U bent hier

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Mijn vraag was ook gericht aan minister Crevits. Omdat er een welzijnsaspect aan verbonden is, is de vraag in deze commissie terechtgekomen, waarvoor dank.

De centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) focussen op vier begeleidingsdomeinen: leren en studeren, onderwijsloopbaan, preventieve gezondheidszorg en psychosociaal functioneren. Preventieve gezondheidszorg bestaat voor het grootste deel uit medische consulten. De focus ligt daarbij op de gezonde ontwikkeling van jongeren en de tijdige detectie van ontwikkelingsproblemen. Onder die preventieve gezondheidszorg vallen ook de verplichte medische onderzoeken.

Meer en frequenter krijgen scholen te maken met zorgvragen met betrekking tot psychologische begeleiding. Dat onderschrijft ook het recentste jaarverslag van de CLB’s van 2015-2016, waaruit blijkt dat het gemiddeld aantal interventies per zorgvraag het hoogst liggen in het domein ‘psychosociaal functioneren’. De nood aan psychologische en/ of psychotherapeutische begeleiding werd meegenomen in de oefening die gemaakt wordt inzake de taakafbakening van de CLB’s.

Op maandag 12 februari 2018 kondigde de minister aan het psychologisch welzijn meer onder de aandacht te brengen bij de medische consulten.

Minister, hoe reageren de betrokken stakeholders op de verhoogde aandacht voor het psychosociaal welzijn in de medische consulten? Welke impact zal dit hebben op de personeelssamenstelling binnen de CLB’s? Hoe zult u erover waken dat de taken tussen de CLB’s en de welzijnsactoren goed afgebakend worden? Welke afspraken zullen gemaakt worden met betrekking tot de informatie-uitwisseling?

Mevrouw Taelman heeft het woord.

Minister, in de huidige regeling moeten kinderen zeven keer tijdens hun schooltijd een medisch onderzoek ondergaan. Minister Crevits heeft nu voorzien in een aanpassing waarbij dat aantal wordt teruggebracht tot vijf, maar waarbij de actieradius van het onderzoek wordt uitgebreid. Ook het welbevinden en de leefgewoonten van leerlingen worden onderzocht.

Vroegdetectie van psychisch onwelzijn is uitermate belangrijk zodat ook in een vroeg stadium kan worden ingegrepen. De systematische screening op niveau van een school is een goede keuze. Dat impliceert immers dat men nagenoeg de hele jeugd in Vlaanderen screent, ongeacht de sociaal-economische toestand van de ouders.

Indien men bij deze screening een probleem vaststelt, dan is het zaak dat er efficiënt kan worden doorverwezen en dat ook onmiddellijk kan worden gestart met een remediëring.

Wie gaat die psychologische screening tijdens de medische onderzoeken verrichten? Zijn er afspraken gemaakt tussen de minister van Onderwijs en uzelf met betrekking tot de doorverwijzing? Neemt u maatregelen opdat bij doorverwijzing van een leerling naar aanleiding van een screening bij het medisch schooltoezicht ook snel curatief kan worden opgetreden? Op dit ogenblik zijn er wachtlijsten bij de centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s). Hoe moeten we de opvolging na vroegdetectie door het medisch schooltoezicht dan zien?

Mevrouw Jans heeft het woord.

Voorzitter, ook ik diende een vraag in over het verbreden van wat wij kennen als het klassieke medisch onderzoek, in het kader van het nieuwe decreet inzake leerlingenbegeleiding. Met name zal men veel meer aandacht geven aan het mentaal welbevinden daarbij. We hebben het in deze commissie al heel vaak gezegd: minstens de helft van alle psychische problemen ontstaat op jonge leeftijd, voor de leeftijd van 14 jaar. Het gebruik van antidepressiva bij kinderen en jongeren stijgt, blijft stijgen. Minister, vroeg detecteren, vroeg interveniëren en alles doen om erger te voorkomen vormen een rode draad in uw beleid, maar zeker ook in het geestelijkegezondheidsbeleid. Deze nieuwe maatregel, of deze nieuwe aanpak en kijk op het klassieke medisch onderzoek, past daar onzes inziens helemaal in. Toch hebben we een aantal vragen, die ook overeenkomen met de vragen die de collega’s hier hebben gesteld en zullen stellen.

Minister, welke rol is er weggelegd voor de bestaande expertise hieromtrent? Maar ook, hoe zal men die gegevens die daar worden verzameld, en de manier van werken van het CLB optimaal kunnen afstemmen met wat Kind en Gezin vandaag de dag doet, maar ook met wat onze eigen diensten doen? Ten slotte, hoe zal er opvolging worden gegeven aan zowel de individuele als de globale resultaten inzake het psychisch welbevinden van leerlingen bij het nieuwe medisch onderzoek?

De heer Anseeuw heeft het woord.

Voorzitter, minister, een op de drie Vlamingen krijgt vroeg of laat af te rekenen met psychische problemen. De helft van die problemen ontstaat voor de leeftijd van 14 jaar. Daarom zijn vroegdetectie en vroeginterventie een erg goede beleidskeuze. Op 9 februari gaf de Vlaamse Regering haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Binnen het kader van het verplichte medisch onderzoek op school zouden er nu vijf in plaats van zeven contactmomenten zijn, waarbij er ook aandacht zou gaan naar het psychisch welbevinden van de leerling.

Het is natuurlijk heel goed dat jonge kinderen van kindsbeen af leren dat niet alleen lichamelijke gezondheid, maar ook mentale gezondheid bespreekbaar is en moet kunnen zijn. Anderzijds is zo’n screening op het eerste gezicht niet vanzelfsprekend, aangezien er slechts vijf contactmomenten zijn over een tijdsspanne van tien jaar. Een ander onderdeel van de hervorming is ook het nauwer betrekken van de ouders bij het verplicht medisch onderzoek op school. De hervorming heeft ook haar impact op het soort gegevens dat de CLB’s moeten registreren in het multidisciplinair dossier van de leerling.

Minister, ik heb daar dus wel enkele vragen bij. Hoe zal de screening met betrekking tot de psychische gezondheid van de kinderen en jongeren binnen de CLB’s concreet gebeuren, rekening houdend met het feit dat er van een vertrouwensband eigenlijk geen sprake kan zijn, en ook rekening houdend met het feit dat bij drie van de vijf contactmomenten ook de ouders aanwezig kunnen zijn? Welke gegevens zullen moeten worden opgenomen in het multidisciplinair dossier van het CLB? Voor welk doel, zowel op individueel als op populatieniveau, en dus ook op beleidsniveau, kunnen en zullen die gegevens worden gebruikt? Is er in een gegevensdeling voorzien door het CLB met andere relevante actoren? Zo ja, welke en onder welke voorwaarden kan die deling plaatsvinden? Welke rol ziet u voor de school weggelegd bij de uitvoering van de leerlingenbegeleiding?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Geachte leden, vooraleer we dieper ingaan op uw vragen, is het misschien noodzakelijk om de visie op de preventieve gezondheidzorg in de setting onderwijs te duiden. De volgende uitgangspunten, ingegeven vanuit de principes van volksgezondheid, zijn onveranderd de leidraad geweest in alle gesprekken en overlegmomenten ter voorbereiding van de nieuwe regelgeving over leerlingenbegeleiding. Ten eerste, een basisaanbod preventieve gezondheidszorg voor iedereen door het beleid inzake leerlingenbegeleiding van de school en door het CLB, en waar nodig een meer gericht aanbod voor groepen van leerlingen of individuen. Twee, een nodengestuurde werking, niet alleen vraaggestuurd, met bijvoorbeeld specifieke aandacht voor kwetsbare, minder mondige groepen. Drie, niet alleen systematische en periodieke aandacht voor het fysieke, maar ook voor geestelijke en sociale aspecten van de gezondheid. Vier, eerst inzetten op het bevorderen van gezond gedrag en zo nodig ook op vroegdetectie, vroeginterventie en begeleiding. Vijf, de noodzaak van het organiseren van een preventief gezondheidsbeleid in elke school, gebaseerd op de principes van de gezondheidsmatrix. Zes, het CLB als deskundige partner om de school inhoudelijk te ondersteunen bij het ontwikkelen van een gezondheidsbeleid. Zeven, afstemming met bevindingen vanuit Kind en Gezin, dus geen dubbel werk, en het betrekken van ouders om aspecten van de opvoeding en de gezinscontext mee te kunnen nemen in de opvolging van het kind of de jongere. Acht, artsen minder inzetten in systematische onderzoeken en meer in de begeleiding van kinderen en jongeren met een grotere kwetsbaarheid of problematieken, met dus een efficiëntieverhoging en een herwaardering van het beroep van jeugdarts.

Negen, een aanbod van systematische screening moet voldoen aan criteria van maatschappelijke relevantie, wetenschappelijk evidentie en doelmatigheid.

Door scholen de opdracht te geven om een geïntegreerd beleid te ontwikkelen dat rekening houdt met de noden van de leerlingenpopulatie, en dat is afgestemd op de relevante Vlaamse gezondheidsdoelstellingen, wordt gezondheidsbevordering op systematische wijze ingebouwd in de werking van een school.

CLB’s kunnen vanuit de contacten die ze hebben met individuele leerlingen de noden van de schoolpopulatie mee in kaart brengen en advies geven over zinvolle acties en methodieken van aanpak, mede vanuit hun contacten met de Logo’s.

Een minimaal basisaanbod van vroegdetectie voor alle leerlingen blijft mijns inziens noodzakelijk omdat de kans anders groot is dat juist de kwetsbare groepen uit de boot vallen. Het is voor mij evident dat dat minimaal aanbod niet alleen gaat over fysieke evaluatie van een kind, maar dat ook aspecten van geestelijk en sociaal welzijn mee in rekening worden genomen, met dien verstande dat aandacht voor geestelijk welzijn niet noodzakelijk en onmiddellijk moet worden herleid tot systematische psychologische screening. Dergelijk aanbod wordt slechts overwogen als daar op Vlaams niveau nood aan is, er een betrouwbaar screeningsinstrument is, er in degelijke opvolging kan worden voorzien na afwijkend screeningsresultaat enzovoort.

Tot slot nog dit: de huidige contactmomenten – de medische consulten – zijn verminderd in aantal en verschoven naar belangrijke overgangsfasen in de ontwikkeling van een kind/jongere; ze komen er in de eerste kleuterklas, het eerste leerjaar, het vierde leerjaar, het zesde leerjaar en het derde middelbaar. Dit nieuwe aanbod is gebaseerd op ervaring in het CLB en wetenschappelijke evidentie en wil tegemoetkomen aan de verzuchting in de sector om de efficiëntie te verhogen en de expertise van jeugdartsen meer in te zetten voor kinderen en jongeren die meer begeleiding of zorg nodig hebben.

Ik wil beklemtonen dat er op dit moment geen sprake is van een psychologische screening, noch in de regelgeving, noch in de feiten. De vraag wie dergelijke screening moet uitvoeren is dus niet aan de orde. Dergelijke screening wordt immers slechts overwogen als daar op Vlaams niveau nood aan is, er een betrouwbaar screeningsinstrument is, er kwaliteitsgaranties zijn voor het toepassen ervan, in degelijke en voldoende opvolging kan worden voorzien na afwijkend screeningsresultaat, enz. Een voorstel om systematische screening aan te bieden, ook in kader van geestelijke gezondheid, moet voldoen aan de Vlaamse regelgeving over bevolkingsonderzoek.

De nieuwe regelgeving heeft wél tot doel om een opening te maken om, in het kader van systematische contacten, ook andere elementen dan alleen fysieke ontwikkeling aan bod te laten komen en zo een meer globale inschatting te kunnen maken van de leerling in kwestie, onder andere een beeld krijgen van de gezins- en opvoedingssituatie door minstens in de eerste kleuterklas maximaal contact met de ouders na te streven.

Momenteel lopen er in vijf CLB’s pilootprojecten om de haalbaarheid te testen van de methodiek ‘gezond leven, check het even’. Het betreft een online vragenlijst die zal worden aangeboden aan alle adolescenten van 14 jaar, naar aanleiding van een systematisch contact in het derde middelbaar. Het project wordt uitgevoerd door de Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg, en de partnerorganisaties in het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid: het Vlaams Instituut Gezond Leven (VIGL), het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP), Sensoa en de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) hebben de vragen mee gevalideerd.

De doelstelling van de vragenlijst is drievoudig en getrapt. Eén, adolescenten bewustmaken van het eigen gedrag en welzijn met thema’s als drugsgebruik, seksuele gezondheid, gezonde voeding en beweging en welbevinden komen op gestructureerde wijze aan bod. Twee, doorverwijzen naar relevante websites van partnerorganisaties met meer informatie over vragen waarmee de leerlingen zitten. Drie, de mogelijkheid om een gesprek aan te gaan met het CLB als uit de vragenlijst een probleemsituatie zou blijken.

Op die leeftijd worden ouders niet automatisch betrokken bij een contactmoment, en leerlingen zijn niet verplicht om het gesprek aan te gaan, maar het is de bedoeling dat de CLB’s een instrument krijgen aangereikt om dit gesprek aan te gaan met de adolescent. De betrokken CLB-medewerkers krijgen ook een opleiding in motiverende gespreksvoering.

De data uit de vragenlijst kunnen geanonimiseerd een belangrijke bron zijn voor het gezondheidsbeleid van de school en voor het Vlaams preventieve gezondheidsbeleid. Nu ontvangt Zorg en Gezondheid ook al – versleutelde – gegevens uit de medische consulten vanuit LARS (Leerlingen Activiteiten en Registratie Systeem) van het CLB over bijvoorbeeld gehoor- en visusscreening, mondgezondheid, groei en BMI.

De resultaten van het pilootproject worden verwacht tegen eind 2019. Voordat er beslist wordt dergelijke vragenlijst breed te implementeren, is eerst advies nodig van de Vlaamse werkgroep Bevolkingsonderzoek, en moet de werkwijze, inclusief opvolging, worden neergeschreven in een draaiboek voor het CLB naar analogie met de standaard gehoor, standaard visus, vaccinaties enzovoort. Daarbij wordt in de gaten gehouden dat de opdracht de draagkracht van het centrum niet overschrijdt en dat het kan worden opgenomen binnen het omkaderingsvolume zoals decretaal wordt bepaald.

Ik heb nog geen zicht op de reacties van de betrokken stakeholders. Ik ga ervan uit dat die zullen toekomen bij de minister van Onderwijs. We zullen daarover overleggen.

Het decreet Leerlingenbegeleiding, dat binnenkort hier in het parlement zal worden besproken, vraagt elke school een beleid inzake leerlingenbegeleiding te voeren. Werken aan preventieve gezondheidszorg is daar een onderdeel van. Het is onder meer de taak van de pedagogische begeleidingsdiensten hen hierin bij te staan. We moedigen sterk aan dat af te stemmen op de relevante Vlaamse gezondheidsdoelstellingen.

Voor het settinggericht werken, zoals bedoeld in de nieuwe gezondheidsdoelstelling ‘gezonder leven’, zijn kadermethodieken ontwikkeld. Die zijn gericht op het uitbouwen van een geïntegreerd beleid, met een mix van acties die elkaar versterken. Voor de setting Onderwijs is de kadermethodiek ‘gezonde school’ een houvast die scholen helpt om dergelijk beleid kwaliteitsvol op te zetten en doorverwijst naar zinvolle methodieken en materialen.

De gegevens in een leerlingendossier worden gebruikt ten behoeve van de leerling en de begeleiding die eventueel moet plaatsvinden. De opmaak, de bewaring en het gebruik van persoonsgegevens en van de persoonsgegevens die op de gezondheid betrekking hebben in het multidisciplinaire dossier, zijn onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en betreffende de rechten van de patiënt.

Op geaggregeerd niveau, dus anoniem, kunnen de data door het CLB worden gebruikt om noden binnen de schoolpopulatie bloot te leggen. De data uit de medische consulten met betrekking tot de standaarden Jeugdgezondheidszorg worden versleuteld aan Zorg en Gezondheid bezorgd. Momenteel is een dashboard CLB in opbouw om op basis van die data beleidsindicatoren te genereren voor het preventieve gezondheidsbeleid. Aangezien er momenteel geen sprake is van een systematische psychologische screening, is het ook niet de bedoeling hierover databanken aan te leggen.

Op dit moment worden stappen gezet om het dossier van een kind bij Kind en Gezin elektronisch over te maken aan het CLB bij overstap naar de kleuterklas. Op die manier moet een CLB niet van nul beginnen.

De manier van werken – namelijk gestandaardiseerd, op evidentie gebaseerd, methodisch – is dezelfde bij Kind en Gezin en CLB. Voor de contactmomenten in beide organisaties wordt er gewerkt volgens gelijklopende wetenschappelijke onderbouw. Dat bevordert de samenhang tussen het beleid van Kind en Gezin en het beleid van het CLB. Recent werd bijvoorbeeld de gehoorscreening in het CLB gewijzigd, na de vaststelling dat door de invoering van een neonatale gehoorscreening door Kind en Gezin systematische screening met audiometrie in de kleuterklas niet meer nodig is; alleen audiometrie is nog nodig in de eerste kleuterklas voor kindjes die neonataal niet werden gescreend en/of drager zijn van welomschreven risicofactoren voor neurosensorieel gehoorverlies. De CLB’s ontvangen nu al voor gehoor elektronisch alle data van Kind en Gezin.

In het decreet Leerlingenbegeleiding wordt bepaald dat de school en het CLB informatie delen met elkaar. Opnieuw, deze gegevensdeling moet gebeuren binnen de mogelijkheden van de privacyregelgeving.

Deze situatie inzake de bestaande expertise blijft dezelfde als momenteel gangbaar in het CLB.

Bij de huidige systematische screening door het CLB, die verloopt volgens standaarden jeugdgezondheidszorg, is doorverwijzing indien nodig vervat in de standaard. Bij de ontwikkeling van standaarden is ook de curatieve sector betrokken en die wordt ruim geïnformeerd over het invoeren van de standaard en de gevolgen daarvan voor de opvolging bij doorverwijzing. De CLB’s hebben een belangrijke taak inzake doorverwijzing indien nodig, en de jongere en zijn ouders ondersteunen en helpen bij het vinden van passende zorg. Het zijn echter de ouders die verantwoordelijk blijven om de curatieve sector te contacteren en het nodige te doen.

Wat betreft geestelijke gezondheid is de capaciteit in de curatieve sector een bekend probleem, maar de CLB’s hebben ook een omkadering van maatschappelijk werkers, psychologen en pedagogen die heel wat begeleiding zelf opnemen. Deze situatie blijft dezelfde als momenteel gangbaar in het CLB.

Gelukkig gaat het met de meeste kinderen goed en kan een eenvoudig en aanmoedigend gesprek met een CLB-medewerker en een antwoord op hun vragen volstaan om positief verder te kunnen. In geval bijvoorbeeld een pestproblematiek blijkt, kan het CLB dit aankaarten bij de school die hierin een beleid ontwikkelt in de brede basiszorg. Deze laagdrempelige aanpak voorkomt een evolutie naar ernstig onwelbevinden. Deze werkwijze sluit geheel aan bij de expertise en het werkterrein van het CLB en de school.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Bedankt voor de antwoorden, minister. Ik ga even overlopen, want ik weet niet zeker of ik alle antwoorden heb gekregen.

Ik begrijp dat de reacties van de stakeholders nog niet duidelijk zijn. Dat zullen we dan verder opvolgen via de commissie Onderwijs.

Ik begrijp uit uw antwoord dat er geen impact is op de personeelssamenstelling binnen het CLB, omdat er niet echt een extra screening of dergelijke wordt voorzien. Het gaat gewoon over de aanwezigheid van de psychologe tijdens zo’n medisch onderzoek, die dan in een of andere vorm stand-by is, mocht dat nodig zijn, maar dat van haar geen extra actie wordt verwacht. In die zin zullen er ook niet meer mensen nodig zijn dan er nu in de personeelssamenstelling van het CLB aanwezig zijn. Kunt u bevestigen of ik dat juist begrepen heb?

U hebt verteld over de taken van CLB en Welzijn, maar zoals ik het begrepen heb, is de bedoeling van het nieuwe decreet toch dat het CLB vooral de draaispilfunctie moet opnemen. U zei dat het CLB ook pedagogen en dergelijke in de organisatie heeft om begeleidingen op te starten, maar ik denk toch dat het CLB vooral moet detecteren, en dan eventueel doorverwijzen naar andere organisaties, eventueel ook binnen Welzijn. De problematiek die daar speelt, zijn de wachtlijsten. Hoe gaat het duidelijk blijven dat het CLB bedoeld is om te detecteren en een draaispilfunctie op te nemen, en dat het dan in sommige gevallen aan Welzijn zal zijn om begeleiding en dergelijke op te nemen? Hoe gaan we dat monitoren?

Wat betreft de informatie-uitwisseling, begrijp ik dat het nieuwe dashboard een soort doorsteek moet worden vanuit Kind en Gezin naar het CLB, en dan verder naar Welzijn, in de gevallen dat het nodig is.

Mevrouw Taelman heeft het woord.

Ik heb begrepen dat het niet gaat over een systematische psychologische screening. Ik begrijp dat ook, omdat daar inderdaad toch wat voorwaarden aan verbonden zijn die moeten worden nageleefd. Maar het is wel de bedoeling om indien nodig toch in een doorverwijzing te voorzien. Hoe gaat dat in zijn werk? Hoe zal dat gebeuren in verband met de wachtlijsten die er nu al zijn bij centra voor geestelijke gezondheidszorg?

U sprak over pilootprojecten die lopen. Wat is de concrete timing daarvan?

Mevrouw Jans heeft het woord.

Ik vind het goed dat men nu een iets meer globale inschatting gaat maken tijdens die momenten dat alle leerlingen worden gezien, en dat die momenten zelf ook beter gekozen zijn, namelijk op belangrijke overgangsmomenten voor die kinderen en jongeren. Ik vind het ook goed dat er heel actief wordt geïnvesteerd, minister, in wat u de ‘motiverende gespreksvoering’ noemt. Als ik, samen met de mensen van mijn generatie, terugdenk aan de PMS-onderzoeken van destijds, denk ik dat er veel potentieel is om dat aangenamer te maken en een iets meer vertrouwenwekkende omgeving te creëren, zeker wanneer men ook gaat kijken naar het psychische welbevinden.

U hebt bijzonder veel verteld over wat we met die versleutelde info kunnen doen, om daarmee te werken op beleidsniveau en op schoolniveau, maar het is inderdaad ook van belang om te kijken wat we met de individuele gegevens doen. We gaan er meer aandacht voor hebben. Het wordt geen grondige wetenschappelijke screening, maar men gaat er wel naar vragen. Met het overgrote merendeel van de kinderen gaat het heel goed, maar er zullen momenten zijn dat er doorverwezen wordt. U zegt dan ook heel duidelijk dat de verantwoordelijkheid bij de ouders blijft liggen. We spreken hier vaak over jeugdhulp en andere zware materies, wat maakt dat onze kijk waarschijnlijk wat zwaarder is dan de gemiddelde kijk daarop, maar het is toch mijn hoop en mijn vraag dat we door die meer globale inschatting meer de vinger kunnen leggen op de problemen die er zijn. We hopen niet alleen dat die ouders die verantwoordelijkheid opnemen, maar dat mensen dat ook vasthouden. Want dat is wat we vaak zien in heel moeilijke dossiers: de ene geeft wel het advies om contact op te nemen, en dat gebeurt dan, maar er is een wachtlijst of men loopt daarop vast. Ik hoop dus dat men bij individuele problemen ook echt de vinger aan de pols houdt en dat men dat ook actief en intens opvolgt.

Het is ook net de bedoeling van die meer globale inschatting dat we meer kinderen sneller bereiken en kunnen helpen, en dat we niet alleen theoretisch doorverwijzen, maar het daar dan bij laten. Dat zou een gemiste kans zijn.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Minister, na alle vragen die de collega’s hebben gesteld, heb ik nog één bijkomende vraag over het inschatten van de risico’s met betrekking tot de psychische gezondheid. In het voorontwerp heeft men het onder andere over sociaal-emotionele aspecten. U hebt gezegd dat het geen systematische screening wordt. Ik heb ook begrepen dat er een vragenlijst komt voor de adolescenten, maar eigenlijk is het vanaf de kleuterleeftijd dat die sociaal-emotionele aspecten en de risico’s die daaraan verbonden kunnen zijn, op een of andere manier gescreend moeten worden. Wat ik graag wil weten, is op welke manier dat concreet gebeurt. Collega Jans heeft verwezen naar onze ervaringen van vroeger bij het medisch onderzoek. Wat moet ik mij voorstellen bij zo’n screening of inschatting van risico’s? Dat benieuwt me wel.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Uiteraard moet een en ander wel geconcretiseerd worden, maar het gaat vooral over het feit dat men in de contacten, als men informeert naar het welbevinden, breder gaat dan alleen maar kijken hoe het met de fysieke toestand van de betrokkene gesteld is. Er zullen ook mensen gevormd moeten worden, om te zeggen welke vragen je moet stellen, hoe je dat moet doen, hoe je dat kunt registreren, welke indicaties daarin van belang kunnen zijn. Het is dat soort redeneringen dat daarachter zit.

De projecten die lopen, lopen dit schooljaar, heb ik begrepen. Dat wil zeggen dat die daarna bekeken zullen worden.

Ik heb hier in de commissie al geantwoord over de draaischijffunctie van de CLB’s. De CLB’s hebben wat ons betreft natuurlijk ook een plaats in de integrale jeugdhulp. Precies ook vanwege hun frustratie dat ze een stuk zelf opnemen aan begeleiding en ondersteuning, maar dat hen dat op een bepaald moment ook overstijgt, is er gezegd dat we in de volgende jaren, 2018-2019, zeer sterk gaan investeren in de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp, precies om capaciteit te kunnen creëren. In de meeste regio’s waar we de projecten hebben toegekend – of zo niet allemaal – zijn het projecten waar ook de CLB’s aan participeren, waardoor de CLB’s ook meer engagement krijgen van het rechtstreeks toegankelijke aanbod dat vragen effectief sneller kunnen worden opgenomen als dat nodig is. Dat gaat over een investering in vijftien regio’s van 15 miljoen euro. Dat is toch een vrij substantiële injectie, die ook voor een stuk antwoord moet bieden op de vragen van de CLB’s.

In die projecten zit ook de verplichting om in een eerstelijnspsychologische functie voor kinderen en jongeren te voorzien. Met het zorgnetwerk vroegdetectie en -interventie, waar we ook extra geld op ingezet hebben, en met die eerstelijnspsychologische functie, proberen we toch te voorzien in meer laagdrempelige en eerstelijnspsychologische hulp en bijstand, naast de cgg’s, met de gekende vragen in de capaciteit. Maar natuurlijk zijn er ook andere actoren, ook in de ambulante sector van de geestelijke gezondheidszorg, dan de cgg’s. Dat moet wat breder bekeken worden.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Bedankt voor uw antwoorden, minister. Het is inderdaad heel belangrijk om de vijf pilootprojecten goed op te volgen en te kijken wat hun resultaten zijn, om van daaruit dan verder te kunnen werken.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.