U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, stress kan bij iedereen vele redenen hebben. Mijn oog viel op de bevraging van de Gezinsbond en de communicatie die daaromtrent werd gedaan en waaruit blijkt dat heel wat oma’s en opa’s, en vooral zij die voor het eerst grootouder worden, redelijk wat stress ervaren. Die stress zou in de eerste plaats te maken hebben met het feit dat men zich overbevraagd voelt als het aankomt op het opvangen van kleinkinderen. Dat is uiteraard terug te brengen tot het feit dat ouders meestal met twee uit werken gaan en daardoor meer nood hebben aan opvang voor hun kinderen. In veel gevallen komen de grootouders dan ook in beeld. We hebben natuurlijk een ruim aanbod aan voorschoolse kinderopvang, maar ik denk dat we allemaal heel goed weten dat er in heel veel gezinnen een spreiding is, bijvoorbeeld met een aantal dagen in de reguliere kinderopvang en een aantal dagen of naschoolse momenten bij grootouders.

In dat kader lanceerde federaal collega Stefaan Vercamer in september van vorig jaar nog het voorstel om grootouders tijdskrediet te kunnen laten opnemen om de zorg voor hun kleinkinderen op zich te kunnen nemen. Op die manier krijgen ouders meer ondersteuning bij de combinatie van werk en gezin.

We mogen echter ook niet vergeten dat heel wat mensen die pas grootouder zijn geworden, ook nog heel wat zorgen hebben met hun eigen ouders, die vaak heel wat ouder zijn. Ook dat legt uiteraard een druk op hun tijdsinvulling.

Daarnaast hebben, aldus de Gezinsbond, vier op de tien opa’s en oma’s het gevoel niet aan de verwachtingen te kunnen voldoen.

Dat heeft dan weer te maken met een veranderend tijdsklimaat en verschillende visies en adviezen wat de verzorging en opvoeding van de kleinsten betreft. Bijvoorbeeld, toen grootouders ouder werden, moesten baby’s klokvast om de drie of vier uur pap krijgen, en nu hamert men op borstvoeding op verzoek. Dat ouders van nu ook assertiever zijn, kritischer omgaan met doktersadvies en heel goed weten wat ze al of niet willen, maakt veel grootouders blijkbaar ook wel een beetje onzeker.

De Gezinsbond vatte daarom het plan op om niet alleen ouders, maar ook grootouders te begeleiden. Nu ze in een nieuwe fase van hun leven komen, zitten ook zij immers met een aantal vragen, onder meer over het afbakenen van grenzen en de functie van grootouder, maar ook over nieuwe bevindingen over het zorgen voor kleine kinderen.

Minister, hoe kan Vlaanderen grootouders ook bijstaan bij die nieuwe fase in hun leven en de nieuwe verwachtingen waarmee ze worden geconfronteerd? Hoe kunnen grootouders beter worden geïnformeerd over nieuwe bevindingen inzake de zorg en opvoeding van kleine kinderen? Welke rol zouden Kind en Gezin en de Huizen van het Kind ter zake op zich kunnen nemen? Hoe kan aan grootouders beter de weg worden gewezen naar het aanbod van de Huizen van het Kind? In het decreet inzake preventieve gezinsondersteuning hebben we die grootouders niet specifiek als doelgroep opgenomen, hoewel in het decreet natuurlijk wel als taak is opgenomen dat de Huizen van het Kind ook de sociale informele netwerken rondom gezinnen en hun kinderen en jongeren moeten bevorderen en ondersteunen. Daar zouden die grootouders mijns inziens wel onder kunnen vallen, maar ze zijn niet formeel genoemd, en misschien vinden ze daardoor de weg niet genoeg. Hoe kunnen we dat verbeteren?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Mevrouw Schryvers, allereerst is het wel handig om te stellen dat de bevraging, het onderzoek door de Gezinsbond er is gekomen door een financiering van Kind en Gezin. Het is dus logisch dat een en ander in overleg zal worden gekristalliseerd tot beleidsaanbevelingen en concrete acties. Binnen Kind en Gezin is er momenteel geen apart aanbod ten aanzien van grootouders, maar alle communicatiemateriaal dat wordt ontwikkeld voor ouders, kan uiteraard ook worden gelezen door de grootouders. Zij kunnen ook alle schriftelijke informatiedragers gratis krijgen. Het Expertisecentrum Opvoedingsondersteuning (EXPOO) heeft binnen de website www.groeimee.be wel een themapagina voor opvoedingsondersteuning gericht aan grootouders. Het fysieke aanbod staat ook open voor grootouders. We denken daarbij aan ontmoetingsplaatsen, consultatiebureaus, opvoedingswinkels, thematische groepsbijeenkomsten over bijvoorbeeld zindelijkheid enzovoort. Uit de bevraging van de Huizen van het Kind blijkt dat grootouders daarvan gebruikmaken, al of niet in gezelschap van de ouders, maar dat dat niet apart wordt geregistreerd. Wat ook gebeurt, maar niet rechtstreeks met de grootouders, is dat de verpleegkundige met de ouders de relatie met de grootouders altijd aan bod laat komen. Als er spanningen zijn, bijvoorbeeld over de opvoedingsstijl, wordt dat opgenomen, ook in functie van het inschatten in hoeverre de grootouders een rol kunnen spelen in het ondersteunend netwerk van jonge gezinnen.

Het antwoord op uw tweede vraag ligt al gedeeltelijk in het antwoord op de eerste vraag: er is op dit moment geen apart aanbod, maar heel het aanbod staat wel degelijk open voor grootouders. Als de activiteitenkalender wordt opgemaakt en verspreid via de Huizen van het Kind, zou daar nog explicieter bij kunnen staan dat dit inderdaad openstaat voor alle opvoedingsverantwoordelijken, en dus ook voor de grootouders. Uit het onderzoeksrapport ‘Een beeld van de Huizen van het Kind’ is gebleken dat heel wat activiteiten openstaan voor grootouders, maar we hebben geen cijfers qua bereik. Dat belet niet dat individuele Huizen van het Kind in hun jaaractieplan aandacht besteden aan de doelgroep van de grootouders. Heel dikwijls gebeurt dat ook onder impuls van de Gezinsbond, die een aparte werking heeft voor grootouders en bijna overal deel uitmaakt van het samenwerkingsverband.

Belangrijk om nog te vermelden, is dat Kind en Gezin en de Gezinsbond gisteren hebben samengezeten om de conclusies van een eerste versie van het rapport te bespreken en na te gaan of daar acties kunnen of moeten uit voortvloeien. Op basis van dat overleg wordt het rapport gefinaliseerd en de resultaten zullen nog op een publieksmoment in het voorjaar worden gepresenteerd.

In eerste instantie kunnen de Huizen van het Kind ‘outreachend’ werken en de grootouders gaan opzoeken waar ze zich bevinden, bijvoorbeeld een dienstencentrum, om hun lokaal aanbod kenbaar te maken. In het communicatieplan van de Huizen van het Kind worden de doelgroepen omschreven. Grootouders maken daar inderdaad deel van uit. Ten slotte komt er een brede publiekscampagne om de Huizen van het Kind naambekendheid te geven. Dat zou medio 2018 gebeuren.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, ik dank u en ik noteer vooral dat Kind en Gezin uit de studie waarvoor het zelf mee de opdracht heeft gegeven, een aantal conclusies zal trekken. We zullen daarop dit voorjaar meer zicht krijgen. Ik kijk daar alleszins naar uit. Zelf denk ik inderdaad dat er in heel wat Huizen van het Kind wel een aanbod is. Daar bestaat zeker ook de wil om open te staan voor grootouders, maar misschien is de drempel toch nog iets groter voor de grootouders dan voor de jonge gezinnen zelf. Dat moeten we onder ogen durven zien.

Ik heb vernomen dat er geen afzonderlijke registratie is. Ik weet niet of dit een van de punten is die een rol kunnen spelen als we willen kijken hoe we die drempel verder kunnen verlagen. Dat kan samen met de conclusies besproken worden, wanneer ze over enkele maanden gepresenteerd zullen worden. Grootouders nemen een belangrijke plaats in bij de opvoeding en de opvang van kleinkinderen, het is dus belangrijk om ze mee te betrekken bij het aanbod, dat in Vlaanderen en in veel gemeenten via de Huizen van het Kind nu echt voet aan de grond heeft gekregen, en om dat ook voor hen open te stellen.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Ik heb veel respect voor grootouders die belangeloos hun kleinkinderen willen opvangen. Ze zijn de motor in de samenleving die ervoor zorgt dat beide ouders van jonge kinderen nog uit werken kunnen gaan. Ik versta volledig dat grootouders daarbij stress ervaren: het zijn niet hun eigen kinderen, het blijven de kinderen van iemand anders. Dat hoor ik mijn eigen moeder toch altijd zeggen. Wat de bijkomende informatie betreft, moeten we erover waken dat we niet aan overshooting doen. Alle informatie die bestaat rond opvoeding en dergelijke, is ter beschikking van Kind en Gezin. We moeten vooral zien dat grootouders daarnaartoe geleid worden.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik heb veel interessante zaken gehoord in uw antwoord, maar bij één element moest ik wel de wenkbrauwen fronsen, en ik had niet de indruk dat ik alleen was. Ik wil graag een bijkomende vraag stellen over die blinde vlek in uw antwoord. Ik sluit mij natuurlijk aan bij de woorden van respect en waardering voor al het werk dat informeel te pas en te onpas geleverd wordt door grootouders, die altijd klaar staan om in te springen. We leven in een samenleving waar het de norm is dat er nagenoeg volledige tewerkstelling wordt beoogd, zowel van de ouders als van de grootouders. Als je ervan uitgaat dan mensen tot hun 67e aan de slag zijn, zet dat druk op het verzorgingsmodel en het informele aanbod zoals we dat gekend hebben. Je dreigt bovendien een generatie te krijgen, zoals mevrouw Schryvers aangaf, die gesandwicht wordt tussen twee heel begrijpelijke vragen naar vermaatschappelijking van de zorg. Als je mantelzorger moet zijn voor de oudere generatie en kinderoppas voor de jongere generatie, brengt dat de nodige druk met zich mee.

Ik volg mevrouw Saeys in verband met haar opmerking dat vooral het beschikbare materiaal beter bekend moet worden gemaakt. Maar als u het hebt over een aanbod vanuit de dienstencentra, vraag ik mij toch af of daar het juiste profiel van bezoekers is die we met deze maatregel beogen. Een bezoek aan nogal wat lokale dienstencentra zal u wellicht leren dat daar vooral een groep zit die nog net iets ouder is en vaak ook net iets zorgbehoevender is dan de mensen die we voor ogen hebben.

Wat die blinde vlek betreft: wat ik mis in uw antwoord is dat u niet spreekt over de buitenschoolse kinderopvang. De piekvragen bij grootouders zijn op het moment dat ouders met schoolplichtige kinderen geconfronteerd worden met schoolvakanties en er geen dekkend aanbod is voor die periodes. Minister, ik heb u veel wijze dingen horen zeggen, maar er was toch een leemte op het vlak van een gebiedsdekkend en kwaliteitsvol aanbod van buitenschoolse opvang. Ik had graag gehad dat u daaromtrent wat meer ambitie aan de dag zou leggen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik heb geantwoord op de vragen die mij gesteld zijn. Ik sluit mij uiteraard aan bij de lof en bewondering voor de inzet van grootouders.

Het was Kind en Gezin zelf die de bevraging door de Gezinsbond heeft gefinancierd. Er is nog maar zeer recent overleg geweest om te kijken of die bevraging voor gevolg heeft dat daar misschien initiatieven moeten op volgen. De definitieve conclusies van die bevraging moeten nog gepubliceerd worden. Laten we dus proberen de dingen op het juiste moment te doen. Kind en Gezin moet nagaan of die bevraging aanleiding geeft tot bijkomende initiatieven van hun kant. Een van de vragen was hoe je grootouders kunt informeren. Volgens Kind en Gezin is een van de denksporen het aanbod proactiever bekend te maken in de dienstencentra. Als dat in de gemeenten niet de juiste plaats blijkt om dat te doen, dan is dat zo. Kind en Gezin zegt niet dat dit perse zo moet gebeuren. Het lijkt zinvol te kijken of Kind en Gezin uit die bevraging in overleg met de Gezinsbond conclusies kan trekken in verband met acties die ondernomen moeten worden, bijvoorbeeld het beter bekend maken van het aanbod enzovoort. Ik heb er geen probleem mee om het resultaat van dat overleg hier met de commissie te bespreken.

De voorzitter

Mevrouw Schrijvers heeft het woord.

We kijken uit naar dat laatste, namelijk dat we hier die conclusies te gepasten tijde kunnen bespreken.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.