U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 voorziet in de erkenning en subsidiëring van de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen. Die diensten bieden hulp aan hun leden en hun eventuele mantelzorgers bij ziekte, handicap en/of ouderdom. Ook leden die in een sociaal moeilijke situatie verkeren, kunnen bij hen terecht.

Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag van 1 maart 2018 blijkt dat in totaal 17,2 miljoen euro aan subsidies verdeeld wordt onder de ziekenfondsen voor hun diensten maatschappelijk werk. Van die 17,2 miljoen euro gaat 9,8 miljoen euro of 56,7 procent van het totaalbedrag naar de Christelijke Mutualiteiten, 4,1 miljoen euro of 24 procent naar de Socialistische Mutualiteiten en 1,3 miljoen euro of 7,5 procent naar de Liberale Mutualiteiten. Respectievelijk zijn die mutualiteiten verantwoordelijk voor 53 procent, 22 procent en 6 procent van de leden. Zij krijgen verhoudingsgewijs dus meer subsidies dan hun aandeel in het totaal van de leden. Een omgekeerd beeld zien we bij de Onafhankelijke Ziekenfondsen en het Neutraal Ziekenfonds. Het Neutraal Ziekenfonds ontvangt ongeveer een half miljoen euro of 3 procent van de middelen en heeft 4 procent van de leden. Het Onafhankelijk Ziekenfonds moet 14,2 procent van de leden bedienen met 1,5 miljoen euro of 8,8 procent van de subsidies. Dat is een opvallende discrepantie.

Minister, hoe verklaart u die discrepantie tussen het percentage van de subsidies en het percentage van het ledenaantal,  in het bijzonder bij de onafhankelijke ziekenfondsen? Op basis van welke criteria worden die subsidies toegekend, naast dat van het ledenaantal? Wordt regelmatig de evolutie van het ledenaantal bekeken voor wat betreft de subsidiëring van de diensten maatschappelijk werk?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega, het ledenaantal van de ziekenfondsen is slechts een van de parameters die het bedrag van de subsidies bepalen waarop de landsbonden recht hebben voor hun diensten maatschappelijk werk. In het uitvoeringsbesluit bij het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, meer bepaald in bijlage V, worden namelijk zes parameters vastgelegd, waarvan het ledenaantal er slechts één is.

De programmatiecijfers voor het aantal vte personeelsleden voor de diensten maatschappelijk werk van het ziekenfonds worden per landsbond vastgelegd op basis van de volgende zes objectieve parameters, waarbij telkens per 10.000 personen die aan de parameter voldoen een bepaald aantal vte wordt geprogrammeerd: per 10.000 personen die potentieel in aanmerking komen voor een terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen in het kader van de sociale maximumfactuur: 0,69 vte; per 10.000 personen die in het kader van de sociale maximumfactuur effectief een terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen genieten: 3,08 vte; per 10.000 personen met minstens een score van 15 op de medisch-sociale schaal die wordt gebruikt voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, hulp aan bejaarden en hulp aan derden: 52,79 vte; per 10.000 invaliden: 4,68 vte; per 10.000 aangesloten leden: 0,034 vte; per 10.000 aangesloten leden, ouder dan 80 jaar: 3,61 vte.

Slechts een van de zes parameters heeft dus betrekking op het aantal leden, en die parameter weegt dan nog eens het minst zwaar door, namelijk voor 0,034 vte per 10.000 aangesloten leden. In de mate dat een landsbond meer leden telt die voldoen aan de vijf overige parameters, die allen een indicatie zijn van een verhoogde kwetsbaarheid, worden daardoor meer vte toegekend aan die landsbond. Een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds richt zich namelijk tot kwetsbare doelgroepen, dus is het logisch dat met die kwetsbaarheid in de ledenpopulatie rekening gehouden wordt bij de toekenning van de vte. Hoe meer leden met een verhoogde kwetsbaarheid, hoe hoger het aantal vte waarop die landsbond recht heeft voor zijn diensten maatschappelijk werk van het ziekenfonds, en dus ook hoe hoger het subsidiebedrag dat die landsbond ontvangt voor zijn diensten.

De programmatie voor die diensten is niet volledig ingevuld. Niet alle vte waarop de landsbonden volgens de programmatie recht zouden hebben, worden dus toegekend, maar slechts ongeveer 70 procent daarvan. De programmatie wordt afgetopt door de beschikbare begrotingskredieten, maar daarbij blijven de verhoudingen tussen de verschillende landsbonden op basis van de zes parameters wel gerespecteerd.

De zes parameters die gebruikt worden voor de bepaling van de programmatiecijfers, en dus ook voor subsidiëring, worden jaarlijks opgevraagd bij het InterMutualistisch Agentschap (IMA). Soms blijkt dat een of meer parameters stijgen of dalen bij sommige ziekenfondsen door wijzigingen in de ledenpopulatie, met gevolgen voor het toegekend aantal vte. Daardoor bestaat de kans dat ziekenfondsen in het subsidiejaar recht hebben op minder vte dan het jaar ervoor.

Om te vermijden dat de ziekenfondsen in kwestie daardoor mensen moeten ontslaan, is er tussen de ziekenfondsen een ‘intermutualistische solidariteit’ afgesproken. Dat houdt in dat een ziekenfonds voor zijn diensten maatschappelijk werk nooit minder vte kan krijgen dan waarop het recht had in het vorige jaar. Bij de verdeling van uitbreidingsbeleid staan in zulke situaties de andere landsbonden dus een stukje van hun recht op vte af, om de vte van de landsbonden waarvan de parameters dalen, op peil te kunnen houden.

In het subsidiejaar 2017, waarvoor ik u de cijfers bezorgd heb als antwoord op uw schriftelijke vraag, was er op basis van de subsidieparameters een dalende trend bij de Landsbond van de Liberale Mutualiteiten en bij de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen. Door de intermutualistische solidariteit behielden die landsbonden echter het aantal vte dat eerder aan hen toegekend was, wat dus hoger ligt dan het aantal waarop ze volgens de parameters recht zouden hebben. De overige landsbonden hebben bij de verdeling van het uitbreidingsbeleid 2017 een deeltje van de vte waarop zij recht hadden voor hun diensten maatschappelijk werk, afgestaan aan die twee eerstgenoemde landsbonden.

Volledigheidshalve geef ik u nog eens de aantallen vte waarop elk van de landsbonden in 2017 recht had, telkens met de uitbreiding – het ging over 7 vte – die in dat jaar toegekend werd: de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten: 249,42 vte, en een uitbreiding van 0,26 vte; de Landsbond van de Liberale Mutualiteiten: 33 vte en geen uitbreiding, gelet op de dalende trend in de parameters, zoals net toegelicht; de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen: 13,02 vte, eveneens geen uitbreiding, om dezelfde reden; de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen: 36,17 vte, en een uitbreiding van 2,58 vte, dus een totaal van 38,75 vte; het Nationaal Verbond van de Socialistische Mutualiteiten: 101,54 vte, en een uitbreiding van 4,16 vte, dus een totaal van 105,70 vte.

Dat betekent dus dat de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen in 2017 relatief gezien de grootste groei in het aantal vte kende, meer bepaald met 7,13 procent. Voor het Nationaal Verbond van de Socialistische Mutualiteiten ging het om een groei met 4,10 procent, en voor de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten met een groei van 0,10 procent.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik kan me niet van de indruk ontdoen, zeker als ik de cijfers zie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen... Ik weet wel dat die vaak jongere leden hebben, maar er is toch wel een zware discrepantie van 8,8 procent versus 14,2 procent. U hebt gezegd dat er al een inhaalbeweging van vte’s is gebeurd.

We gaan naar een geïntegreerd breed onthaal. De bedoeling is om een samenwerking aan te gaan met de diensten maatschappelijk werk van de mutualiteiten. Hoe gaat dit concreet gebeuren? Als er zo een onthaal is, gaan er natuurlijk mensen van verschillende ziekenfondsen komen aankloppen. Mijn vraag is dan ook of zij dan specifiek zullen worden doorverwezen naar hun ziekenfonds zelf dan wel of daar eerder een poule gaat zijn van vte’s van de verschillende ziekenfondsen waarnaar ad random wordt doorverwezen.

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Ik dank de collega voor de interessante vraag. Het staat me voor dat de discrepantie eigenlijk al geruime tijd gekend was en dat er in 2017 inderdaad een correctie gebeurd is. Volgens mijn informatie gebeurde de correctie die u hebt aangegeven bij ministerieel besluit, waarbij vooral de Onafhankelijke Ziekenfondsen vooruitgegaan zijn en de Liberale Mutualiteiten en de Neutrale Ziekenfondsen status quo gebleven zijn. U hebt uitgelegd dat dat komt door dat compensatiemechanisme.

Nog steeds volgens mijn informatie moet het Vlaams Intermutualistisch College die oefening maken. Dat is dan ook mijn bijkomende vraag. Is dat operationeel overleg er geweest? Heeft dat overleg tot die correcties geleid? Is er een afstemming tussen de verschillende mutualiteiten geweest? Ik neem aan dat ze daar eerst tot een consensus zijn gekomen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Mijnheer Persyn, dat verloopt bij mij, in alle eerlijkheid, een beetje op automatische piloot. Die cijfers komen toe en ik heb er geen weet van dat mijn kabinet op dat vlak actief zou zijn. Dat wordt uitgevoerd aan de hand van de formule in de uitvoeringsbesluiten van het decreet. Ik wil wel eens vragen of het Vlaams Intermutualistisch College daarover overleg pleegt. Ik herinner me wel dat ze enkele jaren geleden onder elkaar een solidariteitsmechanisme hebben afgesproken om fluctuaties te vermijden die ze zelf niet goed vinden. Ik wil wel eens nagaan of er een overleg is. Ik heb veeleer de indruk dat de gebruikte parameters vrij sec zijn. Ze kunnen, bij wijze van spreken, mechanisch uit de registraties worden afgeleid.

Mevrouw Saeys, we gaan er in het licht van het geïntegreerd onthaal uiteraard van uit dat de onthaalfuncties in de drie systemen, het OCMW, het centrum algemeen welzijnswerk (CAW) en deze diensten, gelijk zijn. Dat wordt binnenkort afgerond. We gaan naar een conferentie over de toekomst van het maatschappelijk werk. Het geïntegreerd onthaal moet net toegankelijk zijn voor iedereen. Daar wordt natuurlijk op het lokale niveau een maximaal netwerk voor gemaakt. Dat is net de ambitie. We zorgen ervoor dat iedereen die aan eerstelijns maatschappelijk werk doet, waar de finaliteit of de financiering ook vandaag moge komen, zorgt voor onderlinge afstemming met betrekking tot de expertise die daar wordt verwacht. Dat geldt voor de expertise die in de backoffice bestaat en die vaak ook van buiten de eigen dienst moet worden gehaald. In de regio moet een precies netwerk worden afgesproken. Dat is de redenering achter het systeem. Ik ga ervan uit dat dit niet betekent dat iemand voor die onthaalfunctie per se bij een dienst maatschappelijk werk van een mutualiteit moet zijn. Eigenlijk hebben we geprobeerd dit meer te uniformiseren. Iedereen mag dat in de eestelijnswerking opnemen, we gaan ervan uit dat dit in de regio voldoende op elkaar wordt afgestemd.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw verduidelijking. Wat het geïntegreerd breed onthaal betreft, denk ik dat het echt essentieel is vooral te kijken naar de onthaalfunctie in het OCMW. Dat is het bekendste. Vaak weten mensen zelfs niet dat er in het ziekenfonds een dienst maatschappelijk werk is. Als we dat vragen, blijken mensen dat niet te weten. Vaak zullen ze eerst contact opnemen met het OCMW. Daar ligt volgens mij een sleutel om hierin een centraal punt te kunnen vormen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Bij de start van dit project was het mijn ambitie dat iedereen die een eerstelijnswerking heeft, een onthaalfunctie heeft. Die onthaalfunctie moet over voldoende competenties beschikken en aan de standaardverwachtingen voldoen. Dat er natuurlijk verder specifieke competenties zijn die andere sociale diensten niet hebben, is ook wel de realiteit. Ik hoor dat OCMW’s voor de inschaling van een persoonsgebonden assistentiebudget (PAB) soms naar het maatschappelijk werk doorverwijzen. Ik heb daar niet zo veel problemen mee. Iedereen zou echter wel de basisonthaalopdracht zodanig moeten uitbouwen dat ze voor iedereen, waar hij ook moge komen, beschikbaar is.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.