U bent hier

De heer Sanctorum heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, professionele kwekers en kweker-handelaars in honden vallen onder de wetgeving inzake dierenwelzijn en hebben een erkenning nodig, die zij moeten aanvragen bij de dienst Dierenwelzijn van de Vlaamse overheid. Wie professionele kweker is en wie kweker-handelaar, staat in detail gedefinieerd in de regelgeving.

Kwekers en kweker-handelaars vallen echter ook onder de milieuwetgeving, waar toch een aantal belangrijke passages staan. Wanneer vijf tot en met tien volwassen dieren worden gehouden, valt de inrichting onder klasse 3-meldingsplicht; voor meer dan tien volwassen dieren is een milieuvergunning nodig. Een volwassen dier wordt in de milieuwetgeving gedefinieerd als minstens zes maanden oud. Die definitie zorgt ervoor dat inrichtingen waar heel veel pups worden verhandeld en weinig volwassen dieren worden gehouden om zelf te kweken, geen milieuvergunning moeten aanvragen. Inrichtingen zijn daarbovenop enkel toegelaten in woongebied wanneer maximum tien honden worden gehouden, opnieuw volgens de geldende definitie. Als je al die bepalingen uit de milieuwetgeving bij elkaar plaatst, zorgt dat ervoor dat kweker-handelaars zich gemakkelijk kunnen vestigen in woongebied en ressorteren onder een meldingsplicht.

Vanuit milieuoverweging is het zeker verdedigbaar om de definitie van een hond lager dan zes maanden te leggen. Er is de dierenwetgeving, maar ook de milieuwetgeving, waar het over hinder gaat. Een hond jonger dan zes maanden kan je toch wel beschouwen als een mogelijke bron van geluidsoverlast. Lokale besturen blijken weinig instrumenten te hebben om voorwaarden op te leggen aan kweker-handelaars, aangezien zij in de praktijk enkel vallen onder een meldingsplicht.

Minister, klopt het dat het merendeel van kweker-handelaars voor honden in Vlaanderen zich in woongebied of een gebied met vergelijkbare bestemming bevindt en enkel valt onder een meldingsplicht? Acht u dit verdedigbaar vanuit milieuoogpunt?

Welke voorwaarden kunnen worden opgelegd aan een kweker-handelaar die enkel valt onder de meldingsplicht voor een inrichting klasse 3? Wordt hiervan gebruikgemaakt door lokale besturen?

Op welke manier – en hier kan het schoentje knellen – wordt controle uitgevoerd op het effectief houden van een maximum van tien dieren per inrichting, zowel in het kader van een meldingsplicht klasse 3 als voor inrichtingen die zich bevinden in woongebied?

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

Collega, ik wil eerst even de context schetsen. Er is de dierenwelzijnswetgeving en er is de milieuregelgeving, zijnde het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM). Een en ander wordt wel eens met elkaar verward.

U spreekt over ‘professionele kwekers’ en ‘kweker-handelaars’. Dit zijn geen begrippen uit VLAREM maar uit de dierenwelzijnswetgeving. De dierenwelzijnsregelgeving normeert en reguleert hoe een eigenaar of verkoper met de fokdieren en pups moet omgaan en ze moet huisvesten en verzorgen. Men kan slechts professionele of handelsactiviteiten uitvoeren als men daartoe voorafgaand ‘erkend’ is vanuit dierenwelzijn. Eenmaal men de erkenning vanuit dierenwelzijn op zak heeft, kan men een inrichting voor honden starten of uitbaten en moet men ook rekening houden met andere regelgeving, zoals de arbeidsregelgeving, de fiscale en sociale regelgeving, de dierengezondheidsregelgeving en de milieuregelgeving.

Sinds 2009 zijn kleinschalige hondenfokkers in Vlaanderen vrijgesteld van de milieuvergunningsplicht. Dat zijn alle fokkers die nooit meer dan vier honden van zes maanden oud hebben. Fokkers slagen er doorgaans in om hun gespeende pups tegen die leeftijd allemaal te plaatsen. Voorafgaand aan 2009 werd een hond al in rekening gebracht vanaf het spenen, wat occasionele of hobbyfokkers met een beperkt aantal nestjes in de problemen kon brengen, terwijl deze particulieren geen onaanvaardbare hinder voor mens en leefomgeving veroorzaakten.

Heeft men tussen de vijf en tien honden, dan valt men onder de klasse 3-meldingsplicht. Men moet dus melding doen van de activiteit aan de gemeente. Wie meer dan tien honden heeft, moet een klasse 2-vergunning aanvragen bij de gemeente. Een gemeente kan die vergunning verlenen aan inrichtingen in alle planologische gebieden, behalve in woongebied en in woonuitbreidingsgebied, want daar is het houden van meer dan tien honden niet toegestaan.

Samengevat, iemand die op professioneel niveau honden wil kweken en/of pups verhandelen, is zowel onderhevig aan de erkenningsplicht vanuit dierenwelzijn als aan de meldings- of milieuvergunningsplicht vanuit VLAREM.

De dierenwelzijnserkenningen worden verleend op het niveau van de Vlaamse overheid, terwijl milieudossiers klasse 2 en 3 vanwege het subsidiariteitsprincipe op het niveau van de gemeenten worden behandeld en toegekend. Dat onderscheid tussen bevoegdheidsniveau is verantwoord omdat de bepalingen in de Dierenwelzijnswet uniform en in heel Vlaanderen gelijk zijn. De algemene en sectorale VLAREM-bepalingen zijn dat in principe ook, maar bij een milieuvergunning is niet alleen de wettigheid maar ook de opportuniteit van de aanvraag van belang. Als een gemeente daar goede redenen toe heeft, kan ze dus een milieuvergunning weigeren, of ze kan de vergunning toekennen maar bijzondere voorwaarden koppelen aan die vergunning. Dat laatste kan een gemeente trouwens ook in het geval van een klasse 3-melding.

Ik hoor soms dat de definitie van hond in het VLAREM de reden is dat er professionele hondenkwekers of handelaars zijn toegelaten in Vlaanderen. Dat is dus niet het geval. Dat er hondenkwekers of -handelaars zijn, is niet het gevolg van de VLAREM-definitie, maar van het feit dat gemeentebesturen het verantwoord achten om de inrichtingen toe te staan op hun grondgebied en omdat die kwekers en handelaars vanuit dierenwelzijn een erkenning krijgen. Ook vóór de definitiewijziging in 2009 waren er erkende professionele kwekers en handelaars met een milieuvergunning in Vlaanderen. Het is dus niet zo dat die er plots zijn gekomen door die definitiewijziging van 2009.

U hebt een aantal concrete vragen gesteld, maar ik vond het toch belangrijk om dit eens voor iedereen te schetsen.

Ik kom tot uw eerste vraag. Deze inrichtingen vallen onder klasse 3, melding, of klasse 2, vergunning, waardoor ze tot de bevoegdheid van de gemeenten behoren. De informatie waar ze zich bevinden, is bijgevolg beschikbaar bij de gemeenten. Ik heb die informatie niet. Als er een overzicht moet zijn, moet dat aan de gemeente worden gevraagd.

De activiteiten moeten voldoen aan de van toepassing zijnde algemene en sectorale voorwaarden die zijn opgenomen in VLAREM. Daarnaast kunnen ook bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

Die kunnen gericht zijn op het beschermen van mens en milieu. Dit moet geval per geval worden bekeken, en er kan rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden.

De controle en het toezicht zijn een bevoegdheid van de gemeente die zelf bepaalt hoe ze de controles uitvoert.

Ik heb op dit ogenblik geen overzicht van al die dossiers. Wanneer u daarop aandringt, kunnen wij misschien een bevraging doen bij de gemeenten. Ik weet ook niet of alle gemeenten dat zullen kunnen meedelen.

Er zijn me op dit moment geen vragen of klachten bekend onder het huidige VLAREM-systeem.

De lijst van de erkende professionele handelaars en kweker-handelaars is beschikbaar. Wanneer we een bevraging zouden doen, kunnen we op basis daarvan een vraag stellen. Het gaat om een 100-tal professionele kwekers en een 45-tal kweker-handelaars, verspreid over heel Vlaanderen.

De heer Sanctorum heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U geeft de aanzet om een vragenlijst op te stellen. Dat lijkt me een goede methodiek.  Ik begrijp ook dat er vandaag een aantal onduidelijkheden zijn om een goede inschatting te maken. Is het zo dat de meerderheid van die kwekers-handelaars enkel valt onder de meldingsplicht? Blijkbaar moet dat eerst eens worden bevraagd. Ik besef dat de verantwoordelijkheid voor de controle bij de lokale besturen ligt. Als we daar meer inzicht in wensen, zullen we hen daarover moeten bevragen. Ik zou graag ingaan op uw suggestie om dat te doen.

Ik vind het zeker een goede manier van werken. Op basis van de resultaten van die vragenlijst kunnen we dan zien wat er wenselijk is.

Ik weet niet of het duidelijk is voor de lokale besturen of voor ons of er nu daadwerkelijk bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd indien een inrichting enkel valt onder de meldingsplicht. Want inderdaad, bij het afwegen van de toekenning van een vergunning is er kwestie van de opportuniteiten en dergelijke meer. Voorwaarden opleggen enkel wanneer er sprake is van een meldingsplicht, lijkt me in elk geval heel beperkt. Misschien kan daar ook wat meer duidelijkheid over worden gegeven.

De heer Dochy heeft het woord.

Mijnheer Sanctorum, ik moet tegenspreken wat u beweert over de meldingen. Dat kan nog niet zo lang: het is ingevoerd in 2009, maar ik ken de juiste datum niet. Een melding is een dossier, dat is niet zomaar eens goedendag gaan zeggen in het gemeentehuis. Een melding is een dossier dat wordt behandeld met kennisname in het schepencollege. Daar kunnen perfect bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Dat zal heel regelmatig gebeuren. Wij doen dat bijvoorbeeld altijd wanneer er een hondenkwekerij wordt aangevraagd.

De heer Vandaele heeft het woord.

Los van melding of vergunning is mijn fractie al een tijdje van mening – en mevrouw Vermeulen heeft dat al een aantal keren verwoord – dat een hond als volwassen zou moeten worden meegeteld na de speentijd, na ongeveer twee maanden. Nu is de regelgeving op dat vlak nogal krakkemikkig. Men kan eigenlijk honderd pups samenzetten. Zolang men daar minder dan tien volwassen honden bij zet, kan men voort. Zeker op het vlak van lawaaihinder – en dat is toch ook uw bevoegdheid, minister – kan dat wel tellen. Er zijn verschillende aspecten aan de problematiek die de heer Sanctorum schetst, maar wij denken dat een deel van de problemen opgelost zou kunnen zijn door die definitie te veranderen. 

Of de definitie nu moet worden gewijzigd of niet, is een discussie die we kunnen blijven voeren. Wanneer is een dier volwassen of niet? Na de speentijd? Ook over de vraag wanneer een dier een dier is, kan men discussiëren. Dit is echter ondergeschikt aan het verhaal. Bij een melding kan men maatregelen opleggen, maar sowieso kan elk lokaal bestuur, wanneer er eventueel problemen zouden zijn, naast de melding eventueel bestuurlijke maatregelen opleggen. Dus doen alsof die problematiek vandaag niet kan worden aangepakt wanneer er eventueel buitensporige problemen zouden zijn, lijkt me geen correcte weergave van de realiteit.

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

Zijn we hier nu over iets aan het praten dat een probleem is? Dat moeten we eerst in kaart brengen. Wanneer men dit inderdaad kan omzeilen door honderd puppy’s in een fokkerij bij elkaar te zetten, dan is het misschien geen slecht idee om daarover een bevraging te houden. Zijn daar klachten over? Zijn er problemen? Wanneer uit die bevraging blijkt dat er geen klachten zijn, dan zijn we met iets bezig dat op het terrein niet moet worden aangepakt. We zullen wel moeten nagaan hoe we dat praktisch zullen organiseren. We kunnen die lijst misschien best opvragen bij Dierenwelzijn en op basis daarvan de gemeenten contacteren. Op die manier zullen we snel weten of er al dan niet problemen zijn en of er op het terrein bijsturingen nodig zijn. Ik hoop dat alle gemeenten zullen antwoorden op die bevraging. Ik zal dat antwoord dan bezorgen aan de secretaris van de commissie.

De heer Sanctorum heeft het woord.

Ik ben tevreden met het antwoord. Ik kijk uit naar de resultaten van de bevraging. Uiteraard zal men als burgemeester bestuurlijke maatregelen kunnen treffen. Maar de vraag is veeleer of een lokaal bestuur bijvoorbeeld een initiatief kan weigeren wanneer het zuiver meldingsplichtig is. Dat is een discussie apart. Het gaat over een aantal techniciteiten rond de vigerende regelgeving. Het is goed dat we eens in kaart brengen of er daadwerkelijk problemen zijn op het terrein.

Ik ben het eens met de analyse van de heer Vandaele dat die definitie problematisch is. Minister, u verwijst zelf naar het feit dat men technisch gezien eigenlijk veel jonge honden kan houden maar toch niet vergunningsplichtig is. Dat is natuurlijk een heel eigenaardige situatie. We zullen de resultaten van de bevraging afwachten en dan verder zien.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.