komen op het ogenblik dat we zicht krijgen op hoeveel middelen er na twee jaar nog nodig zullen zijn om verder te werken. We kunnen dat alvast voorbereiden om te bepalen of dat in mindere of meerdere mate in de subsidiecriteria moet worden opgenomen.

Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Rombouts. Ik wil ervoor zorgen dat het doel bereikt wordt, namelijk zoveel mogelijk energieduurzaamheid in jeugdlokalen. Wanneer de subsidiecriteria daar kunnen toe bijdragen, moeten we dat, in overleg met de sector, zeker overwegen. Wanneer de subsidiecriteria veeleer een remmende factor zouden zijn, moeten we daar voorzichtig mee zijn. Het zijn terechte vragen, die van belang zijn in het leerproces dat zich nu voltrekt. Na de zomer lijkt het mij zinvol te kijken welke bijsturing nodig is. Globaal vind ik dat de eerste inzet van deze energieduurzame middelen toch succesvol genoemd mag worden.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, ik begrijp dat u iets nieuws moet uitbouwen. De vraag is dan waar je moet beginnen als de uitdaging zo groot is. Ik begrijp ook dat u de aanvragen die het meest energie besparen, prioritair behandelt. Met wat het gemakkelijkst gaat, kunnen de grootste sprongen worden gemaakt. Dat passen we ook in andere domeinen toe, zoals bij de vervuilingsgraad van rioleringen bijvoorbeeld.

De nood is zo groot dat we ons efficiënt moeten organiseren om iedereen mee op de kar te krijgen. Honderdduizend KWU ligt dan wel zeer hoog. Het is een gemiddelde, zoals u zegt, er kunnen grotere, maar ook veel kleinere uitschieters in zitten. Dan vraag is me af of het werken met een gemiddelde wel de beste methode is. Op die manier komt de zeer grote groep met een lager verbruik vandaag in de wachtrij te staan, terwijl daar toch ook wel een grote uitdaging ligt.

Minister, de energieaudit is hét instrument om u te begeleiden bij uw blauwdruk voor de administratie. U kunt heel veel zaken opvragen en doen, ook de manier waarop zo’n energiebesparing op de beste manier kan gebeuren. De energieaudit is zeer goed leesbaar en verstaanbaar voor iedereen. Als een aanvraag wordt begeleid door een energieaudit, moet u dus niet meer twijfelen of dat een goede en correcte investering is.

Met betrekking tot vereenvoudiging blijf ik toch een beetje op mijn honger zitten. Ik zou u willen vragen om aan kleinere organisaties meer ondersteuning te bieden en om de deuren daarvoor open te zetten. Er zijn dan meer aanvragers, maar de totale winst van al die organisaties kan of zal dan zeer groot zijn, zeker als je het vergelijkt met de grotere groepen. Een energieaudit kan zeker een goede begeleidende maatregel zijn.

Minister, als er vandaag een bundeling gebeurt van lokale goed gestructureerde dossiers, zodanig dat zij samen aan 100.000 kilowattuur komen en dus een groot energieverbruik hebben waar eventueel een besparing kan gebeuren, komen zij wel degelijk in aanmerking om behandeld te worden. Zo heb ik het begrepen. Mocht dat niet correct zijn, dan hoor ik het nog graag.

Minister, als wij een switch willen realiseren en grote sprongen voorwaarts maken bij de organisatie van gezamenlijke aankopen en clustering, suggereer ik om op een eenvoudige manier een grote sprong voorwaarts te maken. Ik wil u vragen om dat in de hele organisatie van uw energie-ondersteunende beleid te bekijken en er werk van te maken.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.