U bent hier

Commissievergadering

donderdag 22 maart 2018, 10.10u

Voorzitter
van Tine Soens aan minister Hilde Crevits
1283 (2017-2018)
De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, in een recent rapport van UNICEF, dat iedereen wellicht gekregen heeft, liet men migranten- en vluchtelingenkinderen aan het woord. Ook onderwijs kwam daar uiteraard bij aan bod. In 2017 volgden 5263 anderstalige nieuwkomers les in een onthaalklas. Maar dat is niet voor alle kinderen en jongeren even evident. Ze geven onder andere aan dat schoollopen en het leven in een opvangcentrum geen gemakkelijke combinatie is en dat het nog steeds erg moeilijk is om persoonlijke banden met Belgische kinderen en jongeren aan te gaan. OKAN-klassen (onthaalonderwijs voor anderstalige kinderen) zorgen ongewild voor een breuklijn in het schoolgebeuren. Jongeren die bijna 18 zijn, zijn onzeker over hun toekomst, ondanks de aanwezigheid van een coach. Het is voor hen vaak ook onduidelijk wat ze kunnen of moeten doen als ze verder willen studeren of waar ze terecht kunnen als dat ze niet zouden willen.

Velen onder hen zijn niet-begeleide minderjarigen. Zij zijn extra kwetsbaar. Een aantal onder hen hebben in hun thuisland geen of heel weinig onderwijs genoten. Het is daarom niet onlogisch dat een aantal van hen afhaken als ze de hele dag op de schoolbanken moeten doorbrengen.

Bob Pleysier, de ex-directeur van Fedasil en voogd van enkele minderjarige vluchtelingen, legde de vinger op de wonde. Hij stelde het in een interview zeer simpel: “Ongeletterde herderjongens die plots acht uur naar school moeten, dat geeft problemen.” Hij ziet een oplossing in de combinatie van leren en werken, in de plaats van onthaalonderwijs van twee jaar. Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen treedt hem bij in zijn stelling dat de overgang voor hen veel geleidelijker kan verlopen.

We hebben in deze commissie eerder al een gedachtewisseling gehad met Vluchtelingenwerk Vlaanderen over hun visienota ‘Maximale onderwijskansen voor elke vluchteling en asielzoeker’. Ook met de kinderrechtencommissaris komt het thema geregeld aan bod.

Minister, hoe wilt u het onthaal in ons onderwijssysteem van migranten- en vluchtelingenkinderen vergemakkelijken? Is er een opening om het combineren van werken en leren voor deze jongeren te vergemakkelijken?

Op welke manier geeft u gehoor aan de aanbevelingen van Vluchtelingenwerk Vlaanderen? Wat denkt u over het installeren van een platform voor onthaalonderwijs, waarbij alle actoren betrokken worden, van ATN (anderstalige nieuwkomers) en OKAN tot centra voor basiseducatie en NARIC (National Academic and professional Recognition and Information Centre), zodat nieuwkomers vlotter hun weg vinden in ons onderwijssysteem?

In de uitzending van Terzake daarover stelde u dat er een georganiseerd contact is tussen Fedasil en Onderwijs. Hoe vaak vindt dat overleg plaats? Kunt u de laatste werkzaamheden toelichten?

Hoeveel anderstalige kinderen zijn er gemiddeld onder de hoede van een traumapsycholoog? Hoeveel traumapsychologen zijn op dit moment werkzaam voor hen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Bedankt voor uw vraag, collega.

Ik hoop dat u het er allen mee eens bent, collega’s, dat ons onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in Vlaanderen bijzonder sterk is. Ook op internationaal vlak oogsten wij lof. Zowel in basis- als in secundair onderwijs kunnen anderstalige nieuwkomers rekenen op een enorme inzet van leerkrachten en schoolteams om Nederlands te leren, om zich actief te integreren in het schoolleven en in de samenleving. We mogen met recht en reden trots zijn op wat we op dat vlak verwezenlijken in Vlaanderen.

Het is gisteren nog vermeld in de plenaire vergadering dat ik samen met een paar collega’s een bezoek heb gebracht aan de lagere school in Belsele, een school die heel veel anderstalige nieuwkomers opvangt. Collega De Meyer was daarbij. Die school hanteert een zeer specifieke aanpak die toelaat om anderstalige nieuwkomers echt te ontvangen, zichzelf te laten zijn, tot rust te laten komen, te laten vertellen over de trauma’s die ze meegemaakt hebben. Daar zitten ook kinderen bij die heel weinig schoolse achtergrond hebben. Ik heb daar totaal niet ervaren dat kinderen niet geïnteresseerd zouden zijn om naar school te komen, integendeel. Collega De Meyer zal mij kunnen bijtreden. Het was ontroerend om te zien hoe kinderen zich zelfs vastklampen aan de leerkracht en heel graag naar school gaan. De school geeft hun immers een houvast, structuur, een veilige plek. Ze kunnen omgaan met leeftijdsgenoten enzovoort.

Dat stond een beetje haaks, collega Soens, op de aanbevelingen die ik in het OKANS-onderzoek (Cartografie en analyse van het onthaalonderwijs voor minderjarige anderstalige nieuwkomers) had gekregen, waar men zei dat je ervoor moet zorgen dat kinderen zo snel mogelijk bij andere kinderen zitten. Door die aanpak in Belsele, die de kinderen eerst een tijdje de kans geeft om tot rust te komen, boekt de school goede resultaten, ook als het gaat over de doorstroom in de latere jaren. Ze hebben dat ook aangetoond.

Uiteraard heb ik het rapport van UNICEF ook gezien. Daarin lees ik ook een heel positief verhaal. Ik zal een stukje uit het rapport citeren. Want als je naar een rapport verwijst, moet je dat volledig doen. “De kinderen gaan graag naar school. Ondanks de problemen zijn alle kinderen erg op hun school gesteld. Ze houden van de schoolstructuur die hen zekerheid biedt. De school helpt hen om trauma’s te boven te komen en geeft hen hoop voor de toekomst”, staat op pagina 84 van het rapport. Dat is ook exact wat ik zie in Belsele, maar ook in andere scholen waar ik geweest ben.

Ik geef nog een citaat, van een 14-jarig meisje uit Syrië: “Wat voor mij heel moeilijk is, is de school. Ik ben in mijn land nooit naar school gegaan. Ik zou willen dat ze me helpen om goed na te denken over mijn toekomst, zodat ik goed terechtkom. Ik zou willen dat ze me helpen met mijn huiswerk na schooltijd. Het is voor mij heel moeilijk om plannen voor de toekomst te maken. Ik ben bang dat ik niet zal slagen, dat ik het slecht doe op school.” Dat staat op pagina 86.

Op basis van wat ik in dat rapport gelezen heb en de gesprekken die ik tijdens al die schoolbezoeken gevoerd heb met kinderen, vind ik het te kort door de bocht om te stellen dat we kinderen met weinig schoolse achtergrond die de schooldagen te lang vinden, dan maar niet te veel naar school moeten sturen en ze zich zo snel mogelijk met andere zaken moeten laten bezighouden. Ik heb trouwens ook al met professionele voogden gesproken die heel wat jongeren zonder schoolse achtergrond begeleiden en zij geven dan weer aan dat het absoluut geen goed idee is om de jongeren niet of minder naar school te laten gaan.

Wat ik nog lees in het UNICEF-rapport, is dat kinderen meer ondersteuning vragen na de schooltijd, voor huiswerkbegeleiding, maar ook voor mogelijkheden om zich te ontspannen en vrienden te kunnen maken. Op bladzijde 88 staat dat “ontspanning de motor is achter meer veerkracht en betere integratie”.

Collega’s, het is dus echt wel een en-enverhaal. We zullen de handen in elkaar moeten slaan, alle instrumenten moeten zoeken om goed samen te werken met alle diensten die actief zijn in de opvang en in onderwijs om jongeren goede toekomstperspectieven te bieden. Dat is ook aan bod gekomen in een gesprek dat op mijn kabinet plaatsvond met Bob Pleysier. Naar aanleiding van zijn opiniestuk was hij, samen met de bevoegde staatssecretaris, uitgenodigd op mijn kabinet om hierover in gesprek te gaan. Dat is ook wat ik destijds gezegd heb in Terzake, naar aanleiding van het opiniestuk. We zetten sinds het begin van deze legislatuur heel fors in op samenwerking. Later, bij uw derde vraag, zal ik daarbij nog een woordje extra toelichting geven.

Mevrouw Soens, dat de opvang niet altijd van een leien dakje loopt en dat er knelpunten en noden zijn, daarmee ben ik het wel eens. We moeten altijd zoeken hoe we de dingen beter kunnen maken.

Maar eerst wil ik nog kort ingaan op uw vraag om de combinatie van leren en werken te vergemakkelijken. Want dat is ook de vraag van Bob Pleysier. We hebben het hierover al gehad in het kader van vraag om uitleg 510 van mevrouw Krekels over de monitoring van de middelen voor de vervolgschoolcoaches. Die vraag is op 11 januari van dit jaar behandeld in commissie.

Collega’s, leren en werken is vandaag toegankelijk voor deze jongeren. Anderstalige nieuwkomers kunnen hetzij rechtstreeks instappen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso), hetzij na het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het voltijds gewoon secundair onderwijs doorstromen naar het dbso. In januari heb ik nog aangegeven dat de toeleiding naar het dbso slechts beperkt is. We zien in de cijfers dat, ondanks de mogelijkheid die bestaat, er heel weinig jongeren worden toegeleid naar dbso. En dat geldt nog meer voor anderstalige nieuwkomers die rechtstreeks instappen in dat dbso.

We zien nu wel een stijging van het aantal leerlingen die vanuit OKAN doorstromen naar het dbso. Ik geef u de cijfers mee. In het schooljaar 2015-2016 en in vorig schooljaar ging het nog om 6,5 procent van de leerlingen die het voorgaande schooljaar in OKAN les volgden. Dit schooljaar steeg het aandeel OKAN-leerlingen dat het jaar nadien les volgt in dbso sterk, tot 14 procent. We zien daar dus wel een sprong. Dat is een stap in de goede richting. Ik heb ook vertrouwen in het werk dat onze vervolgschoolcoaches verrichten. Zij begeleiden en oriënteren gewezen OKAN-leerlingen op de best mogelijke manier en begeleiden hen naar de studierichting die het best bij hen past.

Mevrouw Soens, in verband met de aanbevelingen van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, geeft u zelf terecht aan dat we in deze commissie al met Vluchtelingenwerk Vlaanderen een gedachtewisseling hebben gehad. Dat gebeurde naar aanleiding van het OBPWO-onderzoek (onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek), het OKANS-onderzoek waarnaar ik al verwezen heb en het debat over het onthaalonderwijs dat we hebben gevoerd. De aanbevelingen van Vluchtelingenwerk Vlaanderen hebben samen met dat OKANS-onderzoek en de aanbevelingen van de onderwijsinspectie een aantal insteken gegeven voor het participatief traject dat wij met alle actoren aan het lopen zijn.

Op 21 november vorig jaar zijn we gestart met een studiedag waarop alle OKAN-actoren aanwezig waren. Op basis van de output van deze studiedag en van alle andere insteken, waaronder de insteek van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, maar ook het OKANS-onderzoek en de rapporten van onze onderwijsinspectie, werkt mijn administratie nu verder. En nog voor het zomerreces moet dat uitmonden in een actieplan om het onthaalonderwijs in het basis- en het secundair onderwijs te versterken. Daar zetten wij met OKAN-actoren onze schouders onder.

Nogmaals, het is niet mijn bedoeling om het warm water opnieuw uit te vinden. Ik vind dat ons OKAN-onderwijs goed is georganiseerd. We hebben al een aantal maatregelen ter versterking genomen. Maar waar het wat beter zou kunnen, moeten we dat natuurlijk ook doen. En het is van belang dat we de vinger daar echt aan de pols houden. Ik kijk ook uit naar de toekomstverkenning over het onthaalonderwijs die in de schoot van de Vlaamse Onderwijsraad tot stand komt. We zijn daar nu mee bezig.

Op 25 mei, dus binnen enkele weken, organiseer ik een terugkomdag, het vervolg op de studiedag van november 2017. We doen die dag een terugkoppeling naar alle OKAN-actoren. En die dag zal ook in het teken staan van professionalisering, expertisedeling en netwerking.

Mevrouw Soens, het is moeilijk om nu vooruit te lopen op de oefening die onze administratie maakt. Maar ik denk dat het heel wenselijk is om zeer sterk in te zetten op bestaande lokale en bovenlokale partnerschappen eerder dan op het oprichten van een nieuw platform. Als het gaat over kennisdeling, ben ik het daar wel mee eens. Maar dat is net wat we aan het doen zijn: we brengen alle OKAN-actoren samen. We hebben een studiedag en een terugkomdag. Het is de bedoeling om volop in te zetten op kennisdeling. Dat kan perfect op een platform. We hebben die platformen trouwens ook. U weet dat we KlasCement hebben, waarin je perfect een luikje kunt voorzien – misschien is er daarin al voorzien? – rond kennisdeling over alles wat rond OKAN draait. 

U vraagt naar de contacten tussen Fedasil en onderwijs. Onder impuls van die verhoogde instroom van vluchtelingen hebben we heel sterk geïnvesteerd in de samenwerking met alle actoren die betrokken zijn bij de opvang.  Collega’s, toen ik minister van Onderwijs werd, bestond er niets van gestructureerd overleg. Ik ben dan zelf gestart met een coördinerend overleg over vluchtelingen en onderwijs. Ik zit dat zelf voor. En als ik er zelf niet ben, dan is het mijn kabinet dat dat voorzit.

Dit coördinerend overleg heeft als doel het uitwisselen van informatie, het van nabij opvolgen van signalen en het maken van afspraken. Het overleg werd geïnstalleerd naar aanleiding van de verhoogde instroom. Ondertussen zijn wij al zeven keer samengekomen. Aan dit overleg nemen Fedasil mee, net als vertegenwoordigers van de onderwijskoepels, het GO!, de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s), het Rode Kruis, mijn administratie, het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI), het Departement Onderwijs en Vorming, de Onderwijsinspectie, het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS), het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION), de beleidsdomeinen Welzijn, Binnenlands Bestuur en Kanselarij, het Agentschap voor Integratie en Inburgering en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG).

Het overleg kwam in 2017 twee keer samen. Het kabinet van staatssecretaris Francken is daar ook steeds op uitgenodigd en participeert daaraan. Op 26 maart 2018 staat er een nieuw overleg op de agenda. Die dag komt de Dienst Vreemdelingenzaken uitleg geven bij zijn procedures en aanpak.

U weet dat ik zelf zorgen heb over het moment waarop de scholen worden verwittigd van wie er komt. Op het moment dat de bus al aan het rijden is met de mensen, moet je snel weten wie er is, zodat je je kunt voorbereiden. Al deze praktische zaken worden door scholen meegegeven. We zoeken uit of het mogelijk is om, zonder de privacyregels te breken, een oplossing te vinden voor zoveel mogelijk mensen.

Het overleg met Fedasil evolueerde van een ad-hocoverleg naar een structureel overleg dat minstens driemaandelijks samenkomt. Dat is bijzonder nuttig. We hebben daar al enorm veel uit geleerd. Dit overleg kwam dit schooljaar al drie keer samen: op 19 oktober en 14 december 2017 en op 5 februari 2018. Tijdens dat overleg worden de ontwikkelingen binnen het opvangnetwerk besproken, met bijzondere aandacht voor de impact ervan op het onderwijslandschap en de onderwijsloopbanen van de leerlingen. Verhuisbewegingen binnen het opvangnetwerk zijn een vast aandachtspunt. Ook nieuwe ontwikkelingen, zoals verhuisbewegingen naar aanleiding van hervestiging en de implicaties hiervan op de scholen, komen aan bod. Andere thema’s die aan bod komen, zijn de uitwisseling van informatie tussen scholen, waarover we het hier al hadden, of opvangvanginitiatieven, individuele vragen van scholen over de financiering van de schoolkosten van leerlingen, de ondersteuning van de aanspreekpunten binnen Fedasil, enzovoort.

Het is zeker mijn intentie om ook met de Dienst Vreemdelingenzaken tot een gelijkaardig structureel overleg te komen, om nog beter de vinger aan de pols te kunnen houden over schoolgaande kinderen die nog in een procedure zitten.

Tot slot, er vond vorige vrijdag een tweede uitwisselingsmoment plaats tussen Onderwijs en Fedasil. Bijna tweehonderd mensen schreven zich in en kwamen naar dit uitwisselingsmoment. Dat moment is superinteressant. Het feit dat zoveel mensen ernaartoe komen, toont aan dat er vraag is naar expertisedeling en informatie-uitwisseling – waar u terecht naar verwijst, mevrouw Soens – maar ook dat men er wel degelijk belang aan hecht. Tijdens de workshops was ook heel duidelijk merkbaar dat we een mindshift doormaken. Ik vind dat positief. De onderwijs- en opvanglogica’s sijpelen als het ware in elkaars domein binnen. Ik hoorde bijvoorbeeld de staatssecretaris vorige week of twee weken geleden zeggen dat als mensen aankomen het logisch is dat ze in een collectief opvangcentrum zitten en niet in een lokaal opvanginitiatief. Vanuit Onderwijs huldigen wij een andere filosofie. Als er mensen met kinderen binnenkomen, is het veel beter dat de kinderen in een lokaal opvanginitiatief verblijven en zeker niet in een collectief centrum. Ondertussen groeit er wederzijds begrip tussen de standpunten, ik denk dat we daar tot een goede oplossing zullen komen. Het dossier ligt nu bij de staatssecretaris. Dat is geen kwade wil, maar elk bekijkt de dingen altijd vanuit zijn eigen logica. Als je met elkaar spreekt, lukt het veel gemakkelijker om gevoeligheden te detecteren.

Naar aanleiding van vraag om uitleg 1099 van de heer De Ro hebben we het twee weken geleden al uitgebreid gehad over de traumabegeleiding van vluchtelingenkinderen door centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s). Mevrouw Soens, ik verwijs naar mijn antwoord. Ik wil wel voor alle duidelijkheid nog eens benadrukken dat de traumapsychologen de begeleiding van asielkinderen met een traumaproblematiek niet overnemen. De traumabegeleiders begeleiden de begeleiders, om hun expertise bij te brengen. Zij staan in voor de netoverstijgende ondersteuning en professionalisering van de CLB’s en scholen, zodat die daarna zelf kunnen instaan voor de zorg en begeleiding van deze leerlingengroep, binnen het bestaande kader van leerlingenbegeleiding en het zorgcontinuüm.

Ik hoop dat u uit dit lange antwoord mijn grote interesse voor het thema kunt afleiden. Ik vind dat we een hele weg aan het afleggen zijn, in functie van het geven van kansen aan wie zwaar getraumatiseerd aankomt in Vlaanderen.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord. Het thema is belangrijk genoeg om heel uitgebreid op te antwoorden. Het komt hier ook regelmatig aan bod. Dat toont aan dat we er met velen mee bezig zijn.

Ik had met mijn vraag niet de bedoeling om ons onthaalonderwijs in een slecht daglicht te stellen. Ik denk dat iedereen weet dat het vandaag al heel sterk is, dat daar heel geëngageerde leerkrachten aan het werk zijn. Maar ze geven ook zelf aan dat ze echt wel nood hebben aan extra opleidingen en extra vorming om die specifieke leerlingen nog beter te kunnen ondersteunen en begeleiden.

Er zijn toch een aantal bezorgdheden. We zien dat er heel erg kwetsbare jongeren zijn die heel erg moeilijk hun weg vinden in ons onderwijssysteem. De vraag is hoe we dat voor die jongeren geleidelijker kunnen laten verlopen, zoals ook de kinderrechtencommissaris vraagt.

Ik ben blij te horen dat er een actieplan komt om het onthaalonderwijs nog te versterken. Minister, u hebt gezegd dat het onthaalplatform er wellicht niet in zal zitten, dat het meer rond kennisdeling zal zitten. Maar volgens mij zou het toch goed zijn om dat te bekijken omdat we zien dat er wel veel informatie is voor jongeren die hier aankomen, maar dat die informatie niet altijd toegankelijk of juist is. Als die jongeren bijvoorbeeld surfen naar de Engelstalige websites van onze hogescholen en universiteiten, zien zij daar dat het inschrijvingsgeld een pak hoger ligt voor niet-EU-studenten. Dat klopt uiteraard wel, maar mensen met een vluchtelingenstatuut vallen onder een andere regeling. Dat staat dan bijvoorbeeld niet op die Engelstalige websites, enkele op de Nederlandstalige. Dat soort zaken zou toch gemakkelijk opgelost kunnen worden met een website waarop jongeren heel gemakkelijk hun weg kunnen vinden.

Ik maak nog even de link met het hoger onderwijs. De Vrije Universiteit Brussel (VUB) heeft vorige maand de verbintenis #WithRefugees ondertekend met de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). Daarmee willen ze nog meer inzetten op vluchtelingen. De VUB is de eerste universiteit die zich daarbij aansluit. Dit jaar hebben ze het programma dat ze al hadden uitgebreid. Nu gaan ze een nog specifieker traject voor vluchtelingen uitrollen, met extra taalondersteuning en extra studiebegeleiding of psychologische begeleiding. Het lijkt me toch goed om ook daarmee rekening te houden in het actieplan voor ons onthaalonderwijs. Dergelijke projecten zouden ook in andere universiteiten en hogescholen opgenomen kunnen worden.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik sluit mij aan bij de dankwoorden van mevrouw Soens voor het uitgebreide en geëngageerde antwoord dat we hebben gekregen van de minister. Minister, ik wil u ook bedanken omdat u in mijn gemeente de OKAN-klas hebt bezocht. Ruim een jaar geleden hebben we samen ook in Dendermonde een OKAN-klas bezocht. Het is telkens een ervaring om zo’n klas te bezoeken. Ik heb groot respect voor de mensen die zich daar engageren: niet alleen in de scholen die we hebben bezocht, maar ook in het algemeen. Ik wou dit toch eventjes in deze commissie uitdrukkelijk formuleren. Ik heb daar ook geleerd dat de OKAN-klas voor deze kinderen hun belangrijkste houvast is in hun nieuwe leven. Dat is heel duidelijk aan bod gekomen tijdens het bezoek dat we daar hebben gebracht.

Minister, gisteren hadden we het over duaal leren. We spraken toen al eventjes over de aanloopfase waarin men voldoende de tijd moet nemen voor leerlingen die het moeilijker hebben. Die anderstalige nieuwkomers vormen zeker en vast zo’n groep. Ik had nog een bijkomende vraag. Moeten we er niet over nadenken en het eventueel overwegen om op termijn ook in de OKAN-trajecten zelf aspecten van werkplekleren in te bouwen? Dit is een suggestie om dit op termijn verder te onderzoeken.

Paul Cordy (N-VA)

Het Online Linguistic Support (OLS) van Erasmus+ staat via Vluchtelingenwerk Vlaanderen ter beschikking van vluchtelingen. In hoeverre wordt dat ook binnen het onderwijs gebruikt? In hoeverre kan het binnen het onderwijs gebruikt worden?

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Soens, ik geef uw voorstellen met betrekking tot het platform door aan de administratie, die nu een aantal voorstellen aan het uitwerken is. Ze stonden er wat kritisch tegenover omdat ze zeiden dat het alweer een platform erbij is. Het zou misschien niet zo handig zijn. En wat betreft die suggestie in verband met die website: ik vind dat die website moet worden aangepast. Je moet overal dezelfde informatie kunnen vinden. Ik houd daar zeker rekening mee. Het is een zeer terechte suggestie. Als je het in het Nederlands vindt, moet je het ook in het Engels kunnen vinden.

Ook het voorstel betreffende de VUB neem ik mee. Mijnheer Cordy en mijnheer De Meyer, met jullie voorstel houd ik ook rekening. Men heeft al een voorstel gedaan om het werkplekleren binnen te brengen. In het lager onderwijs is dat evident: out of question, het kan niet. In het secundair onderwijs zou het kunnen helpen omdat de jongeren daar ook een tijdje apart zitten. Maar veel hangt natuurlijk af van de situatie waarin ze zich bevinden wanneer ze aankomen. Voor zwaar getraumatiseerde jongeren lijkt die kans mij onbestaande. Als het jongeren zijn die capaciteiten hebben om hogere studies aan te vangen, denk ik dat men daar de eerste periode op zal focussen. Maar als het jongeren zijn voor wie een traject in het beroepsonderwijs of technisch onderwijs het beste traject is, kan het zelfs de integratie bevorderen. Ik houd er dus zeker rekening mee.

Ik stel voor dat we de vier suggesties meegeven en dat mijn administratie dan beoordeelt in welke mate dit van toepassing is of niet.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Zodra het actieplan er is, kunnen we hier best een hoorzitting of iets dergelijks organiseren met de verschillende actoren. Het wordt sowieso vervolgd. 

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.