U bent hier

De heer Bajart heeft het woord.

Lionel Bajart (Open Vld)

Dank u, voorzitter. Goede morgen, collega’s. Minister, het idee achter het museumproject in de leegstaande Citroëngarage hebben wij altijd een warm hart toegedragen. Het kan een perfecte aanvulling vormen op het bestaande musea-aanbod en vooral een mooi uithangbord zijn voor Brussel als toeristische trekpleister in binnen- en buitenland. Onze hoofdstad verdient dergelijke projecten met ambitie en vooral ook uitstraling. Het is jammer dat ook in dit dossier de pijnpunten van het Belgische federale model opvallen, waarbij sommige partijen elkaar eerder stokken in de wielen steken dan er samen op vooruit te willen gaan en in dezelfde richting te kijken.

Het mislopen van de collectie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel heeft ervoor gezorgd dat er andere invullingen voor het museumproject gevonden moesten worden. Het oog viel hierbij op de samenwerking met het Centre Pompidou. Een keuze die verstandig kan uitpakken, want het Centre Pompidou geniet een wereldwijde uitstraling, vergelijkbaar met de Guggenheimmusea of het Museum of Modern Arts (MoMA).

Helaas las ik op 8 maart 2017 dat er toch vragen gesteld kunnen worden bij de manier waarop de samenwerking verloopt. Zo wordt ongeveer 2 miljoen euro geïnvesteerd in personeel, maar die mensen zijn allemaal tewerkgesteld in Parijs en de Brusselse cultuursector laakt het gebrek aan Belgische of zelfs Brusselse expertise. De kennis, die onontbeerlijk is om van Kanal een succesverhaal op lange termijn te maken, lopen we zo mis.

Het is voor ons van groot belang dat een dergelijk groot, mediageniek en belangrijk project een transparante basis heeft. Ik heb het gevoel dat er een sfeerschepping aan de gang is waarbij slechts de uitgesproken positieve en negatieve benaderingen aan bod komen. Nuance en transparantie zouden goed zijn om dit project een stabielere en werkbare basis te geven die voor iedereen begrijpbaar blijft.

In principe is de invulling van het museumproject een gewestelijke zaak, waar de Vlaamse Gemeenschap zich niet mee hoeft te moeien. Dat weten we, maar ik onderstreep het hier nogmaals. Ik wil u dan ook allerminst een zwartepiet of moeilijke materie toeschuiven. Maar vermits u, via de financiële steun van 250.000 euro die u beloofde bij de voorstelling van de laatste beleidsnota Brussel, een voet tussen de deur hebt bij het Kanalproject, zou ik u toch volgende vragen willen stellen, om een duidelijker beeld van de situatie te krijgen.

Minister, kunt u de financiële input vanuit de Vlaamse Gemeenschap kaderen in het bredere financiële plaatje van Kanal? Waarvoor worden de Vlaamse middelen precies ingezet? Wat is daarvan het doel?

Wat is de voortgang van het dossier? Kanal zou openen in mei 2018 met een eerste tentoonstelling met werken van tien Brusselaars. Dat is een prima en uitstekend idee. Maar hebt u zicht op het verdere traject?

Hoe evalueert u de samenwerking in het project tot nu toe?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Het hoeft geen betoog dat Kanal een ambitieus project is. Het wordt geïnitieerd en getrokken door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Zoals al gecommuniceerd, is het zowel mijn intentie als die van de Franse Gemeenschap om dit te steunen. Ik licht dat toe. Vandaar ook mijn duidelijk engagement dat we vanuit de twee gemeenschappen tegelijkertijd een gelijkwaardige ondersteuning aan het project zouden geven. Ik voorzie via het Vlaams Brusselfonds in een financiële ondersteuning van het aanloopprogramma, dat loopt tot wanneer de verbouwing van het fameuze Citroën-garagegebouw – zoals u weet meer dan 30.000 vierkante meter groot – effectief van start gaat. Men heeft de zeer optimistische planning om dat al binnen drie jaar te openen. Wait and see! Voor dergelijke omvangrijke projecten is er meestal iets meer tijd nodig. Maar goed, dat zien we wel.

Het project wordt opgedeeld in twee grote fases: de ‘prefiguratie’, die loopt van 5 mei 2018 tot en met 30 juni 2019; en een tweede fase na afloop van de grote werken op de site, die door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zal worden gefinancierd, zodra de Culturele Pool ingehuldigd zal zijn. Mijnheer Bajart, ik heb dus inderdaad wel het vermoeden dat er, na de ‘prefiguratie’, misschien nog wel een verlenging zou kunnen zijn, afhankelijk van de doorlooptijd van bouwvergunningen, werken en andere zaken. Maar ik weet dat niet, het is eerder mijn ‘gut feeling’ die mij dat zegt. Dat is dan voor de volgende jaren.

De regeringsnota van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 2017 bevatte een eerste voorlopige raming van het businessplan voor de site. Voor de aanloopperiode bedraagt het jaarbudget gedurende twee jaar 4,05 miljoen euro. Dat komt dus neer op een totaal van 8,1 miljoen euro voor die twee jaar. Daarvan financiert de overheid 1,5 miljoen euro per jaar, ofwel 3 miljoen euro in totaal. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest financiert nu al 1,5 miljoen euro van deze 3 miljoen euro. De Franse en Vlaamse Gemeenschap hebben de bedoeling elk een bedrag van 750.000 euro uit te trekken, dat is de andere helft van die 3 miljoen euro. Dat betekent – en ik wil daar de aandacht op vestigen  – dat die andere 5 miljoen euro wel degelijk op basis van sponsoring, ticketing en andere zaken wordt begroot. Dat is een gezonde verhouding, als ik dat zo mag noemen.

De middelen vanuit Vlaanderen zullen toegewezen worden aan een aantal posten. Ten eerste aan de ondersteuning van producties van Vlaams-Brusselse instellingen en/of die een link met de Vlaamse Gemeenschap hebben, zoals het Kaaitheater, Klarafestival, Ancienne Belgique, Flagey, BOZAR… Ik kom daar straks nog explicieter op terug. Ten tweede is er de ondersteuning aan jonge hedendaagse Brusselse kunstenaars – u verwees er al naar in uw vraagstelling – en, niet te onderschatten, aan een werking voor scholen van beide gemeenschappen bij een cinemaproject, en eveneens aan tentoonstellingen in het algemeen, meer bepaald de productiekost, transportkosten en algemene werking.

Ik wil hier wel benadrukken dat er geen middelen vanuit Vlaanderen gaan naar de overeenkomst tussen Kanal en Pompidou. Zoals minister-president Vervoort in de vergadering van de Commissie voor de Territoriale Ontwikkeling van 28 februari 2018 in het Brussels Parlement heeft aangegeven, wordt de samenwerking met het Centre Pompidou gefinancierd met de werkingsmiddelen van de stichting. Die overeenkomst is gesloten voor een periode van tien jaar, namelijk van 2017 tot 2027. Ze is op 7 december 2017 door de Brusselse Regering goedgekeurd. Het gaat dus om kosten die het Centre Pompidou zal aanrekenen om zijn knowhow ter beschikking te stellen om het personeel van de Stichting Kanal bij te staan en op te leiden, vele honderden werken uit te lenen – wat de essentie van de zaak is –, zijn naam te laten gebruiken en de werken ‘van nagel tot nagel’ te verzekeren.

Ik neem hierbij dus geen afstand van de keuze die men maakt voor het Centre Pompidou. Dat is een keuze waar men voor of tegen kan zijn. Ik zeg alleen dat dat mijn keuze niet is, maar de keuze van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ik wil daar ook niet in interfereren en mij daar ook niet op een of andere manier rond positioneren. Wat ik wil doen met de bijkomende middelen, is enerzijds, naast het aantrekken van de tentoonstelling van werken uit het Centre Pompidou, ruimte geven aan de hedendaagse Brusselse scène, dus de kunstenaars die hier actief zijn – en dat zijn er nogal wat – en anderzijds de dans- en muziekprogrammatie van de grotere huizen waar ik al naar verwees. Dat zijn de twee zaken waar wij ons op concentreren. Zodra de site volledig open zal zijn, komt er nog een vierde bij – maar dat is nu voorbarig –, en dat is de architectuurpoot, waar het Internationaal Centrum voor de Stad, de Architectuur en het Landschap (CIVA) samen met het Sint-Lukasarchief een soort equivalent van het Vlaams Architectuurinstituut op Brussels niveau zou hebben, als ik het zo mag noemen. Maar dat is pas op het ogenblik dat het gebouw zal af zijn.

Wat is de voortgang van het dossier? Het aanloopprogramma wordt multidisciplinair. Van 5 mei 2018 tot eind juni 2019 kan het publiek in de Citroëngarage terecht voor een eerste cultuurprogramma. Ik neem aan dat u dan allemaal een kijkje zult kunnen nemen in dat bijzondere gebouw. Het zal hoofdzakelijk om beeldende kunst draaien, met een deel van de collectie van het Centre Pompidou, wat niet hoeft te verbazen. Er zullen ook aanlooptentoonstellingen en creatieopdrachten voor Brusselaars zijn.

Het cultuurprogramma in aanloop naar de opening van het centrum is uitgetekend door Bernard Blistène, directeur van het Franse Musée national d'art, het departement culturele ontwikkeling en het Institut de Recherche et Coordination Acoustique/Musique (IRCAM) van het befaamde Centre Pompidou. Voor de opmaak ervan is in een wetenschappelijk oriëntatiecomité het voorbije anderhalf jaar ook samengewerkt met de Brusselse cultuursector, dat is niet nieuw. Daar zitten zowel Nederlandstalige als Franstalige tenoren in. Het Centre Pompidou, dat in zijn collectie moderne en hedendaagse kunst bijna 2000 werken van Belgische kunstenaars bezit, heeft al zeer sterke banden met Brussel en België. Samen met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zal het dit nieuwe project integreren in het bestaande cultuurnetwerk door samen te werken met de lokale actieve culturele en sociale structuren. Het is al een tijdje geleden bekendgemaakt dat er in het aanloopjaar bestellingen geplaatst worden bij tien Brusselse kunstenaars. De selectie gebeurde door een onafhankelijke jury, met onder andere Sophie Lauwers van BOZAR en Philip Van den Bossche, de curator van Mu.ZEE. De selectie werd eerder dit jaar bekendgemaakt. Het is de bedoeling om deze en andere creaties een plaats te geven op de aanlooptentoonstellingen en op die manier een collectie te beginnen samenstellen voor het toekomstige museum voor moderne en hedendaagse kunst, stap voor stap.

In het aanloopjaar komen ook de podiumkunsten aan bod. Met het oog daarop wordt met de Brusselse cultuursector een samenwerking opgezet om gezamenlijk een programma uit te werken van stukken die in het centrum opgevoerd zullen worden. Men concentreert zich dus hoofdzakelijk, om niet te zeggen uitsluitend, op muziek en dans. Momenteel worden partnerschappen onderzocht met de AB, de Botanique, BOZAR, Flagey, Les Halles de Schaerbeek en het Kaaitheater. Het Kunstenfestivaldesarts zal daar begin mei zijn festival openen. Verder onderzoekt men ook partnerschappen met La Raffinerie, de dansplek in Molenbeek aan het kanaal, zoals u wellicht weet, en het Klarafestival, en de deur staat ook open voor andere partners.

Het dossier voor de aanvraag van een subsidie bij de Vlaamse Gemeenschap is momenteel in opmaak. Ik gaf u reeds mee waar de Vlaamse Gemeenschap haar middelen aan zal besteden, namelijk de hedendaagse Brusselse scène, en het liefst de jongere kunstenaars, en daarnaast ook de muziek- en dansprogrammatie van de grotere huizen. Een aantal samenwerkingen zijn al verder gevorderd, andere samenwerkingen zijn nog in een onderzoeksfase. De ruimte van de Citroëngarage is immers voor sommige partners geen evidente plek om een productie op te zetten. Het is wel een prikkelende plek, maar geen klassieke setting. Wat is er bijvoorbeeld nodig om er een orkest te laten optreden? Wat betekent dat op het vlak van productiekost? Dat zijn allemaal zaken die voor sommige producties al berekend zijn en voor andere nog in opmaak zijn. Er moet dus nog een en ander worden uitgezocht, maar het dossier evolueert wel gestaag en goed. Vanaf begin mei zal het gebouw worden opengesteld voor het publiek. Dat is niet onbelangrijk.

Wat het globale project van Kanal betreft, is het volgens de recente communicatie van de Stichting Kanal bij de aanstelling van de architectenbureaus de bedoeling om in het najaar van 2019 te starten met de bouwwerkzaamheden. Nogmaals, dat is een strakke optimistische inschatting. Het einde van de bouwwerkzaamheden zou dan eind 2022 zijn.

Hoe evalueer ik de samenwerking tot nu toe? Men heeft op korte tijd – het is werken tegen de klok – met een aantal mensen een groot project uit de grond weten te stampen. Het vraagt ook de nodige tijd om een aantal dingen te kunnen organiseren. Het betekent ook dat het bereiken van al de verschillende overheden en partners wat voeten in de aarde had. We zijn er uiteraard nog niet, maar de gesprekken lopen goed en er is de wil bij eenieder om van dit project een succes te maken.

Ik voeg er als persoonlijke bedenking aan toe dat ik hoop dat op het ogenblik dat we daar een feitelijke culturele programmatie zullen zien in alle facetten die ik net benoemde, we dan ook de moeilijkheden rond de start over wie daar allemaal aangeworven is en hoe het allemaal gaat, achter ons kunnen laten en dat het project meer en meer voor zich zal kunnen spreken. Het is heel belangrijk voor een cultureel project dat het om culturele inhoud kan draaien en dat daar zo weinig mogelijk politieke schaduwen over hangen. Dat is op dit ogenblik nog altijd zo, dat zal ik niet ontkennen.

Maar goed, wij moeten nu afwachten wat de big bang in mei en juni zal geven qua programmatie en aantrekkingskracht voor de Brusselaars – én anderen, laat dat duidelijk zijn. En dan is het nuttig om elkaar nog eens te spreken om te bekijken hoe een en ander evolueert.

De heer Bajart heeft het woord.

Lionel Bajart (Open Vld)

Minister, ik dank u voor de stand van zaken en de evoluties in het dossier. Ik volg u in twee redeneringen, analyses. Ten eerste, om ervoor te zorgen dat het project eindelijk voor zich kan beginnen te spreken en het belang daarvan voor alles wat met cultuur, dans of muziek te maken heeft. Ten tweede, uw analyse van die prefiguratiefase en alles wat daarbij komt kijken, vooral naar een optimistische opstelling van de flow, de vooruitgang van de werken.

Ik herken hierin een gezonde verhouding tussen de middelen die onder andere uit Vlaanderen komen en dan die eigen middelen, uit operaties en tickettering en dergelijke meer.

Ik dank u voor uw antwoorden.

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Mijnheer Bajart, ik dank u voor uw vraag. Het is een interessant project in onze hoofdstad. Er stond afgelopen weekend een heel interessant interview met de betrokkene Bernard Blistène in Le Soir.

Minister, ik dacht dat u op een vraag van collega Coudyser in de commissie Cultuur van 11 januari had geantwoord dat u 250.000 euro zou geven, jaarlijks, gedurende drie jaar. U spreekt nu over 750.000 euro gedeeld door de twee gemeenschappen. Gaat het over hetzelfde? (Opmerkingen van minister Sven Gatz)

Ah, oké, want ik had begrepen dat het maar over twee jaar ging. Maar het gaat dus over drie jaar? (Opmerkingen van minister Sven Gatz)

Het bedrag blijft hetzelfde. Oké.

Dan heb ik nog een bijkomende vraag. We hebben in de pers gelezen dat de nieuwe staatssecretaris bevoegd voor de wetenschappelijke instellingen heeft gezegd dat ze, in tegenstelling tot haar voorgangster, zou openstaan voor een discussie over het eventuele uitlenen van stukken uit de federale collectie van de federale musea voor hedendaagse en moderne kunst. Laat de overeenkomst die werd gesloten met het Centre Pompidou hiervoor nog ruimte open? U hebt zelf ook gezegd dat, zodra het museum op poten staat, u het zelf ziet zitten om vanuit de Vlaamse Gemeenschap daarvoor een overeenkomst te sluiten. Als mevrouw Demir zegt dat ze daarover wil spreken vanuit het federale niveau, is het dan nog een mogelijkheid om dat effectief te realiseren? Of is dat een gesloten akkoord? Ik ben daar niet van op de hoogte, maar dat kunt u voor ons verhelderen. Ik dank u.

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

We kunnen wel zeggen dat dit dossier gestart is onder een slecht gesternte. We kunnen niet ontkennen dat hier een zweem van achterkamerpolitiek is, van een beetje de Brusselse ziekte die altijd opduikt in de Brusselse instellingen. We hebben het verhaal Samusocial gekend. Als we dan zien op welke manier die raad van bestuur, de verantwoordelijken zijn aangeduid... Ik zal de namen noemen, men vindt ze namelijk overal terug: een zekere Yves Goldstein, PS-cabinetard, is directeur. Een zekere heer Leconte, kabinetschef van een FDF/DéFI-minister, is tot secretaris-generaal benoemd.  En dan is ook enkele maanden geleden de heer Delhauteur benoemd, de voormalige adjunct-kabinetschef van minister-president Vervoort.

Men ziet eigenlijk onmiddellijk dat het management, het bestuur, de operationele leiding in handen is van mensen die niet echt de kennis hebben over kunst, de museumwereld, die niet echt de connecties of het netwerk hebben, behalve dan een zeer sterk netwerk in de Brusselse politieke cultuur.

We weten hoe dat hier in Brussel verschillende keren is misgelopen. We stellen ons dan ook toch wel ernstige vragen bij dit hele project. Het is niet alleen zo – en dat weet u ook, minister – dat het project juridisch problematisch is. Men wil een museum met internationale uitstraling. Men heeft onmiddellijk een samenwerking met het Centre Pompidou, waar nog steeds een zweem van een totaal gebrek aan transparantie blijft hangen. U weet ook dat het gewest enkel bevoegd is voor musea met een biculturele inslag. En dan kunnen we niet ontkennen dat in casu een dergelijk museum de gewestelijke bevoegdheid reeds overschrijdt.

Ik heb het al gehad over de verschillende politieke benoemingen in die operationele leiding, die van verschillende kanten, van verschillende Brusselse kabinetten komen. Men kan zeggen: kabinetsmensen zijn op zich niet slecht. Maar we kunnen ons wel vragen stellen bij de benoemingsprocedure, waardoor andere, misschien meer geschikte kandidaten, mét de nodige ervaring inzake de culturele wereld, niet de mogelijkheid of de kans hebben gehad om nog maar te kandideren. En die zweem van die Brusselse ziekte die er soms bestaat, die politieke benoemingen, die achterkamerpolitiek, dat gebrek aan transparantie zal natuurlijk een schaduw werpen op dit hele project. Dat is een exponent van een nefaste bestuurscultuur.

U weet ook – het is nog niet zo lang geleden – dat er een schertsvertoning is geweest toen er een kleine opening was in aanwezigheid van kunstkenners, galerijhouders, verzamelaars. Zelfs de Franse ambassadeur was toen aanwezig, wegens de samenwerking met het Centre Pompidou. Er is een publieke discussie geweest tussen de huidige waarnemend directeur-generaal Goldstein en anderzijds de heer Draguet. Beide heren, waarvan iedereen weet welke politieke kleur ze hebben, zijn elkaar in de haren gevlogen omdat ze niet dezelfde visie hebben over het hele project.

Ik blijf mij dan ook vragen stellen. De essentiële vraag is dan natuurlijk of wij als Vlaamse Gemeenschap, maar ook de Franse Gemeenschap, dit project moeten blijven legitimeren. 750.000 euro, verdeeld over twee of drie jaar, lijkt ons bovendien geen inspraak te geven. Ik heb recent nog wat cijfers opgezocht. Het Citroëngebouw is aangekocht voor ongeveer 20,5 miljoen euro. De herinrichting zou ongeveer 150 miljoen euro, exclusief btw, kosten. Over de samenwerking met het Centre Pompidou hangt nog steeds een zweem van achterdocht en geheimhouding. Het contract met het Centre Pompidou zou tien jaar lang ongeveer 2 miljoen euro kosten. En dan komen we in een aanloopprogramma, waarbij u via het Vlaams Brusselfonds een 750.000 euro zou betalen.

We weten ondertussen ook dat van het bedrag dat naar het Centre Pompidou gaat, 2 miljoen euro naar het personeel van het Centre Pompidou gaat. Ook daar is kritiek op gekomen. De heer Bajart heeft er al op gewezen. Waarom doen wij expliciet een beroep op Franse kunstkenners? Waarom doen we geen beroep op federale, Vlaamse, Waalse kunstkenners, die ervaring hebben in ons land met betrekking tot de museale inrichting? We mogen fier zijn op wat we zelf hebben. We hebben toch ook wel wat expertise in huis.

Mijn vragen aan u zijn de volgende, minister. Op welke manier gaat die samenwerking met het Kaaitheater verlopen? Het ligt ernaast. Gaat er iets heel concreets gebeuren met het Kaaitheater? Is er ergens een verbinding? Gaat men daar architecturaal aan werken?

Ik heb de indruk dat u een voet tussen de deur wilt houden, maar dat zou enkel gelden voor die aanloopperiode, waarbij er inderdaad met Brusselse en Vlaamse culturele instellingen zal worden samengewerkt, maar nadien gaan we over in een tweede fase, waarbij het Centre Pompidou blijkbaar verder de invulling gaat geven. Gaan wij een voorpost worden van het Centre Pompidou in Brussel? Dat was alvast de kritiek van Draguet, die ik heb overgenomen. Welke vzw’s? U hebt er al een paar opgesomd. Kunt u misschien iets concreter zijn? En denkt u echt dat u met die 750.000 euro in die aanloopperiode daadwerkelijk een voet tussen de deur zult krijgen in het hele project? Tot daar alvast mijn kritische bedenkingen, maar anderzijds toch ook mijn vragen.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Nog even aangeven, voor zover het aan mij is om daarover te oordelen: hoe de rol van de overeenkomst tussen Kanal en het Centre Pompidou moet worden ingeschat, dat is een opportuniteitskwestie. Men heeft daarvoor gekozen. Het is niet mijn keuze. Ik wil er ook geen afstand van nemen, maar het is niet mijn keuze. Ik heb niet de gewoonte om keuzes van anderen af te vallen of te verdedigen. Dat is niet mijn rol. Men heeft hier geprobeerd om, als je het zou vergelijken met een atletiekwedstrijd, een haas in de race te brengen, om sneller te kunnen lopen en sneller op niveau te raken, om bij gebrek aan eigen collectie – daar kom ik zo meteen op terug, want dat is natuurlijk een belangrijke vraag – een leemte in te vullen met toch wel een belangrijke partner, een partner die trouwens de gewoonte heeft om op verschillende manieren samen te werken met andere internationale instellingen, ofwel door daar dependances van te maken, wat hier uitdrukkelijk niet het geval is – dat zou een slechte keuze geweest zijn, laat dat duidelijk zijn – ofwel door samenwerkingsverbanden te hebben. De specifieke vragen die daarover bestaan en die moeten worden gesteld, moeten in het Brusselse Parlement aan de Brusselse Regering gesteld worden. Ik beantwoord geen vragen ‘par personne interposée’, dat is nooit een goed idee in de politiek.

Men maakt dan de bedenking of wij dan misschien niet goed genoeg zijn, of we wel met Fransen moeten samenwerken, en of we dan niet beter met het federale niveau samenwerken. Dat is natuurlijk een beetje de discussie van de kip of het ei, waar ik als boer graag buiten blijf. Wie heeft er eerst gezegd dat er met het Centre Pompidou moest worden samengewerkt? En wie heeft er eerst gezegd dat de federale musea geen werken zouden uitlenen aan dit nieuwe project? Dat laat ik aan geschiedschrijvers over, maar ik wil toch de bedenking maken. Daarom vind ik het des te interessanter dat mevrouw Demir, met wie we gisteren trouwens nog een heel constructieve samenwerking gehad hebben in de interministeriële conferentie voor Cultuur – en ook met de andere collega’s –, minstens de opening maakte om te zeggen: ik sluit niet uit dat wanneer de juiste omstandigheden verzekerd kunnen worden – dat zal wellicht pas na de renovatie van het gebouw zijn – er ook werken vanuit de federale musea kunnen worden uitgeleend. Ik heb dat alleen gehoord en ik vind dat een interessante opening.

Wat ik wel wil bestrijden, mijnheer Poschet – en dat heb ik destijds ook aan mevrouw Coudyser gezegd –: het is niet de gewoonte in ons land, en ook op internationaal vlak, dat er dan samenwerkingsovereenkomsten gesloten worden tussen politieke instanties om werken uit te lenen, gelukkig maar. Dat is heel de ICOM-problematiek (International Council of Museums), die we ook in de commissie Cultuur al een paar keer gehad hebben. Dat gebeurt puur op museaal niveau, tussen gelijken. Met andere woorden: directeurs van musea beslissen met welke partners zij willen samenwerken en op welke voorwaarden zij werken uitlenen. En die zijn over het algemeen technisch-artistiek van aard, klimatologisch en dergelijke meer. Het is dus interessant dat een beetje een angel uit een politiek spanningsveld werd getrokken en dat er een opening wordt gemaakt, maar finaal zal men op een ander niveau, op museaal niveau, moeten beslissen wat er dan gebeurt.

Ik juich dat ook toe. Ik denk niet dat het verstandig zou zijn politici, anderen of ikzelf, te laten beslissen of een werk al dan niet mag worden uitgeleend. Soms kunnen werken om klimatologische redenen niet worden uitgeleend. Ik denk dan aan de discussie over de fantastische werken van Pieter Bruegel die Wenen en Oostenrijk niet mogen verlaten. Misschien zijn er politieke redenen, maar er zijn zeker ook artistiek-technische redenen. Veel van die werken zijn op hout geschilderd en het transport van hout is niet hetzelfde als het transport van canvas. Ik wijd maar even uit om aan te tonen dat we dit aan de vaklui moeten overlaten.

Dat is de rol van de samenwerking met het Centre Pompidou. Ik wil daar natuurlijk duidelijk een programma naast plaatsen. De mensen van de Stichting Kanal zijn met dit programma naar ons gekomen. Ze willen dit van in het begin. Ik moet erop letten dat de samenwerking met het Centre Pompidou geen verhaal op zich wordt. Het is een belangrijk onderdeel van het geheel, maar het is niet het enige onderdeel. De Stichting Kanal wil al vanaf het begin ruimte voor muziek- en dansproducties mogelijk maken. De Stichting Kanal wil, samen met de grote of middelgrote Brusselse huizen, de hedendaagse scene van Brussel als kunstenstad in de verf zetten. Op dat vlak hebben we elkaar gevonden.

Iedereen moet weten wat hij van mij verlangt. Indien ik daar eigenlijk niet aan mag meewerken, mag ik niets geven. Ik hoor echter ook dat 750.000 euro te weinig is ten opzichte van de geïnvesteerde middelen. Ik denk dat ik niets verkeerd doe en zelfs een goede keuze maak door duidelijk te kiezen voor de twee sporen die ik net al uitvoerig heb toegelicht. Ik wil een partner van dat constructief project zijn.

Ik wil nogmaals herhalen dat we een project, na alle startperikelen die er zijn geweest, op zijn culturele en stedelijke merites moeten kunnen beoordelen. Ik ga ervan uit dat we een ander gevoel zullen hebben en een ander debat kunnen en hopelijk moeten voeren wanneer we na een of twee maanden zien wat daar te zien valt, hoe dit wordt ingevuld, hoeveel mensen daarop afkomen en hoe goed de producties zijn. Op dat ogenblik zullen we meer weten.

Er zijn afspraken met het Kaaitheater gemaakt. Indien er in Kanal een dansproductie is, zal dat waarschijnlijk een coproductie van het Kaaitheater en La Raffinerie zijn. Er wordt altijd naar Nederlandstalige en Franstalige koppels gezocht om producties op te zetten. Er is afgesproken dat dit niet zal gebeuren op het ogenblik dat in het Kaaitheater zelf een productie van het Kaaitheater loopt. Er zal niet worden gekannibaliseerd. Het zal supplementair gebeuren. Ik denk ook dat dit supplementair kan gebeuren. De stad is ondertussen met 200.000 mensen gegroeid, dus er kan nog wel een bijkomende productie bij. Sommige producties in onze zalen zijn ook volgeboekt. Op dat vlak denk ik dat dit zeker kan.

Over de andere link heb ik in deze commissie al gezegd dat de gesprekken om de uitbreiding van het Kaaitheater langsheen de kaai en niet langsheen de square mogelijk te maken, optimale omstandigheden vereisen. Sommigen zeggen dat het zonder ook kan, maar dat is hoogst twijfelachtig. Een gedeelte dat nu van Citroën is, namelijk de fameuze stookplaats aan het Kaaitheater, zou worden overgedragen. De gesprekken zijn aan de gang. De uitbreidingsplannen van het Kaaitheater voorzien in een uitbreiding met die stookplaats. Het lastenboek van de internationale architectuurwedstrijd, dat nu met een winnaar zijn beslag krijgt, voorziet eveneens in de overdracht van de stookplaats naar het Kaaitheater. Dat is een interessant feitelijk gegeven, maar het staat los van de keuze om een culturele programmatie te ondersteunen die gedurende twee jaar hopelijk ten goede zal komen van alle cultuurliefhebbers, van alle Brusselaars en van al wie hiervan gebruik wil maken.

De heer Bajart heeft het woord.

Lionel Bajart (Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Indien er geen transparantie is, is dat alleszins niet hier het geval.

Mijnheer Vanlouwe, misschien moet ik even met u praten. Een Vlaams volksvertegenwoordiger moet kritisch zijn en zaken analyseren. U verwijst echter ook naar veel zaken die in feite niet tot de beslissingen van de Vlaamse Gemeenschap of van de minister behoren. Het is interessant dit even op een rijtje te zetten, maar ik denk dat u, samen met mij, toch moet onderstrepen en aanvaarden dat de minister hier in alle transparantie op de vragen antwoordt.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.