U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, mijn vraag was ingediend op 20 maart, dat was voor het Goede Vrijdagakkoord van 30 maart. Daardoor zijn een aantal zaken misschien al opgehelderd en is aan een aantal van mijn bezorgdheden tegemoetgekomen. Maar ik zal mijn vragen toch nog stellen en er misschien nog een bijkomende aan toevoegen.

Een schooldirecteur die ook voor de klas moet staan: uit cijfers blijkt dat dit in een op de zeven basisscholen een realiteit is. Het gaat over mannen en vrouwen die hun directietaken in een kleuter- of lagere school moeten combineren met lesuren of zorg- en pedagogische taken. Ze zijn in die situatie beland omdat in hun school minder dan 180 leerlingen zijn ingeschreven, een gevolg van een cao uit 2006. West-Vlaanderen is koploper wat betreft bijkomende lesopdrachten: daar moeten directeurs van 102 scholen, ofwel bijna 22 procent, lesopdrachten uitvoeren. In Vlaams-Brabant en Antwerpen liggen de cijfers met respectievelijk 50 en 89 scholen en 12,5 en 13 procent het laagst.

Eric Verbiest, expert in de professionalisering van schoolleiders, is voorstander van een afschaffing van die regeling: “Maar ze moet er vooral voor zorgen dat directeurs bezig kunnen zijn met de begeleiding en professionalisering van hun team. Dat gebeurt nu te weinig.”

De Organisatie Directeurs Vlaams Basisonderwijs (ODVB) wil het systeem eveneens afschaffen maar waarschuwt ook: “Een afschaffing zal het probleem van een aantal mensen oplossen, maar niet het problematische tekort aan lagereschooldirecteurs.”

Minister, wilt u dit systeem afschaffen? Wat wilt u doen aan het tekort aan lagereschooldirecteurs?

Wilt u het loon van de directies basisonderwijs gelijktrekken met dat van secundair onderwijs? Hoe wilt u werken aan werkbaar werk voor directies basisonderwijs?

Wilt u bekijken of het mogelijk is om in extra ICT-ondersteuning te voorzien? Zult u op korte termijn maatregelen nemen om in extra middelen te voorzien voor administratieve ondersteuning? Wanneer zult u opnieuw meer werkingsmiddelen toekennen aan de basisscholen?

Aan een aantal zaken is al tegemoetgekomen in het Goede Vrijdagakkoord. Directeurs van scholen met honderd leerlingen of meer zouden volledig lesvrij worden gemaakt, hebben we intussen kunnen lezen. De lesopdracht van directeurs van een school met minder dan honderd leerlingen zal met vier uur worden verminderd. De lonen van directeurs basisonderwijs worden gelijkgeschakeld en er zouden middelen komen voor professionalisering.

Vandaag lezen we echter in de pers dat het probleem voor directeurs met meerdere vestigingsplaatsen blijft. Er is het verhaal van een directeur die een school heeft met drie vestigingsplaatsen en die nog altijd de taak heeft om drie scholen te runnen. Dat zijn eigenlijk drie jobs. Als dat niet ook wordt aangepakt, dat wordt het voor haar moeilijk om directeur te blijven. Daar heb ik niets over gelezen in het Goede Vrijdagakkoord. Kan ook daar iets aan worden gedaan?

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Ik ben tevreden dat heel wat collega’s deze problematiek van het basisonderwijs vandaag opnieuw hebben geagendeerd. We beseffen allemaal steeds meer hoe belangrijk dat is.

Ik wil beginnen met te zeggen dat ik tevreden ben dat de Vlaamse Regering 9 miljoen euro heeft vrijgemaakt waardoor al een aantal belangrijke punten kunnen worden weggewerkt, waaronder de discriminatie tussen directeurs van kleine en grote scholen. Ook het feit dat er extra middelen vrijkomen voor de professionalisering van schoolleiders in het basis- en secundair onderwijs, is een goede zaak, alsook het sterk reduceren van de lesopdrachten voor directeurs van kleinere scholen, waardoor zij echt bezig kunnen zijn met hun job.

Maar we zijn er uiteraard nog niet. In de beide voorstellen van resolutie die mijn fractie heeft ingediend, hebben wij na veel gesprekken met het werkveld, een totaaloverzicht gemaakt van de problemen die er zijn in de basisscholen, zowel voor de directeurs als voor de leerkrachten. En hoewel de gelijkschakeling van de lonen een eerste stap in de goede richting is, is daarmee nog altijd het probleem niet opgelost van de planlastvermindering en de betere ondersteuning van directies, en bij uitbreiding ook de leerkrachten.

We hebben aan de diverse meerderheidspartijen gevraagd om onze voorstellen onder de loep te nemen en hun opmerkingen te formuleren zodat we kunnen komen tot een aantal concrete oplossingen op termijn en men op het werkveld zelf heel goed kan voelen waar de verbeteringen zich bevinden. Ik hoop dat dit niet op de lange baan wordt geschoven, want de werkdruk bij directies en bij uitbreiding bij leerkrachten is bijna onhoudbaar geworden.

Voorzitter, ik zal niet alles opnieuw opsommen, want we hebben dat hier al uitentreuren gedaan, we hebben al heel veel aangehaald.

Minister, ik kom tot mijn concrete vragen. Wat is de timing van het plan voor het basisonderwijs, maar dan de heel concrete timing? Is er nog altijd eensgezindheid binnen de meerderheid om te komen tot een breed gedragen plan voor het basisonderwijs? Ik heb door het indienen van onze voorstellen van resolutie immers de indruk, het gevoel dat men ter zake niet tot een consensus komt. Dat blijft immers wat aanslepen, wat ik heel jammer vind. Hoe verhouden de maatregelen die u hebt genomen, die 9 miljoen euro die u hebt vrijgemaakt, zich tot de extra noodzakelijke maatregelen die nog moeten worden genomen in het belang van ons onderwijs? Worden er in deze legislatuur nog extra noodzakelijke maatregelen genomen voor de directies en leerkrachten van het basisonderwijs in het kader van die administratieve ondersteuning van directies, van die extra zorgondersteuning, noem maar op?

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag betreft de Panoreportage die we op 28 maart op televisie hebben gezien en die een van de uitdagingen in de basisscholen blootlegde. Het betreft uiteraard het M-decreet. Erin gaven leerkrachten aan dat ze vaak een-op-een bezig zijn met leerlingen en dat dat vaak ten koste gaat van andere leerlingen. Leerlingen met gedragsproblemen vinden leerkrachten het zwaarst, en die groep blijft toenemen. Wat er voor veel leerkrachten nog bij komt, is dat een groot deel van de leerlingen het Nederlands niet machtig is. Een ander pijnpunt dat uit de reportage naar voren kwam, is de planlast die hardnekkig blijft. Tot slot moeten we oog hebben voor de rol van de directies. In de reportage besluiten de leerkrachten dat ze nood hebben aan meer ondersteuning. Enkel door meer mensen in de klas en in de school te zetten, kan het verschil worden gemaakt.

Minister, vandaar mijn vragen. De leerling-leerkrachtratio is in het decreet Basisonderwijs vastgelegd op 18,7, maar in de praktijk vallen de klassen in de basisscholen groter uit. Bovendien stelt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) dat, als je alle uitgaven voor personeelskosten samentelt, je een ratio van 13 krijgt. Minister, hoe verklaart u dat verschil? Hoe zult u ervoor zorgen dat elk voorzien lesuur in de klas wordt aangewend? U weet dat collega Daniëls daar ook al diverse vragen over heeft gesteld. Hij heeft ook een keer de verhouding naar voren gebracht: we betalen 185.000 mensen en 28.000 staan niet in de klas. Dat is toch ongeveer 15 procent. De laatste keer dat hij dat heeft aangehaald, bent u het engagement aangegaan dat verder te zullen analyseren en te zullen onderzoeken wie waar en wanneer zijn functies invult. Hebt u daaromtrent al actie ondernomen?

Hoe wilt u tegemoetkomen aan de vraag van leerkrachten en directies om meer ondersteuning op die klasvloer te realiseren? Welke maatregelen zult u nemen inzake planlastvermindering, zodat die voelbaar zijn tot op het werkveld, bij leerkracht, schoolteam en directie? Zelf heb ik daar ook al diverse vragen over gesteld, maar de laatste keer hebt u gezegd met de onderwijsverstrekkers te zullen samenzitten om te bekijken hoe tot die planlast op het klasniveau kan worden verminderd, want als overheid kunnen wij wat meer op het bovenniveau inspelen. Hebt u samengezeten met hen? Hebben die gesprekken al iets opgeleverd qua engagementen?

Hoe wilt u ervoor zorgen dat de maatregelen voor anderstalige leerlingen optimaal worden benut en sneller ingang vinden in de scholen? Waarom wordt er niet meer ingezet op taalbaden? Deze vraag is enigszins de vraag naar de verhouding. Wij geven de middelen. We geven de scholen uiteraard de autonomie om die in te zetten, maar hebben we wel voldoende zicht op hoe ze dan worden ingezet in functie van het leren beheersen van die Nederlandse taal?

Aansluitend had ik dan een vraag die veeleer ging over de directies. U hebt immers inderdaad op vrijdag 30 maart beslist om 9 miljoen euro extra te investeren in het basisonderwijs. Zoals daarnet ook al werd gezegd, zouden die middelen worden vrijgemaakt om de directeurs in het basisonderwijs beter te ondersteunen. Directeurs van een school met honderd leerlingen worden dan inderdaad volledig lesvrij gemaakt, en de lesopdracht bij scholen met minder dan honderd leerlingen wordt met 4 uur verminderd. De lonen van de directeurs zouden worden gelijkgeschakeld. Er zouden ook extra middelen komen voor de professionalisering van schoolleiders in het basis- en secundair onderwijs. De vraag hier is dan uiteraard: hoe coördineren we dat met die 9 miljoen euro? Dat komt waarschijnlijk wel boven op de middelen die worden vrijgemaakt via de cao door de vervroegde vaste benoeming en de regeling inzake de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD), maar hoe ziet u dat dan worden verdeeld over al die diverse scholen?

Hoe zullen die middelen voor de ondersteuning van de directies van het basisonderwijs concreet worden ingezet? Hoe zult u dat uitrollen, op korte, middellange en lange termijn? Wat de lange termijn betreft, is er toch ook de volgende vraag. Er werd gezegd dat de middelen die nu vrijkwamen, eigenlijk eenmalig waren, maar u neemt twee beslissingen die toch eigenlijk recurrent gevolgen hebben. Als we immers volgend jaar de lonen gelijkschakelen, dan kunnen we dat het schooljaar daarop uiteraard niet herroepen. Dat wil dus zeggen dat er middelen moeten zijn. De vraag is dan natuurlijk: hebben we de zekerheid dat we dat halen? Hopelijk zullen we toch niet op andere vlakken moeten besparen om die recurrent te kunnen inzetten.

Hoe zullen de middelen voor de professionalisering van de schoolleiders worden ingezet? Zal er werk worden gemaakt van een al dan niet verplichte opleiding voor directeurs, en op welke wijze wenst men dat dan te organiseren?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, reeds gedurende legislaturen vraag ik aandacht voor de situatie van de directies in het basisonderwijs, en op Goede Vrijdag, op 30 maart van dit jaar, werden er eindelijk belangrijke beslissingen genomen voor het basisonderwijs. Voor het schooljaar 2018-2019 is een budget uitgetrokken voor extra steun aan leerkrachten en directies in het basisonderwijs. Minister, op de werkvloer wordt die stap gewaardeerd.

Vier maatregelen zijn specifiek gericht op de directeurs. Directeurs van een school met honderd leerlingen of meer worden volledig lesvrij gemaakt.

De lesopdracht van directeurs van een school met minder dan honderd leerlingen wordt met vier uur verminderd. De lonen van directeurs basisonderwijs worden gelijkgeschakeld. Er komen extra middelen voor de professionalisering van schoolleiders in het basis- en secundair onderwijs. Dit zijn de vier belangrijke maatregelen voor directies.

Naast die maatregelen worden ook de werkingsmiddelen verhoogd met 9 miljoen euro die specifiek en gericht moeten worden ingezet voor de ondersteuning van de leerkracht in de klas. De afspraken over de aanwending van deze middelen worden gemaakt in het lokaal overlegcomité van de school.

Samen met de al geïnvesteerde 10 miljoen euro extra werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs en de 950 euro extra per anderstalige kleuter, ziet de minister deze maatregelen terecht als concrete opstappen voor het plan Basisonderwijs. “Ook in de recent afgesloten cao XI zitten al enkele concrete maatregelen voor het basisonderwijs voor een totaal van 39 miljoen euro. Alles samen geven we ons basisonderwijs op die manier voor 63 miljoen euro extra zuurstof,” stelt de minister in het persbericht hierover.

Er wordt in 9 miljoen extra voorzien voor maatregelen voor de leerkracht in de klas. Kunt u enkele suggesties geven over de mogelijke invulling van deze maatregelen?

U ziet de voorliggende maatregelen als een opstap naar het plan Basisonderwijs. Voor mij blijft er een belangrijk werkpunt, namelijk het administratief hulppersoneel voor directies basisonderwijs. U weet dat wij pleitbezorger zijn van een legislatuuroverschrijdend actieplan Basisonderwijs. Kunt u al een aanduiding geven over de verdere timing?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dames en heren, ik dank u voor de uitgebreide vraagstelling. Soms zijn de vragen uitgebreider dan het antwoord. Dit toont aan dat het thema over de partijgrenzen heen enorm leeft. Zoals de heer De Meyer terecht zegt en zoals ik het ook vaak aanvoel: we discussiëren hier over zaken die al twintig jaar op de agenda staan. Op een bepaald moment voel je dat het momentum is bereikt om de handen in elkaar te slaan en te proberen te komen tot een gedragen actieplan.

Mijnheer Vandenberghe, ik zag u al verrast opkijken dat ik niet de geschiedenis van het verleden zal geven in mijn antwoord want dat zou ons te ver leiden. Het is goed om naar de toekomst te kijken en om te zien wat we samen kunnen doen.

Mevrouw Meuleman, u had een vraag over de timing. U was helemaal niet agressief in uw vraag, maar ik wist zelf niet dat we elf dagen nadat u uw vraag had ingediend, deze maatregelen zouden kunnen nemen in het Goede Vrijdagakkoord. Ik ben ook heel met die maatregelen die we hebben genomen binnen de Vlaamse Regering. U zult dat al hebben begrepen.

U zou kunnen zeggen dat het spijtig is dat het al beslist is, maar het heeft natuurlijk ook iets positiefs in zich. (Opmerkingen van Elisabeth Meuleman)

U mag dat ook denken. Misschien sloegen we allemaal in paniek toen we uw vraag zagen en vonden we dat we u goed nieuws moesten kunnen geven. (Gelach. Opmerkingen van Elisabeth Meuleman)

Wees blij. (Opmerkingen)

Mijnheer Vandenberghe, ik vind het cruciaal dat – ik hoop dat dit partijoverschrijdend lukt – die resolutie er snel komt. Ik heb het engagement nodig van eenieder dat er een legislatuuroverschrijdend actieplan kan komen en dat we een traject, een kader proberen vast te leggen om een aantal zaken te verbeteren. We hebben al heel wat maatregelen genomen, waar ik straks op terugkom, maar er zijn een aantal zaken die rechtgezet moeten worden. Voor wie denkt dat dit allemaal kan tijdens deze legislatuur: dat is onmogelijk. Het zou goed zijn mochten we het spoor kunnen trekken naar de toekomst. Dat zou ook wat rust brengen in ons basisonderwijs.

Ik heb eerst de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) om advies gevraagd. Vervolgens hebben we in deze commissie een aantal interessante hoorzittingen gehad. Ik hoop dat er ook een akkoord komt over het voorstel van resolutie. We hebben nu heel wat input over wat het veld als prioritair ziet. We hebben alle bouwstenen om een plan op te maken.

Er is ook nog het onderzoek ‘Stress en welbevinden bij schoolleiders’ dat relevante input geeft. Mijnheer Vandenberghe, lang geleden zei u dat we toch al alles wisten en dat dit niet nodig was, maar dit is een bijzonder interessant onderzoek van professor Devos. Daaruit blijkt dat de tevredenheid en het enthousiasme van onze directeurs wel oké is, maar dat veel directeurs kampen met stress en symptomen van burn-out. Dat loopt zelfs op tot de helft van de directeurs die hij ondervraagd heeft. Verschillende factoren kunnen zowel een bron van stress zijn als een bron van hoog welbevinden. Denk aan de contacten met leraren, leerlingen en ouders die directies vaak een goed gevoel geven, maar tegelijk in sommige gevallen bijdragen tot hoge stress. Je ziet de twee. Het hangt er een beetje van af hoe een school functioneert. Directies halen heel veel voldoening en uitdaging uit pedagogische taken en innovaties, maar hebben tegelijk het gevoel nooit rond te geraken. De twee zijn dus weer wat in balans. Administratieve belasting is een van de grote bronnen van stress. Dat wordt bij mij ook op den duur een bron van stress. We proberen bij elke maatregel die we nemen papier te schrappen, maar het blijft wel stress geven.

Dan is er nog de commentaar van schoolleiders die stellen dat ze geen directeur worden vanwege het loon, maar dat de loonverschillen wel een absolute bron van frustratie zijn. We werken dat nu weg, maar het feit dat er A-, B- en C-directeurs zijn, vinden ze niet in orde. Er zijn ook heel wat vragen gesteld over de professionalisering doorheen heel de loopbaan. Het gaat dan niet om het begin, maar ook om latere tijdstippen. Daarover zijn hier ook al vaak opmerkingen gemaakt. We moeten daarmee aan de slag. Ik denk dat dit interessante zaken omvat. Het is mijn bedoeling op korte termijn een aantal rondetafelgesprekken te starten. De sociale partners zijn allemaal bereid dit te doen om tot een gedragen plan te komen.

Mijnheer Vandenberghe, wat de gedragenheid betreft, hebt u gevraagd of er eensgezindheid in de meerderheid is. Ik vind die vraag eigenlijk wat verwonderlijk. Ik heb de verschillende toespraken tijdens de hoorzittingen gezien. Ik heb ze niet allemaal gehoord, maar wel gelezen. Ik heb geen enkele indicatie om te twijfelen aan de wens van iedereen om tot een plan te komen. Ik denk dat iedereen dit heeft geuit. Dit is trouwens ook opgenomen in mijn beleidsbrief Onderwijs 2017-2018. Zoals alle beleidsbrieven, is deze beleidsbrief door alle regeringspartijen onderschreven. Ook daarin wordt dit engagement geuit.

Een andere vraag is wat de relatie met de andere maatregelen is. Wat die verhouding betreft, is er natuurlijk een zeer sterke link omdat alle maatregelen het doel hebben het basisonderwijs te versterken. Het zal niemand zijn ontgaan dat de recent genomen maatregelen voor het basisonderwijs sporen met de grote noden en prioriteiten voor het basisonderwijs die de Vlor met betrekking tot de werkingsmiddelen, de directies en de leerkrachten in haar advies over het plan voor het basisonderwijs heeft aangegeven. De vraagstellers hebben dit trouwens allemaal gezegd.

Het is een zeer bewuste keuze geweest niet te wachten tot het totale plan er ligt, maar om elk mogelijk moment aan te grijpen om te proberen al een aantal bouwstenen mee te geven die deel van het plan zullen uitmaken. Het gaat dan om zaken waarover geen betwisting bestaat en die nodig zijn.

Ik vind het van belang dat we bij elke stap die we zetten altijd de noden voor ogen houden die door de Vlor en tijdens de hoorzittingen als prioriteiten zijn aangeduid. We zitten op die lijn. Ik zal enkele voorbeelden geven.

Eind 2017 is beslist het kleuteronderwijs 10 miljoen euro aan bijkomende structurele werkingsmiddelen te geven. Dit maakt deel uit van het plan, want we weten dat we uiteindelijk naar een totale gelijkstelling moeten gaan. We hebben die stap echter al gezet. In de cao XI zitten ook heel wat maatregelen. Zoals ik al heb vermeld, is voorzien in een extra beleidsondersteuning voor de aanvangsbegeleiding en de professionalisering. We zien dat die middelen starten met 16,5 miljoen euro per jaar en zullen oplopen tot 24 miljoen euro per jaar vanaf 2021. Dat zijn zaken waarmee de directeurs in het basisonderwijs aan de slag kunnen gaan.

Wat de directeurs betreft, is daarnet al gemeld dat we ze vanaf 100 leerlingen volledig lesvrij maken. We hebben erover nagedacht hen vanaf een leerling lesvrij te kunnen maken, maar dat is een brug te ver. In een school met 20 of 30 leerlingen, zoals er nog een paar zijn, kunnen we het niet verantwoorden de directeur volledig lesvrij te maken. We hebben beslist dat in een school met minder dan 100 leerlingen 4 uur minder les moet worden gegeven. Zij worden dus ook minder belast met lestaken.

Mevrouw Krekels, een tweede grote maatregel is dat we de lonen van alle directeurs in het basisonderwijs gelijkschakelen. U hoeft zich geen zorgen te maken. We hebben die maatregel nu genomen. Er is ook gecommuniceerd ten aanzien van de Vlaamse Regering dat het een recurrente maatregel betreft. Tijdens de begrotingsopmaak voor 2019 zullen we nagaan op welke wijze we dit in de toekomst zullen doen. In de grote oceaan van de loonmiddelen voor het onderwijs kunnen we hiervoor zeker een oplossing vinden.

Ik zal dit uiteraard samen met de Vlaamse Regering uitvoeren. Er was een grote eensgezindheid in de Vlaamse Regering met betrekking tot die lonen. Het is overigens een maatregel die al vele jaren wordt gevraagd. Tijdens een congres voor de vorige Vlaamse verkiezingen waarop alle politieke partijen waren vertegenwoordigd, is unaniem gesteld dat de moeten worden gelijkgesteld. Voor mij was dat een prioritaire maatregel.

We kunnen hierover discussiëren. Iemand kan zeggen dat ik dat geld in extra administratieve ondersteuning had moeten stoppen. Ik heb dergelijke mails ontvangen. Dat is niet in orde. Indien we een goed gevoel willen creëren om aan dit plan te werken, moeten we de mensen ook gelijk waarderen. Iedereen heeft dit op die manier geuit. We hebben die keuze gemaakt. Voor mij is dat een belangrijke stap. Er is trouwens geen maatregel waarop zo veel positieve feedback is gekomen van de directeurs die in kleinere scholen staan. Zij zeggen dat ze bijna niet kunnen geloven dat dit op 1 september 2018 zal ingaan. We voelen aan dat ze hier toch wel op hebben gewacht.

De vraag is dan of we hiermee alle noden van de schoolleiders oplossen. Ik zou het woord ‘directeur’ eigenlijk door ‘schoolorganisatie’ willen vervangen. Het gaat niet alleen om het postje van de directeur. Het gaat hier eigenlijk om de vragen hoe een school moet worden georganiseerd en welke tools nodig zijn om een school goed te kunnen organiseren. Ik wil niet in de situatie belanden waarin de indruk wordt gewekt dat het gewoon om de post van de directeur gaat. Een directeur die zich goed voelt en die goed wordt ondersteund, heeft een betere schoolorganisatie. Ik denk dat we daarop moeten focussen in het geheel.

Volgens mij is er nog veel werk aan de winkel, ook met betrekking tot de beleidsondersteuning, de administratieve ondersteuning, de werkomstandigheden en de organiseerbaarheid. We hebben al stappen vooruit gezet. Ik heb al verwezen naar cao XI, maar in het licht van de begrotingscontrole hebben we op 30 maart 2018 ook een aantal maatregelen genomen.

We hebben voorzien in 500.000 euro voor de professionalisering van de schoolleiders. We zullen die middelen niet zomaar aan de koepels geven met de boodschap dat ze er iets mee moeten doen. Het is de bedoeling dit te kaderen in een groter verhaal over wat we van een schoolleider verwachten.

We hebben hier al gediscussieerd over de vraag of een schoolleider al dan niet voorafgaandelijk een opleiding moet volgen. We zien nu in de studie van professor Devos dat ook tijdens de carrière om extra mogelijkheden wordt gevraagd. Ik zal dat samen met de sociale partners bekijken.

Ik verwacht overigens veel van de werkgroep schoolleiderschap die is opgericht in het kader van het loopbaandebat. Er zijn ook wat middelen. Het is nu tijd om een aantal keuzes te maken, bijvoorbeeld de vraag of er al dan niet een verplichte opleiding voor schoolleiders moet komen. We moeten nu knopen doorhakken. Het momentum is er rijp voor.

Mevrouw Krekels, ik wil ook nog even ingaan op uw vragen naar meer ondersteuning voor het schoolteam, de leerkracht op de werkvloer. U weet dat we bij de 9 miljoen euro die we hebben vrijgemaakt, ook de kanttekening hebben gemaakt dat die naar de vloer moet. Die middelen zijn niet recurrent. Of ze ooit recurrent zullen worden, kan ik vandaag niet zeggen. Het is anders dan bij de lonen van de directeurs, omdat die wel recurrent zijn. Ik had het mezelf gemakkelijker kunnen maken door te zeggen dat we met die 9 miljoen euro investeringen zouden doen, iets zouden kopen. We hebben wat overlegd met het veld en eigenlijk is men vragende partij om een project rond ondersteuning, specifiek op de klasvloer, te maken. Men wenst dat wel, ook al zijn het eenmalige projectmiddelen, maar je weet nooit wat er na eenmalige projectenmiddelen komt. Vandaar dat we de moeilijke keuze hebben gemaakt om dit eenmalig toe te voegen aan het budget voor het basisonderwijs. Dat komt natuurlijk wel naast de ondersteuning die in cao XI zit voor de startende leerkracht zoals aanvangsbegeleiding, lerarenplatforms en de 16,5 miljoen euro die 24 miljoen euro zal worden. Dit is dus heel specifiek.

Collega De Meyer vraagt mij naar een concrete invulling hiervan. Ik ga ervan uit dat scholen het best geplaatst zijn om daar de keuze in te maken die het best aansluit bij hun lokale noden. Ik ga dat niet voor hen invullen. Ik vind het wel belangrijk dat er in het lokaal overlegcomité, binnen de school, afspraken worden gemaakt. De enige voorwaarde die wij gesteld hebben, is dat de keuze ertoe moet leiden dat de leerkrachten beter ondersteund worden. Het moet dus in de klas terechtkomen. Daarvoor zijn de middelen immers bedoeld. Ik kan me indenken dat dat op veel manieren kan, door bijvoorbeeld extra uren kinderverzorging in het kleuteronderwijs aan te bieden, maar ook door een aantal extra uren ondersteuning in een bepaalde klas. Er is wel wat vrijheid, maar het zijn lokale keuzes. Ik denk dat we uit die lokale keuzes ook heel wat zullen kunnen leren. In sommige scholen wendt men alle lesuren aan om de klassen zo klein mogelijk te houden – daar zijn ook al vaak vragen over gesteld. In andere scholen kiest men er eerder voor om ook lesuren op andere manieren in te zetten, om bijvoorbeeld steeds vaker coteaching in te zetten. Nog eens, de basisvoorwaarde is dat het een leraar ten goede komt.

De leerling/leerkracht ratio in het basisonderwijs is 18,5. Dat is een maximum, geen gemiddelde. Dit is een van de berekeningsparameters in de omkadering, het is geen indicatie van een gemiddelde klasgrootte omdat scholen soms andere keuzes maken maar het is wel de manier waarop we de omkadering berekenen.

Het zijn ook die lokale keuzes die ertoe leiden dat scholen al dan niet kiezen voor een taalbad voor anderstalige kinderen, in plaats van in de reguliere klas op te vangen. Naar aanleiding van opmerkingen of vragen van collega Daniëls, heb ik al een paar keer gesteld dat het voor mij relevant is dat we die taalbaden beter bekend maken. Dat gebeurt nu ook. We hebben ook al een paar prachtige voorbeelden gezien van waar het wel gebeurt. Al mag ik niet veel ingrijpen in Klasse, ik denk dat het goed zou zijn dat Klasse daaraan eens een themanummer zou wijden, omdat Klasse ook wel vrij intens wordt gedeeld tussen scholen.

Mevrouw Krekels, u stelt ook nog een vraag over de stand van zaken met betrekking tot Operatie Tarra en het overleg met de onderwijsverstrekkers. Dat is zeker gebeurd. Op de website van www.onderwijs.vlaanderen.be vindt u een stand van zaken. Ik heb al een aantal keren gezegd dat Tarra iets is dat op alle niveaus moet worden aangepakt. Planlast wordt vaak gecreëerd door een cascade van regels, afspraken en gebruiken en vaak is er geen eenduidig oorzaakgevolgverhaal. Ik geef een voorbeeld uit de courante praktijk. Als een klas wordt geconfronteerd met een aantal juridische procedures en het gevolg daarvan is dat men de verantwoordingsdrang nog groter gaat maken, ook al wordt dat niet gevraagd door de overheid , dan heeft dat een enorme impact op alle leerkrachten. Als men daar geen conclusies uit trekt, dan kan het rust brengen in een schoolteam. Dat zijn zaken waar scholen ook autonoom mee kunnen omgaan.

De overheidsacties zullen een indirecte werking hebben maar de koepels en het GO! en hun begeleidingsdiensten hebben zich geëngageerd dat zij in hun ondersteunende en begeleidende rol nog meer focussen op die Tarra-issues die specifiek door leerkrachten in de focusgroepen werden aangekaart. Alle mosterd is daar aanwezig. Als je de verslagen leest, merk je hoe overlast aan papier ontstaat zonder dat de overheid daar een ingreep doet.

Het zal aan de directies zijn om op hun beurt vanuit een sterk beleidsvoerend vermogen in dialoog met leerkrachten te kiezen voor instrumenten, communicatie, opvolging, verslaggeving en registratie. Ook de onderwijsinspectie engageert zich om de administratieve lasten voor scholen te beperken. Dit was van bij het begin een van de centrale principes voor het ontwikkelen van Inspectie 2.0. Daarom vraagt de onderwijsinspectie enkel die informatie die absoluut nodig is voor het doorlichtingswerk. Ik heb al gezegd dat het papier dat een school of een directie bijhoudt omwille van het papier of omwille van de inspectie, voor mij eigenlijk fout is. Als men iets bijhoudt, moet het zijn om de kwaliteit van het schoolbeleid te verbeteren .

Collega’s, tot slot, onafhankelijk van de vaststelling dat er wat mij betreft meer nodig is in de toekomst, dat we tot dat legislatuuroverschrijdende actieplan, dat niet alleen over budgetten moet gaan maar ook over inhoudelijke zaken, moeten komen, wil ik toch een  optelsom maken van de extra zuurstof die we de afgelopen tijd – en ik noem dan de korte termijn – aan het basisonderwijs hebben gegeven. Zo zijn er de maatregelen uit cao XI voor 39 miljoen euro, de maatregelen genomen door de Vlaamse Regering op 30 maart voor 9,5 miljoen euro eenmalig en 7,7 miljoen euro recurrent, de al geïnvesteerde 10 miljoen euro extra werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs, plus – mijnheer De Meyer, u hebt ernaar verwezen – de 950 euro extra per anderstalige kleuter en de indexatie die in de hele Vlaamse overheid enkel voor het basisonderwijs terug in werking geschoten is. Dat is de enige uitzondering die werd gemaakt.

Dat zijn toch wel opstappen voor ons basisonderwijs, die nog niet genoeg zijn, maar wel in het licht van het geheel heel positief zijn en ook wat vertrouwen zouden moeten geven dat het ons menens is om de situatie beter te maken.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, een aantal maatregelen voor de directeurs zijn zeer goede maatregelen. Het zijn maatregelen waarover al jarenlang en gedurende verschillende legislaturen gedebatteerd wordt. Ik herinner mij nog verkiezingsdebatten voor directeursverenigingen waarbij alle partijen beloofden om inderdaad die lonen zeker gelijk te schakelen, omdat iedereen dat een absolute anomalie vond. Ondanks die partijoverschrijdende belofte en het brede draagvlak is dat er dan toch niet van gekomen.

Het feit dat dat nu wel gerealiseerd wordt, is een goede zaak. Dat kan ik alleen maar toejuichen en u voor feliciteren. Net hetzelfde met het inderdaad grotendeels lesvrij maken van directeurs. Ook dat zal ervoor zorgen dat de taak toch enigszins verlicht wordt. En we moeten echt wel inzetten op dat werkbaar werk voor directeurs. We hebben allemaal wel al agenda's doorgestuurd van directies. We zijn verbaasd hoe die mensen het manusje-van-alles zijn en vaak 24 uur op 24 voor die school leven.

De kwestie van de vestigingsplaatsen blijft een pijnpunt, een terecht pijnpunt. U hebt daar nog niet op geantwoord. Dat wordt echter vandaag aangekaart in de krant. Minister, kunt u daar nog een antwoord op geven? Want dat maakt het toch ook wel moeilijk.

U zegt heel terecht dat directeurs schoolleiders zijn, die inderdaad vooral met het management van het personeel en met het pedagogische aspect bezig zouden moeten kunnen zijn. Het is super belangrijk om te blijven investeren in allerlei ondersteunende functies: het administratieve aspect, de ICT, allerlei onderhoudstaken enzovoort. Je ziet dat dat in bepaalde landen wordt opgesplitst, met een directeur die echt pedagogisch bezig is en dan ondersteunend personeel voor de rest. Op dat vlak doen we het in Vlaanderen echt nog niet goed en zijn er nog extra ondersteuningen nodig. We zijn er dus nog niet. Maar wat u wel al hebt kunnen realiseren, zijn goede zaken.

Wat de 9 miljoen euro betreft, is het duidelijk: dat is een stuk van het begrotingsoverschot van 100 miljoen euro dat wordt geïnvesteerd. Dat is eenmalig, maar daarmee spiegel je het onderwijs toch iets voor. Als dat inderdaad met de grote trom wordt verkocht als: ‘Kijk, we investeren nu 9 miljoen euro in het basisonderwijs’, dan liggen de hoop en de lat hoog. De mensen op het veld te denken dan: ‘Eindelijk. Dat zal misschien betekenen dat die werkingsmiddelen eindelijk voor een stuk omhoog zullen gaan in het basisonderwijs.’ En dat gaat dan natuurlijk maar om een eenmalige investering in projecten. Maar wat ben je met een kinderverzorgster als je een jaar inderdaad wat extra uurtjes kinderverzorging zou hebben, maar dat het jaar nadien moet afgeven omdat er dan geen begrotingsoverschot wordt gerealiseerd?

Ik wil u dus oproepen om ervoor te zorgen – en dat is een vraag die door alle partijen gedeeld wordt en waarover iedereen het eens is – dat die recurrente investeringen in de werkingsmiddelen in het basisonderwijs en in extra ondersteuning toch nog steeds groot zijn. Het is een goede zaak dat er een klein beetje extra middelen van het begrotingsoverschot ook naar onderwijs gaan. Maar het projectmatige alleen is natuurlijk een druppel op een hete plaat. Zo mag ik dat toch wel noemen.

Minister, u hebt een aantal goede stappen gezet, maar het mag hier zeker niet bij blijven. Ik denk dat er nog werk op de plank ligt.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw betoog. Ik ben het volledig met u eens. We moeten inderdaad komen tot een gedragen actieplan, zeker legislatuuroverschrijdend. Ik ben het ook volledig met u eens dat we naar de toekomst moeten kijken. En dat we niet alles in één keer kunnen doen, dat heb ik ook altijd, bij elk betoog, gezegd.

Het maakt mij ook niet uit van wie nu welke verdienste komt, als het maar gebeurt en natuurlijk ook in het belang van de leerlingen – als het engagement er maar is.

Mijn opmerking over de eensgezindheid in de meerderheid past – en nu richt ik mij tot de voorzitter – in het kader van de resoluties die we voorlopig wat on hold hebben gezet. Ook vandaag heb ik, wellicht goedbedoeld, nog geen antwoord gekregen op de vraag of er nu al stappen vooruit zijn gezet om die resoluties samen te bekijken en over alle partijgrenzen heen in te dienen. Dat is volgens mij ook de vraag van de minister: steek de hoofden bij elkaar en maak dat we over alle partijgrenzen heen tot een gedragen resolutietekst komen. Maar ik vraag het al langere tijd. Ik heb daarover al een paar keer een heel constructief gesprek gehad met de voorzitter, maar ik krijg daar geen antwoord op. 

Vandaar mijn ongerustheid en mijn vraag: is er eensgezindheid? Misschien kan de voorzitter straks die vraag beantwoorden.

Minister, ik ben het volledig eens met uw opmerking dat de studie van Devos interessant is. De punten die daaruit komen, hebben wij echter ook al vastgesteld in de commissie naar aanleiding van de vele gesprekken die wij hebben gehad met directies en leerkrachten over de stress en het welbevinden, over de administratieve ondersteuning enzovoort. Maar ik ben wel blij dat die studie er is, want meten is weten. Als we nu die objectieve gegevens kunnen krijgen, kunnen wij daar ook meer mee doen.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, u zegt dat directies en leerkrachten tijdens gesprekken altijd enthousiasme en engagement uitstralen en dat is inderdaad ook zo. Zelfs wanneer zij het hun bezorgdheden en klachten uiten, dan nog voelen we hun enthousiasme en betrokkenheid. Voor ons is het heel belangrijk om dat niet – en ik vind niet echt het juiste woord om het te zeggen – te misbruiken. We rekenen immers op dat engagement. Wanneer directies en leerkrachten tijdens schoolbezoeken hun beste kant laten zien, moeten wij er ons van bewust zijn dat zij roeien met de riemen die ze hebben. We moeten echter blijven luisteren naar de tekortkomingen en blijven investeren in middelen en mogelijkheden om hen te ondersteunen waar zij dat echt nodig hebben.

Ik wil ook even terugkomen op die 9 miljoen euro en de andere middelen die worden verdeeld over de scholen. Minister, u zei dat dit misschien projectgewijs zou worden verdeeld. Als we een bepaald bedrag investeren in scholen, dan moeten we ook rekening houden met het aantal scholen waarover dat zal worden verdeeld. Elke school heeft zijn vragen en verwachtingen en hoopt natuurlijk een deel van dat geld te krijgen. Hoe zal die verdeling gebeuren? Zullen de verwachtingen van alle scholen ingevuld kunnen worden?

Tijdens de Pano-reportage gaven de leerkrachten aan dat zij op een bepaald moment het gevoel krijgen dat ze bijna individueel elke leerling moeten ondersteunen en begeleiden. In een klas van achttien, twintig of meer leerlingen is een een-op-eenbegeleiding natuurlijk niet mogelijk. En dan komt het gegeven van de differentiatie opnieuw naar voren. Daarbij moeten we vertrekken van de basis die elk kind moet hebben en van daaruit differentiëren naar verschillende richtingen. Ik heb soms de indruk dat men de inhoud van die differentiatie een beetje uit het oog is verloren. Men focust zodanig op de kinderen die bepaalde noden hebben dat men zich vooral gaat richten op wat het individuele kind kan. Daarbij verliest men soms de noden uit het oog van de kinderen die wel kunnen volgen en iets sneller zijn.

Ik had onlangs een heel interessant gesprek over differentiatie. Het is belangrijk dat we bepalen wat die differentiatie precies inhoudt en hoe ver we daarin kunnen en mogen gaan. Vraag is ook hoe andere kinderen van een klas kunnen worden begeleid zonder dat het te veel een individualistisch onderwijs wordt. Ik denk dat leerkrachten zich daar soms een beetje in verliezen.

U sprak over een werkgroep schoolleiderschap. Ik ben benieuwd om te zien wat daaruit komt maar ik heb niet gehoord – of het is me ontgaan – wie daar precies in zit. Zijn dat onderwijsverstrekkers, directeurs?

De planlast zal ik verder opvolgen. U hebt aangegeven dat de engagementen zijn genomen om daar vanuit de koepels en directies bewuster mee om te gaan. We zullen dat uiteraard blijven opvolgen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ik heb een aantal belangrijke elementen gehoord in uw antwoord. Ik begrijp dat iedereen een beetje met zijn of haar bril kijkt naar dat antwoord.

Het effect van de 9 miljoen euro extra werkingsmiddelen moet hoe dan ook in de klas te vinden zijn. Dat lijkt me bijzonder belangrijk.

De 100 miljoen euro aan extra maatregelen die zijn genomen op vrijdag 30 maart, zijn voorlopig eenmalig behalve de maatregelen die zijn genomen voor de directies, die zijn recurrent.

Er wordt voortgewerkt aan het actieplan basisonderwijs. Dat vind ik bijzonder belangrijk. En ik heb ons aandachtspunt daar ook nog even bij geduid.

Ik vind het voorliggende voorstel van resolutie waardevol, maar ik vind het belangrijker dat we de volgende maanden van deze legislatuur komen tot een actieplan dan tot een resolutie, hoewel het voorstel heel wat waardevolle elementen bevat. Als ik echter moet kiezen, is het actieplan duidelijk mijn prioriteit.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, in uw antwoord hebben twee zaken me aan iets doen twijfelen.

In het kader van de 9 miljoen euro voor de professionalisering van leerkrachten sprak u eerst over de koepels en nadien over de scholen. Ik dacht dat de beslissing was dat het via de scholengemeenschappen zou worden toegewezen. Scholengemeenschappen hebben op zich een dynamiek, en het kan goed zijn dat er op dat niveau een thema wordt gekozen waar professionalisering belangrijk is. Ik zou niet willen dat er dan discussies ontstaan binnen scholengemeenschappen over wat de ene en wat de andere school wil. Wanneer we de scholengemeenschappen ernstig nemen, dan denk ik dat die 9 miljoen euro via de scholengemeenschappen een impuls kan zijn.

In het verleden hebben we gezien dat wanneer niet-gekleurde werkingsmiddelen eenmalig of recurrent bij het basisonderwijs of het secundair onderwijs zijn bijgekomen, de collega-schepenen van Onderwijs er voor scholen die onder inrichtende machten van steden en gemeenten vallen, niet altijd in slagen om de middelen bij hun scholen te krijgen. In het verleden waren er nogal wat gemeenten die historisch altijd meer in dat onderwijs hebben gestopt dan ze hebben gekregen van de Vlaamse Gemeenschap. Wat ze nu extra krijgen, is eigenlijk een verkleining van de kloof tussen wat ze krijgen en wat ze zelf uitgeven. Dat heeft het afgelopen decennium al bij heel wat schooldirecties en schoolpersoneel tot frustraties geleid.

De vrijheid van onderwijs is natuurlijk de vrijheid van onderwijs, maar zou u toch niet kunnen vragen aan uw administratie om dat te monitoren? Op basis van de regels van de beleids- en beheerscyclus (BBC) over wat gemeenten moeten melden aan het Agentschap Binnenlands Bestuur moet het toch traceerbaar zijn of die extra miljoenen, eenmalig en recurrent, die erbij komen, effectief bij het officieel gesubsidieerd onderwijs op de scholen zelf terechtkomen.

Het antwoord zou kunnen zijn dat die schepenen hun collega’s dan maar moeten overtuigen, maar ik denk dat in dezen enige monitoring toch niet slecht zou zijn.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik wil nog even terugkomen op de maatregelen van de vrijdag voor het paasreces. Ik ben uiteraard zeer tevreden met die maatregelen. Dat spreekt voor zich. Het beantwoordt vooral ook aan het rechtvaardigheidsgevoel als men de lonen gelijktrekt. Ik denk dat dat vrij belangrijk is. Wat die extra ondersteuning betreft, ik ben het met u eens dat die in de klas moet terechtkomen, dat de leerkracht daarvan moet genieten. De vraag waar ik een beetje mee zit, is: hoe zijn we er eigenlijk zeker van dat dat daadwerkelijk in de klas terechtkomt, natuurlijk zonder dat men met heel wat planlast zou zitten? Misschien kan er op een moment wel eens worden gekeken naar bepaalde data, om dan opnieuw bepaalde data op te vragen als de maatregel enige tijd in werking is. Zo ja, welke data? Ik denk dat dat interessant kan zijn. Men zou een manier zoeken om dat te verifiëren, zonder dat men voor heel wat planlast zorgt.

Wat het plan voor het basisonderwijs betreft, daar wordt inderdaad over gesproken in de beleidsbrief. Nu is het parlementair jaar al heel ver gevorderd. Minister, u zegt dat de rondetafelgesprekken aangaande enkele onderwerpen moeten worden opgestart, onder andere met de sociale partners. Ten eerste denk ik dat het opstarten van die gesprekken hoogdringend is. Ik kijk ernaar uit om voor het zomerreces nog de eerste feedback van de eerste gesprekken te kunnen krijgen. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien wat snel, maar ik denk dat het toch mogelijk moet zijn.

Ik zou ook graag weten over welke thema’s er allemaal kan worden gesproken bij die rondetafel. Ik denk dat het niet alleen over maatregelen moet gaan ter ondersteuning van personeel en directeurs, maar bijvoorbeeld ook over inhoudelijke aspecten van het basisonderwijs. We hebben hier de voorbije jaren onze bezorgdheid geuit over de dalende leesvaardigheid van de leerlingen en over de kwaliteit van de lessen Frans, die vaak te wensen overlaat. Ik wil horen of men toch denkt aan het ook meenemen van die thema’s. We hebben bijvoorbeeld de eindtermen uitgesplitst wat wetenschap en techniek enerzijds en wereldoriëntatie anderzijds betreft, maar als men weigerachtig staat tegenover het aanduiden van specifieke leerkrachten voor die items, blijft men misschien wel met een probleem zitten. Ik zou dus ook willen weten of men zowel STEM (Science, Technology, Engineering and Mathematics) als het PIRLS-onderzoek (Progress in International Reading Literacy Study) als Frans als thema’s meeneemt, en of men bij die rondetafelgesprekken ter zake een beetje de grenzen wil verleggen, out of the box wil denken om de lat hoger te leggen. In naam van onze fractie zou ik dan ook willen verzoeken dat men daar experten bij betrekt die insteken kunnen leveren die nieuw zijn, die het willen hebben over excellentie in onderwijs. Dat lijkt me ook een belangrijk punt.

Dan is er de werkgroep schoolleiderschap. Ook ik ben daar zeer nieuwsgierig naar. Met een aantal mensen hier hebben we eigenlijk de vraag gesteld naar de opleiding van directeurs. Sommigen waren er rotsvast van overtuigd dat er niets moest gebeuren op dat vlak, terwijl wij eigenlijk al enige tijd met heel wat leergierigheid kijken naar die opleiding en daar geen inzage in of informatie over krijgen. U mag het me niet kwalijk nemen, maar dan word ik een beetje argwanend. Als ik ergens weinig informatie over krijg, dan ben ik nóg nieuwsgieriger, en hetgeen me bereikt, is niet altijd rozengeur en maneschijn. Er zijn mensen die daar wél voor openstaan. Ik zou bijvoorbeeld willen verwijzen naar de zeer interessante dingen die werden gezegd door de docent van de Antwerp Management School. Dat was eigenlijk een van de meest verrijkende tussenkomsten, die de vinger op de wonde legde, waarbij men het eens verder ging zoeken, zonder mensen met de vinger te wijzen. Ik zou dus graag verder werken met de adviezen van die man – zijn naam ontsnapt me even. Wilt u me verontschuldigen daarvoor.

Als we het bijvoorbeeld hebben over planlast en rust brengen in de verantwoordingsplicht, dan denk ik dat er daar precies een van de tekenen aan de wand is. Een goede leidinggevende kan die rust brengen. Zwakke leidinggevenden zijn helemaal op drift als het gaat over verantwoordingsdrang. Die zetten hun personeel onder druk. Dat is niet aangenaam. Die vragen tonnen papier. Die vragen eindeloze lijstjes, afgevinkt en ingevuld op Smartschool. Dat zijn zwakke leiders. Ik denk dat men dat moet bekijken, en dan verwijs ik nogmaals naar de interessante interventie van de Antwerp Management School.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, ik dank de collega’s voor de interessante vragen en de minister voor het antwoord. U weet dat onze fractie, en zeker collega Vandenberghe, al heel lang op de bres staan voor een sterker basisonderwijs, en dat we in ons voorstel van resolutie bij het begin van de legislatuur ook al een pleidooi hebben gehouden om het pedagogisch directeurschap te versterken in een schoolteam. Daar draait het immers finaal toch om: onderwijs is mensenwerk. Het organisatorische, het personeelsluik, administratief dan, kan misschien beter zijn georganiseerd op het niveau van een scholengroep of een scholengemeenschap, zodat de directeur echt met zijn team bezig kan zijn.

Minister, we hebben de maatregelen die u hebt aangekondigd inzake het basisonderwijs, even onder de loep genomen, en we hebben daar samen met collega Vandenberghe ook positief op gereageerd. We hebben gezegd ‘kijk, constructieve oppositie loont, er worden muizenstapjes gezet in de goede richting’. Als je dan inzoomt op de concrete inhoud van de maatregelen, dan zie je inderdaad dat voor 430 directies de lesopdracht voor directeurs wordt verminderd. Die directies situeren zich voornamelijk in Limburg en West-Vlaanderen. Ik zou natuurlijk nooit durven denken dat dat is omdat de twee CD&V-ministers in de regering ook uit die provincies komen. Het is inderdaad zo dat in West-Vlaanderen de meeste directeurs een lesopdracht hebben. In andere provincies is dat minder het geval, door de omvang van de scholen, maar ook daar is er nog werk aan de winkel, denk ik.

Als je dan kijkt naar de loonsverhoging, dan is er voor 400 directeurs een verhoging van categorie C naar categorie A weggelegd. Ook daar is dat voor meer dan 40 procent in Limburg en West-Vlaanderen. 1500 directies maken dan de overstap van categorie B naar categorie A, maar dat betekent dat 900 directies nog steeds tegen het status quo aankijken. Dat lijkt me toch nog werk dat op de plank ligt.

Tot slot hebben we ook gekeken naar de werkdrukverlaging. Collega Meuleman zei het ook al. Er is sprake van 9 miljoen euro eenmalige werkingsmiddelen. Alle beetjes helpen, maar dat betekent, als je het omrekent, per school 3000 à 4000 euro. Via Tivoli zou men dan kunnen omrekenen dat het om twee lestijden gaat. Als je dat afzet tegen de vragen van de vakbonden, namelijk 500 miljoen euro voor een plan basisonderwijs, dan is dat natuurlijk een heel, heel klein muizenstapje in de goede richting. We zien ondertussen ook aan onze mailbox dat heel wat directies nog altijd vinden dat ze bij de neus zijn gekomen. ‘Waar blijft die extra omkadering?’ Die ontgoocheling, die ontmoediging in het basisonderwijs, we moeten daar toch echt iets mee doen, want zoveel gemotiveerde mensen geven dagelijks het beste van zichzelf in al onze scholen. Ik denk dat er inderdaad nog heel veel werk op de plank ligt, in deze legislatuur, maar ongetwijfeld ook in de volgende legislaturen, en dat hiermee een kleine, kleine stap voorwaarts is gezet.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, een belangrijke vraag, veel tussenkomsten, veel vragen. Ik pik op een aantal zaken in. Ten eerste is er de opleiding van directeurs, iets wat mij ook zeer na aan het hart ligt, omdat een directeur inderdaad de spilfiguur is in de school. Bij de vele schoolbezoeken die ik doe, merk ik dat die directeurs echt ondergesneeuwd zitten onder allerlei zaken die moeten. Ik doe altijd de oefening met die directeurs. Ik vraag hun eens te laten zien wat ze allemaal moeten. Dan bekijk ik vanwaar die mails komen en van wie die nieuwsbrieven komen, welke linken er zijn enzovoort, op welke vormingen wordt aangedrongen, met schoolbegeleiders die aangeven dat men daar toch eigenlijk wel wordt verwacht. Uiteraard kiest men zelf vrij, maar men wordt wel verwacht en dergelijke meer.

Als ik dan zeg dat ze die dingen mogen deleten zonder gevolgen, dan gelooft men mij gewoon niet want ‘dat kan niet, het moet’. We hebben daar echt een taak. AGODI levert op dat vlak echt goed werk met omzendbrieven die duidelijk zijn en waar alles in staat. Men krijgt dan echter vanuit verschillende niveaus geïnterpreteerde brieven. Dat wil dan zeggen dat daar volk zit om al die info te interpreteren. Die interpretatie zorgt er ook voor dat directeurs het niet meer weten. Op die manier krijg je angstige directeurs. Wat doet iemand die angstig is? Zichzelf indekken. Hoe dek je jezelf in? Met papier. We moeten daar echt man en paard durven noemen om de directeurs werkelijk hun taken te kunnen laten doen die ze willen doen, zijnde directeur zijn van een school.

Dat brengt mij tot twee andere zaken. Ten eerste, de ondersteuning van directeurs. Ik zal het nog eens zeggen, want ik blijf daar op mijn honger zitten. Ik had verwacht dat dit bij de onderhandelingen over de cao een van de zaken was waar alle partijen rond de onderhandelingstafel loeihard voor hadden gestreden en pas dan hadden gekeken hoeveel centen er nog waren voor een loonsverhoging. Maar goed, men heeft anders beslist. Ik betreur dat. Directeurs zijn er werkelijk op aan het wachten dat zij niet én de deur moeten opendoen, én de melk moeten bestellen bij de brouwer, én de lichten uitdoen, én iemand moeten zoeken om de busbegeleider te vervangen die ziek is, én naar alle ouders moeten sms'en, mailen of bellen als een bus is uitgevallen om te melden dat die bus niet zal komen en dat hun kind dus niet op school zal geraken, én het tellen van de envelopjes voor de smosjes op vrijdagmiddag, én, én, én…. Dat zijn eigenlijk ondersteuningstaken voor een secretariaat als het er is. Tijdens de vele bezoeken die ik heb gehad, wordt het gesprek vaak onderbroken omdat er allerlei dergelijke zaken komen.

Dat brengt mij tot mijn tweede punt, namelijk opleiding. Opleiding van directeurs is zeer goed, maar de zaken die ik heb opgesomd, los je niet op met een opleiding. Meer zelfs, directeurs zeggen mij dat ze niet naar die opleiding zullen gaan omdat dan al het werk nog een dag langer blijft liggen, en of ze er nu naartoe gaan of niet, het doorgeven van bestellingen aan de brouwer moet wel gebeuren. Dat zijn uren en taken die moeten gebeuren.

Professor Verbiest is hier net vernoemd. Er is ook nog professor Vandenberghe die in het verleden een project heeft gehad met betrekking tot beginnende directeurs basisonderwijs. Dat was zeer interessant, maar het is jammer genoeg stopgezet. Dat diende net om directeurs zelfstandig te laten denken. Ik kom dan tot de vraag wat er in de opleiding zit omdat directeurs vooral zelfstandig moeten kunnen denken en op de deleteknop moeten durven duwen. Ze moeten niet zozeer worden opgeleid in structuren van bepaalde organen, over bij wie ze wat moeten vragen en over hoe men bepaalde zaken ziet. Ik herinner u aan de adviezen die we in de plenaire vergadering hebben besproken over de taalmaatregelen. Helaas zijn de taalbaden nog altijd niet opgenomen of ze zijn opgenomen onder druk, maar ze worden zeker en vast niet gepromoot.

Ik hamer er zelf allang op dat we ervoor moeten zorgen dat de middelen, zowel financieel als op het vlak van personeel, in de klas terechtkomen. We moeten kijken naar alle middelen die we al in het onderwijs investeren, namelijk 11,3 miljard euro, en naar de middelen die niet in de klas terechtkomen. We moeten die oefening durven maken. Als ik in scholen kom en ik zeg dat we middelen geven voor klassen van 18,5… Dat moet niet één klas met één leerkracht zijn, want ze zijn vrij in de aanwending. Maar als ik de optelling maak, dan kom ik in bepaalde scholen tot de conclusie dat er uren voor iets anders worden gebruikt waarvan iedereen zich afvraagt waarvoor die zijn.

Tot slot, in het kleuter- en het basisonderwijs moeten we heel goed luisteren naar wat mensen op de vloer zeggen. Waar willen ze ondersteuning? Hoe willen ze die graag zien? Geen vorm van paternalisme die momenteel ontstaat: als we middelen geven aan scholen dat er samenwerkingsakkoorden worden gesloten, dat al die middelen worden afgegeven en dat een ander orgaan dan coördineert. Want ik maak mij zorgen over de vrijwilligheid waarmee ze die akkoorden tekenen of niet tekenen.

Kathleen Helsen (CD&V)

Ik wil zelf nog iets zeggen omdat de heer Vandenberghe er mij op heeft aangesproken. Het is duidelijk dat alle fracties vragende partij zijn voor een plan. Ik hoop dat ik u een van de volgende dagen kan uitnodigen om mee te kijken naar een voorstel van resolutie dat we in het parlement kunnen indienen, waarbij er terecht aandacht wordt gevraagd voor de job van directeur en de verloning, maar ook voor de leerkrachten die binnen ons onderwijs aan de slag zijn, en voor de middelen die we toekennen aan het kleuter- en basisonderwijs. Dit moet in de toekomst worden versterkt zodat we een stevig basisonderwijs hebben.

De minister heeft in haar antwoord terecht gezegd – ik ben daar heel tevreden over – dat de ondersteuning van de directeurs belangrijk is en dat het noodzakelijk is dat er wordt gekeken naar de schoolorganisatie, omdat de vraag die vandaag voorligt is hoe we onderwijs maken voor die leerlingen die onderwijs nodig hebben. Die ‘mindset’ hebben we nodig.

De heer De Meyer heeft gezegd dat het soms lang duurt vooraleer er resultaat wordt geboekt in het parlement en dat dat vaak veel tijd vraagt. Ik stel al vele jaren de vraag om bijzondere aandacht te hebben voor de professionalisering binnen onderwijs. Ik vind het cruciaal dat we daarover nadenken binnen een modern HR-management. Koen Marichal van de Antwerp Management School was hier aanwezig. We hebben kunnen vaststellen dat het toch wel interessant is om hier een extern persoon te horen met veel expertise op het vlak van personeelsmanagement. Ik vind het cruciaal dat we kiezen voor een modern management. Veel experten wijzen ons erop dat het niet zozeer van belang is om aandacht te hebben voor diploma's, maar wel voor de competenties die nodig zijn om een school, een organisatie binnen onderwijs te leiden, om als leerkracht een klas te leiden, om dit te managen met aandacht voor de noden van de vele verschillende kinderen. Ik zal blijven beklemtonen dat we daar de nodige flexibiliteit aan de dag moeten leggen en dat we binnen een modern beleid aan de slag moeten gaan en niet het beleid moeten voortzetten dat we in het verleden hebben gevoerd.

Minister Hilde Crevits

Er is heel veel gezegd en dat is goed, want het toont aan dat iedereen oprecht bekommerd is over de toekomst van ons basisonderwijs.

Ik start met een kleine opmerking ten aanzien van mevrouw Gennez. Toen ik de heer Vandenberghe hoorde, was ik heel constructief maar toen ik uw tussenkomst over de muizenstapjes hoorde, werd ik bijna weer heel zenuwachtig. Ik aanvaard dat echt niet. U bent zolang verantwoordelijk geweest op de post Onderwijs en toch slaagt u erin om hier weer te komen zeggen dat het niets is, dat het weinig is. Wel, had het dan verdorie zelf gedaan! U hebt niets gedaan toen u de bevoegdheid Onderwijs had. U komt hier dan van uw neus maken dat wat we doen niet genoeg is. Ik vind dat niet oké. Ik hou meer van een houding om te kijken naar de toekomst, zoals de heer Vandenberghe heeft gedaan.

Als we hier de vinger niet meer op de wonde mogen leggen en de signalen uit het werkveld niet meer mogen aanbrengen… In het verleden zijn er ook stappen vooruitgezet en nu zet u ook muizenstapjes vooruit. Dat wordt erkend. U hoeft niet zo gepikeerd te reageren op tussenkomsten van parlementsleden.

Minister Hilde Crevits

Ik heb wel het recht om mijn emoties te laten blijken. Niemand heeft hier het woord ‘muizenstapjes’ genoemd, behalve u als tweede van uw fractie. De eerste van uw fractie heeft dat niet gedaan. (Opmerkingen van Caroline Gennez)

Ik ben het daar niet mee eens en het is mijn recht om het daar niet mee eens te zijn. (Opmerkingen van Caroline Gennez)

Misschien moet u dan eens binnen uw fractie proberen één lijn te vinden. Dat zou ook al interessant zijn.

Mevrouw Gennez, dat is dan kritiek op de heer Vandenberghe. (Opmerkingen van Caroline Gennez)

Indien grenzen worden overschreden, moet ik soms duidelijk zijn. Ik ben wel vaker duidelijk. (Opmerkingen van Ann Brusseel en van Caroline Gennez)

Mijnheer Vandenberghe, u hebt verwezen naar het onderzoek van professor Devos en gevraagd wat de meerwaarde is. Ik probeer dit nog eens te duiden. Voor dit onderzoek zijn 67 directeurs vrij intensief bevraagd over de voor- en nadelen. Een aantal zaken wisten we al, maar een aantal zaken wisten we nog niet en kunnen we in de toekomst gebruiken.

Eigenlijk zijn drie groepen schoolleiders bevraagd. De eerste groep bestaat uit de schooldirecteurs met een heel stabiele loopbaan. In het onderzoek worden zij als sterk omschreven. De tweede groep bestaat uit de directeurs van scholen met een groot verloop. Soms gaat het om drie directeurs in een schooljaar. Zij zijn apart bevraagd. De derde groep bestaat uit de directeurs die met een heel kwetsbare leerlingenpopulatie werken. Dat is voor mij ook heel nuttig. Sommigen leggen, al dan niet uit onwetendheid, snel de link dat de directeur van een school met veel kwetsbare leerlingen het sneller niet meer zal zien zitten. Daarom is die groep apart ondervraagd.

Mevrouw Krekels, u hebt terecht gesteld dat het mensen van goede wil zijn die hun job heel graag doen, wat we niet mogen misbruiken. Zeker in basisscholen met veel directiewissels zien we dat het aantal burn-outs hoger is. Hetzelfde geldt voor de symptomen van burn-outs die niet worden toegegeven, maar die duidelijk worden als dieper wordt gegraven. Ik heb dat in antwoord proberen te zeggen. Zowel leerlingenteams als leerlingen en ouders kunnen voor stress zorgen. Het is tegelijkertijd een bron van grote vreugde en van grote stress. Dit is afhankelijk van de situatie en van hoe een directeur zich voelt.

Alle directeurs ervaren, zonder uitzonderingen, hun takenpakket als bijzonder uitgebreid. Hierdoor hebben ze een beetje het gevoel dat ze continu aan het werk zijn zonder ooit helemaal rond te geraken. We moeten proberen tot een gezonde balans te komen. Wat de waardering voor het beroep betreft, herhaal ik dat de goede verloning een prioriteit is. Als het om het welbevinden gaat, is dat niet prioritair. Het is echter wel een bron van frustratie die we hebben proberen weg te werken.

Mevrouw Gennez, met betrekking tot de stappen die we voor directeurs hebben gezet, hebt u gezegd dat het voor veel directeurs beter wordt en dat er voor veel directeurs niets verandert. U hebt het niet goed gelezen. Voor de directeurs met minder dan 100 leerlingen hebben we beslist dat 152 directeurs 6 in plaats van 10 uur moeten lesgeven en dat 3 directeurs 10 uur in plaats van 14 uur moeten lesgeven. We hebben het aantal lesuren voor de directeurs die nog les moeten geven met 4 uur verminderd. Er is voor iedereen beterschap, van de eersten, die nog geen vrijstelling hadden, tot de laatsten. We maken de directeur van een school met 20 kinderen niet volledig lesvrij. We hebben wel het aantal te geven lesuren met 4 uur verminderd.

Wat de onderzoekers ook stellen, is dat de directeurs van scholen met een heel kwetsbare populatie heel veel voldoening en enthousiasme uit hun werk halen. De oppervlakkige link die kan worden gelegd omdat het met veel kwetsbare kinderen moeilijker en lastiger zou zijn, wil ik tegenspreken. Dit is geen argument om te stellen dat het werk veel minder aangenaam zou zijn.

We zien wel dat veel tijd aan administratieve taken wordt besteed en dat over een gebrek aan autonomie wordt geklaagd. Ik kan me verplaatsen in het gevoel dat iemand denkt geen autonomie te hebben, maar eigenlijk is die autonomie veel groter dan ze zelf denken. Ik wil eerlijkheidshalve vermelden dat de onderzoekers stellen dat die directeurs ook niet altijd goed kunnen delegeren. Het mes snijdt langs twee kanten. Ook dit is een leerproces.

Bij de start van hun carrière hebben bijna alle schooldirecteurs een aanvangsbegeleiding gekregen. Mijn persoonlijke mening hierover is gekend. Verschillende Vlaamse volksvertegenwoordigers hebben hierover vragen gesteld. Ik vind dat we dit ten gronde moeten bekijken.

Er zijn opleidingen voor directeurs, maar ik heb die vraag ook aan de sociale partners gesteld. Een leerkracht kan denken dat het misschien wel iets voor hem is directeur te worden. De vraag is dan of hij op voorhand een opleiding kan volgen, waar hij die opleiding kan volgen en hoe dat verloopt. Iedereen krijgt een opleiding, maar vaak pas op het ogenblik dat hij directeur wordt. We zien dat mensen afhaken omdat ze vinden dat het niets voor hen is. Ze dachten dat het anders zou zijn. We zouden tot iets moeten komen, maar de werkgroep schoolleiderschap is geactiveerd.

Mevrouw Brusseel, u hebt gevraagd hoe dat dan zit. Het zal heel eenvoudig zijn. Een tijd geleden hebben we die werkgroep in het leven geroepen. Vervolgens is er een cao gekomen, en dan hebben we het debat over de loopbaan gevoerd en de tijdsbesteding onderzocht. We beschikken nu over de studie van professor Devos. Er zit niets achter verdoken. We hebben nu alle elementen om de werkgroep tot conclusies te laten komen.

Eigenlijk deel ik de wens om tot iets eenvormigs te komen. We kunnen het daar later nog over hebben, maar ik ben geen fan van een overheid die een nieuwe hogeschoolopleiding tot directeur invoert. Ik denk dat het goed zou zijn dit samen met het werkveld te bekijken. We kunnen hierover van gedachten wisselen, maar dat er misschien wat verbetering kan komen, is een goede zaak.

Mijnheer De Ro, misschien heb ik me verkeerd uitgedrukt in mijn antwoord op uw vraag over de koepels en de scholengemeenschappen. Het gaat om twee maatregelen. Ik heb reeds gezegd dat het bedrag van 500.000 euro niet zomaar naar de koepels gaat om de potjes van iedereen te vullen en in iets speciaals te laten investeren. Voor mij hangt dit samen met de discussie over het leraarschap. Het zijn eenmalige middelen, maar we moeten tot iets goed komen. Daarnaast is er het bedrag van 9 miljoen euro. Die middelen moeten eigenlijk over de scholen worden verdeeld, maar in het voorstel van regelgevend kader staat dat het geld binnen elke scholengemeenschap moet worden samengevoegd. Het geld gaat naar de scholen op basis van het leerlingenaantal, maar ze moeten het in de scholengemeenschap samenleggen. Dan kunnen ze er iets mee doen.

De controle valt onder de normale controle van de werkingsmiddelen. Zoals ik daarnet al heb verklaard, zal het lokaal onderhandelingscomité moeten beslissen waarvoor de middelen worden aangewend. Ik denk dat geen enkele partner in het sociaal comité er niet op zal toezien dat de middelen in de klas terechtkomen. Ik erken dat het soms slechts voor een paar uur zal zijn, maar ze kunnen er al iets mee doen.

Het zijn eenmalige middelen en dat was voor mij een moeilijke afweging. Geven we het voor iets in de klas of kopen we er iets mee? Hoewel het om eenmalige middelen gaat, wil ik er toch iets mee doen in de klas. Daarom heb ik die keuze gemaakt. We zullen zien wat ze er effectief mee doen. Dit is voor mij echt van belang.

Mijnheer Daniëls, over de opmerkingen over de cao hebben we het al uitgebreid gehad. Ik ga daar nu niet dieper op in. We moeten op dat vlak van mening kunnen verschillen. Ik heb begrepen dat u het liever anders had gezien.

Ik zeg dat niet als persoon, maar vanwege de signalen die ik uit het werkveld heb gekregen.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Daniëls, maak u geen zorgen. Ik was niet van plan te zeggen dat de Vlaamse Regering het heeft goedgekeurd. Ik maak echter de omgekeerde redenering. Indien we dit niet hadden gedaan, zou onderwijs de enige sector zijn met een cao waarin geen loonmaatregelen worden genomen. Het kot zou ook te klein zijn geweest. (Opmerkingen van Ann Brusseel)

Mevrouw Brusseel, dat laat ik voor uw rekening.

We beschikken over 108 miljoen euro. Wat trouwens veel te weinig wordt vermeld, is dat we er in het licht van de cao nog in zijn geslaagd nog eens 50 miljoen euro meer te mobiliseren voor de versterking van de omkadering van de directeurs in het basisonderwijs.

Dit is ongezien. Vroeger vielen die middelen uit de begroting in de oceaan van de ongebruikte middelen. De Vlaamse Regering is er nu mee akkoord gegaan die middelen in de toekomst te laten gebruiken. Ik denk dan aan het opsparen van vakantiedagen. Indien een schooldirecteur geen vervanger voor een bepaalde leerkracht vindt, zou hij vroeger die middelen naar de algemene middelen hebben zien gaan. Nu kan hij ze opsparen en later inzetten om gedurende een maand in vervanging te voorzien. Dat is fantastisch. De Vlaamse Regering is hiermee akkoord gegaan. Dit komt bovenop de middelen waarin wordt voorzien in de cao.

Ik vind dat een uitstekende zaak, maar nog eens, we hebben dat hier al zeer uitgebreid aan bod laten komen.

Wat het plan basisonderwijs betreft, ligt alles op tafel, als je het mij vraagt. De rondetafels zijn, wat mij betreft, niet bedoeld om opnieuw studies en onderzoeken te doen, maar om concreet te gaan. Ik zou graag tegen het zomerreces klaar zijn. Ik denk dat het tijd wordt om te landen.

Er zullen drie grote blokken maatregelen zijn. Het eerste blok gaat over de historische ongelijkheid in werkingsmiddelen tussen kleuter- en lager onderwijs. Daar moeten we niet zoveel meer rond onderzoeken. Wat mij betreft, kunnen we wel eens nagaan hoe die middelen worden ingezet. Geen probleem. Dat is het eerste blok.

Het tweede blok maatregelen gaat over de schoolorganisatie. Ik spreek dus niet over de positie van de directeur, maar wel over de organisatie binnen de school waar je heel wat goed kunt doen.

Het derde blok maatregelen – collega Meuleman, daar zit uw zorg over wat vandaag in de krant staat – gaat over de leerkracht in de klas en wat extra nodig is. Er zijn een aantal zaken die samenhangen met het tijdsbestedingsonderzoek. Het zal nog niet klaar zijn tegen de zomer. U weet dat veel leerkrachten nu volop aan het invullen zijn wat ze allemaal doen, maar een aantal zaken hangen er niet mee samen zoals uw voorbeeld van hoe je daarmee omgaat. Het heeft dus een inhoudelijk facet bijvoorbeeld rond de splitsing van de leergebieden en hoe scholen daarmee omgaan. Dat zit daar dus in. Ik denk dat we voldoende inhoudelijke insteken hebben, en dan is er een budgettair meerjarentraject dat je nog moet maken.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik had geen onderzoek gevraagd.

Minister Hilde Crevits

Neen, maar u had graag een eerste inzage van de resultaten van de rondetafels gezien tegen de zomer, en voor mij zou het plan eigenlijk klaar moeten zijn. Ik kan nog niet beloven dat het zo zal zijn, maar ik denk dat er zoveel materiaal klaar ligt dat we er, zeker als uw resolutie er ook komt, ongeveer zouden moeten kunnen geraken. Dat wat de timing betreft.

De opmerkingen van de collega's van de N-VA rond de 18,5 ken ik. Hoe kiezen scholen? Hoe worden de middelen ingezet? Wat is het verschil met de OESO-norm? In sommige scholen is er ook administratief personeel, ook paramedisch personeel. Wij kennen de middelen wel toe op basis van de norm 18,5 in de lagere school. Dat weten jullie ook.

Collega Krekels, het tijdsbestedingsonderzoek zal vermoedelijk rond zijn in het najaar. Het zal heel wat interessante informatie geven. Het is niet verlaat, de timing was zo afgesproken.

De werkgroep schoolleiderschap zit binnen de sociale partners en is inderdaad wat inactief geweest omdat men het onderzoek van professor Devos wilde afwachten. Ik begrijp dat, maar men kan er nu ook mee aan de slag. Deze week heb ik ook de directeursverenigingen apart ontvangen. De formele vertegenwoordiging – de werkgevers en werknemers moeten ook de directeurs mee verdedigen – zijn de sociale partners.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Ik heb niets toe te voegen.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Collega Daniëls zei dat we vooral rekening moet houden met wat het werkveld zegt, maar ik denk dat er al heel veel gesprekken met het werkveld zijn geweest en dat die ook verwoord zijn in onze resoluties.

Ik wacht met heel veel openheid op het voorstel om samen te komen.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, ik heb nog een paar kleine dingen. U sprak over de drie blokken van het plan basisonderwijs en over het derde blok dat zou gaan over de leerkracht in de klas. Misschien is het interessant om de onderzoekanalyse of wat u ook ging doen rond die 15 procent die niet voor de klas staat, ineens mee te nemen in het derde luik zodat we er een goed zicht op hebben.

Verschillende collega’s hebben gewezen op het belang van een degelijke directeursopleiding. We gaan daar toch echt een discussie over moeten voeren. U sprak over de schoolwerkgroep met de sociale partners, u sprak over het onderzoek van professor Devos, maar misschien is het interessant om ook nog andere experten aan het woord te laten in die groep, in samenspraak met de sociale partners, zodat we ook nog andere insteken kunnen meenemen.

De planlast en het beleidsvoerend vermogen dat er een invloed op kan hebben, zullen we verder opvolgen en proberen verder in te dijken. Het is belangrijk om alle niveaus mee te nemen zoals het CLB, de ondersteuningsnetwerken, de klas, het beleid.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Collega's, woorden kunnen waardevol zijn, maar ik zie nog liever daden, zoals op 30 maart.

Minister, ik hoop, en ik ben er eigenlijk van overtuigd, dat naast de stappen die reeds gezet zijn, de komende maanden er nog wel opportuniteiten zullen zijn om opnieuw belangrijke goede maatregelen te nemen voor ons basisonderwijs.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.