U bent hier

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Minister, tijdens de commissievergadering van 29 maart hielden we een discussie over het meest recente onderzoek naar het verplaatsingsgedrag. Ik opperde voor het eerst om eens in Nederland te gaan kijken wat mobiliteitsstudies betreft en de manier waarop men dit daar integraal aanpakt.

In Vlaanderen houden heel wat instituten en instanties zich bezig met onderzoek naar het mobiliteitsbeleid. Ik denk dan aan het Vlaams Verkeerscentrum, Vias Institute, het Planbureau, het Instituut voor Mobiliteit (IMOB), Transport & Mobility Leuven (TML) enzovoort. Veelal gaat het om massa’s statistische gegevens of zeer specifieke microstudies over een bepaald aspect.

Effecten meten van beleidsmaatregelen is vaak moeilijk. In Nederland werkt het Kennisinstituut voor Mobiliteit jaarlijks een Mobiliteitsbeeld uit. Hierin zitten zowel puur statistische gegevens vervat als verklaringen van evoluties en effecten van beleidsmaatregelen.

Een voorbeeld uit het Mobiliteitsbeeld: wanneer men het reistijdverlies op het hoofdwegennet bespreekt, komt men niet enkel met de cijfers tussen 2005 en 2016, maar focust men ook op randfactoren zoals de omvang van het verkeer, de prijs van de brandstof, de conjunctuur van de economie voor het transport op de weg, de aanleg van nieuwe wegencapaciteit, de snelheidsverlaging en trajectcontroles enzovoort. Hierdoor wordt duidelijk gemaakt welke beleidsmaatregelen een positieve of een negatieve impact hebben op de files.

Bij de evaluatie van de kilometerheffing voor vrachtwagens in Vlaanderen bleek het daarentegen zeer moeilijk om bijvoorbeeld de verschillende factoren die de stijging of daling van het vrachtverkeer op een bepaalde route veroorzaakten, te kunnen onderscheiden.

Voor beleidsmakers is het van essentieel belang om een onafhankelijke en wetenschappelijke blik op het mobiliteitsbeleid te kunnen gebruiken om beslissingen te nemen. In Vlaanderen is deze kennis aanwezig, maar zit ze te zeer verspreid. Er worden ook meer dan genoeg onderzoeken gevoerd, maar die zijn vaak te divers om beleidsconclusies aan te koppelen. Integrale mobiliteitsstudies zoals het Mobiliteitsbeeld kunnen dit wel verwezenlijken.

Minister, ziet u heil in een dergelijke integrale benadering? Of plant u initiatieven om verschillende instanties te laten samenwerken aan een integrale studie over het Vlaamse mobiliteitsbeleid?

Op welke manier worden nu de evaluaties van beleidsmaatregelen zoals de invoering van de kilometerheffing voor vrachtwagens of de maatregelen uit het Verkeersveiligheidsplan opgemaakt? Bestaat daarvoor een gestandaardiseerde methode en timing, of gebeurt dit eerder ad hoc?

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik onderschrijf natuurlijk de ambitie om een correct en volledig beeld te hebben van het mobiliteitsgebeuren met ook een goed inzicht in oorzaken en gevolgen, zowel van menselijk gedrag als van beleidsmaatregelen. Zoals u zelf ook zegt, is er bijzonder veel expertise aanwezig, maar is die versnipperd over de verschillende entiteiten binnen de Vlaamse overheid en eigenlijk vooral binnen het beleidsdomein. De verschillende uitvoerende agentschappen hebben elk op zich beleidscellen die – eufemistisch gesteld – moeizaam samenwerken met elkaar. Zij hebben allemaal een focus op de eigen vervoersmodus waardoor het beleid gericht is op één modus en onvoldoende wordt bekeken vanuit de samenhang tussen de verschillende modi. We stellen vast dat verschillende vervoersmodi elkaar onvoldoende aanvullen en nog te vaak opereren als elkaars concurrent waarbij abstractie wordt gemaakt van de noden van de reiziger.

Ik heb daarom ook ingezet op het versterken van de beleidscapaciteit binnen het beleidsdomein om tot een relevant vernieuwend en vooruitstrevend mobiliteitsbeleid te komen. Ik heb de noodzakelijk nauwe samenwerking tussen beleid en uitvoering verankerd in de structuren van het beleidsdomein.

Enkele maanden geleden zijn een zestal kenniscellen opgericht die de goede samenwerking en de kennisopbouw tussen de beleidsafdeling en het uitvoerend agentschap moeten garanderen.

Er zijn 14 kenniscellen opgericht rond een aantal concrete beleidsprojecten, en die worden rechtstreeks opgevolgd door het managementcomité van het beleidsdomein. Die oefening heeft de secretaris-generaal van het departement op zich genomen, samen met andere leidende ambtenaren om te zien welke concrete projecten ze willen aanduiden en wie ze vanuit welke entiteiten daarin zullen laten zetelen.

We zetten meer in op de uitbouw van een kennisnetwerk dan op de creatie van een afzonderlijk kennisinstituut. Dat netwerk heeft wel het voordeel dat alle entiteiten binnen het beleidsdomein, en zelfs daarbuiten, ook worden ingeschakeld.

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Minister, in een hoog ontwikkelde samenleving zoals de onze heb je sowieso veel overheid, in de goede betekenis van het woord. Dat is een overheid als dienstverlener, die de belastingbetaler op een goede manier probeert van dienst te zijn. Binnen die overheid is veel kennis aanwezig. Veel van die bureaus aan wie we de opdracht geven om zaken uit te zoeken of te bundelen, gaan vaak de mosterd halen bij onze eigen diensten. Het is goed dat u niet opteert voor een groot kenniscentrum, zodat we er niet nog weer een mastodont bij te krijgen. De verkokering van de Vlaamse administratie is legendarisch. We moeten er alles aan doen om dat niet te versterken. Het is beter om die verschillende cellen op een dynamische manier te laten samenwerken.

Minister, ik kan me voorstellen dat u soms heel behartenswaardige en interessante dingen onder ogen krijgt over het fietsbeleid, het wegvervoer, het openbaar vervoer of allerhande andere vervoersmodi. Als dat nu eens zou worden samengebracht, dan hadden we misschien een gedragen mobiliteitsvisie, maar het is niet evident om dat voor elkaar te krijgen. Voor het departement en voor de secretaris-generaal van dat departement zou het een belangrijke taak kunnen zijn om meer te halen uit de statistische kennis en de data voor de evaluatie van het bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid. Op termijn kan het kostenbesparend werken als dat dynamisch zou worden georganiseerd, in plaats van dat allemaal uit te besteden aan universiteiten of gespecialiseerde privé-instellingen die dan vaak op diezelfde bronnen terugvallen, waarvan wij uit de eerste hand over data en gegevens kunnen beschikken.

Ik heb dus wel oren naar uw verhaal, maar ik zou het ook graag in de praktijk zien gebeuren. Daarom zou het goed zijn om dat op gezette tijdstippen voor uzelf te evalueren. In welke mate slaagt men erin om die verschillende kenniscellen met elkaar te verbinden en daardoor bij te dragen aan een geïntegreerd mobiliteitsbeleid? 

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Die evaluatie is nog maar net op poten gezet.

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Als ik dat zeg, is het vooral ook om die ambtenaren bij de les te houden. Het is bijkomend werk, maar het zorgt al voor een stukje voor het doorbreken van de verkokering, maar dan op het niveau van de kennisdeling. 

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.