U bent hier

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, u hebt in moeilijke omstandigheden samen met de vakorganisaties en met de werkgevers een voorakkoord bereikt voor een nieuwe cao voor het onderwijs. Mijn waardering daarvoor.

Als we uw persbericht analyseren omtrent de nieuwe cao, dan vallen mij daar vier belangrijke thema's in op. Er komt eerst en vooral een koopkrachtverhoging door een directe loonaanpassing, maar ook door een bijkomende anciënniteitstrap na 35 dienstjaren. Dat laatste is bijzonder belangrijk, zeker als we rekening houden met het feit dat wij ook in de onderwijssector een verlengde loopbaan hebben. Deze anciënniteitstrap heeft ook consequenties voor de pensioenen.

Dan is er de start van de lokale lerarenplatforms. De uitwerking daarvan zal scholen wellicht helpen om hun zoektocht naar vervangers te vereenvoudigen en zal ook meer werkzekerheid bieden aan startende personeelsleden.

Starters in het onderwijs zullen kunnen rekenen op een sterkere aanvangsbegeleiding. Verder zal de aanstellingsperiode in de meeste gevallen kunnen leiden tot een snellere benoeming. Als een school door omstandigheden nog twijfelt of een benoeming wenselijk is, is een uitstel van 200 dagen nog steeds mogelijk.

Als laatste maar zeker niet het onbelangrijkste thema wil men in cao XI vastleggen dat er extra middelen komen voor beleidsondersteuning. Hopelijk is dit een doorstart van de uitwerking van het actieplan voor het basisonderwijs. U weet dat wij pleiten voor een legislatuuroverschrijdend actieplan voor het basisonderwijs. Ondertussen is er reeds een opstart geweest met de verhoging van de werkingsmiddelen voor het basisonderwijs. Het is natuurlijk geen geheim dat de directies basisonderwijs heel sterk uitkijken naar dit actieplan.

Om over een en ander nog meer duidelijkheid te krijgen, heb ik een aantal vragen naar meer concrete informatie in verband met de beleidsmaatregelen die met deze cao samenhangen. Wanneer zullen/moeten de startersplatforms operationeel zijn? Hoe moeten zij georganiseerd worden? Wie neemt hiervoor het initiatief? Wanneer start de verplichte aanvangsbegeleiding voor elke starter? De proefperiode voor de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) wordt korter maar intensiever. Bij twijfels kan die nu 200 dagen verlengd worden en heeft men recht op verlengde en gerichte aanvangsbegeleiding. Aan welke specifieke vorm van begeleiding wordt hier gedacht? Ook voor beleidsondersteuning worden extra middelen vrijgemaakt. Wat betekent dit concreet voor het basisonderwijs? Hoe zien de verdere timing en het actieplan eruit van het resterende gedeelte van het loopbaanpact enerzijds en van het actieplan basisonderwijs anderzijds?

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Aan het begin van deze legislatuur was een van de speerpunten in onderwijs het vinden van een antwoord op de vraag hoe wij het beroep van leraar aantrekkelijker konden maken, zodat meer jongeren in dit beroep zullen starten en onze kinderen degelijk onderwijs geven. Voor wie reeds in het onderwijs werkt en er ook wil blijven en zijn job graag blijft doen, moet de job aantrekkelijk gehouden worden en de jobvoldoening hoog.

Een tijdje geleden op een vrijdag verzamelde de minister de pers rond zich om het ontwerp van cao XI voor te stellen. De minister belooft werk te maken van het uitzoeken van een lerarenplatform, een vervangingspool 2.0. Daarnaast zal zij onderzoeken of de procedure van vaste benoeming vereenvoudigd kan worden en of een verkorting van de aanloopperiode naar benoeming mogelijk is. Zij formuleert ook de belofte iets aan de aanvangsbegeleiding te doen.

We hebben ondertussen zelf de cao kunnen inkijken en er zitten een aantal interessante punten in. Zo staat er bij de opsomming van de verlofstelsels dat scholen die voor minstens 33 procent vacant kunnen verklaren tot maximaal 50 procent. Voor de leerkrachten die in een dergelijk verlof zijn aangesteld en moeten wachten wat er zal gebeuren, is het goed dat de mogelijkheid bestaat om wat zekerheid op dat vlak te creëren. In de cao is duidelijk gestipuleerd dat dit niet wil zeggen dat van wie de job 33 tot 50 procent vacant wordt verklaard, zijn job kwijt is. Minister, misschien kunt u in uw antwoord bevestigen dat men zijn job niet kwijt is als men in een verlosstelsel zit en de plaats 33 tot 50 procent vacant wordt. Ik krijg daar zeer verontruste mails over, om maar te zeggen hoe mensen bang worden gemaakt.

Iets anders is het lerarenplatform, de vervangingspool 2.0. Daar zit veel in om toch enige stabiliteit te creëren voor beginnende leerkrachten, maar ook scholen een platform te geven waar ze terechtkunnen voor vervangingen of bijkomende pedagogische taken.

De verhoging van een barema vanaf de 36e stap is inderdaad een goede zaak.

Ik kom dan bij een punt dat niet onbelangrijk is en dat ik wil aanstippen. Onze Vlaamse leerkrachten, bekeken in internationaal perspectief, worden goed betaald. Ze worden echt goed verloond. Luxemburg verloont nog iets beter, maar in Luxemburg is alles duurder. Onze leerkrachten worden dus goed verloond.

Ze hebben daarenboven baremaverhogingen. En dat is ook goed. De eerste drie jaar is dat elk jaar, en nadien om de twee jaar, dat het loon automatisch stijgt met anciënniteit. Daarbovenop is er ook nog de index, een automatische loonsverhoging. Dat zijn zaken die in onderwijs automatisch spelen en die in schril contrast staan met de privésector, waar die automatismen er uiteraard niet zijn.

Dan komen we bij een groot deel van de cao, zijnde de 85 miljoen van de 108 miljoen euro die uitgetrokken was. We stellen vast dat het overgrote deel van die 108 miljoen euro wordt ingezet voor een lineaire loonsverhoging, en niet voor een aantal zaken die ik toch wel hoor, zijnde dat het voor alle personeel is in onderwijs, en niet alleen voor de leerkrachten, degenen die in rechtstreeks contact staan met de leerlingen. Ik stel ook vast dat er geen middelen zijn om klassen te splitsen, dus extra leerkrachten op de werkvloer. Er zijn geen middelen voor extra kinderverzorgsters in het kleuteronderwijs, waar toch vraag naar is. De week voordat de cao werd afgesloten, hadden we hier de directeurs basisonderwijs, die zeer uitdrukkelijk hun hoop uitspraken dat er in de cao iets zou zitten rond ondersteuning van die directeurs basisonderwijs. Ondersteuning voor het M-decreet in de klas, dus daar extra ondersteuning voor. Middelen voor taalbadklassen. We hebben recent in Belsele nog een zeer interessant project bezocht.

Kortom: toch een aantal zaken waarvan men hoopte dat die erin zouden zitten. Als ik dan scholen bezoek, sociale media lees en dergelijke meer, zie ik dat vanop de werkvloer nu eigenlijk al die vragen worden herhaald, in de zin van: ‘Het is leuk dat we wat extra verloning krijgen’. Uiteraard is niemand daartegen, en ik gun iedereen in onderwijs, en vooral de leerkrachten en de directies, hun loonsverhoging, maar dat lost natuurlijk het probleem van die 28 kinderen in de klas niet op, van wie 1 iemand die heel zware ondersteuning nodig heeft, 3 die geen Nederlands kunnen, een aantal kinderen voor wie je extra middelen nodig hebt voor hoogbegaafdheid en zo verder. Die blijven daar wel zitten, net zoals de praktijkvakleerkrachten, die nog altijd in hun 29e blijven staan, net zoals die directeurs basisonderwijs, die ons allemaal elke week mails sturen, met de vraag wat we daaraan gaan doen.

Minister, u noemt dit een historisch akkoord. In hoeverre maakt u met deze maatregel de ambitie waar om het beroep van de leraar aantrekkelijk te maken en te houden? Is de voorgestelde lineaire loonsverhoging van de 85 miljoen euro van de 108 miljoen euro inderdaad een aantrekkelijkheidsvoorwaarde voor jonge leerkrachten? Netto komt dat neer op, variabel, tussen de 5 en de 30 euro. Is dat het punt waarop ze afhaken, om niet naar onderwijs te komen? Is dat de manier om de job van bestaande leerkrachten aantrekkelijker te houden?

Hoe reageert u op de kritieken van leraren en directeurs dat zij, hadden ze moeten of mogen kiezen, meer voorstander waren geweest van meer ondersteuning in de klas en school in plaats van deze loonsverhoging?

Zal de vereenvoudiging van de procedure van een verkorting van de aanloopperiode van de benoeming, zijnde dat het vroeger drie jaar was en nu twee jaar, niet leiden tot een versnelde opzegmogelijkheid tegenover jonge leerkrachten? Ik verklaar mij nader. Vroeger nam men een jonge leerkracht, een beginnende leerkracht, twee jaar mee, om dan te zeggen of men hem of haar al of niet ging houden, en dat men nu door die verkorting sneller gaat zeggen, na een jaar: het is erop of eronder. Ik weet wel dat die tweehonderd erin zitten om nog bijkomend... Maar de vraag is natuurlijk of men die gok gaat wagen als inrichtende macht, om zeker te zijn dat men dat gaat doen of niet doen, en dus alle rechten daaraan hangen. Alvast dank voor uw antwoorden.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Net als de collega’s heb ik met veel interesse kennis genomen van cao XI voor het onderwijs voor de periode 2015-2019. Collega De Meyer heeft de inhoud al geschetst. Een loonsverhoging, een proefproject met beperkte werkzekerheid voor starters en een versnelling van de vaste benoeming zijn de hoofdelementen. Ik vind dat absoluut drie zinvolle elementen. Een loonsverhoging is uiteraard niet meer dan logisch, om het beroep ook aantrekkelijk te houden ten aanzien van de privé- en andere sectoren. Maar we vrezen toch dat een groot deel van de vragen die leven bij leerkrachten en directies, onbeantwoord blijven.

We hebben wel wat vragen bij het functioneren of de invulling van het lerarenplatform. U hebt altijd aangegeven, minister, dat dat een van uw prioriteiten zou zijn in de cao, maar we vragen ons toch af of het ambitieniveau in dit lerarenplatform, dat ideeën als de vervangingspool moet vervangen, wel hoog genoeg is. Voorts horen we op het terrein toch wel wat opmerkingen over werkbaar werk, wat bemoeilijkt wordt door de impact van de federale pensioenmaatregelen. De afschaffing van de preferentiële tantièmes en de diplomabonificatie is in onderwijs hard aangekomen. Hopelijk wordt het leerkrachtberoep wel erkend als zwaar beroep. Dat zou wat zoden aan de dijk kunnen zetten, maar we vrezen dat het er qua attractiviteit toch niet op vooruit zal gaan.

Wat we ook betreuren – dat is een optie die u wel al vaker hebt genomen – is dat er geen extra ruimte is voor zijinstromers. Wij denken nochtans dat dat ook belangrijk is voor het korps in zijn geheel en de dynamiek in het korps, omdat ook ons onderwijs wel belang heeft bij mensen met ervaring buiten het onderwijs, om die te kunnen doorgeven aan jonge mensen.

We denken dat extra inspanningen nodig zijn boven op de 108 miljoen euro, die ook tot diep in de volgende legislatuur loopt. We willen nu een aantal verduidelijkende vragen stellen rond een aantal elementen die in de cao vervat zitten, eerst en vooral rond het lerarenplatform. Hoeveel procent van de leerkrachten die momenteel werkonzeker zijn, zal door het lerarenplatform werkzekerheid worden geboden? Hebt u daar ook absolute cijfers van?

Wat gebeurt er met leerkrachten die gedurende één jaar werkzekerheid zal worden geboden via het platform? Wat gebeurt er met hen nadien? U weet dat wij vanuit sp.a zelf resoluties en conceptnota's hebben ingediend waarbij we zeggen dat werkzekerheid toch wel voor twee of drie jaar noodzakelijk is omdat je ziet dat in de eerste vijf jaar 20 procent van de starters met een diploma leerkracht toch het onderwijs verlaat.

Binnen het platform is het een entiteit waarbinnen de leerkrachten werkzekerheid wordt geboden. Is dat op het niveau van een school, een inrichtende macht, een schoolbestuur of een regio?

Wij zijn uiteraard pleitbezorger om dat netoverschrijdend te doen maar we hebben dat niet kunnen terugvinden in de tekst. Waarom niet? Is dat in overweging genomen of is er geen draagvlak voor binnen het onderwijsveld?

Wat belangrijk is in het veld, is werkbaar werk. U hebt die alarmsignalen ook herhaaldelijk gekregen, niet het minst bij de laatste werkbaarheidsmonitor van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV). Daaruit bleek dat de toename van stress en de uitval door burn-out in het onderwijs het sterkst stijgt van alle sectoren. Hoe gaan we daar een antwoord op bieden?

En dan een vraag over de zijinstroom. Hoe kunnen we het beroep aantrekkelijker maken voor mensen met ervaring buiten het onderwijs die expliciet buiten deze cao zijn gehouden?

Hoe rijmt deze cao, zoals ook collega De Meyer al vroeg, met de ambities die we toch met z'n allen koesteren voor het basisonderwijs, zeker wat betreft de omkadering van directeurs, de vraag naar kinderverzorgsters in het kleuteronderwijs en de algemene ondersteuning in het kader van het M-decreet?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik dank u voor de vele vragen en voor uw welgemeende interesse in het voorakkoord van deze onderwijs-cao XI.

Deze cao geldt voor alle onderwijsniveaus, behalve voor het hoger onderwijs en de basiseducatie. Daarvoor lopen de gesprekken nog. Er wordt wat meer tijd voor genomen. Alle andere niveaus en sectoren vallen er dus wel onder.

Vooraleer ik inga op de inhoud en de punctuele vragen, wil ik het belang en de contouren van deze cao even voor u schetsen. Het is de elfde cao. Daarvoor was er een tiende, een negende en een achtste. De achtste cao dateert uit de periode 2005-2009 op initiatief van Frank Vandenbroucke. De negende was er een van Pascal Smet uit de periode 2010-2011. De tiende was er ook een van Pascal Smet voor de periode 2012-2014. Geen van de drie voorgaande cao's – en dit wil ik jullie niet onthouden, collega's – is door iedereen, alle werkgevers- en alle werknemersorganisaties, verdedigd. We hebben nu een akkoord bereikt, en dat is de eerste keer in heel veel jaren, waarover iedereen rond de tafel gezegd heeft het te zullen verdedigen bij de achterban. Dat wil ik toch meegeven: alle werkgevers- en alle werknemersorganisaties. Ik vind dat op zich wel speciaal, meer in het bijzonder omdat een cao eigenlijk niet de werkgevers in het bad trekt. Een cao is eigenlijk een overeenkomst die gevonden wordt tussen de overheid en de werknemersorganisaties. We hebben er toch voor gekozen om de werkgeversorganisaties erbij te betrekken omdat ik het belangrijk vind dat je een zo breed mogelijk draagvlak vindt voor de maatregelen die je wilt nemen.

In november 2017 zijn we gestart en we hebben nu een voorakkoord bereikt. Er is bijzonder intens overleg geweest. Met wie is er overlegd? Er is overlegd met vertegenwoordigers van vakbonden, werkgevers en met de drie regeringspartijen. Het overleg heeft plaatsgevonden binnen het gemeenschappelijk sectorcomité waar ook een vertegenwoordiger was van de minister-president en ook een vertegenwoordiger van viceminister-president Tommelein die op alle vergaderingen waren uitgenodigd en het hele proces hebben kunnen meemaken.

De snelheid waarmee dit resultaat is bereikt, is voor mij ook speciaal, net zoals de maatregelen die zijn gevonden. Ik kom daar straks nog op terug. Dit hangt samen met een gedeeld gevoel van een ‘sense of urgency’, dat een aantal maatregelen absoluut noodzakelijk waren.

In de media en in sommige van uw reacties die ik heb gelezen, ligt de focus op de koopkrachtverhoging. Maar naast een verhoging van de koopkracht voor 175.000 personeelsleden binnen het onderwijs, bevat het pakket ook een aantal loopbaanmaatregelen die de situatie van startende en tijdelijke leraren aanzienlijk zouden moeten versterken. De cao realiseert zo ook de oorspronkelijke doelstellingen van wat we met het loopbaanpact voor starters en tijdelijke leerkrachten wilden bereiken. Deze cao is uiteraard geen loopbaanpact maar de startende en de tijdelijke leraren moesten er wel deel van uitmaken. Ik heb aan de sociale partners gevraagd om dit mee te pakken in de cao omdat het voor werkgevers en voor werknemers uiteraard bijzonder belangrijk is. Vandaar dat ik blij ben dat deze cao voor het eerst – en ik kom daar straks ook nog op  terug – resoluut voor de startende leraar kiest.

Waar staan wij vandaag? Laat ons naar de onderwijsarbeidsmarkt kijken. Het aantal gemelde vacatures binnen onderwijs is in vergelijking met schooljaar 2013-2014 gestegen met 60 procent. De werkloosheid in juni voor leerkrachten is in dezelfde tijd gedaald met 30 procent. De spanning op de arbeidsmarkt neemt dus toe. In februari 2018 is het aantal werkzoekende leerkrachten nog eens extra met 12 procent gedaald ten opzichte van februari 2017. Vandaag trekt de algemene arbeidsmarkt aan en is er een grote nood aan hooggeschoolde arbeidskrachten. Ik verwijs naar de oproep van de gouverneur van de Nationale Bank: de uitdaging voor de toekomst is het vinden van hooggeschoolde arbeidskrachten. Ik wil hier ook graag citeren uit de nieuwsbrief van 14 maart van het Steunpunt Werk met als titel ‘Waar kunnen we nog extra arbeidskrachten vinden in Vlaanderen?’ De nieuwsbrief concludeert: “Het probleem is dat de arbeidsreserve erg beperkt is in die groepen die traditioneel de prime targets zijn van de rekruteerders. Onder de Vlaamse hooggeschoolden piekt de werkzaamheidsgraad nu al op het erg hoge niveau van 87,2 procent. Onze favoriete vijvers zijn zo goed als leeggevist.”

Daarenboven zijn er de volgende jaren veel leraren nodig door specifieke evoluties binnen het onderwijs: de leerlingen nemen toe en de oudere leraren stromen uit. Vanaf 2019 schatten we dat de jaarlijkse vraag naar nieuwe leraren zal stijgen van 5000 tot 7000 voltijdse leraren per jaar, waarvan zo’n 4000 in het secundair onderwijs. De uitdagingen zijn zeer groot, de arbeidsmarkt wordt alsmaar krapper.

In zo’n arbeidsmarktcontext is het heel cruciaal om de job van leraar voldoende aantrekkelijk te houden en om door een aantal maatregelen niet alleen leerkrachten aan te trekken, maar ze ook in de job te houden. Vandaar dat een cao die zich toespitst op de startende leerkrachten en op koopkracht zeker een antwoord kan zijn op de zorgen.

Ik kom nu bij de maatregelen. De cao voorziet vanaf september 2018 in een lineaire loonsverhoging van 0,3 procent die vanaf 1 januari 2021 oploopt tot 1,1 procent. Daarnaast – collega De Meyer heeft er al op gewezen – komt er ook een extra loontrap vanaf 36 jaar anciënniteit. Zo komt er een einde aan het feitelijke loonplafond in onderwijs dat vandaag al na 25 jaar dienst bereikt wordt en worden personeelsleden ook op het einde van hun loopbaan financieel gewaardeerd. Collega Gennez, als u dat doortrekt naar het pensioen en de diplomabonificatie, dan zult u merken dat net die maatregelen van die extra loontrap na 36 jaar anciënniteit, voor een stuk de bezorgdheid wegneemt dat er een pensioenverlies zou zijn na het pensioen, omdat die extra loontrap natuurlijk ook een impact heeft op het pensioen dat men zal krijgen.

Vanaf 2021 wordt komaf gemaakt met de gevolgen van het raamakkoord van 2012, en wordt het vakantiegeld voor wie vast benoemd is niet langer eerst verlaagd, en vervolgens teruggegeven via de eindejaarstoelage. Die besparingsmaatregel die genomen is in de vorige legislatuur, wordt ongedaan gemaakt en wordt opnieuw rechtgezet zoals men dat ook wilde.

Bij de reacties op de loonsverhogingen moet ik toch eventjes mijn wenkbrauwen fronsen. Ik ben het oneens met die smalende reacties en ik zal daarvoor een aantal redenen geven.

De Vlaamse Regering heeft zich in de startnota over de loopbaan van de leraar ertoe geëngageerd om het lerarenberoep marktconform te laten zijn. Dit om leraars aan te trekken en te houden voor het onderwijs. U weet dat leerkrachten ook in andere sectoren zeer gegeerd zijn. Het is dus meer dan noodzakelijk dat we zorgen dat hun loon marktconform blijft. Wie nu aanvoert dat een koopkrachtverhoging van 1,1 procent niet nodig is, zegt meteen dat onze leraren in vergelijking met andere sectoren nog gerust een halve indexsprong zouden kunnen incasseren, dat zij zonder problemen ten opzichte van andere sectoren, wat koopkracht betreft, zouden kunnen devalueren. Ik ben het daar dus niet mee eens.

In het interprofessioneel akkoord (IPA) van 2015-2016 werd in een loonmarge van 0,8 procent voorzien, in het IPA van 2017-2018 in 1,1procent. In uitvoering hiervan zijn in de privésector vele cao’s afgesloten, ook in sectoren waar tal van voordelen in natura zijn. In het onderwijs zijn er nul voordelen in natura. De laatste cao voor het onderwijs dateert van 2013 en heeft betrekking op 2013-2014. Deze cao voorziet nu – vanaf 2021 – in een koopkrachtverhoging van 1,1 procent. Wie vindt dat het onderwijs dit niet verdient?

De Vlaamse Regering heeft in de meerjarenbegroting vanaf 2020 een budget van 235 miljoen euro ingeschreven voor de sociale akkoorden bij de non-profitsectoren, onderwijs, De Lijn en de ambtenaren. Bij de Septemberverklaring heeft de minister-president aangehaald dat de regering bereid is om tijdens sociale onderhandelingen na te gaan hoe een inspanning kan gebeuren om ook in de periode vóór 2020 de koopkracht te verhogen, zowel in de welzijns- en de socialprofitsector, het onderwijs als de Vlaamse verheid. Zo heeft De Lijn, na stakingsacties, een cao afgesloten met twee maal 0,5 procent loonsverhoging begin en eind 2018. Die “moet helpen om makkelijker nieuwe werknemers aan te trekken”, aldus de bevoegde minister. Als dit nodig is voor de chauffeurs van De Lijn, zal dit zeker toch ook gelden voor onze leerkrachten? Vandaar dat voor mij een groot belang moet worden gehecht aan correcte loonvoorwaarden.

Ik daag iedereen trouwens uit om eens te kijken naar Nederland en de beslissingen die daar zijn genomen. Er is daar een loonstijging van iets meer dan 7 procent ingeschreven. Een van de collega's zei dat er bij ons een automatische indexering is, en die is er inderdaad, maar we houden net geen gelijke tred met Nederland als we de cao nu incorporeren en bovenop de automatische indexering voor de leerkrachten tellen. Het is dus niets te vroeg en niets te weinig wat hier is afgesproken.

Het is een cao die de kaart trekt van de startende leerkrachten. U weet dat ik er bij de sociale partners op heb aangedrongen om naast koopkracht ook maatregelen op te nemen voor de startende leerkrachten. De uitdagingen op de arbeidsmarkt waar wij voor staan, heb ik al toegelicht. Dan wil ik u toch enkele vaststellingen en cijfers meegeven, die ik ook aan de sociale partners bij het begin van de onderhandelingen heb toegelicht, met de bedoeling om eensgezindheid te vinden om samen werk te maken van een beleid voor de startende leraar. Van alle leerkrachten die in 2013-2014 startten in het onderwijs, is na twee jaar al 25 procent opnieuw vertrokken. Dit is niet verwonderlijk, als we vaststellen dat liefst vier op de tien in zijn eerste jaar een aanstelling heeft die minder dan een derde van een totale opdracht op jaarbasis bedraagt.

Van de meer dan 30.000 tijdelijke aangestelden, zijn er meer dan 20.000 die werkzaam zijn in een vervangingsopdracht en dus jaar in, jaar uit met onzekerheid worden geconfronteerd. De tijdelijke aanstelling is in het onderwijs een ‘proefperiode’ met het oog op een vaste aanstelling. Vergelijk dit met een proeftijd in de privésector of een stage bij de overheid, maar daar is dat één jaar voor iemand van niveau master. Vandaag zijn er bijna 17.000 personeelsleden in het onderwijs die nog tijdelijk zijn, ook al hebben ze minimaal drie jaar anciënniteit. Meer dan 10.500 personeelsleden werken al minimum vijf jaar in het onderwijs, en zijn nog altijd tijdelijk. Het overgrote gedeelte krijgt maar een vaste aanstelling na de leeftijd van 30 jaar. Is deze lange periode van onzekerheid een aanvaardbare proeftijd die wij van de leerkrachten verwachten? Willen wij zo de strijd op de arbeidsmarkt aangaan? Ik denk het niet en ik ben het ook volstrekt oneens met de zeer neerbuigende reacties die ik van sommige opiniemakers heb gelezen, onder andere op Twitter.

Ik ben de sociale partners, vakbonden en werkgevers, oprecht dankbaar dat ze samen met mij en de regering, echt de kaart hebben durven te trekken van de startende leerkracht.

En we hebben trouwens niet gekozen voor één in het oog springende maatregel, maar voor een samenhangend pakket aan maatregelen, kwantitatief maar ook kwalitatief. Via dat palet aan maatregelen wordt de situatie van de beginnende en tijdelijke leraar aanzienlijk versterkt.

Maar met budget en regelgeving alleen geraken we er niet. We hebben een duurzaam engagement van onze schoolbesturen nodig om zorg te dragen voor een echt aanvangsbeleid voor startende leerkrachten. Wie deze maatregelen aangrijpt om nu nog sneller leerkrachten een ontslag aan te bieden, zoals ik sommigen hoor zeggen, heeft de maatschappelijke uitdaging niet begrepen en gaat onverantwoord om met onze schaarse talenten. In zijn nieuwsbrief zegt Luc Sels hierover: “We moeten beseffen dat we de krapte deels zelf creëren. Door vooral te kijken naar de talenten die we zoeken, en veel minder te denken aan de talenten die kandidaten ons bieden.” Ik heb er een groot vertrouwen in dat onze schoolbesturen professioneel en verantwoord zullen omspringen met deze nieuwe mogelijkheden, maar ik begrijp dat sommigen daar ook zorgen over hebben.

Waarover gaat het voor de startende leerkrachten? Een doorgedreven aanvangsbegeleiding voor elke starter is vanaf 1 september 2019 een recht en een plicht. Door intensieve coaching kan hij of zij geleidelijk ingroeien in de job en zijn of haar competenties als leraar verder ontwikkelen en waar nodig bijsturen.

Er worden extra middelen, 17,5 miljoen euro, vrijgemaakt voor scholengemeenschappen om lerarenplatforms op te starten voor vervangende leerkrachten. Dit gaat van start vanaf oktober 2018. De leraar die via zo’n platform tewerkgesteld wordt, moet voor minstens 85 procent worden ingezet op de klasvloer. Deze leraren kunnen afwezige leraren vervangen, maar kunnen evenzeer de plaats van meer ervaren leraren innemen die zelf voor een andere opdracht kiezen zoals co-teaching, begeleiding, vakgroepwerking. Ik heb de laatste tijd veel leerkrachten ontmoet die heel graag begeleiding of vakgroepwerking voor hun rekening zouden nemen. Er is zeker voldoende interesse om dat te doen. In het basisonderwijs worden op die manier tot 2500 leraren ingeschakeld, dat zijn er ongeveer zeven per scholengemeenschap. In het secundair onderwijs waar de situatie complexer is door de veelheid aan bekwaamheidsbewijzen en specialisaties, wordt in een eerste fase een proefproject opgestart met 350 leraren.

Ik noteerde de vraag, onder andere van collega Gennez, dat er voor een aantal starters met een voltijdse aanstelling in een lerarenplatform geen duurzaam perspectief zou zijn omdat ze maar voor de duur van een jaar worden aangesteld. De aanwerving van een poollid kan zonder probleem worden verlengd. Het lijkt me maar logisch dat dit ook zal gebeuren wanneer scholen tevreden zijn over hun aanstelling. Bovendien bouwt een starter in zo’n ‘pool’ wel degelijk rechten op voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

Indien scholen ondanks deze vervangingsplatforms toch geen vervangers vinden, krijgen ze de mogelijkheid om vervangingsopdrachten op te sparen en te bundelen. Op die manier kunnen ‘onaantrekkelijke’ korte vervangingen van enkele weken gebundeld worden tot een stabielere lesopdrachten verder in het schooljaar. De mogelijkheid om op dergelijke flexibele manier een volwaardige betrekking te kunnen aanbieden aan potentiële zijinstromers, in plaats van een deeltijds gefragmenteerde job, zal een veel sterkere impuls zijn voor de zijinstroom dan de verrekening van enkele extra jaren in de anciënniteit.

Leraren zullen vanaf 1 september 2019 ook sneller een TADD kunnen krijgen. De proefperiode wordt korter en intenser,  namelijk na 400 in plaats van na 600 dagen effectieve prestaties. Als er na deze periode nog twijfels zijn, kan de school deze periode zonder probleem verlengen met 200 dagen. Tijdens deze periode heeft het personeelslid recht op verlengde en gerichte aanvangsbegeleiding in functie van mogelijke werkpunten. Deze inkorting van de ‘proefperiode’ moet samengaan met een kwaliteitsvolle begeleiding. Ik hamer hier ook op omdat ik het echt belangrijk vind dat scholen jonge starters – en sommige scholen doen dat al fantastisch – op een fatsoenlijke manier begeleiden als ze instromen in ons onderwijs.

Tot slot wordt ook de procedure van de vaste benoeming vereenvoudigd. Er komt één ingangsdatum op 1 januari vanaf 2019. Bovendien zullen functies van personeelsleden die voor langere tijd in een verlofsysteem zitten, zoals de eindeloopbaan, deels vacant worden verklaard, waardoor ongeveer 6000 tijdelijke leerkrachten meer perspectief krijgen op een stabiele loopbaan.

En, mijnheer Daniëls, uiteraard betekent dit niet dat diegenen die in het vervangingsstelsel zitten hun benoeming verliezen. Het is niet voor iedereen, maar we doen dat voor een derde omdat we de buffer voldoende groot willen houden. De benoemingen blijven bestaan zoals ze bestaan. We willen alleen een aantal mensen zekerheid geven omdat we zien dat een pak mensen nooit meer terugkeert naar het onderwijs. Dan is het ook niet oké om die onzekerheid voor anderen zolang te behouden.

Dan waren er vragen over de evaluatie. Ik wil hier ook een speerpunt van maken. Samen met de sociale partners starten we eindelijk gesprekken om de evaluatieprocedure te herzien op basis van vastgestelde knelpunten en het auditrapport van het Rekenhof. Er moet hierbij aandacht gaan naar coaching, de vermindering van planlast en het behoud van de rechtszekerheid voor de personeelsleden. Ik wil deze gesprekken afronden tegen 1 november 2018 met het oog op eventuele aanpassingen die kunnen ingaan vanaf 1 september 2019. Het is echt nodig dat we die gesprekken voeren. U hebt allemaal de pijnpunten kunnen lezen. Ik heb nu ook het engagement van alle sociale partners om hier werk van te maken.

Dan kom ik tot de ondersteuning voor de basisscholen. Een cao is een collectieve arbeidsovereenkomst voor alle personeelsleden van alle niveaus. Een cao is geen plan basisonderwijs. Toch was er tijdens de besprekingen van deze cao ook aandacht voor de noden van het basisonderwijs. De extra budgetten die naast de koopkrachtmiddelen komen, namelijk 56 miljoen euro, en die ingezet worden in bijkomende omkadering, gaan vooral naar het basisonderwijs, met name voor 70 procent van de extra middelen. In het basisonderwijs komt er vanaf 1 oktober 2018 15 miljoen euro voor het lerarenplatform, en vanaf 2019 komt er 16,5 miljoen euro die uiteindelijk 24 miljoen euro zal worden, voor beleidsondersteuning, aanvangsbegeleiding en professionalisering. We willen de scholen daarbij zelf keuzes laten maken waaraan ze die middelen besteden. Het zal dus perfect mogelijk zijn dat een directeur van die extra middelen gebruikmaakt om in extra beleidsondersteuning in zijn school te voorzien.

In het secundair onderwijs gaat het om 12 miljoen euro voor aanvangsbegeleiding en 2,5 miljoen euro voor het startersplatform. Ook voor het deeltijds kunstonderwijs, volwassenenonderwijs en de CLB’s wordt in 2 miljoen euro voorzien voor aanvangsbegeleiding.

Dan waren er vragen over de werkdruk, werkbaar werk en het loopbaanpact. De eerste voorwaarde om werkdruk te verminderen, is ervoor te zorgen dat scholen beschikken over voldoende leraren. Jullie kennen de gevolgen van een lerarentekort: lessen worden niet gegeven, klassen worden samen gezet, leerlingen krijgen studie, leerkrachten geven extra uren en inhaallessen, gepensioneerden komen terug lesgeven en de werkdruk stijgt.

Ik nodig u uit om de startnota over het loopbaanpact nader te bekijken. Met deze cao en de hervorming van de verlofstelsels geven we gedeeltelijk uitvoering aan dat loopbaanpact. Bij oplevering van de resultaten van het nu lopende tijdsbestedingsonderzoek – waarover we het hier al ettelijke keren hebben gehad – hervatten we de discussie over de opdracht van de leerkracht, het laatste agendapunt uit de startnota. Met de sociale partners worden de gesprekken over het schoolleiderschap uiteraard voortgezet.

Voor mij is dit een bijzonder belangrijke cao. Ik vind de opgenomen maatregelen uitermate belangrijk in het kader van de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep. Ik geef nog enkele zaken mee ter overweging.

In 2000 werd de vervangingspool opgericht door Marleen Vanderpoorten. Frank Vandenbroucke schafte die af, onder heel veel kritiek. Wij voeren die nu opnieuw in in een verbeterde versie. Scholen kiezen zelf hun poolleden en de pool wordt meer schoolnabij georganiseerd in een of meer scholengemeenschappen. Het is ook perfect mogelijk om netoverschrijdend samen te werken. Op sommige plaatsen gebeurt dat trouwens al. We willen die mogelijkheden zeker niet wegnemen. Scholen worden ook geresponsabiliseerd.

Met cao VIII werd voor mentoruren in 13 miljoen euro voorzien. Pascal Smet schafte die uren af, met veel kritiek, tot op vandaag. Naast de besparing gaf de overheid toen vooral het foute signaal dat aanvangsbegeleiding niet belangrijk zou zijn. Wij voeren die extra uren voor aanvangsbegeleiding opnieuw in en voorzien hiervoor in 38 miljoen euro, in basis deels ook voor beleidsondersteuning.

Bovendien schrijven we in de rechtspositie dat aanvangsbegeleiding een recht en een plicht is, voor leraar en voor het schoolbestuur.

De flexibele vervangingsopdrachten zijn een totaal nieuwe maatregel. Men onderschat het belang ervan. Vooral secundaire scholen met veel zieken vinden geen vervangers. Hier wordt nu de mogelijkheid geboden om opdrachten te clusteren, een zeer interessante maatregel om leraren aan te trekken. Ik denk aan goede technici, wiskundigen en ook aan zijinstromers. Middelen die tot op vandaag ongebruikt bleven en dus uit de begroting vielen, zullen kunnen worden ingezet voor datgene waarvoor ze nodig zijn, namelijk ons onderwijs.

De inkorting van TADD en de beoordelingsprocedure is een zeer vernieuwende maatregel. Dit kan een enorm belangrijk antwoord zijn op de kritiek van de ontslagen na twee jaar. Mijn hart bloedt als ik hoor dat sommige jongeren plots horen dat ze niet meer moeten terugkeren in een school en nauwelijks feedback krijgen waarom dat dan is. Dit zal niet meer mogelijk zijn. Het zal voldoende en goed gemotiveerd moeten worden en er zal in begeleiding moeten worden voorzien.

De 6000 vervangers zekerheid en een vaste aanstelling geven, is qua omvang ongekend op het vlak van werkzekerheid die wij aan een aantal mensen willen geven.

Eerder sprak ik over werkdruk. Het gaat over veel meer dan werkdruk. Niemand wil dat zijn kind geen of onvoldoende les krijgt. Het gaat over de kwaliteit van ons onderwijs. Het is onze politieke verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen.

Met dit voorakkoord over een nieuwe cao realiseren we niet alleen de noodzakelijke koopkrachtmaatregelen om een job in onderwijs marktconform te houden, maar maken we meteen ook andere doelstellingen van het loopbaanpact voor starters en tijdelijke leerkrachten waar. Samen met de hervorming van de lerarenopleiding, biedt deze cao een sterk pakket om voldoende en sterke leraren aan te trekken en te behouden.

Ik wil mijn collega's in de regering oprecht bedanken omdat ze mij de kans geven om die onbenutte middelen Onderwijs allemaal tot de laatste euro in te zetten. Het zou heel gemakkelijk geweest zijn voor de minister van Financiën om te zeggen dat als de scholen geen gebruik maken van de middelen voor vervanging – zoals het de voorbije jaren is gebeurd –, dit heel goed is voor de begroting. We zien nu voor het eerst dat er geen vervangers worden gevonden en dus is men akkoord gegaan om die middelen in te zetten in het onderwijs.

Ik bedank ook de sociale partners. Ze moeten natuurlijk nog akkoord gaan. Van een aantal weet ik al dat ze akkoord gaan, maar sommigen wachten nog een week. Ik hoop zeer binnenkort de cao te kunnen ondertekenen.

Mijnheer Daniëls, toen ik de pers op een vrijdag bijeen heb geroepen, was dat uiteraard nadat we het voorakkoord hadden goedgekeurd in de Vlaamse Regering. Het akkoord was zeer tot mijn spijt al in de pers gekomen, waardoor ik in de onmogelijkheid werd gesteld om te wachten tot de woensdag erna. Het was de bedoeling om dan met alle sociale partners de pers te contacteren. Een uur voor de communicatie heb ik wel de sociale partners bij mij geroepen en ze zijn allemaal gekomen en ze waren allemaal aanwezig op het eerder spontaan georganiseerde persmoment.

U zult wel begrepen hebben dat ik echt overtuigd ben van de waarde van het akkoord dat is gesloten. Ik wil daarmee niet gezegd hebben dat alle zorgen in het onderwijs gelenigd zijn. U moet goed begrijpen waarvoor een cao dient en waarvoor die bedoeld is. Wat dat betreft, hebben we grenzen verlegd, ten goede.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, ik wil u bedanken voor uw zeer geëngageerd antwoord. Het is enige tijd geleden dat u op een dergelijke bijna passionele manier hebt geantwoord op vragen. U hebt dat terecht ook zeer uitgebreid gedaan.

U verwees ook even naar de historische context en de vorige cao's. U stipte aan dat ditmaal het voorakkoord wordt verdedigd door het hele middenveld. Dat is effectief bijzonder belangrijk.

Betekent dit dat de 150.000 personeelsleden van het basis- en het secundair onderwijs unaniem allemaal even gunstig reageren? Uiteraard niet. We zijn uiteraard niet doof en blind voor de vragen die er nog zijn bij de directies.

Degenen die zeggen dat het loon van de personeelsleden in het onderwijs behoorlijk is, zou ik toch even willen verwijzen naar de studie van de HayGroup van 2002. Dat is toch al zestien jaar geleden. Er is toen op gewezen dat er geen bijkomende vergoedingen in natura of andere vergoedingen zijn. Men verwees ook naar het zeer specifieke pensioenstatuut. Als we wensen dat dat statuut behoorlijk en marktconform blijft, dan is de goedkeuring van deze cao broodnodig.

Minister, ik vind het bijzonder goed – want deze punten hebben tot nu toe iets te weinig aandacht gekregen in de publieke opinie – dat u nogmaals het belang onderstreept van de aanvangsbegeleiding, de startersplatforms, de evaluatie van het personeel die wordt aangepakt, extra middelen voor beleidsondersteuning en flexibele vervangingen. Elk van deze elementen heeft een groot belang.

Ik heb nog een bijkomende vraag. Ik weet dat dit niet afhankelijk is van u, maar misschien kunt u het beter inschatten dan wij. Wanneer verwacht u de eventuele goedkeuring van dit ontwerp van cao?

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw toelichting. Het gaat natuurlijk over de kwestie dat er 108 miljoen euro ter beschikking was, over het aantrekken van leraren naar de job en die er te houden. Als we het grootste deel van dat bedrag inderdaad in loon steken, dan is de vraag of dat loon de reden is waarom men niet komt en de reden is waarom men vertrekt. Dat is een belangrijke vraag die we ons echt moeten stellen. Als het loon inderdaad de reden is waarom iemand niet komt of het loon de reden is waarom iemand stopt, dan is het belangrijk om daar massief op bij te steken. Er zijn in deze commissie al heel wat vragen gesteld, ook schriftelijke vragen, over de redenen van uitval, de redenen waarom men niet kiest voor een lerarenopleiding en de redenen waarom men uitvalt tijdens de eerste vijf jaar. Dat hangt inderdaad samen met de stabiliteit van betrekking. In deze cao zitten daartoe wel degelijk maatregelen en daarover ben ik ook tevreden. Het is goed om iets meer zekerheid te bieden aan leerkrachten.

Redenen voor uitval zijn ook planlast, grote klassen, ondersteuning directeurs basisonderwijs, het M-decreet, taalbadklassen en kinderverzorgsters. Dat zit ‘as such’ niet in deze cao. U zegt dat u dit in andere plannen zult stoppen. Goed, maar ik vermoed dat dit ook centen zal kosten. Van deze middelen waren we zeker dat ze er waren. Ik blijf dan ook met de vraag zitten hoe we daarmee weg kunnen.

Het beroep komt ook telkenmale in de pers als zijnde een zwaar beroep, een bijna onmogelijk beroep. Dat geeft ook een indruk waardoor mensen niet voor het beroep kiezen. Als we blijven roepen dat het een zwaar beroep is, een gigantisch lastig beroep om uit te voeren – ik zeg niet dat dat niet zo is, want ik heb net zaken aangehaald waardoor het niet zo evident is om in 2018 leraar te zijn –, dan vraag ik me af hoe we daarmee zullen omgaan. Ik blijf op dat vlak een beetje op mijn honger zitten bij deze cao. Temeer omdat de partners die de cao hebben afgesloten, de dag nadien zelf die zaken opnieuw op de tafel gooiden. U had het dan misschien ook bij de onderhandelingen van de cao op tafel kunnen leggen.

In de cao is de vervangingspool opgenomen, maar wat met korte vervangingen? Dat zijn de momenten die u juist beschrijft. Er is geen leraar, want het gaat om een periode vlak voor een vakantie en de school mag geen leraar aanstellen. Die dingen halen de pers, namelijk dat er geen leerkracht is en dat leerlingen massaal in de refter zitten. Zou het dan geen optie zijn om ook die korte vervangingen te mogen uitvoeren? Dat zijn piekmomenten waarbij de school niemand heeft. Maar ook omgekeerd, als de school iemand heeft, mag ze die niet aanstellen. Aan die regels wijzigen we niets.

Ik ben blij dat de functie- en evaluatieprocedure is opgenomen in het ontwerp van cao, zij het wel zeer voorwaardelijk en in de toekomst. Ik stel vast dat zowel aan de kant van de leerkrachten als van de directies en de inrichtende machten – ik heb al schriftelijke vragen gesteld over de procedures tot ontslag en tucht die worden teruggedraaid –, dit een zeer grote frustratie is. Leerkrachten zien soms dat een collega het voor het hele team zeer moeilijk werken maakt, maar na drie maanden komt die gewoon terug met de mededeling dat het teruggedraaid is. Ik blijf dus wat op mijn honger zitten omdat dat niet wordt aangepast.

Ook de planlast is een reden waarom leerkrachten uitvallen of na 1 of 2 jaar zeggen dat ze heel graag les willen geven, maar uitvallen door alles wat erbij komt. Dat is niet opgenomen in deze cao.

Zijinstroom is ook iets dat in heel veel scholen leeft, namelijk het aantrekken van mensen van buiten het onderwijs. Ook op dat vlak is in niets voorzien.

U sprak daarnet over de 58 miljoen euro die was uitgetrokken. Met alle respect, maar ik vind die niet terug. Ik vind wel terug dat de maatregelen van de benoeming, de verloven 33 procent en de uitstapregeling in totaal 55,8 miljoen euro zullen opbrengen. U zei dat u 58 miljoen euro zou investeren in de ondersteuning van directeurs. Maar de 55,8 miljoen euro die de maatregelen opbrengen, vermeld in 3.3.4 en 3.3.5, worden wel gebruikt om andere maatregelen, zoals de vervangingspool, te kunnen financieren. Volgens mij zijn die middelen dus al uitgegeven aan maatregelen die in de cao zijn opgenomen. Hoe kunnen we daarmee aan de slag?

Zitten er in deze cao zeer goede maatregelen? Ja. Gun ik leerkrachten en directeurs een loonsopslag? Ja. Als we dan kijken naar ondersteuning en begeleiding van leerkrachten, dan is de vraag of er extra mensen nodig zijn om die begeleiding en aanvangsbegeleiding te doen? Moeten dat extra mensen zijn of moeten we ook eens kijken naar alle mensen die al in het onderwijs zijn en of die niet kunnen worden ingezet? Dat is ook een vraag die voorligt.

Zitten er in deze cao goede maatregelen om beginnende leerkrachten meer stabiliteit te geven? Ja. Zitten er genoeg maatregelen in om ze te houden na het tweede, derde of vierde jaar? Zitten er genoeg maatregelen in met betrekking tot leerkrachten die uitvallen en stevige signalen geven en met betrekking tot onze directeurs basisonderwijs? Daar vind ik op dit moment nog niet zo heel veel van terug. Daarom stel ik deze kritische vragen aan alle partners die dit akkoord mee hebben gesloten.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, ik dank u voor de uitgebreide toelichting bij de cao. Ik heb al aangegeven wat ik goed vind, namelijk de kortere en intensere proefperiode met begeleiding. Het is heel belangrijk dat er zorgvuldig wordt omgegaan met jonge leerkrachten, dat ze niet onvoorbereid het bad in worden gegooid en dat ze aanspraak kunnen maken op aanvangsbegeleiding. Dit zou kunnen zorgen voor een daling van de uitval. Daar supporteren we alvast voor. We zullen ook blijven monitoren hoe dit in de praktijk effectief wordt aangepakt. Het kan misschien belangrijk zijn om ‘good practices’ inzake aanvangsbegeleiding maximaal te delen tussen de verschillende directies en inrichtende machten.

Wat we ook positief vinden, in tegenstelling tot sommige andere leden, is de loonsverhoging. Het is ook voor de aantrekkelijkheid van het beroep belangrijk dat er gelijke tred wordt gehouden met de privésector. Cao XI voorziet in een loonsverhoging in trapjes: 0,3 procent in 2018 en 1,1 procent in 2019. In de meeste sectoren in de privé echter is die 1,1 procent al voor 2018 afgesproken. We hebben daar al een vertraagde cadans voor het onderwijs in vergelijking met de privésector. Daar nog op beknibbelen, lijkt me zeker niet verstandig.

Met betrekking tot de lerarenplatforms blijven we een beetje met de vraag zitten hoe groot het bereik is. U geeft aan dat het gaat om 2500 mensen in het basisonderwijs. Alleen al in het basisonderwijs zijn er 17.000 leerkrachten die minder dan een tweederde lesopdracht hebben en aangeven een volledig uurrooster te willen. 17.000 min 2500: dan blijven er nog 14.500 starters in de kou staan. Hoe zorgen we ervoor dat die mensen aan boord blijven, minstens voor 1 jaar zoals is voorzien in dat platform, maar ook voor 2 en 3 jaar? Op deze manier zullen we echt tegen een lerarentekort aanlopen. U kent de cijfers: 50.000 extra leerkrachten tegen 2030. Als we er nu 2500 voor 1 jaar bereiken, dan lijkt de kloof mij toch echt heel groot. We zullen daar nog een tandje moeten bijsteken als we de werkzekerheid voor starters willen versterken.

Er wordt heel weinig ingezet op een gevarieerd carrièremodel. Vanuit sp.a heb ik samen met de heer Vandenberghe een voorstel van resolutie ingediend, waarvan we hopen de discussie nog te kunnen aangaan met de meerderheid, om toch ook in te zetten op variatie. Bijvoorbeeld de afbouw van de lesopdracht voor oudere leerkrachten is heel belangrijk in het kader van werkbaar werk, maar ook in het kader van begeleiding, mentorschap en het effectief doorgeven van ervaring aan starters. Denkt men daarover na? Doet men dat structureel? Op dat vlak is er voor ons te weinig ambitie aan de dag gelegd.

U weet ook dat we pleiten voor de zogenaamde vliegtuigloopbaan, waarbij de instapper of startende leerkracht misschien wat minder uren krijgt maar wat meer ruimte voor aanvangsbegeleiding, coaching, bijscholing, permanente vorming op de werkvloer enzovoort, om toch niet kopje onder te gaan in de eerste jaren van de carrière. In de tweede fase van de loopbaan, de zenitfase, is het zinvol om met een volledig uurrooster te werken omdat leerkrachten aangeven dat het actief in de klas zijn, hun passie is. Het wegwerken van planlast allerhande en bijkomende opdrachten, maken de job zwaar. Die zenitfase heeft dus een maximaal aantal lesuren. En dan is er de landingsbaan waarbij de lesopdracht eventueel kan worden afgebouwd en waarbij er ruimte is voor de ervaring om bijvoorbeeld te werken aan nieuwe lespakketten of jongeren en zijinstromers bij te staan.

De zijinstroom vind ik zelf heel erg belangrijk voor ons onderwijs. U zegt dat die zal worden bevorderd door de mogelijke werkzekerheid die er wordt gecreëerd. Het is echter een illusie te denken dat mensen die 20 jaar anciënniteit hebben opgebouwd in een andere sector, voor het loon van een starter naar het onderwijs zullen overstappen. Er zijn gelukkig idealisten die dat zien zitten, maar ik denk niet dat we daarmee de grote bulk aan ervaring van buiten het onderwijs naar het onderwijs zullen aantrekken. Dat is een gemiste kans.

Andere gemiste kansen in deze cao betreffen het gebrek aan aandacht voor langgekende eisen die vooral door het basisonderwijs zijn geformuleerd. Ze komen ook terug in het voorstel van resolutie van sp.a. Ik denk aan uren kindverzorging, directies basisonderwijs omkaderen, maar ook uren lo die effectief door een leerkracht lo worden gegeven. Dat zijn kleine ingrepen die belangrijk zijn om de diversiteit en de kwaliteit van ons basisonderwijs te versterken.

Een heel klein – niet per se met financiële impact – maar wel een heel belangrijk aandachtspunt om werkzekerheid te bevorderen, is de ondoorzichtige manier waarop vacatures worden bekendgemaakt. Dat is misschien niet meteen iets om af te spreken in een grote cao. Alle vacatures up-to-date op de website van VDAB plaatsen, is heel belangrijk voor de geloofwaardigheid van wie waar terechtkan zonder mensen aan het lijntje te hoeven houden.

Er zal ongetwijfeld nog verder worden gediscussieerd in het kader van het lerarenloopbaanpact. Dit is een cao voor de periode 2015-2019 met impact op de volgende legislatuur. We zijn ondertussen 2018. We hebben dus een aantal jaren verloren om in te zetten op de uitdagingen om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken. Vanuit onze kant blijven we dat zeker doen omdat leerkracht het mooiste en belangrijkste beroep ter wereld is.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, in het positieve nieuws dat u probeert te verkopen – het is misschien een detail – over de middelen voor de vervangingen die nooit worden opgebruikt en die u nu kunt inzetten, schuilt tegelijkertijd het grootste probleem, namelijk dat er veel te weinig mensen worden gevonden om die vervangingen te kunnen doen. Dat wordt door heel wat scholen en directies gesignaleerd. Het is echt moeilijk om leerkrachten te vinden, leerkrachten die vervangingen kunnen doen en heel binnenkort ook leerkrachten tout court. We kijken inderdaad aan tegen een lerarentekort dat er in serieuze getale zit aan te komen.

Het is dan ook maar de vraag – ik sluit me daarvoor aan bij de heer Daniëls – of de reden voor dat tekort het loon is. Ik denk het niet. Is dat de reden waarom leerkrachten niet naar het onderwijs trekken? Is dat de reden waarom leerkrachten uitstromen uit het onderwijs? Neen. Dat zal het probleem ook niet oplossen.

Mogen leerkrachten van mij extra loon krijgen of moeten ze dat zelfs krijgen? Is het logisch dat de privésector gevolgd wordt? Ja. Maar waar zit het grote probleem? In de communicatie hebt u de cao voor een stukje als lerarenloopbaanpact verkocht. U zegt dat er allerlei maatregelen in zitten die ervoor zullen zorgen dat er voldoende aanvangsbegeleiding is, dat beginnende leerkrachten ondersteund zullen worden, dat de vervangingen in orde zullen komen, dat er meer zal worden ingezet op nascholing en professionalisering, dat er plots zal kunnen worden ‘ge-teamteached’, dat directeurs het beter zullen hebben, dat er zijinstromers worden aangetrokken. Dat is het allemaal niet, minister, tenzij u mij de financiële tabel kunt bezorgen waarin staat dat er ook voor die aspecten die zo broodnodig zijn, voldoende middelen zijn. Ik denk niet dat dit het geval is. Dit zit niet in deze cao en het moet ook niet op die manier worden verkocht.

Er moest een cao komen en die is afgesloten, wat op zich goed is. Maar een belangrijker, dringender, urgenter iets dat al lang op de tafel ligt en op zich laat wachten, is een deftig lerarenloopbaanpact om de job aantrekkelijker te maken en om leerkrachten bij wie het water aan de lippen staat door extra opdrachten, vergroting van de taakbelasting, het M-decreet, allerlei maatschappelijke noden die door het onderwijs moeten worden opgelost, te verlichten.

De meeste leerkrachten zijn echt wel redelijk. De heer Daniëls en ikzelf hebben op een debat gezeten met leerkrachten, directies en leerkrachten in spe. De vragen zijn duidelijk en vallen te beantwoorden, maar ze zijn wel dringend. Ik heb op zich geen problemen met de cao en de loonsverhoging, maar de echte vraag wordt er niet in beantwoord. U hebt laten uitschijnen dat er wel een antwoord is op de vragen die op de tafel liggen. Ik zou van u heel graag een overzicht krijgen van de lijst aan maatregelen die u treft om het lerarenberoep te ondersteunen in deze cao. Hoeveel budget staat daartegenover?

Hoe denkt u dat de budgetten die daarvoor uitgetrokken worden, zullen beantwoorden aan die noden en knelpunten, waarvan u zegt dat u ze zult oplossen? Er is een reeks van maatregelen die u opsomt waar deze cao wel aan tegemoet zou komen, maar voor mij is het absoluut niet duidelijk hoe het financiële plaatje dan in elkaar zit en hoe aan al die knelpunten die u opsomt, en maatregelen die u zult nemen, tegemoet zal worden gekomen met deze cao. Ik denk dat hij niet zal doen wat u zegt dat hij zal doen en wat de tekst ook zegt dat u zult doen. Daarom hebben wij wat problemen met deze cao. Ik denk dat er misschien wel een goede aanzet is geweest en het goed is dat hij er is, maar dit mag absoluut geen eindpunt zijn. Er zijn veel grotere noden die moeten worden opgelost.

Ik vraag me wel af of de N-VA-ministers aanwezig waren op het moment dat die cao is goedgekeurd door de regering, of dat ze misschien toevallig niet in het land waren, want ik vind het wel wat moeilijk om dit enerzijds goed te keuren en anderzijds een soort politiek spel te gaan spelen en te zeggen: had het aan ons gelegen, we hadden het anders gedaan. Dus, mijnheer Daniëls, als u meent wat u zegt – en ik kan u voor een groot stuk volgen, dat nog er belangrijkere zaken moeten komen op het vlak van lerarenloopbaanpact, ondersteuning, aanvangsbegeleiding, zijinstromers enzovoort – dan denk ik dat u op de juiste plaats zit met uw partij, die groot genoeg is, om ook op dat vlak daarop te wegen en middelen vrij te maken en ervoor te zorgen dat die ondersteuning er komt. Ik wil bij deze dus uw pleidooi een stuk ondersteunen en een warme oproep doen om daar inderdaad werk van te maken.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik wil nog eventjes terugkomen op de kwestie en de discussies rond de benoeming. Daar worden inderdaad soms wat uitspraken rond gedaan. Ik denk dat het mogelijk moet zijn om daar een open gesprek over te hebben op alle niveaus. Het is waar dat de benoeming de onzekerheid doet dalen voor die startende leerkrachten. Dat klopt, maar doordat er in de plaats van een modern HR-beleid nu twee soorten leerkrachten bestaan. Dat is eigenlijk de ware reden. Er bestaat de beschermde leerkracht en er bestaat de niet-beschermde leerkracht. Als je natuurlijk lang in dat statuut ‘niet-beschermde leerkracht’ zit, dan is er inderdaad een probleem. Dat wordt ook aangevoeld als unfair, en dat doet talent uit het onderwijs vluchten.

De vraag is natuurlijk of de benoeming dan de enige mogelijke oplossing is. Ik ben zeker te vinden voor de zekerheid en bescherming die men vraagt en die men ook vanuit de vakbonden vraagt. Het zijn rationeel gezien ook de belangrijkste zaken om de mensen aan boord te houden, die zekerheid en die bescherming, als je de psychologische kant van de zaak bekijkt, maar het feit is wel dat die benoeming niet zorgt voor een verlaging van de werkdruk en dat dat een van de grootste klachten is. Dat is trouwens hetzelfde voor het vervroegd pensioen. Ook dat doet de werkdruk van een dertiger, een veertiger, een vijftiger niet dalen. Daar knelt voor mij dus het schoentje. Dat vind ik ook het belangrijkste als we over een cao, en dan later weer over een loopbaanpact, zullen spreken, dat een veertiger met een burn-out er niets aan heeft dat hij een paar jaar eerder mag stoppen. En daarom vind ik die framing van de leraar als zwaar beroep geen goede zaak. Dat maakt de job niet aantrekkelijker. Als wij vanuit het beleid tegelijkertijd de job aantrekkelijker willen maken en als we dan minister Bacquelaine en de vakbonden bezig horen over een discours rond zwaar beroep, dan staat dat eigenlijk haaks op onze pogingen om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken en om een van de grootste problemen aan te pakken, zijnde de werkdruk.

Wat wel belangrijk is, zijn die ingrijpende hervormingen die we nodig hebben in de loopbaan en in de schoolorganisatie. En daarover ben ik nu wel tevreden, minister, dat er in die cao goede aanzetten zitten, en ook al goede maatregelen, om daar werk van te maken. Daarover zijn we dus zeer tevreden. Want zoals u zei, kan de werkdruk ook al verlagen door ervoor te zorgen dat we voldoende leerkrachten hebben. Dat is inderdaad zo. U hebt daar terecht gewezen op het belang van dat lerarenplatform en het belang van de aanvangsbegeleiding om die startende leerkrachten aan boord te houden.

Een lerarenplatform, de budgetten ervoor, mentoren, en de budgetten ervoor, dat is een zeer, zeer goede zaak. Dat was echt heel dringend. Dat was ook wat mensen vroegen. Wij krijgen mails van leerkrachten en directies, die zeggen dat zij die loonsverhoging eigenlijk niet vroegen. Dat zie je dus ook. Er zijn effectief commentaren, en die komen soms ook van de leerkrachten zelf. Anderzijds is het zo dat de job marktconform moet worden gemaakt. Dat is ook zo, maar we zitten nu eenmaal met het probleem dat we niet zo heel veel budget op overschot hebben, nietwaar? Onze tevredenheid gaat dus vooral over dat lerarenplatform en de netoverschrijdende samenwerking, waarover u het had.

Het is nogal taboe, maar als ik het over netoverschrijdende samenwerking heb, dan heb ik het wel over alle netten. Voor mij bestaat er geen pluralistische fysica, en er is ook geen katholieke wiskunde, denk ik. Want als daar het knelpunt zit, dan gaat het over de kwaliteit van ons onderwijs. Als er leerkrachten uitvallen en leerlingen krijgen dat jaar het leerplan niet te zien voor belangrijke vakken, dan hebben we een groot probleem. En dus is die netoverschrijdende samenwerking zeer belangrijk en zou ik graag hebben dat iedereen zijn dogma’s daar een beetje laat varen.

Ik zie in deze cao een goed begin en ze bevat voor ons alvast de goede aanzetten om verder te gaan met een loopbaanpact dat nog veel verder gaat om het probleem van de werkdruk aan te pakken.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, ik wil kort aansluiten, om toch ook een beetje mijn ei kwijt te kunnen vandaag.

Minister, ik begrijp uiteraard uw betoog over de koopkracht. Het is ook waar wat u zegt. Het is een heel belangrijk gegeven. Collega Brusseel is ermee geëindigd. Uiteraard sluit ik mij daar ook wel bij aan, maar het probleem is dat dat in de huidige conjunctuur binnen het onderwijs nu niet de hoogste nood is. De collega’s hebben het al gezegd: het is meer de werkdruk, op allerlei vlakken en om allerlei redenen, die maakt dat mensen afhaken of er, door alle verhalen te horen, gewoon niet meer aan beginnen.

Wat ik dan een spijtig element vind in deze cao, is dat de middelen voor de niet-koopkrachtmaatregelen – zijnde de dingen die iedereen wil: de aanvangsbegeleiding, de professionalisering, de beleidsondersteuning – gecreëerd worden door maatregelen die men eigenlijk niet graag heeft of niet wenst. En dat is die verkorting om TADD’er te kunnen worden, wat uiteraard wat middelen genereert. Dat is ook die vaste benoeming naar voren schuiven, wat uiteraard middelen creëert. Maar juist met die maatregelen is men eigenlijk niet zo blij, en toch heeft men die middelen dan nodig om te kunnen doen wat men wel wil doen. En dat is eigenlijk een beetje het moeilijke in heel deze cao: de middelen die er waren, zijn enkel gebruikt voor koopkrachtmaatregelen, en de niet-koopkrachtmaatregelen worden gecreëerd door maatregelen die men eigenlijk liever niet had gehad.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik vind dit een goede cao. En ik wil ook zeggen waarom. Ten eerste vind ik dat wij respect moeten hebben voor het werkstuk dat de sociale partners hebben neergelegd. Het zijn mensen die kort bij het werkveld staan. Zij kennen de noden zeer goed. En zij kunnen zeer goed aangeven wat prioritair is. Ik vind dat wij alleen al uit respect voor het werk van de sociale partners, moeten stellen dat dit een goede cao is.

Er wordt heel veel kritiek gegeven op die loonsverhoging: is dat nu echt dé grootste prioriteit? Is dat nu echt zo essentieel? Ja. Dat is zeer cruciaal, om daar belangrijke aandacht aan te geven in die cao.

Verschillende jaren geleden had ik een ontmoeting met Fons Leroy, en ik zal die ontmoeting nooit vergeten, omdat die toen reeds zei dat wij als onderwijsveld een groot probleem zullen hebben als wij niet zien dat wij het moeilijk zullen hebben in de concurrentie op de arbeidsmarkt, dat wij echt inspanningen zullen moeten doen om nieuwe mensen aan te trekken voor onderwijs. Ik ben enorm geschrokken van wat hij toen reeds aan ons vertelde.

Ik vroeg hem wat een belangrijk aandachtspunt moest zijn voor deze legislatuur. Hij gaf aan dat het cruciaal is om concurrentieel te zijn op die arbeidsmarkt. Onderwijs heeft daarin maar enkele mogelijkheden, en een belangrijke troef is voldoende loon bieden aan diegenen die wij moeten aantrekken in het onderwijsveld. Dat is dus cruciaal voor de toekomst. Wij kunnen problemen maken van de manier waarop leerkrachten opgevangen worden, en van het feit dat het werk dat ze moeten doen, niet alle dagen eenvoudig is, maar het probleem is pas echt groot als we geen mensen meer vinden die in onderwijs aan de slag willen gaan. Die loonsverhoging is dus ontzettend belangrijk. Ik wil dat hier beklemtonen. Wie tegen deze loonsverhoging is of niet ziet hoe belangrijk dat is, kijkt niet vooruit in deze wereld. Daarom vind ik het nodig om het daar vandaag over te hebben, minister, om aan te geven dat sociale partners samen met u en de Vlaamse Regering wel de juiste keuze gemaakt hebben.

Alle andere elementen die in de cao vervat zitten, zullen het onderwijsveld versterken en zullen het leerkrachten gemakkelijker en aangenamer maken om in onderwijs aan de slag te gaan. Dat zijn ook de elementen die aangegeven worden door de kenners van onze arbeidsmarkt. Naast een degelijk loon is een goede bedrijfscultuur van belang. Dat is een tweede element dat Fons Leroy heeft aangegeven. U hebt hier de woorden van Luc Sels geciteerd. Ik kan dat volledig ondersteunen. De partners die in het onderwijsveld actief zijn en die kennis hebben van arbeidsmarkt, geven dat ook aan, dat wij ook binnen onderwijs moeten evalueren als wij personeel inzetten, niet enkel en alleen op de selectie van mensen die alle competenties verworven hebben. We moeten vooral inzetten op die talentontwikkeling, en mensen in onderwijs actief kansen bieden om werk te maken van hun eigen competentieontwikkeling. Ook dat is een cruciaal gegeven om jonge, nieuwe mensen aan te trekken in ons onderwijsveld en er te houden. Daarom vind ik de cao die nu is afgesloten, wel een goede cao.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Bedankt, collega’s, voor alle aanvullende opmerkingen en vragen, de ene al passioneler dan de andere. Het feit dat het al kwart voor twaalf is – ik was natuurlijk zelf een half uur te laat – en dat we nog bezig zijn over de cao, toont wel aan dat dit iedereen in hoge mate interesseert, en ik vind dat op zich eigenlijk een zeer goede zaak.

Ik wil starten met de opmerkingen van de voorzitter over het loon. Maken dat het loon concurrentieel blijft, is eigenlijk investeren in de lange termijn. Ik weet dat sommigen zeggen dat er andere prioriteiten zijn, maar beeld u in dat we dat nu niet gedaan hadden: het kot zou te klein geweest zijn. Je kunt onmogelijk een standpunt innemen dat wat voor medewerkers bij bijvoorbeeld De Lijn belangrijk is, voor onderwijs niet belangrijk zou zijn. Als mensen iets krijgen, kan het zijn dat men zegt dat ze dat niet voelen, maar ik heb ook al anderen gehoord, zeker mensen die weten hoe carrières opgebouwd zijn en wat er meegeteld wordt voor je pensioen. Als je aan die lange termijn denkt, moeten we hier echt wel mee aan de kar trekken, opdat die koopkracht voldoende groot zou blijven.

Collega Gennez zei dat het een beetje uitgesteld is. Dat is waar, maar weet dat onderwijs ook al automatisch indexeringen gehad heeft. Het is dus van de twee. Het feit dat alle sociale partners dit ook willen ondersteunen, betekent dat we hier een goede positie gevonden hebben om ook koopkracht te geven.

Ik kom nog eens terug op die 36 jaar anciënniteit. Dat is een sprong van 3 procent. Dat is voor mij ook relevant. Want het is wel vreemd, mensen die mij komen spreken over 1,1 procent. Aan sommigen heb ik dan gevraagd hoelang ze al les geven, en het antwoord is dan 38 jaar. Ik zeg: weet je dat daar een loonsprong in zit? Dan zijn ze natuurlijk wel plots heel blij, want zij beschouwen dat ook als een teken van erkenning. Maar nu krijg je na 25 jaar geen baremaverhogingen meer. Eigenlijk is dat wel spijtig. Ik vind dat ook, als je langer moet werken, een teken van appreciatie, dat je ook loon naar werken krijgt. We kunnen er niet omheen. Dat is voor iedereen belangrijk in het leven, maar ook voor onderwijs is dat van belang.

Ik kom nu even bij die zware beroepen, hoewel ik niet van plan was om daar iets over te zeggen. Wij verliezen één iets uit het oog in de discussie. De Federale Regering heeft tijdens deze legislatuur al een paar maatregelen genomen. De eerste was de diplomabonificatie: impact op de duur van de tewerkstelling, impact op wat je gaat verdienen. Onderwijs is daar een getroffen groep. De discussie over de zware beroepen hangt samen met de afschaffing van de voordelige tantièmes. Ik daag u uit om eens te kijken wat de tantièmes zijn in onderwijs, en als we niets doen, wat de impact zal zijn op de duur van de tewerkstelling en op het loon van mensen. Die is groot, collega’s. Ik vind het dus wel een beetje twijfelachtig als men dan gaat zeggen: zet er hier en daar een beetje steun bij. Ik vind dat dat meegenomen moet worden. En dat wordt zelfs bevestigd in de nota die goedgekeurd is in de Vlaamse Regering. Wij hebben een of twee jaar geleden gezegd dat er voor ons in de discussie over de zware beroepen vier criteria zijn, zoals ze vandaag voorliggen. En als je door afschaffing van tantièmes op een bepaald niveau een grote besparing realiseert, injecteer het geld terug in hetzelfde niveau, om zo te vermijden dat Vlaanderen hier honderden miljoenen besparingen gaat slikken op het personeel, die dan federaal in bepaalde groepen geïnjecteerd worden. Dat is goedgekeurd in een nota van de Vlaamse Regering. Ik hoed mij er dus voor om mij actief te mengen in federale dossiers, maar ik ga wel mijn leerkrachten beschermen.

Ik vind het ook onaanvaardbaar dat we langs de ene kant zitten te praten over hoe we het beroep aantrekkelijk kunnen houden, maar langs de andere kant zeggen: ‘Schaf die tantièmes maar af, dat is allemaal niet belangrijk.’ Dat is wel belangrijk. En bovendien, er is ook een onderzoek geweest naar het belang van dat pensioen in het geheel van de loopbaan. Dat is 3 procent. U moet zich voorstellen wat we zouden moeten doen als al die voordelen wegvallen, en wat de impact ook is voor Vlaanderen.

Ik wil zorg dragen voor onze personeelsleden. Dat is ook de reden waarom we de verlofstelsels hervormd hebben. We moesten er wat in snoeien, maar we hebben gezorgd dat zeker oudere personeelsleden de kans krijgen om gedeeltelijk uit te stappen. Vorige week stond in de krant dat het goed is dat men federale maatregelen neemt om mensen die zwaar ziek geweest zijn, weer deeltijds te laten intreden. In onderwijs hebben we dat al beslist. Er zijn zeer goede mogelijkheden voor leerkrachten om na een zware ziekte terug te keren. Dat is een zegen. Ik spreek ondertussen ook uit ervaring. Als je kanker gehad hebt, als je zwaar ziek geweest bent, en je wilt terug intreden, kan het best zijn dat dat niet direct weer fulltime gaat, maar dat je parttime wel nog een fantastische leraar kunt zijn. Wel, dat kan in onderwijs. Dat zijn ook maatregelen om het werk werkbaar te houden en om rekening te houden met wat mensen meegemaakt hebben in het leven.

We zijn hier aan het spreken over iets wat op twee niveaus telt, federaal en Vlaams, maar waar we niet alleen die cao hebben, maar ook de aanpassing van de verlofstelsels en de mogelijkheden die we daar voorzien. Er zijn dus heel veel maatregelen die in aanmerking moeten worden genomen.

Die cao kan niet alles oplossen, collega’s. We hadden een budgettaire beperking, 108 miljoen euro. Dankzij de regering, die het licht op groen gezet heeft, hebben we er ongeveer 56 miljoen euro bij kunnen doen. Dat is wel goed, hé. Dat maakt het palet aan middelen groter, wat voor mij een goede zaak is en waardoor we niet alleen koopkracht, maar ook startende leraren kunnen doen. Wat de koopkracht betreft, hoop ik u toch mee te overtuigen van het belang ervan.

We hebben het over het M-decreet en zo gehad, maar jullie mogen niet vergeten dat we voor die ondersteuningsnetwerken ook al 15 miljoen euro middelen die niet voorzien waren, erin gepompt hebben. En er zal in de toekomst wellicht nog nodig zijn. Maar dat zullen we begroting per begroting moeten bekijken.

Collega Daniëls, u had een vraag over de korte vervangingen. Het is zo dat men dat in het lager onderwijs kan doen en in het secundair onderwijs niet. Het is nog van voor mijn tijd. Voordat ik hier aan zet was, heeft men ook eens geëxperimenteerd in het secundair onderwijs, en daar zag men dat het eigenlijk niet zo veel effect had. De middelen die nu vrijgemaakt worden, zouden daar nu ook voor ingezet kunnen worden. Als u nog technische vragen hebt, geef ik straks het woord aan mijn medewerker Patrick. Maar het is niet zomaar dat het in het secundair niet kan en in het lager wel. Dat zou dus mogelijk zijn.

Wat betreft die 2500, collega Gennez: het is waar wat u zegt, maar u mag niet vergeten dat niet elke leerkracht die start, in een tijdelijke opdracht terechtkomt. Er zullen er enorm veel nodig zijn. Er is ook een uitstroom in ons basis- en secundair onderwijs. Er zijn ook leerkrachten die in verlofstelsels terechtkomen. Daarom denken we dat die 2500 al een vrij substantieel aantal is en dat de middelen die we ervoor uittrekken, ook wel voldoende zullen zijn.

Dan kom ik bij de gevarieerde carrière. We geven mensen nu de kans om het mentorschap op te nemen. Ik heb daarnet verwezen naar de verlofstelsels voor de oudere personeelsleden, en ook de zeer goede integratiemaatregelen voor wie ziek is geweest. Ik wil nog meegeven dat de ervaringen met de pool van Vanderpoorten ons geleerd hebben dat de zijinstromers daar sterk in geïnteresseerd waren. Patrick vertelde mij net dat toen die pool afgeschaft werd, er vooral vanuit die zijinstroom grote ontgoocheling was, omdat die wel aangetrokken worden door het feit dat ze hun job een jaar laten staan en dat ze daarmee natuurlijk werkzekerheid kregen in onderwijs. Als je dat moet doen voor ergens drie of vier uur, dan ga je dat niet doen.

Ik begrijp zeer goed de vraag die bestaat rond anciënniteit, maar u weet dat we daar veel meer dan 100 miljoen euro voor nodig hebben. We hebben indertijd het voorstel-Smet teruggetrokken, omdat dat niet kon. Vanaf een bepaald moment moest je de lat dan eigenlijk gelijk leggen voor iedereen. De budgettaire meervraag die dat vereist, is bijzonder groot. Dus als we die sprong maken, moeten we het meteen goed doen. En dat zal een zeer grote financiële injectie zijn.

Collega Gennez, ik ben het er niet mee eens – maar u moet natuurlijk oppositie voeren – dat we jaren verloren hebben. Integendeel, ik heb met de sociale partners afgesproken, op hun vraag, dat er een werkbaarheidsonderzoek zou gebeuren, vandaar die enquêtes. Maar we hebben toch niet gewacht om al een aantal maatregelen te nemen, namelijk voor de startende leraar, omdat dat niets te maken heeft met het taakbelastingsonderzoek dat nu loopt. En het is ook gelukt om daar in de cao een aantal maatregelen voor op te nemen. Ik ben daar dus eigenlijk best wel tevreden mee.

Collega Meuleman, ik was een beetje ontgoocheld toen u zei: u verkoopt hier dit, u verkoopt hier dat. Ik heb een persmoment gehouden, samen met de sociale partners, die rechts en links van mij zaten. Niemand heeft daar gezegd dat het niet oké was wat ik zei. Is dit een loopbaanpact? Natuurlijk niet, dat heb ik ook duidelijk gezegd. Daarvoor hebben we een taakbelastingsonderzoek. Maar we hebben wel een pakket maatregelen naar voren getrokken, omdat dat niets te maken heeft, zoals ik net zei, met de taakbelasting, namelijk de startende leraar. En daar kiezen we ervoor om een aantal gerichte ingrepen te doen.

Ik geef u de budgetten nog eens mee, collega Meuleman. Voor de pool basisonderwijs is er 15 miljoen euro uitgetrokken, voor de pool secundair onderwijs 2,5 miljoen euro. Er gaat ook 16 miljoen euro, die uiteindelijk 24 miljoen euro wordt, naar het basisonderwijs, waarbij scholen zelf kunnen kiezen waarvoor ze de middelen inzetten, voor omkadering of voor beleidsondersteuning. Dat zijn keuzes die de school zelf zal kunnen maken binnen de budgetten die er zijn. Er gaat dus 24 miljoen euro naar het basisonderwijs, 12 miljoen euro voor hetzelfde gaat naar het secundair onderwijs en 2 miljoen euro gaat naar het dko, de CLB’s en het volwassenenonderwijs. En zo wordt het totale pakket dan uitgerekend.

Collega Meuleman, u herinnert zich nog de vorige cao-Smet. Ik heb de maatregelen rond de basiseducatie uitgevoerd, in deze legislatuur. Dat heeft ons ook bijna 4 miljoen euro opgeleverd, die we geherinvesteerd hebben in de basiseducatie. Dat wijst ook op het belang om goeie cao’s te sluiten.

Collega Brusseel, u zegt dat we twee soorten leraren hebben. Eigenlijk heeft het leraarschap maar één statuut, namelijk die benoeming waar iedereen naar streeft. Dat is anders dan bij bijvoorbeeld overheidsbesturen, waar je contracten van onbepaalde duur hebt en daarnaast statutairen. Daar begrijp ik wel dat dat onderscheid moet vervagen. In onderwijs heb je eigenlijk maar één iets: iedereen evolueert naar die vaste betrekking. Ik begrijp dat u zegt dat we eens moeten kijken of die vaste betrekking nu het ideaal is, maar we hebben in het begin van deze legislatuur met de Vlaamse overheid in onze startnota afgesproken dat we die nu niet in vraag gaan stellen.

Wat ik wel zeker wil doen, en ik weet dat u daar ook gevoelig voor bent, is die evaluatie. Collega Daniëls en andere collega’s verwezen er ook naar. Als leerkrachten niet voldoen, en ze blijven zomaar zitten en de school durft daar niet meer aan te komen, omdat het toch niet gaat lukken: dat kan niet. Daar is de benoeming ook niet voor bedoeld. Dat is een soort werkzekerheid die men moet hebben, maar je moet geëvalueerd worden. En als het niet gaat, moet je ook uit je functie kunnen worden weggestuurd. We moeten daar au sérieux werk van maken. Ik begrijp ook de vakbonden, die zeggen dat in sommige situaties de leerkracht niet weet wie zijn evaluator is. Dat kan ook niet. Daar ligt dus een grote verantwoordelijkheid bij zowel de werkgevers als de vakbonden om werk te maken van een goed en sterk evaluatiebeleid.

Collega’s, ik heb hier eigenlijk niemand horen zeggen dat de lonen van onderwijs niet marktconform moeten zijn. Maar toch hoor ik dat het geld ook voor andere dingen gebruikt had kunnen worden. Wij hebben ervoor gekozen om echt wel te blijven investeren in die financiële gelijkwaardigheid van het onderwijsberoep aan andere sectoren en om hen ook mee diezelfde sprong te laten maken. Ik ben er echt van overtuigd dat dit een noodzakelijke maatregel is die, samen met de maatregelen rond startende leerkrachten, toch al een stuk zuurstof zou moeten brengen in onderwijs.

Maar ik besef zeer goed, zoals we ook geld hebben moeten uittrekken voor de ondersteuningsnetwerken, dat er op termijn nog loopbaanmaatregelen nodig zullen zijn. Ik ben de eerste om te zeggen dat de prioriteit der prioriteiten nu ook ons ‘plan basis’ is, waar we ook naar meerdere jaren moeten kijken – jullie hebben dat ook gevraagd – en waar aandacht moet zijn voor zowel de leerkracht als de directeur. Die zal nu vanuit de cao al een aantal dingen kunnen doen, maar er zullen op termijn ook nog andere zaken noodzakelijk zijn. Maar als het over de directeur gaat, is wat mij betreft ook de goede vorming van de directeur relevant. Want ik zie, in scholen waar ik kom, op welke wijze een directeur het verschil maakt met zijn team. En dat mogen we niet uit het oog verliezen. Ook wat betreft werkdruk, taakbelasting – operatie Tarra – kan een directeur heel veel soelaas brengen in zijn school. Dat mogen we ook niet uit het oog verliezen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik ben al enige tijd in het parlement, en als je mij zou vragen wat voor mij de twee belangrijkste politieke momenten van het jaar zijn, dan is dat enerzijds de goedkeuring van de begroting eind december en anderzijds de Septemberverklaring eind september. Ik herinner mij die Septemberverklaring nog bijzonder goed. Ik was enthousiast, om meerdere redenen. Een van de elementen die ik mij op dat moment heel goed realiseerde, was de uitspraak van de minister-president rond de koopkrachtverhoging voor alle personeelsleden in het onderwijs.

Minister, dat bindt uiteraard niet alleen de regering. Ik vind ook – maar dat is mijn persoonlijke mening – dat als je dit aanhoort, er geen zware kritiek op hebt, en de nota van de regering na de bespreking mee goedkeurt, dat ook enige consequentie heeft. De collega’s die minder akkoord gaan – ik zal het bijzonder vriendelijk formuleren – met de loonsverhoging voor de personeelsleden, die stel ik de vraag of er voor hen dan geen loonsverhoging zou zijn geweest, of welk procent er eventueel wel zou zijn geweest? Als je het beschouwt als een retorische vraag, moet je er vandaag uiteraard niet op antwoorden.

Hoe dan ook, collega’s, is deze cao voor onze fractie een heel belangrijke zaak. Wij appreciëren de inzet van de minister en van alle organisaties van het middenveld daarvoor bijzonder sterk. Maar we zijn er ons wel van bewust dat na de goedkeuring van de cao – ik had even aan de minister gevraagd of ze eventueel kon inschatten wanneer dat mogelijk zou kunnen gebeuren – daar nog bijzonder veel werk aan is voor de concrete implementatie. We zouden ook graag hebben dat daar met veel daadkracht verder aan wordt gewerkt.

Collega’s, het is voor ons ook evident dat er verder moet worden gewerkt aan het loopbaanpact. We kijken zeker ook uit naar de lopende studie over de taakbelasting. Anderzijds is het voor ons ook evident dat er verder moet worden gewerkt aan een legislatuuroverschrijdend actieplan wat betreft de ondersteuning in het basisonderwijs.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega's, ik wil eerst antwoorden op de vraag van de minister. Het gaat over 3.3.2:  wijziging van de regels om financierbare, subsidieerbare vervangingen te organiseren. Er staat bij: “Deze voorwaarden worden niet gewijzigd”. Dat wil dus zeggen dat je in het secundair onderwijs, 14 dagen voor de vakantie, iemand die tijdelijk uitvalt, niet kunt vervangen. Wat hebben we dus voor in scholen? Je hebt een beginnend leerkracht in je school, deeltijds. Er valt een leraar Nederlands uit, maar je mag je beginnende leerkracht in je school die vervanging niet laten doen, ook al komt hij daar wel voor in aanmerking. Die situaties hebben we nu gehad in januari: leerkrachten en directies die met de handen in het haar zitten. Ze hebben iemand, er is een plaats, maar het mag niet om die reden. Het staat letterlijk in de cao: “Deze voorwaarden worden niet gewijzigd.” Ik noteer dat het dus ook nu niet zal kunnen, ook al heb je een beginnend leerkracht die zou kunnen vervangen, wat ik betreur.

En de middelen, collega's, ik hoor het graag zeggen: het loon van de leerkrachten plus 1,1 procent. We doen er met de N-VA nog een klets bovenop: ze mogen 5 procent extra loon hebben en de directeurs 20 procent extra loon. We gaan ze minder laten werken. Ja, collega's, maar, er ligt bij mijn weten geen grote berg geld in het departement Onderwijs en ook niet binnen deze meerderheid, om uit te delen. Bovendien kunnen we een euro ook maar één keer uitgeven. Dus, wat is verantwoord beleid? Keuzes maken. Ik weet dat een cao wordt gesloten met veel partijen rond de tafel. Ik geef gewoon aan dat, als je de euro gebruikt voor lineaire loonsverhoging – nogmaals, wat iedereen absoluut gegund is en als iedereen vindt dat dat de uitdaging is, dan moeten we dat doen –, ik betreur dat er op de dag zelf en in het weekend nadien vrije tribunes verschijnen en vakbonden, leerkrachten en koepels aangeven dat dit en dit en dit ook allemaal nog moet gebeuren: het M-decreet, ondersteuning van de directeurs in het basisonderwijs. De 108 miljoen euro is natuurlijk wel uitgegeven. Het is een vaststelling die ik doe.

Als diegenen die de cao ondertekenen, vinden dat het geld daaraan moet worden besteed omdat het het meest dringend en het noodzakelijkst is, dan hoop ik ook dat ze beseffen dat je de volgende dag niet kunt vragen dat dit en dit ook allemaal zou gebeuren, want de 108 miljoen euro is op. Tenzij er collega's zijn die zeggen dat we extra belastingen moeten gaan heffen, zie ik de grote berg geld niet liggen. Het is gewoon een vaststelling.

We volgen dit verder op en ik ben absoluut blij – dat heb ik ook al gezegd – dat we aan beginnende leerkrachten, want dat is cruciaal, meer zekerheid bieden. Dat is wel degelijk een antwoord op een vraag die leeft in onderwijs. 

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Wordt ongetwijfeld nog vervolgd.

Ik wil voor het verslag toch laten noteren, collega's, dat het 15 maart 2018 is – ik neem aan dat niemand dat in twijfel trekt? – en dat de cao loopt voor de periode 2015-2019 en dat er ook nog maatregelen uit voortvloeien voor de volgende legislatuur. Zeggen dat men heel hard heeft doorgewerkt, is misschien de waarheid een beetje geweld aandoen.

Minister, u erkent wel zelf dat effectief de federale ingrepen met de afschaffing van de preferentiële tantièmes en de diplomabonificatie een grote impact, in negatieve zin, zullen hebben op de duur van de carrière en op het pensioenbedrag. Dus, langer werken voor minder pensioen, dat is de impact van die federale maatregelen. Dat maakt het beroep natuurlijk niet aantrekkelijker. Als men met deze cao tegemoetkomt aan een zeer partiële werkzekerheid voor starters, dan is dat één zaak, maar dan zal dat zeker onvoldoende zijn om het lerarenberoep de aantrekkelijkheid te bezorgen die het verdient omdat we elke leerkracht nodig hebben, elke gemotiveerde leerkracht nodig hebben. Wij vrezen dat deze cao daartoe onvoldoende slagkracht biedt. 

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.