U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Jans heeft het woord.

Minister, geestelijke gezondheidsproblemen kunnen iedereen treffen. Sommige groepen zijn echter kwetsbaarder dan anderen en lopen een verhoogd risico. Ouderen behoren tot die kwetsbare groepen. Ze worden meer geconfronteerd met ervaringen zoals verlies en rouw, en ook met isolement, verlies van autonomie en eenzaamheid. Al die zaken kunnen meer dan bij anderen leiden tot depressie of angsten. Nog al te vaak worden hun psychologische problemen als normale ouderdomsverschijnselen beschouwd, zelfs door hulpverleners, zo normaal dat ze niet worden behandeld, ook al is depressief zijn niet normaal, ook niet als je oud bent.

Een aantal weken geleden hadden we in deze commissie een vraag over het gebruik van antidepressiva in woonzorgcentra. Ik heb in mijn vraag toen ook verwezen naar de KCE-studie (Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg) ‘Organisatie en optimalisering van geestelijke gezondheidszorg voor ouderen in België’ en de acties die u aankondigt in uw Vlaams Actieplan Geestelijke Gezondheid. De resultaten van de KCE-studie zijn nu bekend. In het rapport staan aanbevelingen voor de detectie en behandeling van de geestelijke gezondheid van ouderen en wat er beter kan.

Het komt er in dat advies op neer dat er heel wat muren moeten worden gesloopt. De huisarts in de eerste lijn moet beter worden ondersteund door hulpverleners in de tweede en derde lijn. Omdat de groep moeilijk af te bakenen is in leeftijd, wordt er niet gepleit voor aparte geestelijke gezondheidsnetwerken voor ouderen. De expertise moet worden gedeeld door iedereen met al wie met ouderen in contact komt. Mobiele teams voor psychiatrische hulp aan huis moeten zich ook tot de oudere bevolkingsgroep richten. Deze teams moeten ook ouderen in woon- en zorgcentra kunnen bijstaan. Lichamelijke zorg voor ouderen moet worden versterkt met hulpverleners die ervaring hebben in ouderenpsychiatrie, en omgekeerd.

Minister, hebt u kennis genomen van het onderzoek van het KCE? Welke beleidsconclusies trekt u hieruit voor het Vlaamse geestelijke gezondheidsbeleid en  het geestelijk gezondheidsbeleid voor ouderen?  Welke beleidsacties worden hieraan gekoppeld?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik heb het KCE-rapport ontvangen. Gezien de recente publicatiedatum is het nog niet besproken met de administratie en met de federale overheid. In 2010 zijn de verschillende overheden van start gegaan met de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen. In 2015 volgde de hervorming voor kinderen en jongeren met de ondertekening van de ‘Gids naar een nieuw geestelijk gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren’. De netwerken geestelijke gezondheidszorg richten zich momenteel op volwassenen tot 65 jaar.

Ik lees in het KCE-rapport een duidelijk pleidooi om geen nieuwe geestelijke gezondheidsnetwerken op te richten voor de doelgroep ouderen, maar die doelgroep van de netwerken geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen uit te breiden naar ouderen, hun aantal te vermeerderen en hen te ondersteunen met mobiele teams gespecialiseerd in ouderenzorg die de meest complexe gevallen kunnen behandelen.

Het KCE-rapport zal ik bespreken in de interkabinettenwerkgroep taskforce geestelijke gezondheidszorg. Samen met de andere bevoegde ministers voor Volksgezondheid in België zullen we een beslissing nemen over het uitbreiden van de geestelijke gezondheidsnetwerken voor volwassenen naar de doelgroep ouderen, of over het oprichten van afzonderlijke netwerken voor de doelgroep ouderen.

Het is momenteel nog te vroeg om aan te geven welke acties uit dat rapport zullen voortvloeien. Ik kan u wel meegeven welke acties de Vlaamse overheid in de voorbije jaren heeft ondernomen specifiek voor de geestelijke gezondheid van ouderen. De centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) hebben een aanbod ambulante geestelijke gezondheidszorg voor ouderen. De ouderenteams in de cgg’s staan enerzijds in voor directe begeleiding en behandeling van ouderen en anderzijds voor outreach naar woonzorgcentra. Op die manier ondersteunen ze het personeel in de woonzorgcentrum in het omgaan met bewoners met psychische problemen.

Die teams zijn weliswaar beperkt in capaciteit en kunnen geen aanbod uitbouwen voor alle woonzorgcentra in Vlaanderen. Daarnaast merken we op dat het werkveld de laatste jaren allerhande initiatieven heeft opgestart om te komen tot een geïntegreerde zorg voor ouderen met psychische problemen. Het zijn bijvoorbeeld verschillende woonzorgcentra die een deel van de capaciteit in de voorziening vrijmaken voor ouderen met ernstige langdurige psychische problemen. Het gaat in deze situatie om ouderen die al geruime tijd hebben verbleven in een psychiatrisch ziekenhuis of een psychiatrisch verzorgingstehuis. De intersectorale samenwerking tussen voorzieningen en de geestelijke gezondheidszorg en de ouderenzorg is zeer belangrijk voor het slagen van dergelijke projecten.

De Vlaamse overheid heeft, naar aanleiding van de zesde staatshervorming, sinds 2015 ook het project rond ‘een effectiever en efficiënter beleid rond psychofarmaca’ van woonzorgcentrum Leiehome, overgenomen van het Federaal Fonds ter bestrijding van verslavingen. Binnen dat project wordt ingezet op een rationele afbouw van benzodiazepines, antidepressiva en antipsychotica.

Uit de pilootfase in vijf woonzorgcentra blijkt de door de woonzorgcentra ontwikkelde methodiek te leiden tot een gemiddelde afname van 10 procent van het psychofarmacagebruik. In 2018 zal de overdracht van de methodiek naar de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) plaatsvinden, dit met het oog op de integratie van de methodiek rond psychofarmaca in het project ‘procesbegeleiding van voorzieningen en diensten in zorg en welzijn bij het voeren van een preventief gezondheidsbeleid’. Binnen dit project zullen procesbegeleiders rond verschillende thema’s voorzieningen in de setting zorg en welzijn helpen bij het uitbouwen van een beleid. Er wordt daarbij gestart met de woonzorgcentra.

De VAD heeft sinds 2016 het thema psychoactieve medicatie als onderwerp in haar beheersovereenkomst. Dit resulteert in een aanbod aan informatie rond psychofarmaca voor zowel burgers als uitgebreide informatie voor intermediairen. Voor burgers bestaat tevens een kennis- en een zelftest rond slaap- en kalmeringsmiddelen. Met die zelftest kan men zelf nagaan of er sprake is van riskant gebruik van benzodiazepines.

De voorzitter

Mevrouw Jans heeft het woord.

Ik dank de minister voor zijn antwoord.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

We hebben hier in mei vorig jaar inderdaad al een gelijkaardige discussie gevoerd. Toen ging de discussie erover of er aparte netwerken moesten worden gemaakt voor volwassenen en ouderen. Nu zegt het KCE dat gescheiden netwerken voor ouderen niet wenselijk zijn. Het stelt dat die psychiatrische mobiele teams, die echt gespecialiseerd zijn in ouderenzorg, een meerwaarde kunnen bieden bij de ondersteuning van de bestaande teams voor volwassenen.

Een belangrijke opmerking die het KCE maakt, is dat ouderen de zin van het leven moeten kunnen blijven inzien, dat ze het gevoel krijgen dat ze nog nuttig zijn en dat ze deel kunnen uitmaken van de samenleving. Ik denk dat daar vooral een bewustwording van de maatschappij meer nodig is. Dat is een oproep om in onze campagnes inzake geestelijke gezondheidszorg ook meer aandacht te besteden aan die ouderen met geestelijkegezondheidszorgproblemen.

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Collega Jans heeft het al aangehaald: in de studie staat dat je de ouderen waarover we het hier hebben, niet zomaar kunt afbakenen op basis van hun leeftijd. Ouderen zijn veel langer actief dan vroeger het geval was, wat natuurlijk niet wegneemt dat de kans groter is dat ze geconfronteerd worden met specifieke gezondheidsrisico’s, meer medicatiegebruik en zo meer. Daarom is de aanbeveling van het KCE minstens interessant te noemen. Ik wil die vraag nog eens herhalen. Men doet namelijk een heel duidelijke suggestie om niet te werken met afzonderlijke netwerken voor ouderen, maar om die netwerken voor volwassenen, die nu tot 65 jaar gelden, ook uit te breiden naar die specifieke doelgroep.

U hebt gezegd, minister, dat u met de andere ministers zou beslissen wat u zou doen, het ene of het andere. Ik begrijp dat de beslissing nu nog niet is genomen. Het is vanzelfsprekend dat u dat ook niet alleen zult doen, maar het benieuwt mij wel heel erg wat uw standpunt hierover is. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat u hierover wel een mening hebt. Dat benieuwt mij heel erg.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Mevrouw Saeys, het is natuurlijk juist dat heel de transitie van een rustoord, waarin de nadruk heel erg op het medische ligt, naar zorg- en leefgemeenschappen ook veel te maken heeft met levenskwaliteit als referentiekader. Veel woonzorgcentra zijn daar al heel goed mee bezig, maar dat is inderdaad een van de cruciale elementen. We zijn er ook van overtuigd dat met die visie, ook rond medicatie, medicatiegebruik, depressie enzovoort, er daar ook wel een aantal verbanden mee zijn. In die zin kan ik die bekommernis wel delen.

Mijnheer Anseeuw, zonder mij nu al vast te pinnen op het standpunt over dit specifieke issue, geef ik u mijn algemene sentiment. Ik denk dat er in de geestelijke gezondheidszorg nog veel te hervormen en te doen is. Maar of we dat nu moeten doen door weer eens een rondje ‘netwerken maken’ te organiseren? Daar heb ik eerlijk gezegd intuïtief niet zo veel 'goesting' in. Het is natuurlijk eigen aan de geestelijke gezondheidszorg dat je moet kunnen werken in trajecten, intramuraal, thuis – vermaatschappelijking betekent natuurlijk ook dat je in de thuissituatie een goede opvolging kunt organiseren. Er is nog heel veel te doen. Er is ook al heel veel gebeurd. Maar ik heb de indruk dat de sector op dit moment niet echt staat te springen om nog maar eens een nieuw netwerk te maken. Ik kan mij vergissen, maar ik heb het gevoel dat we wat dat betreft de aanbeveling van het KCE misschien toch niet zomaar naast ons neer moeten leggen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.