U bent hier

Commissievergadering

donderdag 8 februari 2018, 10.00u

Voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, op 17 januari 2018 hebben we tijdens de plenaire vergadering een belangrijk decreet goedgekeurd, namelijk het decreet tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, en tot wijziging van de decreten Rechtspositie onderwijspersoneel, kort samengevat, het kaderdecreet betreffende de eindtermen.

In dit decreet staat geschreven dat de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen worden geformuleerd in functie van zestien sleutelcompetenties. Voor de ontwikkeling van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen stelt het decreet dat de Vlaamse Regering een of meerdere ontwikkelcommissies samenstelt die ten minste bestaan uit leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs, vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en van de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs.

Minister, in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag 184 van 15 december 2016 hebt u de voorlopige samenstelling van de ontwikkelcommissies en van de valideringscommissie gegeven, want het ontwerp van decreet was toen uiteraard nog niet goedgekeurd. Ter herinnering, de valideringscommissie zal toezien op de consistentie en de evalueerbaarheid van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen. In uw antwoord hebt u aangegeven dat momenteel zeven ontwikkelcommissies zijn samengesteld. Blijkbaar worden een aantal van de zestien sleutelcompetenties geclusterd. We hebben ook vernomen dat enkel de leerkrachten van de eerste graad rechtstreeks door de lerarenverenigingen zijn aangeduid. De vertegenwoordigers van het basisonderwijs en van de tweede en derde graad zijn rechtstreeks door de onderwijskoepels aangesteld.

Waarom en door wie is gekozen voor een clustering in zeven ontwikkelcommissies? Waarom zijn er geen zestien ontwikkelcommissies?

Decretaal is bepaald waaruit de samenstelling ten minste bestaat. Waarom zijn in een aantal commissies geen extra vakexperten of, in het geval van een clustering, geen vakexpert opgenomen?

Wat is uw reactie op het feit dat enkel de leerkrachten uit de eerste graad rechtstreeks door de lerarenverenigingen en de overige leerkrachten door de koepels worden aangeduid?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega Daniëls, u hebt heel terecht en correct het decreet geciteerd waarbij u zegt dat er een of meerdere ontwikkelcommissies kunnen worden samengesteld. We hebben gekozen voor een clustering in zeven commissies. Een belangrijke kanttekening is misschien: die zeven commissies zijn aan het werk maar maken wel aparte eindtermen per sleutelcompetentie. Het is dus niet de bedoeling om tot geclusterde eindtermen doorheen sleutelcompetenties te komen. We willen dus apart per sleutelcompetentie ook een set aparte eindtermen.

Waarom hebben we geclusterd en hebben we er geen zestien gemaakt? Er was eerst en vooral de grote zorg voor coherentie. Tussen een aantal opgenomen sleutelcompetenties bestaat een grote inhoudelijke samenhang. Als we bijvoorbeeld kijken naar de competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk, emotioneel bewustzijn en op het vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid en zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid, dan bestaat er een samenhang. Als je dan niet een beetje samenhangend nadenkt, dan zou het wel eens kunnen dat je eindtermen hebt waaraan je nog enorm veel werk hebt om overlap en redundantie te vermijden. We willen zuivere, sobere eindtermen. Ze komen dus per sleutelcompetentie, maar we willen wel dat ze inhoudelijk consistent zijn met elkaar, en niet dat ze, zoals vandaag, elkaar overlappen of niet – ik ga niet zeggen tegenspreken – volledig coherent zijn.

Die clustering heeft dus een aantal inhoudelijke voordelen maar zoals ik al zei, is het sowieso de bedoeling om ze dan terug te hangen aan elke sleutelcompetentie apart.

Het werken met een beperkt aantal commissies – er is lang over nagedacht, want tussen een en zestien zit natuurlijk een heel groot verschil – lijkt een goede werkwijze te zijn die er ook toe leidt dat men efficiënt kan werken en dat men ook een goed tempo kan ontwikkelen.

Decretaal is bepaald dat er ‘ten minste’ een aantal experten in moeten zitten. Wat is het werk van de ontwikkelcommissies? De ontwikkelcommissies hebben de opdracht om eindtermen inhoudelijk vorm te geven. Hierbij is inhoudelijke expertise uiteraard van bijzonder groot belang, zowel voor de vertegenwoordigers vanuit het hoger onderwijs als bij de vertegenwoordigers van de leraren en de koepels. We moeten er ook over waken dat de ontwikkelcommissies geen vergaderingen zijn van vijftig vrouwen en mannen en dat er hele lange discussies ontstaan.

Vandaar dat we gepoogd hebben om – zoals ik al aangaf in het antwoord op uw schriftelijke vraag– te werken met commissies met acht vertegenwoordigers van onderwijskoepels en GO!. Het gaat om enkele ‘generalisten’ die het proces als geheel volgen, maar ook om inhoudelijke specialisten. Er zijn drie tot vijf leerkrachten, onder wie mensen uit de lerarenvereniging, en twee tot drie experten uit het hoger onderwijs. De noodzakelijke inhoudelijke expertise lijkt me daarmee zeker afgedekt te zijn.

Hoe worden die aangeduid? Zeker wat de leraren betreft, hebben we een evenwicht proberen te vinden. Aangezien de ontwikkelcommissies de opdracht hebben om eindtermen te ontwikkelen voor de eerste graad secundair onderwijs, hebben we aan de lerarenverenigingen gevraagd om in de eerste plaats leerkrachten af te vaardigen die actief zijn in de eerste graad secundair onderwijs. In de praktijk zijn ook een aantal leerkrachten afgevaardigd van de tweede graad secundair onderwijs.

Aanvullend op de vertegenwoordiging van de lerarenverenigingen, worden leerkrachten afgevaardigd via de onderwijskoepels en het GO! zodat voldaan kan worden aan de bepaling van het decreet die aangeeft dat zowel leraren uit de betrokken graad als leraren uit de aansluitende graden moeten worden betrokken. Dit is niet zo evident omdat er bijvoorbeeld geen lerarenvereniging actief is voor het lager onderwijs. Wij moesten een manier vinden om die leraren erbij te betrekken en dat heeft geleid tot de werkwijze die we gevolgd hebben.

U weet dat, als eindtermen ontwikkeld zijn, er zich nog een valideringscommissie over buigt. Ook daar is een heel proces van samenstelling en werkwijze gebeurd. Intussen is elk van de ontwikkelcommissies van start gegaan en zeer intens aan het werken. Ik laat die ontwikkelcommissies wel in alle autonomie werken. Het lijkt me niet aangewezen dat ik me daar persoonlijk over ga buigen omdat ik er niet van overtuigd ben dat dit tot beste eindtermen zal leiden.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Sta me toe me toch wel zorgen te maken, zorgen over de clustering. Ik neem er een aantal: wiskunde, wetenschappen en technologie; Nederlands, vreemde talen en cultuur; historisch en ruimtelijk bewustzijn. Waarom maak ik me daar zorgen over? Omdat het eigenlijk allemaal vakken zijn – vakken, u hoort het mij goed zeggen –, de vakkenlijst blijft bestaan. De eindtermen worden gekoppeld aan vakken. Waarom doen we dat? Omdat we willen dat die vakken worden gegeven door leerkrachten die inhoudelijk expert zijn. Eigenlijk zouden alle leerkrachten niet een ander of voldoende geacht, maar een vereist bekwaamheidsbewijs moeten hebben. Dat is eigenlijk het uitgangspunt van alles.

Als die eindtermen dan worden geclusterd – wiskunde, wetenschappen en technologie zijn er drie –, dan bestaat de kans dat het al een compromis op zichzelf wordt voor de eindtermen wiskunde of voor wetenschappen of voor technologie. Hetzelfde voor Nederlands, vreemde talen en cultuur. Ik snap dat u zegt dat er verbanden moeten zijn en dat we die op elkaar moeten afstemmen, maar dat is wel nog iets anders dan dat er binnen een ontwikkelcommissie al een compromis moet worden gemaakt tussen Nederlands, vreemde talen en cultuur.

Historisch en ruimtelijk bewustzijn. Ik had de eer om aanwezig te zijn op het congres van de leerkrachten aardrijkskunde. Er zijn allerlei bewegingen die op een of andere manier vinden dat het vak moet worden samen gegooid. Een geoloog of een geograaf is echt iets anders dan een historicus. Wil dat zeggen dat er geen verbanden zijn tussen die vakken? Absoluut niet. Ik denk dat er zijn op het vlak van economie, als we kijken naar de discussie van aardolie en wat dat dat teweegbrengt in de wereld zowel historisch, economisch als aardrijkskundig, maar dat is nog iets anders dan dat die eindtermen samen moeten worden ontwikkeld, want nadien moeten ze terug in vakken komen.

De vakken zijn niet afgeschaft. Ik maak me daar ernstig zorgen over. Mijn oproep aan die commissies is erover te waken dat elke eindterm ook op zichzelf staat en niet enkel in relatie tot. De N-VA zal die eindtermen heel kritisch bekijken. Ook maatschappelijke oriëntatie (MO) en plastische opvoeding (po) maken zich daar zorgen over.

Een andere vaststelling is dat er op het terrein nog een aantal experten zijn zoals Sensoa en andere organisaties die heel wat expertise hebben en die daar niet in zitten. U zegt dat die commissies zijn vastgelegd met experten. In de commissie historisch en ruimtelijk bewustzijn bijvoorbeeld zitten twee leerkrachten. Dat zijn geen leerkrachten die een master geschiedenis en een master geografie of geologie hebben, dat zal een van beide zijn. Ik vrees dat de terreinkennis en domeinkennis daar wat verloren zal gaan. Wat is uw visie daarop?

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, er is een bezorgdheid op het terrein of alles binnen de voorziene timing zal lukken.

Kunnen wij inzage hebben in de lijsten van de ontwikkelcommissies in het kader van transparant bestuur?

Ik heb dezelfde bezorgdheid als de heer Daniëls. Wij willen er zeker van zijn dat er voldoende inhoudelijke vakexperten in elke commissie zitten. Wanneer het over taal gaat, zou ik als classica die ook Frans heeft gegeven wel redelijk breed kunnen werken, maar vraag me niet om bijvoorbeeld eindtermen Engels vast te leggen, ook al ben ik Engelstalig.

Is er een evenwicht tussen de netten en koepels? Zijn alle strekkingen evenredig vertegenwoordigd?

Wat de experten van buiten het onderwijs betreft, werd al verwezen naar Sensoa. Ik denk dat dit heel belangrijk is aangezien we vaststellen dat er zware lacunes zijn wat relationele en seksuele vorming betreft. Ik wil het echter ook hebben over de expertise inzake onderwijs van çavaria, de Vrouwenraad en dergelijke meer. In bepaalde vakken moet aandacht worden besteed aan de impact van genderstereotypen. Wanneer ik bijvoorbeeld aan het vak economie denk, denk ik aan de loonkloof en de loopbaankloof. Zijn dat zaken waar rekening mee zal worden gehouden? Als daar niemand aan tafel zit die deze gevoeligheid, deze problematiek kent en goed kan verklaren, dan is dat een probleem. Het is vandaag zeker nodig om tegen genderstereotypen te ageren en nuttig om de loonkloven en dergelijke uit te leggen.

Ik wil er dan ook voor pleiten om, indien dit nog niet het geval zijn, breed te gaan in die expertise van buitenaf. Het is inderdaad moeilijk om te vergaderen met vijftig mensen aan de tafel, maar het zou ook een grote gemiste kans zijn om bepaalde stemmen niet te horen in het debat en een aantal zaken te missen in die eindtermen. We willen eerder specifieke, duidelijke en concrete eindtermen wanneer het gaat over burgerschap, relationele en seksuele vorming maar dan moeten die experten ook mee aan tafel zitten.

De heer de Meyer heeft het woord.

Minister, voor mij is de essentie van uw antwoord dat u stelt dat er zeven ontwikkelcommissies komen die aparte eindtermen maken voor de zestien sleutelcompetenties, vanuit de grote zorg voor coherentie tussen het geheel.

Wetende dat het Vlaams Parlement zijn rol te spelen heeft, pleit ik er persoonlijk voor om respect te hebben voor de autonomie van de ontwikkelcommissies en hun ons volledige vertrouwen te geven. Uiteraard zullen we in deze commissie het nodige debat voeren.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

De heer Daniëls zegt hier terecht dat de vakkenstructuur eigenlijk niet afgeschaft is. We horen heel veel geruchten in de eerste graad dat men van plan is om ook de vakken te clusteren. Ik weet dat dit inderdaad niet uw bevoegdheid is, maar ik vraag me toch af of we daar op een of andere manier niet op kunnen toezien. Als de vakken die de heer Daniëls heeft opgesomd worden geclusterd, dan ben ik bezorgd over de inhoud daarvan en zitten we nog een stapje dichter bij die eerste graad.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

In het decreet is sprake van zestien sleutelcompetenties. De eindtermen worden aan een sleutelcompetentie gehangen. Wij hangen die niet aan een vak. De vakkenlijst blijft bestaan maar de verkaveling over de vakken gebeurt niet door ons. Dat is de afspraak die is gemaakt in het decreet. Ik zal er ook heel zorgvuldig over waken dat die sleutelcompetenties niet worden geclusterd.

Mevrouw Brusseel, wat de aanpak voor Nederland, Frans en Engels betreft, zijn er gelijkaardige inhouden. Dat moet een beetje op elkaar afgestemd zijn. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) heeft de bestaande eindtermen gescreend. Zij hebben ongelofelijk veel werk gedaan. Voor mij was het heel interessant om te zien hoe die verkaveling, en ik wil geen kritiek leveren op het verleden, heeft geleid tot heel andere concepten binnen bepaalde eindtermen.

Dat vind ik nu echt erg. We hebben hier de opdracht gekregen om te verminderen en ze meer helder te maken. Dus zou ik graag hebben dat ze qua samenstelling op elkaar zijn afgestemd. Dat is de reden waarom we clusteren, niet wat de output betreft, maar wat de aanpak betreft, met experten erin.

De experten die erin moesten zitten, moeten uit het hoger onderwijs komen, collega’s. Dus gaan we ze ook uit het hoger onderwijs halen. We hebben gekozen voor een beperkte aanpak.

Mevrouw Chombar van STEM heeft gevraagd om input te leveren. Ik kan al die platformen erin steken of we kunnen de input vragen. We hebben dat gedaan: Sensoa, STEM. We hebben heel veel input gekregen. Mijn administratie heeft al die input verwerkt en heeft bekeken welke nuttige elementen daaruit naar voren komen. Zij hebben geprobeerd om die ontwikkelcommissies zo goed mogelijk voor te bereiden. Het is niet zo dat ze daar een wit blad leggen en vragen: ‘Zeg het eens, mensen, wat zouden we kunnen aanbieden?’

Neen, ze hebben bekeken wat er vandaag al bestaat, hoe we daar overlap kunnen wegnemen, wat de nieuwe inhouden zijn – zoals burgerschap, waar ook al wat bestaat, maar waar we veel meer gefocust een aantal eindtermen moeten maken –, wat de input is die we van elders hebben gekregen en hoe we daarmee aan de slag kunnen. Dat is de manier waarop ze werken.

Mevrouw Brusseel, u vroeg naar de evenwichten. Dat was een heel moeilijke zoektocht. Maar uiteindelijk is iedereen akkoord gegaan: het GO!, de Onderwijskoepel van Steden en Gemeenten (OVSG), de kleine onderwijsverstrekkers, het katholieke onderwijs. Ze zijn allemaal akkoord gegaan met de aanpak die we volgen.

Het is ook de eerste keer dat er individuele leerkrachten bij worden betrokken. Jullie hebben dat gevraagd. Het was een nieuwe aanpak. We moesten die dan vinden. Hoe zoek je die leerkrachten? Want, tja, ik ken natuurlijk ook wel een paar leerkrachten uit Torhout die dat graag zouden doen en waarvan ik denk dat ze dat goed zouden doen. Maar we moeten natuurlijk vermijden dat die leerkracht zijn hoogstpersoonlijke visie daarin propt. Daarom hebben we besloten om de lerarenverenigingen te vragen. We hebben echt zo bekeken hoe die samenstelling kon gebeuren.

Die samenstelling is publiek, mevrouw Brusseel. De heer Daniëls heeft de voorlopige samenstelling al vernomen. Ondertussen is de samenstelling definitief. Het kan op twee manieren. Hoewel, een schriftelijke vraag aanvullen kan ik niet. Ik stel dus voor dat ik de definitieve samenstelling aan het commissiesecretariaat overmaak. U kunt die gewoon zien. We hebben ervoor gekozen om met relatief kleine groepen te werken. Er is een validering. Ook onze inspectie wordt daar dus bij gehaald. Dat is een hele commissie met externen, die zullen valideren of dat werk wel goed gedaan is. En dan moet dat nog naar het parlement komen. Dat zijn dus drie stappen die moeten worden gezet.

Collega’s, ik weet dat de timing scherp is. De mensen binnen AHOVOKS die dat begeleiden, zijn eigenlijk bijna dezelfde mensen die ook de dossiers in verband met duaal leren uitwerken. We bekijken of we daar voor versterking kunnen zorgen. Het is een titanenwerk om de eindtermen voor die eerste graad afgewerkt te krijgen. We werken volgens een afgesproken schema om tegen de zomer onze voorstellen voor die zestien sleutelcompetenties te hebben.

Collega’s, er is twee jaar lang enorm veel input gegeven door heel veel mensen. U, parlementsleden, hebt daar ook aan meegewerkt. Ik ben niet van plan om nog eens heel die ronde te doen. We moeten nu voortwerken met de input die gegeven werd. Ik begrijp heel veel zorgen, maar ik vind ook dat je de mensen moet laten werken op het terrein. Ze komen heel veel samen. Er zijn ook wel stevige discussies. Want, hoe concreet of hoe niet concreet zul je werken? Hoeveel ruimte is er nog voor het terrein? En hoe blijf je trouw aan de gegeven opdracht, namelijk consuminderen, niet alles dichtbetonneren, maar ook heldere, sobere en minder eindtermen maken? Want tegelijk zijn er meer uitdagingen en komen er nieuwe competenties bij. Dat is de manier waarop we werken. Ik hoop u zo verduidelijking te geven. Maar nogmaals, zoals afgesproken komen er eindtermen per sleutelcompetentie. We zullen die niet clusteren.

Mevrouw Krekels, de vakkenlijsten en de verkaveling over de vakken gebeurt door de koepels. Maar als de vakkenlijst blijft bestaan, moet je er ook wel eindtermen in verwerken. Maar dit is niet mijn taak. Ik moet eindtermen koppelen aan sleutelcompetenties. Dat staat zo in het decreet en dat zullen we ook zo uitvoeren.

Tot slot: ik begrijp alle zorgen die hier werden geuit en ik onderschrijf ze ook. Maar we moeten wel vooruit. Het kan niet dat je elke week bekijkt: ‘Wat voor eindterm heb je nu gemaakt?’ en daar dan commentaar op geeft. Ik begrijp dat iedereen allerlei zaken kritisch tegen het licht houdt, maar ik zou toch ook graag hebben dat we die grote hervorming, waarvan iedereen nu toch overtuigd is dat het een grote hervorming is, ook goed kunnen inzetten. Maar dat betekent dat de groepen die nu aan de slag zijn, ook wel echt moeten werken.

Ik heb mij ook niet gemengd bij de keuze van welke expert voor welke commissie. Het zijn niet mijn vrienden en vriendinnen die daarin zitten. De ene ken ik, de andere niet. We hebben het aan de groepen onderling overgelaten om daar de nodige expertise in te voorzien. ‘The proof of the pudding is in the eating.’ Dus hopelijk zullen we vruchtbaar en goed werk zien, zodra ze gemaakt zijn.

U zult daar allemaal uw zegen over mogen geven. En gelet op mijn wortels, mag ik over zegeningen spreken in dezen.

Ik moet nog niet de absolutie geven.

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, daar dacht ik inderdaad ook aan.

Collega’s, even ernstig, want dit gaat inderdaad over serieuze en zeer belangrijke zaken in ons onderwijs. Het gaat over de basis, de minimumdoelen voor al onze leerlingen. De opdracht is inderdaad zeer duidelijk: ambitieus, concreet en ‘kennisgeëxpliciteerd’. We gaan er ook heel nadrukkelijk naar kijken.

Aangezien de vakkenlijst blijft bestaan en de eindtermen worden gekoppeld aan vakken, lijkt het mij zeer expliciet de bedoeling te zijn dat de vakken ook in de realiteit blijven bestaan. Want anders kom je op het probleem dat je in de bekwaamheidsbewijzen mensen vakken zult laten geven die daar eigenlijk niet voor zijn opgeleid. Dat wil volgens mij de facto zeggen dat het clusteren van vakken eigenlijk een aanfluiting van de werkelijke inhoud is.

Ik neem aan en hoor op de verschillende banken dat we dat niet zullen laten gebeuren. Want dan kunnen we wel ambitieuze en concrete eindtermen maken met kennis, in de hoop dat de mensen die het zullen geven het heel goed beheersen, maar als het dan nadien wordt gegeven door iemand die niet de finesses van dat vakgebied in de vingers heeft, worden de eindtermen die we dan hebben gemaakt, de facto uitgehold. Minister, ik neem aan dat u dat mee met ons opvolgt.

We zijn nu bezig met de eindtermen van de eerste graad. Die wordt voorafgegaan door het basisonderwijs. En erna heb je de tweede en de derde graad. Met mijn vragen en opmerkingen wil ik de zaken niet vertragen of complexer maken. Maar de vraag is natuurlijk wel in welke mate we in de eerste graad andere zaken zullen kunnen doen, wetende wie er uit de lagere school binnenkomt. Want die doen het nu met de eindtermen die daar gelden. Je kunt dus geen grote ‘gap’ maken met de zaken die daar gelden. Misschien is het wel de vraag om hier en daar bij te sturen. Dat moeten we ook bewaken in de verdere uitwerking.

We kijken uit naar het werk dat de commissie oplevert. Het is zoals de heer De Meyer zegt: we hebben er in het kaderdecreet expliciet voor gekozen dat het Vlaams Parlement in deze belangrijke materie instaat voor zowel de zegen, de absolutie als alle andere zaken die in die termen kunnen worden gevat. Daar zullen we naarstig en stevig en inhoudelijk op werken.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.