U bent hier

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Voorzitter, collega’s, minister, ik denk dat iedereen wel de Panoreportage heeft gezien in de paasvakantie. Nu weten we natuurlijk ook allemaal dat de reportages van Pano altijd wel vanuit een bepaalde insteek vertrekken en tendentieuze berichtgeving niet schuwen. Ik denk dat er aan elk verhaal ook twee kanten zijn, maar desalniettemin, los van de Panoreportage, heb ik zelf als Vlaams volksvertegenwoordiger ook wel bepaalde zaken gehoord vanuit de sector, van landbouwers zelf. Ik denk dat het verhaal van de reportage een heel belangrijke rol belicht, zijnde die van de veilingen, die eigenlijk toch producentenorganisaties zouden moeten zijn, dus organisaties die producenten ook moeten beschermen en ervoor moeten zorgen dat die ook een eerlijke prijs krijgen voor hun producten. Dat is toch wel een heel belangrijke, cruciale rol die ze hebben bij het verstevigen van de positie van onze producenten.

Zowel via de reportage als in de sector horen wij dat een bepaalde coöperatie waar landbouwers lid van zijn, erg stringent omgaat met haar leden, dat zij toch wel zeer weinig manoeuvreerruimte hebben. Nu, als je ergens lid van bent, als je bepaalde contracten afsluit en als van je wordt verwacht dat je zoveel levert, dan lijkt het me belangrijk dat die organisatie erop moet kunnen rekenen dat de volumes die in het contract staan, ook worden geleverd. Dat staat buiten kijf. Natuurlijk zou het niet zo mogen zijn dat leden enkel en alleen maar daar mogen leveren. Dat is natuurlijk het vrijemarktprincipe. Er blijkt toch wel dat bepaalde producentenorganisaties hun leden wat ruimte geven om een korteketenverhaal uit te bouwen met een maximum van een kwart van hun productie, maar bepaalde laten dat zelfs niet toe. Dat is wel een beetje een vervelende zaak, omdat Europees landbouwcommissaris Phil Hogan ervoor heeft gezorgd dat er een versoepeling kan komen om bepaalde zaken te gaan afzetten naast de afzet voor die producentenorganisaties.

Ik ga vandaag niet zozeer ingaan op de beschuldigingen over wat er zoal met bepaalde gelden zou gebeuren, wat wordt gemeld in die Panoreportage. Ik denk dat er toch wel twee kanten aan zo’n verhaal zitten.

Er baart me echter toch wel iets zorgen. Als er geruchten zijn, dan lijkt het me wel belangrijk dat we weten of dat klopt of niet, maar als Europese middelen besteed voor die producentenorganisaties niet voor de volle honderd procent bij de tegemoetkoming voor de producenten zouden komen, dan is dat toch wel iets dat van naderbij zou moeten worden bekeken. Ik heb sinds ik parlementslid ben, sinds 2014, aan bepaalde hooggeplaatste personen van de veiling in mijn eigen omgeving gevraagd om eens op bezoek te mogen komen. Ik wacht nog altijd op die uitnodiging. Misschien zal die nu wel iets sneller komen, na deze vraag, maar desalniettemin … (Opmerkingen van Bart Caron)

Gaat u mee? Voilà, collega Caron gaat ook al mee. Maar u moet eerst nog een uitnodiging krijgen.

Desalniettemin denk ik dat het belangrijk is dat de rol van die producentenorganisaties erin bestaat dat ze toch op zijn minst niet onder de kostprijs, onder de productieprijs gaan verkopen, in het belang van die producenten.

Minister, daarom had ik dus wat specifieke vragen. Ik weet dat bepaalde zaken die ik ga vragen, niet onder uw bevoegdheid vallen, maar misschien kunt u met bepaalde vragen die ik zal stellen, bij uw federale collega, minister Peeters, aankloppen om bepaalde onderdelen van mijn vragen door hem te laten onderzoeken.

Welke indruk had u na die Panoreportage? Beschikt u over aanwijzingen dat de Europese subsidies voor die producentenorganisaties niet voor de volle honderd procent aan die producenten ten goede komen? Zijn er indicaties met betrekking tot de beschuldigingen in die Panoreportage? Zo neen, kan dat worden onderzocht, eventueel via een andere bevoegdheid? Hoe wordt de transparantie van de bestedingen van de financiële middelen door de veilingen gewaarborgd? Denkt u dat een bijsturing ter zake nodig zou zijn? Welke maatregelen denkt u meer bepaald in het kader van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te kunnen nemen om de prijs van voedingsmiddelen voor de producenten te verhogen? Ik denk dat er meer bepaald wat het ketenoverleg en dergelijke meer betreft misschien tegemoetkomingen zouden kunnen komen.

Zult u er bij de producentenorganisaties op aandringen, los van de vraag of dat al dan niet uw bevoegdheid is, om bepaalde reglementen te versoepelen, meer bepaald met het oog op de nieuwe commerciële realiteit, zodat er ook een mogelijkheid is dat producenten naast hun lidmaatschap ook een andere afzetmarkt kunnen gaan opzoeken? Speelt de financiering via de GMO-producentenorganisaties (gemeenschappelijke marktordening) parten om zich flexibeler op te stellen tegenover leden en op die manier hogere opbrengsten van hun producten te kunnen garanderen?

Er is natuurlijk de cruciale eis bij heel wat boeren van een eerlijke prijs. We hebben het daar vaak over hier. We hebben het er ook over gehad bij een vorige vraag, over het jaarverslag van Boeren op een Kruispunt. Veilingen zouden er zich toch van moeten vergewissen dat er geen producten worden verkocht onder de kostprijs. Acht u dat haalbaar of wenselijk?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Ik denk – ik hoop dat toch, in ieder geval – dat geen enkel lid in deze zaal de Panoreportage nodig had om te weten dat de landbouwers zowel aan input- als aan outputzijde prijsnemers zijn, en geen prijszetters. Als iemand dat nog niet zou hebben geweten of die problematiek niet zou kennen, dan zou dat toch wel bijzonder te betreuren zijn. Ik stel ook vast dat de reportage ook niet stilstond bij de oorzaken en mechanismen die aan de basis liggen van de prijsvormig, dat het vaak nogal eenzijdig werd bekeken.

Het ging in de reportage over groenten en fruit, die via een veilingsysteem worden gecommercialiseerd. In andere subsectoren gebeurt de verkoop niet via veilingen, maar toch kan daar ook de prijsvorming problematisch zijn. Het valt dus te betwijfelen of de prijzen beter zouden zijn, mochten telers hun productie via de groothandel commercialiseren.

Dat zou volgens mij tot een versnippering aan de aanbodzijde leiden, wat geen positieve invloed op de prijsvorming zou hebben. De prijsvorming is natuurlijk op vraag en aanbod gebaseerd. We hebben dat trouwens onlangs, tijdens de fipronilcrisis, nog gezien. Een plotse daling van het eieraanbod heeft tot een verdubbeling van de eierprijs geleid. Dit toont aan hoe de markt in elkaar zit.

De prijsvorming heeft ook te maken met de marktmacht. De vraag is dan hoe land- en tuinbouwers hun machtspositie op die markt kunnen vergroten. Ze kunnen dit individueel doen en, zoals in de reportage is getoond, in de korte keten afzetten. Voor een kleine fractie van de producenten is dit zeker een optie, zeker voor een gedeelte van hun productie. Daarnaast is het voor een groot gedeelte van de telers een oplossing te voorzien in een gegroepeerde afzet door middel van een producentenorganisatie. De meerderheid van de consumenten heeft een voorkeur voor tijdsefficiënte ‘one stop-go’-boodschappen, iets waar de grote retailers zich uiteraard in specialiseren.

De stelling dat de Europese middelen waar de producentenorganisaties aanspraak op maken niet ten goede komen van hun leden, vind ik een beetje dubbelzinnig. Producentenorganisaties zijn immers van de producenten en door de producenten opgericht. Ze worden aangestuurd door raden van bestuur waarin ook democratisch verkozen landbouwers zetelen. Het is de verantwoordelijkheid van wie tot een dergelijke organisatie toetreedt om ervoor te zogen dat de organisatie wordt gestuurd en dat in onderlinge solidariteit leverings- en afzetvoorwaarden worden bepaald. Uiteraard kunnen we niet uitsluiten dat bepaalde beslissingen die de raad van bestuur democratisch neemt misschien niet door iedereen in de organisatie worden gedeeld. Dat is in alle organisaties het geval. Ik denk dat we dit niet kunnen vermijden.

De Europese middelen worden toegekend op basis van een operationeel programma dat de producentenorganisatie in de groenten- en fruitsector moet opstellen. Een operationeel programma loopt over een periode van vijf jaar en vertrekt van een visie. De producentenorganisatie moet bepaalde doelstellingen halen en verwezenlijken. Deze doelstellingen betreffen de productieplanning, de kwaliteitsverbetering, de verhoging van de handelswaarde, de bevordering van de afzet, de milieumaatregelen en de crisispreventie en -beheersing. In de doelstellingen en de daaraan gekoppelde acties staat het voordeel voor de teler altijd centraal. Voor elke actie moet expliciet naar de doelstellingen worden verwezen. Vooraleer de acties en de budgetten worden goedgekeurd, wordt grondig nagekeken of de acties subsidiabel zijn en in de doelstellingen passen. Indien aan een van die zaken niet is voldaan, worden de betrokken acties afgekeurd. Dat gebeurt.

De uitgaven aan infrastructuur en personeelskosten voor de afzet en de kwaliteit van de producten zijn subsidiabel en worden betoelaagd. De kritiek dat de leden van de vereniging daar niet beter van worden, is betwistbaar. Zonder infrastructuur en personeel kan de vereniging volgens mij moeilijk performante afzetstructuren ontwikkelen. Ze moeten natuurlijk ook nationaal en internationaal klanten zoeken. Indien iedere landbouwer dit zelf zou moeten doen, zou de totale kost volgens mij hoger liggen dan indien een producentenorganisatie dit doet.

Na afloop van het jaar dient de producentenorganisatie een steunaanvraag in, vergezeld van een jaarverslag, een boekhouding en alle stavingstukken. Alvorens tot betaling over te gaan, volgt een grondige controle. Wat, voor alle duidelijkheid, niet wordt aanvaard, zijn de kosten voor leasewagens of private reizen. Die kosten worden absoluut niet betoelaagd en worden geschrapt.

Een volgend punt betreft de transparantie. Alle producentenorganisaties zijn coöperatieve vennootschappen die over een democratisch verkozen bestuur beschikken. De voorzitter van de raad van bestuur is steeds een actieve landbouwer. Voor het dagelijks bestuur wordt een management aangesteld dat verantwoording moet afleggen aan de raad van bestuur. Een lid kan nooit over meer dan 10 procent van de stemmen beschikken en de producenten moeten steeds over de meerderheid van de stemmen beschikken. De invulling van het operationeel programma wordt uiteraard tijdens de diverse vergaderingen besproken en wordt verspreid langs de verschillende communicatiekanalen van de producentenorganisatie, waaronder het ledenblad.

Dan is er nog de leveringsplicht van de leden. Om de producentenorganisaties toe te laten hun werk op een duurzame en doeltreffende wijze uit te voeren, hebben ze stabiliteit en zekerheid nodig. Om die reden is het ook logisch dat er regels zijn met betrekking tot de verplichte afzet aan de producentenorganisatie waarvan een landbouwer vrijwillig lid is geworden. Een grote troef van een producentenorganisatie is dat het aanbod van de leden wordt geconcentreerd, waardoor ze niet langer individueel uit elkaar worden gespeeld.

Een tussenvorm, waarbij de landbouwer een gedeelte van de productie collectief verkoopt en voor een gedeelte individueel in competitie gaat, zou daar volgens mij haaks op staan. Dat zou het geheel ondermijnen. Flexibiliteit kan nooit betekenen dat een teler vrij beslist hoeveel en aan wie hij individueel verkoopt en met de rest, veelal van lagere kwaliteit, naar een producentenorganisatie trekt.

Er is voorzien in een uitzondering voor business-to-consumer verkoop. Met een akkoord van hun producentenorganisatie kunnen telers nu al een gedeelte van hun productie rechtstreeks aan de consument verkopen. De Europese regelgeving voorziet hiervoor in een maximum van 25 procent.

Mijnheer Vanderjeugd, wat de overheidsmaatregelen betreft, kennen we een ondernemerslandbouw en geen staatsgeleide landbouw. Een staatsgeleide landbouw zou inhouden dat de overheid zelf bepaalt wat, hoeveel en tegen welke prijs de landbouwers moeten produceren. Als liberaal veronderstel ik niet dat u hier voorstander van bent.

De prijzen worden gevormd door vraag en aanbod en niet door de staat. Om die reden wordt sterk de nadruk gelegd op de verbetering van de economische en de marktkennis van de land- en tuinbouwers. Dat is het verschil tussen opbrengsten en kosten. Wat de opbrengsten betreft, is de prijs een belangrijk element. Op dit vlak kunnen sterke producentenorganisaties een belangrijke rol spelen. Maatregelen die de bekwaamheid van landbouwers verhogen, in het bijzonder met betrekking tot economisch inzicht en marktkennis, zijn uiteraard noodzakelijk.

Het nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid moet blijven inzetten op de producentenorganisaties en hen voorzien van de nodige slagkracht en werkingsmiddelen. Ze moeten zich verspreiden in andere sectoren. Op die manier kan eigenlijk goed worden samengewerkt en kan de internationalisering worden gestimuleerd. Ik geloof ook in het belang van een goede ketenwerking. Hier kunnen brancheorganisaties een belangrijke rol in spelen.

Wat de verkoop onder de kostprijs betreft, is er een belangrijk verschil tussen business-to-consumerverkoop en de business-to-businessverkoop. Een retailer verkoopt doorgaans dezelfde reeds verpakte goederen die hij aankocht. Hij produceert niet, maar verhandelt. Een landbouwer vertrekt van grondstoffen, zoals zaad en mest, en maakt hier een landbouwproduct van. De kostprijs kan sterk verschillen van bedrijf tot bedrijf, afhankelijk van de vakbekwaamheid van de teler, de schaal en structuur van het bedrijf, de omvang van de oogst et cetera. Het is dan ook geen evidentie een algemene regel te maken. Indien iemand me kan vertellen hoe dat moet, zal ik dat graag horen.

Een verbod op de verkoop met verlies op productieniveau zou geen rekening houden met de marktsignalen. Een ondernemer heeft er alle belang bij te blijven produceren, of er nu vraag of is niet. Dit werkt overproductie in de hand, zoals tijdens de jaren zeventig en tachtig is gebeurd ten gevolge van de gegarandeerde minimumprijzen voor producenten van boter en melk. Ik ben zeer sceptisch en vraag me af of in het Europees Parlement een meerderheid kan worden gevonden om terug te grijpen naar de boter- en melkbergen die we in de jaren zeventig en tachtig hebben gekend. Die weg is bewust verlaten. Er is gekozen voor een marktgerichte productie. Ik denk dat de enige manier erin bestaat verder in te zetten op de marktgerichtheid en de boeren voldoende instrumenten te geven om sterker te staan op de markt. Ik geloof heel sterk in de producenten- en brancheorganisaties.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Minister, u schetst perfect hoe het er in de theorie zou moeten uitzien. Maar ik geloof dat er in de praktijk wel voorbeelden zijn die aantonen dat het niet zo goed loopt. Er is inderdaad die 25 procent die van business tot consumer kan worden vermarkt. Maar u zegt zelf dat dat pas kan wanneer er een toestemming is van die producentenorganisaties. Europa maakt dat het mogelijk wordt, maar dat moet nog altijd met die toestemming. Ik snap natuurlijk wel waarom dat zo is. Als je investeringen doet in gebouwen, infrastructuur, personeel, moet je ervoor zorgen dat de producenten hun zaken kunnen vermarkten. Dan moet je wel een bepaalde toestroom hebben en een bepaald ledenaantal. Ik weet dat. Ik weet ook dat landbouwers prijsnemers zijn en geen prijszetters. Ik kan u ook nog volgen in wat u zegt over die versnippering. Maar het komt erop neer dat er een sterke producentenorganisatie moet zijn, die enkel en alleen in het belang van de producenten handelt. Er is inderdaad een raad van bestuur die ervoor moet zorgen dat er goede afspraken worden gemaakt. Maar uit die reportage blijkt ook dat bepaalde bestuursleden onder druk worden gezet vanwege diverse redenen. Of dat nu waar is of niet, dat is wat in die reportage wordt aangehaald. Ik stel de vraag, jullie moeten bekijken of dat waar is of niet waar.

Mijn liberalisme wordt mij in deze commissie vaak verweten. Ik ben er inderdaad geen voorstander van om terug te keren naar toestanden van het verleden, terug naar de boterbergen en de melkplassen. In die tijd was het budget van Europa ook veel groter dan wat het vandaag nog is. We moeten de markt zoals die vandaag bestaat, verder blijven bewandelen, maar het moet wel een eerlijke markt zijn. Liberalisering en vrijheid stoppen wanneer je anderen schade berokkent. Daar houdt het ook op. Daarom hebt u een cruciale rol binnen het nieuwe GLB 2020. Minister, u moet daar bij Europa op aandringen. De collega’s hier weten het ook nog wel dat het een van de belangrijkste aanbevelingen van de heer Veerman uit Nederland was om een Europese scheidsrechter aan te stellen die een eerlijke prijsvorming van producten moest garanderen. Ik weet dat de landbouwcommissaris daar niet echt een voorstander van is, en ik weet ook dat u zegt dat een verbod om te verkopen onder de prijs misschien niet de juiste effecten zal hebben.

Het is belangrijk dat u op die aanbeveling blijft hameren bij Europa, om ervoor te zorgen dat er een eerlijke liberale markt is.

De voorzitter

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

Minister, uw antwoord stelt mij een beetje teleur. Ik heb u heel veel horen zeggen over de producentenorganisaties en over de veilingen. Ik heb u van alles horen zeggen over de raad van bestuur, dat alles transparant gaat en dat de berichtgeving in de Panoreportage misschien toch een beetje eenzijdig was. Ik heb u horen verdedigen waarom alles moet worden afgezet via de veilingen. Ik heb u dus heel veel horen vertellen over de veiling, maar ik heb u helemaal niets horen zeggen over de landbouwer en de fruitteler, behalve dat er moet worden ingezet op bekwaamheid en op het verhogen van zijn economisch inzicht. Daarom ben ik teleurgesteld door uw antwoord. Ik vrees dat u alles bij het oude wilt laten, zoals het al jaren gaat. Er is een signaal gekomen. We weten het allemaal al langer. Ik krijg al maanden mails van fruittelers die ongerust zijn. Zij willen aan de kaak stellen wat er allemaal gebeurt binnen de veilingen. Maar ze durven daar niet mee naar buiten te komen vanwege bepaalde represailles. Ik verneem van u dat u vooral de producentenorganisaties wilt versterken en misschien nog meer macht wilt geven. Ik geef en aantal voorbeelden.

Waarom is het bijvoorbeeld niet mogelijk om vlotter nieuwe producentenorganisaties op te richten? U weet dat er steeds minder telers zijn, en toch moeten er minstens veertig zijn om een veiling te mogen oprichten. Dat werkt natuurlijk in de hand dat er een aantal grote veilingen zijn, en dat er geen plaats is voor nieuwe initiatieven. U hebt het over een versnippering. Ik zeg dat er dan een onderscheiding mogelijk is en dat men met een uniek product kan komen in een organisatie. Europa zegt dat het vanaf vijf telers kan. Vlaanderen zegt: ‘Neen, het moeten er veertig zijn.’ Daar ligt volgens mij een mogelijkheid om zaken aan te passen voor die fruittelers.

De heer Vanderjeugd stelde de vraag over onder of niet onder de kostprijs. Dat probleem wordt in de hand gewerkt door het feit dat de Europese subsidies worden betaald op basis van de omzet van de veilingen. Een veiling wordt op geen enkele manier getriggerd om een goede prijs voor de landbouwer te halen. Een veiling wordt getriggerd om heel veel omzet te draaien en dus om een massaproductie te realiseren. De prijs mag een beetje lager zijn. Als we maar veel omzet draaien, zodanig dat we veel subsidies krijgen. Minister, zijn er binnen Europa mogelijkheden om die voorwaarden te veranderen?

Ik weet dat er altijd twee kanten zijn aan een verhaal. Maar ik hoor toch dat er binnen de veilingen heel wat zaken zijn die niet kloppen. Ik neem die woorden niet zelf in de mond, maar ik krijg veel mails over chantage, over wurgcontracten … Ik geef u een voorbeeld. Landbouwers die het veilingsysteem willen verlaten, worden ertoe gedwongen om te blijven omdat het vandaag diezelfde raad van bestuur is die blijkbaar beslist wat de uittredingsvergoeding is als ze uit de veilingen willen stappen. Dat is natuurlijk rechter en partij tegelijk zijn. De nieuwe GMO moet bepalen dat een landbouwer die de veiling wil verlaten, dat op een transparante manier moet kunnen doen. Dat moet uiteraard niet gratis gebeuren, want hij heeft zich geëngageerd voor een programma van vijf jaar.

Je kunt niet eisen dat iemand blijft als hij of zij er niet meer tevreden is, dat is in geen enkele economische sector zo. We moeten transparant zeggen dat we bijvoorbeeld 1 procent van de omzet van die landbouwer vragen, en dan kan die uittreden. Vandaag worden de landbouwers gedwongen om te blijven. Ik heb een beetje het gevoel dat het systeem van de veilingen hier en daar wat ziek is en niet meer altijd in het belang van de landbouwer.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Voorzitter, minister, ik ben in principe een voorstander van producentenorganisaties. Als sectoren samenwerken en op die manier hun marktmacht kunnen versterken in een liberaal model, mijnheer Vanderjeugd, vind ik dat een goede zaak. Dat is het beïnvloeden van de markt door samenwerken. Dat is iets wat in de industrie en in andere sectoren in de samenleving ook gebeurt. Het fijne ervan zou moeten zijn dat de betrokkenen zelf hun eigen producentenorganisatie aansturen en laten functioneren in hun directe belang. Tot daar de mooie uitgangspunten. Ik baseer mij trouwens met plezier op een publicatie van het departement ter zake dat over de producentenorganisaties en coöperatieven een interessante brochure heeft gemaakt, gemakkelijk te vinden op het internet.

Maar het wordt een probleem als die producentenorganisatie of een te groot deel van de markt omvat of zodanig groot wordt dat er een vervreemding ontstaat tussen het lid en de producentenorganisatie zelf, waarbij het gevoel verdwijnt dat het ook van henzelf is maar dat anderen in hun plaats een beleid voeren, prijzen bepalen, systemen ontwikkelen enzovoort. Te groot zijn is in ieder geval een probleem als het gaat over dit soort van producentenorganisaties omdat, ik zeg het uitdrukkelijk, het belang van de leden ondergesneeuwd geraakt onder het belang van de organisatie. Het is een fenomeen dat we in andere sectoren in de samenleving ook kennen, niet alleen bij de landbouwers of de tuinbouwers. Als je in dezelfde brochure de case leest over producentenorganisaties van groenten en fruit en hun bedreigingen, lees je dat er eerst voor Vlaanderen grote concurrentie vanuit Nederland en andere herkomsten is. Dat weten we. Daarnaast zijn er mogelijke bedreigingen vanwege een concentratie van de grootdistributie, de competitieve markten en de liberalisering van de handel. Op een bepaald moment kun je de markt zodanig manipuleren dat het geen markt meer is. Dat is in een aantal deelsectoren – ik zal voorzichtig zijn in wat ik zeg, het is niet te veralgemenen – echt wel problematisch. De SWOT-analyse die het departement zelf maakt, moeten we ter harte nemen. Er zijn natuurlijk ook kansen en sterktes, ik wil daar niet flauw over doen, maar dit wordt een systeem dat in plaats van de landbouwers en de tuinbouwers vooruit te helpen, hen in een aantal gevallen eerder dreigt te wurgen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

De voorzitter

Mevrouw Robeyns heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik sluit me aan bij wat de voorgaande collega's al hebben gezegd. Op zich is er niets mis mee als landbouwers de krachten bundelen in een producentenorganisatie. In principe zou dat ten goede moeten komen aan de landbouwers. Maar er schort toch duidelijk iets aan het systeem. Ik kan me alleen maar aansluiten bij wat de collega's al hebben gezegd. De landbouwers bundelen hun krachten en de producentenorganisaties krijgen middelen omdat die krachten worden gebundeld, en de landbouwer heeft het gevoel dat hij geen enkele return meer krijgt van die Europese subsidies die wel degelijk uitgekeerd worden.

Uiteraard gebeuren daar investeringen mee, en macrogericht gezien misschien wel goede investeringen, in duurzame energie, windmolens, elektrische auto's enzovoort. Maar de landbouwer zelf die in een crisis verkeert, die schreeuwt om hulp, voelt daar niets van en heeft daar niets aan. Die voelt zich machteloos. Dan zijn we toch in een systeem verzeild geraakt waarin er ergens iets niet meer klopt en waarbij we als overheid toch moeten ingrijpen. De landbouwer vraagt aan de overheid om in te grijpen, zover zijn we vandaag, in die hele structuur van producentenorganisaties waar alles draait om omzet en hoeveelheid en niet meer om prijs. Het kan ook niet langer dat wij hier in Vlaanderen veel strengere regels opleggen dan Europa. Waarom moeten hier veertig leden lid zijn van een producentenorganisatie terwijl op Europees niveau er dat vijf kunnen zijn? We moeten naar meer innovatieve ontwikkelingen en commercialiseringen, dus hebben we ook nood aan kleinere organisaties, ook voor de concurrentie met die grote. We moeten daar absoluut maatregelen voor nemen.

Minister, ik deel uw mening niet dat wij als overheid de prijsvorming alleen nog maar moeten overlaten aan de vrije markt. Wij moeten in overleg wel durven ingrijpen, het spijt me heel erg, anders zullen we er niet geraken. Ons industrieel landbouwmodel is op zijn grenzen gebotst. Er is een radicale ommezwaai nodig, ook wat de hele subsidieverdeling betreft. We kijken samen met de landbouwers naar de overheid. Meer dan ooit is er nood aan een sterke overheid, die zeker ook wat betreft de prijsvorming voor de landbouwers de nodige maatregelen durft te nemen.

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Beste collega's, hopelijk moet ik hier niet vaststellen dat ik de enige ben die al ooit in een veiling geweest is. Ik verneem hier dat anderen blijkbaar niet worden uitgenodigd, en ze voelen zich daar in zekere zin... (Opmerkingen)

Ik ben blij dat ik in dezen wordt tegengesproken.

Maar laat mij heel duidelijk zijn: wanneer misbruik van subsidies aan het licht komt, dan wil ik dat met de strengst mogelijke bewoordingen veroordelen. In de vorige vraagstelling van collega Caron is al gebleken dat er ook hier strenge controles vanuit Europa zijn en vanuit de administratie. Het zou schandelijk zijn mochten misbruiken van de Europese en Vlaamse gecofinancierde subsidies kunnen worden vastgesteld. We moeten heel duidelijk stellen dat we ons daar in elk geval tegen moeten verzetten. Een strenge controle moet er in elk geval zijn, en ik ga ervan uit dat die er ook is.

Maar ten tweede stel ik ook vast dat het gevoel van de coöperatie bij een aantal landbouwers eigenlijk voor een stuk weg is. Misschien is dat inderdaad omdat ze groot geworden is, omdat ze er misschien wat verder vanaf staat. Maar strikt naar de organisatie toe heeft de minister gelijk met de beschrijving dat een coöperatie per definitie bestuurd wordt door verkozen landbouwers. (Opmerkingen van Bart Caron)

Dat geldt per definitie, anders is het geen coöperatie. En er zijn mensen die verkozen worden volgens structuren. Als het een groenteveiling is, dan is dat per teelt. Als het een melkoperatie is, dan is dat per regio. Er zijn daarvoor dus structuren die statutair bepaald zijn. En de mensen die in de raad van bestuur zetelen, hebben hun verantwoordelijkheid en moeten die verantwoordelijkheid ook nemen.

Ik herinner mij dat we naar Nederland geweest zijn, naar Groningen in Friesland. Toen hebben we, misschien wat symbolisch op enkele kilometers van de ouderlijke woning van Sicco Mansholt, een landbouwer bezocht. Op een bepaald moment stelde de heer Caron een kritische vraag over de coöperatie FrieslandCampina. Dat is zowat de grootste coöperatie die we kennen in Europa, althans in de melksector. Hij stelde een kritische vraag over de positie van de boer in de coöperatie. Collega, u kreeg toen meteen het antwoord: ‘Beste vriend, FrieslandCampina, dat ben ik. Dat ben ik. Ik ben als boer een deel van FrieslandCampina. En FrieslandCampina, dat ben ik.’ Hij voelde zich persoonlijk een beetje aangevallen door het feit dat er een kritische opmerking was ten aanzien van de werking van de coöperatie. Misschien communiceert men daar op een andere manier met landbouwers. Maar zo moet het eigenlijk wel zijn. Want de coöperatie is per definitie een afzetorganisatie in deze context – en een verwerkingsorganisatie als het over melk gaat – van producten van die landbouwers. Die mensen concentreren het aanbod.

Jullie mogen natuurlijk ook niet onderschatten hoe belangrijk het is om het aanbod te concentreren. Want u moet weten dat, wanneer bijvoorbeeld het aanbod op een bepaald veilingplatform te klein is, aankopers van de grote retailorganisaties gewoon niet komen. Op een bepaald moment was er in Roeselare een probleem in verband met het aanbod van tomaten. Men had eigenlijk veel tomaten, maar strikt gezien te weinig om de aankopers van Colruyt en Lidl daar te laten komen. En daardoor was de prijsvorming veel minder, doordat het aanbod lager was dan op de veiling in Mechelen. Men ging eigenlijk standaard naar Mechelen om tomaten te kopen, omdat het aanbod in Roeselare niet groter was en omdat de kopers er niet op af kwamen. Op dat vlak speelt er dus een  economisch mechanisme.

We mogen natuurlijk niet vergeten dat zonder die veilingen, als we het over de groentesector hebben, die groentesector van de versmarkt in elk geval niet zou zijn uitgebouwd zoals die nu is.

Ik heb een beetje ervaring met landbouwers in de regio. Bij de methode van afzetten van de diepvriesgroenten, waar er rechtstreeks contracten worden gemaakt met de verwerkers die privé-organisaties zijn – geen coöperaties – en men zit in het vrije marktsysteem dat wordt georganiseerd door de veiling, dan stel ik vast dat de meeste landbouwers zeggen: ‘Dat systeem van die veiling is nog niet zo slecht, want daar hebben we, één, zeggenschap en twee, er is de vrije markt die speelt. En van oudsher is op de versmarkt de vrije markt inderdaad bepalend.’

We bevinden ons nu natuurlijk in een moeilijke periode. Laat ons eerlijk zijn. De prijsvorming van vrijwel alle producten op de veiling is vandaag slecht. En hoe komt dat? Dat heeft te maken met de vrije markt. En als u, collega Vanderjeugd, als liberaal zegt: ‘We stellen een minimumprijs in. Je mag niet meer onder de kostprijs verkopen’, dan kun je dat enkel doen als je het aanbod beperkt, want anders creëer je overproductie. Wie zal dat betalen? En dan creëer je boterbergen en melkplassen zoals in het verleden het geval was met het vorige Europese systeem.

Het is complex. Het is gratuit hier zomaar te zeggen: ‘Die veilingen zijn slecht bezig. Ze zijn niet goed bestuurd. Ze sjoemelen met subsidies.’ Ik herhaal: als er een probleem is van sjoemelen met subsidies, moet er worden opgetreden. Dan moet er streng worden gecontroleerd. En ik vraag de minister om dat ook heel duidelijk te doen. Dat is uiterst belangrijk. Maar aan de andere kant, beste vrienden, als het niet zo is, dan hebben de mensen die de Pano-reportage hebben gemaakt, ook een verpletterende verantwoordelijkheid. Wat dan brengen ze een goed werkende organisatie in diskrediet. En dat vind ik ook onrechtvaardig.

Jos De Meyer (CD&V)

Collega's, ik kan heel kort zijn, gezien de vele betogen die er geweest zijn. We mogen het kind nooit met het badwater weggooien. Het is voor mij essentieel dat land- of tuinbouwers die lid zijn van een coöperatie zich effectief eigenaar weten van en bovendien fier kunnen zijn op hun eigen coöperatie.

Ik ben zeer tevreden – want ik ging het ook doen – met de verwijzing van collega Dochy naar het bezoek dat we destijds hebben gebracht aan Friesland en de getuigenis die we daar hebben gehad van een van de bedrijfsleiders die we hebben bezocht. Maar hetzelfde verhaal heb ik reeds bij meerdere land- en tuinbouwers gehoord in eigen regio, die een bestuursfunctie hebben of die gewoon lid zijn van een coöperatie.

We mogen nooit vergeten dat de marktmacht van een coöperatie mede bepaald wordt door de sterkte die ze inderdaad heeft ten aanzien van de retail. De retail heeft een bijzonder sterke machtspositie, financieel-economisch. Laat ons ervoor zorgen dat er ook sterke coöperaties zijn. Ik heb nu niet de tijd om in te gaan op wat dat specifiek betekent, want ik heb ook maar twee minuten. Maar het is essentieel dat we zorgen voor sterke coöperaties.

Anderzijds wil ik er toch nog aan toevoegen: zolang de terechte of de onterechte aanklacht van de klokkenluider niet is opgehelderd en er daarrond nog geen transparantie is, is dit een verhaal dat deze coöperatie jammer genoeg zal blijven achtervolgen. Mijn pleidooi is dus ook dat dit grondig zou worden onderzocht door de bevoegde instanties en dat hierover heel snel duidelijkheid zou komen.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega’s, ik denk dat we hier eigenlijk allemaal hetzelfde zeggen, maar sommige collega’s hebben niet echt geluisterd naar het antwoord. Die hebben op voorhand gedacht: ‘Wedden dat de minister dat gaat zeggen? Ik ga daar goed en scherp op reageren, want dat kan toch echt niet zijn.’ Collega Engelbosch, ik heb heel uitdrukkelijk verwezen  – maar u hebt echt niet goed geluisterd, denk ik, want u zat waarschijnlijk in een trechter – naar de landbouwers en het belang dat zij een goede prijs ontvangen. Als u dat niet gehoord hebt, dan is dat uw verantwoordelijkheid, absoluut niet de mijne.

Ik wil ook de collega’s oproepen. Ik heb het daarnet al gezegd: er is scherpe controle op wat die veilingen doen. En dat moet ook op een correcte manier gebeuren. En aan de collega’s die hier zeggen dat ze al jaren en maanden berichten ontvangen dat er van alles fout loopt: leg het dan op tafel, neem ook uw verantwoordelijkheid, zodat onze diensten ook de gegevens hebben om het te controleren als dat zo is. Want het is natuurlijk gemakkelijk om te zeggen dat je al maanden signalen krijgt dat daar zaken gebeuren die niet kunnen. Wij doen controle. Wij zien niet dat daar zaken gebeuren die niet kunnen, omdat we die gegevens blijkbaar niet hebben of niet ontvangen hebben of niet kunnen achterhalen. Ik vind het nogal gemakkelijk om hier te staan zwaaien met allemaal zaken die u al ontvangen hebt in uw mailbox en die wijzen op oneerlijke praktijken. Dan zou ik toch wel graag hebben dat ook daar verantwoordelijkheid wordt genomen en dat dat ook wordt gedeeld, zodat we kunnen optreden, want dat is uiteraard iets dat vermeden moet worden, als dat zo is.

Ik denk ook dat we een onderscheid moeten maken tussen een veiling, die een raad van bestuur heeft, die zijn werk moet doen, die bepaalde beslissingen neemt – dat is een democratie. Maar als er daarnaast oneerlijke handelspraktijken gebeuren, moet daar uiteraard tegen opgetreden worden. Maandag is er op de Europese Landbouwraad een voorstel op tafel gekomen, trouwens ook vanuit de Europese Commissie, om instrumenten aan te reiken om iets te doen aan die oneerlijke handelspraktijken. Wij hebben dat uiteraard verwelkomd. Wij zijn daar al lang vragende partij voor. En als er dingen gebeuren die niet kunnen, als er fouten zijn, als er echt zaken zijn die gesjoemel zouden zijn, dan moet er uiteraard tegen opgetreden worden. Dat doen onze diensten ook. Zij controleren. Maar nogmaals, als er bepaalde aanwijzingen of stukken zijn waarover wij niet zouden beschikken, dan denk ik dat het toch wel de bedoeling moet zijn om dat ook over te maken.

Hoe zit het nu met die producentenorganisaties en de voorwaarden waaraan je moet voldoen? In de Europese regelgeving, collega Engelbosch, staat inderdaad niet dat je met zoveel of zoveel moet zijn. Het is een lidstaat zelf die bepaalt vanaf wanneer daar een ondersteuning aan gegeven wordt. Wij hebben dat, in overleg met alle verschillende actoren, op veertig gelegd. Maar dat verhindert niet dat producenten zouden zeggen: wij zijn met vijf en wij richten ook een producentenorganisatie op. Dat kan in principe. Het is wel zo dat ze inderdaad niet de steun ontvangen die organisaties met veertig ontvangen, maar zij worden ook absoluut niet uitgesloten. Vijf is trouwens heel weinig. Als die vraag daar is, kunnen we uiteraard bekijken of we dat bij aanpassingen van het volgende GLB kunnen bijsturen, maar veertig is ook niet zo veel. De meeste producentenorganisaties hebben veel meer leden dan dat. Dat weet u. Die hebben een veel groter aantal leden, die uiteraard ook vertegenwoordigd zijn in de raden van bestuur.

Ik geloof er heel sterk in en ben dus een verdediger van de producentenorganisaties. Dat betekent natuurlijk niet dat, als er zaken zouden zijn die niet kunnen, ik die wil toedekken met de mantel der liefde. Integendeel, dat moet allemaal op een correcte manier gebeuren. Ik heb gewoon gewezen op de werking van zo’n veiling en de werking van zo’n producentenorganisatie. Het moet uiteraard aan de landbouwers zelf zijn om te beslissen of men daar al of niet in stapt of uit stapt en hoe men zich daarin wil engageren. Dat is heel belangrijk. Als er bepaalde zaken zijn waarvan men voelt dat dat in de omzetting in Vlaanderen misschien op een andere manier zou kunnen gebeuren, dan zijn we uiteraard bereid om dat samen met alle actoren en de ervaringsdeskundigen op het terrein te bekijken.

Ik wil één voorbeeld geven, collega’s. We hebben ons hier vandaag heel sterk gefocust op groenten en fruit, maar er is recent ook een producentenorganisatie opgericht voor varkens. Dat was eigenlijk de eerste. En ik moet zeggen dat de leden die daar zijn toegetreden, heel tevreden zijn dat ze dat hebben gedaan, dat dat ook zijn effect heeft en dat het ook op een goede manier werkt. Men voelt dat men de juiste keuze gemaakt heeft. Ik vind het dus heel jammer dat men het kind met het badwater zou weggooien, en doet alsof producentenorganisaties geen goede zaak zouden zijn.

Collega’s die hier pleiten voor een heel sterk staatsoptreden en het feit dat de prijs mede door de overheid zou moeten worden bepaald: weet ook dat dat natuurlijk in beide richtingen werkt. Dat kan een heel goede zaak zijn wanneer het niet goed gaat. Op dit moment liggen heel wat prijzen uiteraard onder druk. Maar dat betekent ook dat op het moment dat het zeer goed gaat en de prijzen stijgen, er dan ook een remmende factor kan zijn vanuit de overheid. Ik hoop dat u daar ook eerlijk over wilt communiceren. Als je die oplossing op tafel legt, is dat natuurlijk de keerzijde van de medaille. We hebben daar in het verleden geen al te beste ervaringen mee gehad, wat dat mechanisme betreft.

Collega’s, ik vind dat het, op basis van een aantal signalen die we hebben gekregen, fout zou zijn om het principe van de producentenorganisaties en van de veilingen overboord te gooien. Uiteraard moet alles op een correcte manier gebeuren en moet dat ook op een goede manier geëvalueerd kunnen worden. Ik denk dat dat de samenvatting is van het antwoord dat ik heb gegeven.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Voorzitter, ik ben blij dat ik het slotwoord heb, want de tweeminutenregel wordt de ene keer wel toegepast en de andere keer niet en is voor interpretatie vatbaar. Ik ben dus blij dat ik dat slotwoord heb. (Opmerkingen)

Het is heel belangrijk om nog eens goed te duiden dat hier niemand zegt dat we het kind met het badwater moeten weggooien. Integendeel, iedereen zegt: de essentie is dat een producentenorganisatie er moet zijn voor de landbouwers. Als daar onregelmatigheden vastgesteld worden, zoals collega Dochy zegt… En ik vraag u nogmaals om aan te kloppen bij uw federale collega van Economie, de heer Peeters, om daar het nodige onderzoek te doen.

Mijn collega in het Federaal Parlement, Nele Lijnen, zal daar ook een vraag over stellen. Het kan wel helpen als u mee op die deur blijft kloppen. Niemand pleit ervoor om de producentenorganisaties overboord te gooien.

Dit is een verhaal van twee dingen. Enerzijds zijn er de onregelmatigheden die uit de reportage blijken. Ik heb in mijn inleiding al gezegd dat we die reportage kennen als tendentieus, maar het moet worden onderzocht. Anderzijds is er het principe van dergelijke organisatie en hoe ze te werk gaat. De producentenorganisatie die u aanhaalde – ik denk dat dit VPOF is –, is een nieuwe organisatie van boeren die zijn samengekomen, net zoals zovele jaren geleden ook de veilingen zijn opgericht. Die zijn ook kleinschalig begonnen en zijn vanuit de juiste ingesteldheid gestart. Ik zeg niet dat de veilingen de juiste ingesteldheid nu niet meer hebben, maar er spelen meerdere belangen bij een veiling die grootschalig is, die subsidies van Europa krijgt op basis van omzet. Er spelen meerdere belangen in vergelijking met VPOF die wil vertrekken vanuit een eerlijke prijs voor de producten die ze produceren.

Het is heel belangrijk dat u als minister met hen aan de tafel gaat zitten. Ik weet dat u dat af en toe doet. Bepaalde zaken komen ons ter ore. U stelt dat we dergelijke zaken nog niet hebben gemeld. Het kan zijn dat bepaalde collega's dat wel hebben gedaan. We moeten transparantie krijgen om te weten of de veilingen die er zijn voor de boeren, nog altijd vanuit dat principe handelen. Daar gaat deze vraag over, minister.

Ik hoop dat u het nodige doet om de goede naam die de veilingen bij velen hebben, te blijven garanderen. Ik ben er vast van overtuigd dat mijn collega's en ikzelf deze materie van zeer nabij zullen blijven opvolgen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.