U bent hier

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Collega's, minister, in de afgelopen maand is er heel wat te doen geweest rond onderzoek aan onze universiteiten. Vanuit verschillende hoeken gingen hier stemmen over op. De financiering voor onderzoek aan onze Vlaamse instellingen staat onder druk, wat ervoor zorgt dat ook het academisch personeel onder druk komt te staan en met name de doctorandi en de postdocs.

Ik had het al eerder over de werkdruk bij doctorandi naar aanleiding van het onderzoek van professor Levecque van de UGent. Een derde van de doctorandi aan de Vlaamse instellingen riskeert mentale welzijnsproblemen. Dat is tweeënhalve keer meer dan hoogopgeleiden die geen academische functie uitoefenen. De combinatie van hoge werkvereisten, de beperkte mogelijkheid om het eigen werkritme te bepalen, weinig betrokkenheid bij het besluitvormingsproces en jobonzekerheid zorgen ervoor dat steeds meer jonge onderzoekers ten prooi vallen aan burn-outs en depressies of teleurgesteld afhaken. Bovendien zorgt de werksfeer ervoor dat niet noodzakelijk het meest getalenteerde intellect aan de slag blijft, maar wel wie het meest kan incasseren. 

Naar aanleiding van mijn vraag om uitleg aan minister Crevits, deelden de Vlaamse universiteiten hun initiatieven mee om de situatie voor jonge onderzoekers te verbeteren. De meeste universiteiten hanteren een vorm van ‘charter’ om de wederzijdse verwachtingen vast te leggen. Er zijn begeleidende onderzoekscommissies die doctorandi ondersteunen en overal zijn er ombudsmannen ter beschikking.

Ze worden bovendien voorbereid op de realiteit dat zij eventueel geen vaste academische positie zullen verkrijgen en krijgen ook daarom opleidingen rond ‘transferable skills’. Daarnaast hanteren veel instellingen holistische evaluatiemechanismen, zodat men alle aspecten van een carrière, en niet enkel academische, gaat behandelen. Overal is er een psychosociaal welzijnsbeleid uitgestippeld. Ik wil daarmee aantonen dat de Vlaamse universiteiten al heel wat doen om deze tendens tegen te gaan. Onze Vlaamse instellingen investeren allemaal massaal in jonge onderzoekers. Maar op vandaag renderen deze investeringen niet en gaan ze verloren, samen met hun onderzoek. 

De kern van het probleem – zo bleek uit de vele opinies die we konden lezen – ligt bij het financieringssysteem voor onderzoek in Vlaanderen (FWO). Men hanteert vandaag een systeem dat op zo’n manier is ingericht dat het tot doorgedreven concurrentie leidt. Het academisch personeel staat voortdurend onder druk om onderzoeksgelden binnen te halen. De kans dat een project wordt aanvaard bij het FWO is echter rond de 20 procent. Fundamenteel onderzoek wordt vermeden en de kwaliteit van de publicaties gaat erop achteruit omdat men ze kunstmatig opsplitst om een groter aantal te behalen. De klemtoon ligt immers nog te vaak op het aantal publicaties en citaties van onderzoekers. Het zijn dan ook vaak dezelfde personen en dezelfde onderzoeksdomeinen die de middelen binnenrijven.

Wat mij vooral zorgen baart, is dat het systeem zoals het vandaag bestaat, een drempel opwerpt voor samenwerking tussen de instellingen. Dat is zo, zowel tussen de vakgebieden als tussen de instellingen zelf. Het bekende gevolg is dat er een gebrek is aan innovatie, durf en risico, zo stelde professor Tytgat recent ook in De Afspraak.

Minister, vandaar de volgende vragen. Vaak leveren postdocs tot zes jaar baanbrekend werk, maar gaat dat ten koste van een persoonlijk leven en houdt het erg veel jobonzekerheid in, gezien de weinige vacante vaste plaatsen. Welke initiatieven zijn er vandaag om postdocs aan boord te houden aan onze instellingen? Hoe wilt u de sceptische houding van de Vlaamse arbeidsmarkt ten opzichte van postdocs aanpakken? Academisch personeel ervaart meer werkdruk dan collega’s in de niet-academische wereld. Hoe wilt u die tendens tegengaan? Komt er een hervorming van het financieringssysteem voor onderzoek in Vlaanderen? Hoe kan men garanderen dat er blijvend wordt ingezet op fundamenteel, maar ook maatschappelijk relevant onderzoek? Wilt u een systeem ontwikkelen waardoor universiteiten gemakkelijker kunnen samenwerken, waardoor dat ook wordt bevorderd? Op welke manier wil het FWO zijn werking transparanter maken? Zal men het fonds zelf hervormen? Hoe zal men dat doen en is er in een timing voorzien? Zult u meer middelen, naast de 30 miljoen euro in 2017, investeren in onderzoek? Is het de ambitie om de aanvaardingsgraad te verhogen naar 33 procent, wat het Europese gemiddelde is?

Minister Muyters heeft het woord.

Mevrouw Soens, wat het eerste deel van uw vraag betreft, de academische loopbaan, wil ik u zeggen dat we de aanklacht vanuit de onderzoeksgemeenschap uiteraard ernstig nemen. Er is op dit moment een evaluatie bezig inzake het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF), dat tegen de zomer zal worden afgerond. Het spreekt voor zich dat we met de resultaten van die evaluatie, samen met de universiteiten, samen het FWO aan de slag zullen gaan om te zien welke bijsturingen of hervormingen van die onderzoeksfinanciering in Vlaanderen nodig zijn.

De afgelopen jaren hebben we, denk ik, toch al aangetoond tegemoet te willen komen aan een van de veel gehoorde kritieken, met name betreffende het garanderen van betere slaagkansen bij projectaanvragen, waardoor men garandeert dat meer onderzoekers academische perspectieven zullen krijgen. Daarvoor heb ik in 2017 de FWO-middelen structureel met 30 miljoen euro verhoogd. Dat hebt u gezegd. Ook, en dat hebt u niet gezegd, heb ik de BOF-middelen met 10 miljoen euro structureel verhoogd. Door de extra investeringen stegen de slaagkansen voor de postdoctorale mandaten reeds van 24 naar 28 procent, voor de predoctorale mandaten van 21 naar 22 procent en voor de projecten van 16 naar 20,4 procent. Verder heeft het FWO de aanvraagprocedures van zijn fundamentele en strategische programma’s geoptimaliseerd. Dat is hier in de commissie, onder meer naar aanleiding van vragen van de heer Van Malderen, al heel uitdrukkelijk en uitvoerig aan bod gekomen. Het is de bedoeling om minder te gaan snoeien in de toegekende projectbudgetten, zodat grotere projecten kunnen worden gefinancierd en onderzoekers minder snel opnieuw een aanvraag moeten indienen. De eerste oproep met toepassing van de vernieuwde aanpak wordt nog in 2018 gelanceerd.

Ook de problematiek van de mobiliteit van onderzoekers naar het bedrijfsleven is ons bekend. Om daaraan tegemoet te komen voorzien we al sinds 2011 vanuit de overheid in een subsidie voor de omkadering van jonge onderzoekers (OJO). De universiteiten gebruiken die middelen voor het ondersteunen van doctorandi en postdocs ter voorbereiding van enerzijds een academische loopbaan, maar anderzijds ook, wat belangrijk is, een niet-academische loopbaan. Binnen dat kader worden diverse opleidingen aangeboden aan doctorandi en postdocs en worden eveneens bijeenkomsten georganiseerd waarbij ook de niet-academische arbeidsmarkt structureel wordt betrokken. Een beter inzicht geven in de meerwaarde voor de arbeidsmarkt door een betere dialoog op te zetten tussen onderzoekers en industrie is dus absoluut een van de punten waaraan we werken.

Wat de werkdruk betreft, liggen verschillende zaken aan de basis. Onderzoekers hebben een divers takenpakket: ze moeten onderzoek doen en onderwijs geven, en moeten dat ook combineren met dienstverlening. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de universiteiten en de overheid om optimale omstandigheden aan te bieden aan onze onderzoekers. We komen ter zake, zoals ik daarnet al heb gezegd, reeds tegemoet aan de veel gehoorde klacht van het te lage slaagpercentage bij de projectaanvragen van het FWO, wat de aanvraagdruk verlaagt. Daarnaast vragen we de universiteiten om er via de eerder vermelde OJO-subsidie mee voor te zorgen dat jonge onderzoekers in optimale omstandigheden kunnen werken aan hun academische loopbaan. De initiatieven, zoals ook u die hebt aangehaald in uw vraag, van bredere vorming, competentietraining en carrièrecoaching zorgen ervoor dat jonge onderzoekers beter gewapend zijn om de veelheid van uitdagende opdrachten die ze krijgen, tot een goed einde te brengen.

Zoals eerder vermeld, loopt op dit moment die belangrijke evaluatieprocedure voor het BOF. Als de resultaten daarvan eenmaal beschikbaar zijn, zullen we, zoals ik ook al zei, met de stakeholders bekijken of we aanpassingen aan het financieringsmodel moeten doen. Wat het stimuleren van de samenwerking tussen de universiteiten betreft, lopen er al diverse initiatieven. Ik geef u een voorbeeld. Vandaag biedt het FWO diverse kanalen aan waarbij interuniversitaire samenwerking een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor financiering. Dit is bijvoorbeeld zo bij het EOS-programma (Excellence of Science), het SBO-programma (Strategisch BasisOnderzoek) en het TBM-programma (Toegepast Biomedisch onderzoek met een primair Maatschappelijke finaliteit). Verder wordt samenwerking ook gestimuleerd in infrastructuurprogramma’s en ondersteund in andere onderzoeksprojecten. In de praktijk werken al vele onderzoeksgroepen uit diverse universiteiten samen. Zoals u weet, zijn samenwerking, internationalisering, multidisciplinariteit en een strategische focus op de domeinen waar ieder excelleert de speerpunten in mijn beleid. Als op dit vlak uit de evaluatie nog aanbevelingen naar voren komen, zullen we die uiteraard bekijken.

Er lopen op dit moment ingrijpende hervormingen voor het verhogen van de slaagkansen en de transparantie bij het FWO. Ook die zijn hier in de commissie al uitvoerig aan bod gekomen. De afronding van die wijzigingen zal nu gebeuren en ze zullen al kunnen worden toegepast op alle oproepen vanaf 2018. Een van de vele maatregelen is onder meer het verbod op projectaanvragen door panelleden, wat een belangrijk punt is in de transparantie van het FWO.

Dan was er uw vraag naar meer middelen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik het al fantastisch vind dat men 30 en 10 miljoen euro aan extra middelen structureel kan verkrijgen voor BOF en FWO. U zult echter begrijpen dat ik nu geen verdere uitspraken kan doen over meer middelen, want dat is iets dat aan bod moet komen bij de begrotingsopmaak voor 2019. Dan zullen de gesprekken over bijkomende middelen voor innovatie, als die er zijn, wat normaal gezien zou moeten, aan bod komen.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat u de aanklacht ernstig neemt. We hebben vanuit verschillende hoeken verschillende stemmen gehoord, die eigenlijk allemaal zowat hetzelfde zeiden. Wat me vooral bezorgd had gemaakt, was de opinie van de Jonge Academie, met allemaal jonge, beloftevolle onderzoekers van alle universiteiten. Zij vragen echt wel om dat financieringsmodel dringend te herzien. Ze klagen daarbij ook aan dat die doorgedreven vorm van concurrentie vandaag eigenlijk erg contraproductief aan het werken is. Bijvoorbeeld bij het BOF werkt dat op basis van het aantal doctoraten en de publicaties; Dat is een gesloten enveloppe, waardoor de winst voor de ene instelling natuurlijk het verlies is van een andere instelling. Dat moet toch misschien wel eens worden bekeken. Zij vragen eigenlijk een nieuw evenwicht tussen competitie en complementariteit.

U zegt dat samenwerking tussen instellingen vandaag al wordt beloond. Uit gesprekken die ik heb gehad met rectoren en onderzoekers blijkt dat vandaag in de praktijk toch niet of minder het geval te zijn. Ik zou dus toch willen vragen om er nog meer werk van te maken dat die samenwerking tussen instellingen ook daadwerkelijk iets oplevert.

Tot slot ben ik benieuwd naar de evaluatie van het financieringsmodel die er zal komen. Ik heb begrepen dat dat normaal gezien tegen de zomer rond zou moeten zijn. Dan zal ik in ieder geval terugkeren met dezelfde bezorgdheden en opmerkingen.

Altijd welkom hier, mevrouw Soens.

De heer Gryffroy heeft het woord.

Een paar kleine dingen in verband met het mentaal welzijn. Ik denk dat dat inderdaad een aandachtspunt is. Het is ook al een paar keer aangekaart in de commissie Onderwijs, en het is ook ter sprake gekomen naar aanleiding van de bespreking van het voorstel van resolutie van de meerderheidspartijen omtrent de doorstroming van doctoraatsstudenten naar de arbeidsmarkt. Zoals mijn collega Paul Cordy ook in de commissie Onderwijs heeft gesteld, moeten we inderdaad waken over die werkomstandigheden, over het welzijn op het werk. De vraag is echter of het onderzoek voldoende aanduidt of de mentale belasting bij hen groter is dan bijvoorbeeld bij chirurgen, topadvocaten enzovoort. Men moet daar soms een klein beetje voorzichtig mee zijn.

Twee, als we het hebben over jobonzekerheid, stelt collega Soens, misschien terecht of niet terecht, dat men bij de instellingen zo veel mogelijk postdocs aan boord wil houden, maar wij zeggen dat men er eigenlijk over moet waken dat men zo veel mogelijk postdocs naar de arbeidsmarkt trekt, omdat ze daar heel veel toegevoegde waarde kunnen leveren. Ik denk dus dat we daar nog meer op moeten inzetten.

Ten derde, de bijkomende middelen die u hebt gehad, zijn volgens mij inderdaad de aanleiding geweest voor het stijgen van de slaagkansen naar 20,45 procent in 2017. We moeten inderdaad evolueren naar de internationale richtlijn van 33 procent. We moeten dus nog een stukje gaan, maar ik denk dat de bijkomende middelen in elk geval toch al de slaagkansen met 5 procentpunten hebben doen stijgen.

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Gryffroy, ik wil op dat laatste nog eventjes ingaan. We hebben dat ooit al eens besproken in deze commissie. Bij een slaagpercentage heb je een teller en een noemer. We hebben dus niet alleen ingezet op meer geld. Bij de hervormingen van het FWO waren er ook nog een aantal andere zaken. Zo kan men bijvoorbeeld niet oneindig vele aanvragen indienen. Dat wordt beperkt tot nog twee aanvragen per promotor, als ik me niet vergis. Dat zijn andere aspecten, die ook belangrijk zijn, die maken dat de kwaliteit van de ingediende projecten ook groter zal worden en je dichter bij die 33 procent die er internationaal is, zult komen. Ik wil dat dus toch wel benadrukken. Het geld is één aspect, en dat geeft die 5 procent, maar je kunt ook werken op de andere aspecten, en dat doen we door die vele en toch wel belangrijke hervormingen die we binnen het FWO hebben gedaan. Mijn uitgangspunt is en blijft excellentie. Dat moet het criterium bij uitstek zijn om de keuzes te maken. Dat is een eerste reactie.

Een tweede reactie is gericht tot de heer Gryffroy, maar ook aan mevrouw Soens, denk ik. Laten we ook niet vergeten dat de overgrote meerderheid van doctoraatsstudenten en postdocs naar de arbeidsmarkt doorstroomt, en dat zal ook zo blijven. Dat kan niet anders. Dat moet ook de bedoeling zijn. Je moet genoeg jongeren hebben die doctoraten en postdocs kunnen doen, maar er komt een moment dat de stap wordt gezet naar het bedrijfsleven. In het verleden was daar wellicht nog te weinig aandacht voor. We willen daar meer aandacht aan geven, ook al voor een stuk een mogelijkheid tot netwerkvorming geven aan die jongeren, zodat die al in contact kunnen komen met de industrie. Ik denk dat we zo dan toch ook een deel van die stress wegnemen, als men bij de industrie ziet wat die postdocs zijn. Er zijn waarschijnlijk ter zake wel perceptieproblemen aan de twee kanten.

Mevrouw Soens, wat die opiniestukken betreft, ik neem de hoofdzaken ernstig en we gaan bij de evaluatie zien wat en hoe, maar ik wil toch wel één ding nog eens heel duidelijk zeggen. Je hebt bij het BOF eerst een verdeelsleutel op Vlaams niveau. Die schommelt niet echt enorm veel. Die sleutel ligt vrij sterk vast. Dan worden binnen de universiteit die centen verdeeld. Daar, mevrouw Soens, is alléén de universiteit voor verantwoordelijk. Dan moet u mij eens zeggen waar de ratrace is en waar de te grote concurrentie is. Ligt die bij die verdeelsleutel op Vlaams vlak of binnen de verdeelsleutel die vrij is en waarvoor de rectoren en de universiteiten zelf de verantwoordelijkheid vroegen en hebben gekregen? Ik denk dat dat een belangrijke vraag is. Als ze mij vragen dat ik dat overneem, dan wil ik dat doen, maar als je dat zegt, dan zeggen ze ‘neen, neen, we doen dat zelf’. Als er dan echter kritiek is, dan is het de minister. Neen, zo niet. Daaraan doe ik niet mee.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Over die postdocs was mijn vraag eigenlijk ook tweeledig. Mijn vraag was welke initiatieven er zijn om postdocs meer aan boord te houden in de instelling, maar ook hoe we de sceptische houding kunnen aanpakken die vandaag op de Vlaamse arbeidsmarkt bestaat. Postdocs worden immers ook niet altijd geapprecieerd als ze op de arbeidsmarkt komen.

Wat de verdeelsleutels betreft, ik denk dat u gelijk hebt, maar het is natuurlijk wel een gesloten enveloppe. Dat maakt dat als de ene meer publicaties en doctoraten binnenhaalt, de andere ook … (Opmerkingen van minister Philippe Muyters)

Oké, maar de winst van de ene blijft wel het verlies van de andere, ook al is het aantal publicaties wel gestegen. Ik vind uiteraard ook wel dat we moeten kijken naar die verdeelsleutels binnen de universiteiten, en volgens de gesprekken die ik met de rectoren heb gehad, zijn die ook wel bereid om na te gaan in hoeverre daar aanpassingen moeten gebeuren. Ik weet immers dat er daar inderdaad ook wel een groot probleem zit.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.