U bent hier

De voorzitter

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Voorzitter, minister, zowel De Lijn als het departement Mobiliteit en Openbare Werken willen hun mobiliteitsaanbod openstellen voor zo veel mogelijk mensen, inclusief mensen die zelf een mindere toegankelijkheid hebben. Die opdracht is terug te vinden in de meest recente beleidsbrief van u, minister, onder de structurele doelstelling 2, operationele doelstelling 8: Netwerken die ook toegankelijk zijn voor personen met een beperkte mobiliteit.

Ikzelf, en bij uitbreiding de hele CD&V-fractie, vinden dit een heel belangrijk gegeven van uw beleidsbrief. Toegankelijkheid moet 100 procent vanzelfsprekend zijn voor het grootste deel van de vervoerde personen. Dit blijkt echter niet vanzelfsprekend te zijn. Er werd beloofd om noodzakelijke informatie voor slechtzienden of minder mobiele mensen te verstrekken op de vernieuwde routeplanner van De Lijn. Die info werd op 16 november 2017 online gezet.

De vanzelfsprekendheid van deze info is echter niet wat wij hadden verwacht. De site van De Lijn geeft aan de gebruikers inderdaad de desbetreffende toegankelijkheidsinformatie, maar die wordt niet standaard getoond. Die informatie moet eerst in een tabblad worden opgevraagd, waarna er kan worden aangeduid om de toegankelijkheidsinformatie te krijgen voor ofwel een visuele beperking ofwel een motorische beperking. Pas dan, nadat je die informatie moet opvragen, wordt er in de routeplanner een icoontje geplaatst naast de haltenaam. Niet voor zowel visueel als motorisch, maar slechts voor één van die twee gevallen wordt er dan een icoontje geplaatst. Indien de halte niet toegankelijk is, wordt er gewoonweg niets getoond.

Dat deze standaardiconen, die relevant en zelfs interessant kunnen zijn voor iedereen en zeker niemand kunnen storen, niet als vanzelfsprekendheid worden aangenomen in het systeem, lijkt me niet conform met de doelstellingen die wij en De Lijn hebben uitgeschreven. Mensen met een beperking worden op die manier opnieuw in een hokje gezet. In plaats van die informatie te normaliseren, moet het systeem voor hen toch weer anders en moeten ze een extra inspanning leveren om die informatie uiteindelijk te krijgen.

Het gaat hier echter om basisinformatie die standaard zou moeten zijn voor iedereen, om de dienstverlening zo kwalitatief mogelijk te maken voor het grootste deel van de gebruikers en die dienstverlening ook zo te verzekeren. Basisinformatie mag geen uitzonderingsinformatie zijn.

Mensen die zowel informatie nodig hebben voor een visuele als motorische beperking, blijven in de kou staan. Indien deze informatie standaard zou worden getoond, kunnen nochtans meer mensen gebruikmaken van deze informatie, ook toeristen, voor wie informatie op de site opzoeken minder gemakkelijk is dan voor onze eigen inwoners, die de taal machtig zijn. Bovendien worden mensen zich dan misschien ook meer bewust van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer – toch ook een heel mooi streven.

Minister, hoe staat u tegenover deze problematiek? Wordt de informatieverlening binnen de vernieuwde routeplanner als voldoende beschouwd en in overeenstemming met de doelstellingen van de Vlaamse Regering?

Is er overleg geweest met de representatieve organisaties, zoals Enter vzw, en zijn hun suggesties opgenomen bij de vernieuwing van de onlinedienstverlening van De Lijn?

In hoeverre is er al tegemoetgekomen aan de operationele doelstellingen uit de beleidsbrief? Welke maatregelen zitten er nog aan te komen?

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Ik heb resoluut ingezet op de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, op verschillende niveaus. Ik tracht dat te doen in nauwe betrokkenheid van de mensen met een beperking zelf.

Ik heb op dat vlak een soort adviesgroepje opgericht, met mensen met diverse beperkingen, waarbij wij elkaar op regelmatige basis zien, normaal gezien altijd rond de zomer. Anderzijds wordt dat groepje van mensen bijvoorbeeld ook betrokken bij offertes. Wanneer De Lijn bijvoorbeeld nieuwe bussen bestelt, worden die mensen ook betrokken. Zo kunnen zij heel concreet inspraak hebben en zeggen: ‘Misschien pas je dat ontwerp of die offerte beter aan in die zin, in functie van de toegankelijkheid.’

Wat de informatie op de website van De Lijn betreft, kun je daar inderdaad de afweging maken tussen twee opties. Moet je de toegankelijkheidstatus van de haltes altijd tonen, in de bulk van de informatie? Of moet je dat als gepersonaliseerde info meegeven indien de klant dit vraagt?

We hebben voor de uitbouw van die website geen eigen expertise inzake user design en user experience gebruikt, we hebben daarvoor een beroep gedaan op externe specialisten. Het betrokken bureau heeft sterk gefocust op eenvoud en helderheid. Ze hebben zich zoveel mogelijk gericht op het aanbieden van informatie op maat.

Vanuit deze visie leek de tweede optie voor de weergave van de toegankelijkheidsstatus het meest aangewezen. Men is daar dan van vertrokken, maar heeft dit opnieuw via een extern bureau onderworpen aan een onafhankelijke gebruikersbevraging. Zo wou men die optie aftoetsen.

Voor de bewuste twee opties werden simulaties uitgewerkt waarbij beelden werden gegenereerd. Uit het onderzoek bleek dat de voorkeur van de bevraagde gebruikers openlijk uitging naar het vooraf aangeven of de TGI dient te worden getoond en zo ja voor welke beperking, waarna dan enkel de gevraagde informatie wordt getoond.

De argumenten die daarvoor het meest werden aangehaald, zijn de volgende. Het is visueel duidelijker, want anders verzuipt dat een beetje in de bulk van de andere informatie. Indien de halte toegankelijk is, wordt dit aangegeven met één icoon op het parelsnoer. De TGI staat centraal in het parelsnoer. Als de info altijd zou worden getoond, zou een combinatie van twee iconen – voor beide beperkingen dus – moeten worden gemaakt, met misschien een overload. Op basis van de resultaten van het onderzoek werd de beslissing genomen om de toegankelijkheidsinformatie van de haltes als gepersonaliseerde info mee te geven. Men doet niet zomaar iets, men is vertrokken van een visie in functie van helderheid en eenvoud. Dit werd bovendien aan een extern panel voorgelegd.

Bij de aanmaak van een profiel onder ‘Mijn voorkeuren’ kan elke reiziger trouwens een keuze instellen inzake de informatie die hij of zij graag afgebeeld ziet. Je kan het zelf instellen en dan krijg je altijd onmiddellijk die informatie.

Betreffende het overleg met het middenveld heb ik zelf een gebruikersgroep samengesteld. In deze werkgroep werd de keuze voor de informatieweergave trouwens ook uitgebreid besproken.

Bij De Lijn zelf wordt bovendien aanvullend – dus buiten deze gebruikersgroep – op regelmatige basis overleg gepleegd met Gelijke Kansen in Vlaanderen en met Inter, het agentschap Toegankelijk Vlaanderen waarin Enter is opgegaan. Voor haar dienstverlening inzake toegankelijkheid heeft De Lijn een specifieke samenwerkingsovereenkomst met Inter afgesloten.

Betreffende de realisatie van de operationele doelstellingen rapporteer ik jaarlijks.  Eind 2017 was 95 procent van de bussen toegankelijk. Bij de trams was dat 53 procent. Die toegankelijke trams zorgen wel voor 70 procent van de dienstverlening op de sporen. Dat zijn onder meer de grote nieuwe Albatrossen. Ook al is maar 53 procent toegankelijk, die stellen zorgen voor 70 procent van de dienstverlening. Conform de beheersovereenkomst zullen tegen 2020 alle bussen toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers, bij de trams is 85 procent toegankelijk tegen 2025. Dat is een duidelijke doelstelling.

We bouwen dit fasegewijs op. Er worden nieuwe bussen in dienst genomen. Het aandeel toegankelijke bussen zal tegen eind 2018 toenemen tot 96 procent. Dat is slechts 1 procent, maar dat komt doordat het gros van de nieuwe bussen pas kan worden ingezet met nalevering, en in de praktijk wordt dat dan 2019. Dan gaan we een serieuze sprong kunnen maken.

Als het gaat over de trams, is er in 2018 ook het verder uit dienst nemen van die oude PCC’s en de vervanging, meestal, met nieuwe albatrostrams. In 2018 gaan we echter ook nog iets anders doen: we bekijken de retrofitaanpassing van de hermelijntrams. Nu zijn die in veel gevallen eigenlijk niet toegankelijk voor personen met een beperking. We laten onderzoeken of we die toegankelijk kunnen maken door technische aanpassingen aan de hermelijntrams, natuurlijk tegen een extra prijs. Die hebben nu wel een lagere drempel, maar geen oprijplaat en geen rolstoelplaats. Mocht dat mogelijk zijn, dan maken we voor de trams onmiddellijk een sprong van 10 procent. Dat moet echter blijken uit het onderzoek dat we nu voeren.

In 2018 gaan we ook van start met een proefproject met elektrisch bediende oprijplaten voor een beperkt aantal voertuigen. Nu is dat manueel. We bekijken of die technische toepassing ook werkt.

Het belangrijkste is natuurlijk niet zozeer het rollend materieel. Wat dat betreft, is er sprake van een goede evolutie. Dat hebben we ook zelf in handen. Wat we minder in handen hebben, is natuurlijk de toegankelijkheid van de halte-infrastructuur. Dat is de bevoegdheid van de wegbeheerder. Voor de gemeentewegen zijn dat de lokale besturen, voor de gewestwegen is dat het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV). De Lijn ondersteunt de wegbeheerders wel bij het toegankelijk maken van de haltes voor personen met een beperking, en dus de overeenstemming met het rollend materieel. Ook is er assistentie op het vlak van een planmatige aanpak van de toegankelijke halte-infrastructuur, en de expertise wordt ook ter beschikking gesteld.

De nulmeting van de toegankelijkheidsstatus van de haltes is nu volledig afgerond. We hebben de in totaal 36.000 haltes met zogenaamde haltemannen een voor een in kaart gebracht. Vandaar ook die icoontjes. Alle 36.000 haltes zijn in kaart gebracht. Ze hebben allemaal een soort label gekregen, een status met betrekking tot hun toegankelijkheid voor personen met een beperking, ook naargelang het gaat over een visuele beperking, een fysieke beperking of een auditieve beperking.

Om tot een aanvaardbaar aandeel toegankelijke haltes te komen, hebben we een planmatige aanpak vooropgesteld, met de Meer Mobiele Lijnen. Het is altijd mijn doelstelling geweest om, in plaats van in het wilde weg te beginnen met de aanpassing van die 36.000 haltes, te focussen op trajecten die belangrijk zijn, zeker in het kader van het woon-werkverkeer, waarbij we kunnen garanderen dat die tracés voor honderd procent toegankelijk zijn, dus voor honderd procent toegankelijk materieel op elk moment van de dag. Ook moet meer van de helft van de halte toegankelijk zijn. Dat biedt dus een grote zekerheid. Er is dus geen voorafgaande aanmelding of reservatie op die tracés. Dat loopt nu. We hebben zo één tracé per provincie aangeduid. Op vraag van de wegbeheerders wordt er ook een overzicht van de toegankelijkheidsstatus van de haltes op hun grondgebied aangeleverd. We duiden dus ook aan voor de gemeenten wat bij hen het probleem is, welke haltes oké zijn en welke niet. Er zijn er dus echter meer niet dan wel oké. Dat is dus de evolutie in dat dossier, en ik denk dat we dat goed planmatig doen. Ik zou ook sneller vooruit willen gaan, en ik hoop dat dit ook naar aanleiding van de lokale verkiezingen een aandachtspunt wordt. Die 36.000 haltes zijn immers veelal eigendom van de lokale besturen, en in de praktijk kost het dikwijls vrij veel om die aan te passen in functie van de toegankelijkheid, terwijl het gaat over een kleine groep mensen die je bedient, maar het is natuurlijk een uitgangspunt en het is misschien een goede aanleiding om daar in en na oktober 2018 ook op lokaal vlak een prioriteit van te maken.

De voorzitter

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw heel uitgebreid antwoord. Ik ben ook blij om te horen dat er heel veel initiatieven zijn. Zeker uw oproep aan lokale besturen heb ik ook heel goed gehoord. Ik zal die ook binnen onze partij bij al onze lokale mandatarissen nog heel duidelijk laten blijken.

Ik vroeg me af of u ook nog verder initiatieven gaat nemen om onze lokale besturen te sensibiliseren, om aandacht te vragen voor die toegankelijkheid van die haltes.

U haalt aan dat de inventaris is gebeurd, dat alle 36.000 haltes in kaart zijn gebracht. Ik ben heel blij dat dat overzicht er nu is. Gaat dat vanaf nu ook up-to-date worden gehouden, niet alleen met aanpassingen die gebeuren op de gewestwegen, maar ook op de lokale wegen, wanneer lokale besturen aanpassingen doen? Minister, we gaan allebei, denk ik, onze lokale besturen er mee van overtuigen dat die aanpassingen voor toegankelijkheid nodig zijn. Wanneer onze lokale besturen dat ook zullen doen, nadat wij dat hebben gevraagd, zal die inventaris zo worden bijgehouden dat die up-to-date is?

Dan zijn er de mensen die in uw gebruikersgroep zitten. U verwees naar het middenveld. Is Inter daar bijvoorbeeld zelf ook bij betrokken, of is dat een groep die u volledig zelf hebt samengesteld? Het lijkt me heel belangrijk dat, wanneer we een beleid uitstippelen, we daar ook naar kijken door de bril van de minder mobiele mens, dat we dat beleid en die toegankelijkheid zo veel mogelijk gaan normaliseren en niet gaan diversifiëren. Daarom verbaasde het me eerlijk gezegd een beetje dat die keuze werd gemaakt om die informatie pas te tonen nadat die werd opgevraagd. U stelde dat dat was op vraag van de gebruikers zelf, maar ik ben daar eerlijk gezegd zelf een beetje verbaasd over. Ik vermoed echter dat wij die studies ook kunnen verkrijgen en verder kunnen inkijken.

De routeplanner is al een belangrijke eerste stap naar toegankelijkheidsinformatie, maar wat kan er nog gebeuren bij de fysieke haltes en fysiek op de trams en de bussen zelf? Daar staat vooralsnog niets aangegeven wat de toegankelijkheid betreft. Is het niet wenselijk om die iconen, die labels daar ook fysiek aan te brengen, zodat het duidelijk is voor alle gebruikers dat die haltes toegankelijk zijn voor mensen met een motorische en een fysieke beperking?

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Het is vanzelfsprekend de ambitie op dat up-to-date te houden. Sowieso hebben we natuurlijk onze haltemannen, die zich altijd op het terrein begeven, maar idealiter zorgen de wegbeheerders ervoor dat ze melden wanneer ze een inspanning hebben gedaan om die halte toegankelijk te maken. Anders is het een beetje dom dat ze die inspanning hebben gedaan als ze dat niet melden. Dan kan dat ook worden meegegeven bij onze communicatie, bijvoorbeeld op de website in kwestie.

De gebruiksgroep heb ik echt zeer praktisch laten samenstellen. Veeleer dan opnieuw een adviesorgaan met ‘the usual suspects’, namelijk de federaties of verenigingen, zijn dat gewoon mensen die de tram of de bus gebruiken, in dit geval vrijwel dagelijks. Daarbij is er een breed palet aan beperkingen allerhande. Dat is dus gewoon vanuit een zeer pragmatisch oogpunt dat we dat hebben gedaan. Dat was ook naar aanleiding van een colloquium dat net ging over toegankelijkheid. Ik heb dan gevraagd aan De Lijn om diverse van die gebruikers uit te nodigen.

Wat die toegankelijkheidsstatus en de melding daarvan op de website betreft, dat is geen punt van mijn geloof. Uit onderzoek is gewoon gebleken dat dat, vrij breed gedragen, de beste optie bleek te zijn. Dan heeft men dat ook maar gevolgd en afgetoetst. Zowel bij externen als bij de gebruikersgroep kwam dat als beste optie eruit. Dan heeft men dat ook maar als dusdanig opgenomen. Dat lijkt me ook wel wat evident, want we worden overladen met informatie allerhande. Ik denk dat dat ook een goede optie is.

Ik dacht dat het aanbrengen op de tram- of de bushalte zelf de bedoeling was, maar nu brengt u me even aan het twijfelen. Ik dacht echter wel dat we dat niet alleen digitaal zouden doen, maar ook fysiek op alle haltes aanbrengen wat de toegankelijkheidsstatus is. Ik zeg dat echter enigszins onder voorbehoud.

De voorzitter

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Ik informeerde naar die betrokkenheid van het middenveld. Het lijkt me toch ook relevant om het georganiseerde middenveld in dezen ook te horen. Waarom zeg ik dat? Op 30 maart, vlak voor het paasreces, vond de slotdag van de Week van de Toegankelijkheid plaats. Inter organiseerde die slotdag.

Daar is heel duidelijk naar voren gekomen dat veel gebruikers de routeplanner onvoldoende vinden en vragende partij zijn voor informatie over de haltetoegankelijkheid aan de haltes en op de toestellen zelf. Daarom stel ik deze vraag om uitleg. Het lijkt me relevant het georganiseerde middenveld eens te informeren. U moet weten wat bij de grote gebruikersgroep leeft met betrekking tot de toegankelijkheid. Dit is niet iets wat enkel mensen met een fysieke of motorische beperking aangaat, het is voor ons allemaal belangrijk dat De Lijn als openbare dienstverlening toegankelijk is voor al onze inwoners.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.