U bent hier

De heer De Potter heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, recent verschenen een aantal persartikels waarin Vlaamse hogescholen eigen professionele masters aankondigden, of er alleszins over nadachten. Het nieuws dat zowel Howest als de Thomas More hogeschool onderzoeken of ze een professionele master kunnen aanbieden, is misschien opmerkelijk, maar misschien ook weer niet. Het is opmerkelijk, omdat volgens de Codex Hoger Onderwijs masteropleidingen enkel door universiteiten kunnen worden aangeboden, tenzij in uitzonderlijke, door de codex omschreven gevallen, zoals binnen bepaalde School of Arts-opleidingen of een opleiding bij de Hogere Zeevaartschool.

In Vlaanderen kennen we sinds het decreet van 2 april 2003 ook het onderscheid tussen de professionele en de academische bachelors. Op beide vlakken is Vlaanderen toch wel uniek te noemen.

Dat de hogescholen zoeken naar oplossingen en soepel willen omspringen met het decreet, hoeft niet te verbazen. Dat komt onder meer door de toegenomen concurrentiedruk van buitenlandse instellingen, die nu zelfs al via samenwerkingsverbanden een gelijkgesteld masterdiploma aanbieden in België, waardoor studenten geen schakelprogramma hoeven te volgen en er dus minder lang over hoeven te doen om hun mastergraad te behalen, zoals bijvoorbeeld mogelijk is bij de Fontys Hogeschool in Wetteren. Bovendien komt het ook tegemoet aan de grotere vraag vanuit het bedrijfsleven om meer praktijkgerichte, voortgezette opleidingen te organiseren.

Minister, wat is uw standpunt inzake het inrichten van een professionele masteropleiding door Vlaamse hogescholen enerzijds en het afsluiten van samenwerkingsverbanden door Vlaamse hogescholen met buitenlandse instellingen om een masteropleiding aan te bieden anderzijds? Is dat mogelijk volgens de letter en de geest van het decreet? Wat is de waarde van het gehaalde diploma? Is daarover overleg gepland in de schoot van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR), de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA)?

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, aansluitend op wat collega De Potter aanvoert, heb ik ook een vraag over de mogelijke invoering van professionele masters. Het is vooral de combinatie van beide begrippen die aanleiding geeft tot de vraag. Op dit moment kun je aan de hogescholen professioneel gerichte opleidingen volgen. Binnen het kader van een School of Arts kun je er ook een academisch gerichte kunstopleiding volgen in het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst en het studiegebied muziek en podiumkunsten. Aan de universiteiten kun je dan weer academisch gerichte opleidingen volgen, met uitzondering van de academische kunstopleidingen, want die zitten bij de hogescholen. Masteropleidingen leggen de nadruk op de gevorderde wetenschappelijke of artistieke kennis en competenties en kunnen enkel aan een universiteit worden gevolgd.

Een aantal hogescholen broeden nu op het uitwerken en aanbieden van professionele masters. Ze mikken daarbij op studenten die na hun professionele bachelor een masterdiploma willen halen. Die moeten op dit moment eerst een schakelprogramma volgen, alvorens een master te kunnen aanvatten. Het is op die studenten dat ze zich richten. Volgens de Codex Hoger Onderwijs is het momenteel niet mogelijk om professionele masters in te richten, waardoor de hogescholen zich genoodzaakt zien om samen te werken met enkele Nederlandse instellingen.

Deze vraag dateert al van 15 december, minister. Intussen hebben we gehoord dat u afspraken hebt gemaakt over de uitwisseling van diploma’s binnen de Benelux. Dat wil dus ook zeggen dat we hier in Vlaanderen van die professionele masters gaan krijgen die vanuit Nederland komen.

Als de Vlaamse hogescholen een professionele masteropleiding aanbieden in samenwerking met een instelling uit het Nederlandse hoger onderwijs, welke waarde heeft dat diploma in Vlaanderen? Welke rol hebben de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en de National Academic and professional Recognition and Information Centre (NARIC) daarin? Wanneer zit u samen met de Vlaamse Hogescholenraad, die dit thema op de agenda wil plaatsen? Zal de invoer van een professionele master zorgen voor verwarring met een academische master van hetzelfde studiegebied? Hoe zullen die twee masters inhoudelijk verschillen?

Mevrouw Soens heeft het woord.

Minister, de master waarvan sprake, die wordt aangeboden door een Nederlandse hogeschool in Wetteren, leidt op tot een Master of Education. Die masteropleiding wordt ook erkend door de NVAO in het educatieve domein, waardoor men de onderwijsbevoegdheid krijgt om les te geven in de derde graad van het secundair onderwijs. De opleiding beslaat vooral gedragsproblemen, communicatie, leerlingenbegeleiding, leiding geven, onderwijs in kleurrijke scholen en inclusief onderwijs.

Dergelijke professionele masters bestaan niet in Vlaanderen. De Master of Education lijkt dan ook rechtstreekse concurrentie te zijn voor onze bachelor-na-bachelors, en dan vooral de banaba buitengewoon onderwijs, onze masters in de pedagogische wetenschappen en onderwijskunde en onze specifieke lerarenopleiding, en dus eigenlijk ook de toekomstige educatieve master.

De voorzitster van de VLHORA ijvert voor de invoering van professionele masters in het Vlaamse hoger onderwijs. De hogescholen Howest en Thomas More willen ook dergelijke opleidingen aanbieden, en het liefst volgend jaar al. De master in de onderwijskunde is daarbij prioriteit, maar men spreekt ook over opleidingen in verpleegkunde, vroedkunde en accountancy. Praktijkgericht onderzoek zou dan centraal staan. De hogescholen stellen dat de beroepen vandaag veel complexer zijn geworden en dat een professionele master daar een antwoord op zou kunnen bieden.

Minister, hoe staat u tegenover de oprichting van professionele masters in het Vlaamse hoger onderwijs? Hoe houden we dergelijke concurrentie van over de grenzen binnen de perken? Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) over de master basisonderwijs stelt ook dat de hogeschoolopleidingen het best geplaatst zijn om dergelijke onderwijsvaardigheid, zoals bedoeld in de master, te verwerven. Kunt u uw standpunt toelichten? Zult u initiatieven nemen om de professionele master te onderzoeken? En klopt het dat men via de aangeboden opleiding door Fontys Hogeschool onderwijsbevoegdheid voor de derde graad krijgt binnen het Vlaamse secundaire onderwijs via de zogenoemde bekwaamheidsbewijzen?

De heer De Meyer heeft het woord.

Mijn collega’s hebben het thema perfect gesitueerd. Ik beperk mij tot mijn vragen.

Minister, hoe staat u tegenover de eventuele organisatie van professionele masteropleidingen in Vlaanderen?

Sommige hogescholen willen de inperkingen door de Vlaamse onderwijsstructuur omzeilen door samenwerking met een buitenlandse instelling. Hoe is dat te verantwoorden? Gaat het dan om een diploma dat in Vlaanderen wordt uitgereikt door een buitenlandse instelling? Welke status heeft het diploma in kwestie?

Kan in een binnen- of buitenlandse professionele masteropleiding de masterscriptie vervallen of vervangen worden door stage of practicum? Heeft dat effect op de wettelijke status van het diploma?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, dit is een heel interessante vraag. Het debat over het bijsturen van het hoger onderwijs op dat punt wordt hier niet voor de eerste keer gevoerd. Het komt in golven.

Ik begin met de regels. Het is vandaag onmogelijk voor Vlaamse hogescholen om masteropleidingen aan te bieden, met uitzondering voor de Schools of Arts en de Hogere Zeevaartschool. Die kunnen wel masteropleidingen aanbieden in de kunsten en de nautische wetenschappen.

Met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs in 2004 werd de keuze gemaakt om het Vlaamse hoger onderwijs om te vormen naar een binaire structuur op basis van twee gerichtheden: professioneel gericht en academisch gericht. Een bachelor is altijd één van beide, terwijl masters sowieso academisch gericht zijn, maar mogelijk ook professioneel. Deze structuur werd verder doorgetrokken naar de organisatie van ons hoger onderwijs met de integratiebeweging in 2013. Daarbij kregen de hogescholen een duidelijke opdracht binnen het professioneel gericht hoger onderwijs. Dit betekende dat zij hun academisch gerichte opleidingen, behalve de kunsten en de nautische wetenschappen, overdroegen aan de universiteiten. Aan deze beslissingen is een breed maatschappelijk debat voorafgegaan. Ik heb dat nog eens bekeken. Het parlement kwam daarbij tot de aanbeveling om de integratie niet te zien als een eindpunt, maar om de geïntegreerde hogeronderwijsruimte verder uit te bouwen als een continuüm. In lijn met de professionele focus van de hogescholen voegen we aan hun bevoegdheden dan ook vanaf 2019 het beroepsgericht hoger onderwijs toe, in de vorm van de graduaatsopleidingen.

Het eventueel aanbieden van professionele masters door hogescholen zou uiteraard een grote weerslag hebben op dit hogeronderwijslandschap. Op dit ogenblik is dit niet aan de orde. Indien we dat zouden willen doen, vereist dat een grondige afweging van alle pro’s en contra’s. In dit debat is het belangrijk dat alle stakeholders betrokken worden, niet enkel de hogescholen en universiteiten, maar ook de studenten en het afnemend veld.

Ik vind dat trouwens ook als het gaat over de herinrichting van het academiejaar. Dat stond gisteren groot in de kranten. Ik vind het not done dat één universiteit daarover zou beslissen. Dat is blijkbaar niet de bedoeling. De postduif zal het stuk bij een krantenredactie hebben gebracht. Ik vind dat je dat in een goed overleg moet doen en dat zeker ook de studenten moeten worden geraadpleegd. Idem voor het voorwerp van de vraag waarover we nu discussiëren.

Internationale samenwerking is uiteraard niet verboden, integendeel, en ook voor gezamenlijke diplomering bestaat een decretaal kader. Maar dergelijke samenwerking creëert geen bijkomende bevoegdheden in hoofde van de hogeschool. Dus zelfs bij een samenwerkingsakkoord met een buitenlandse instelling kan de hogeschool zelf geen professioneel masterdiploma uitreiken. De instelling blijft gebonden aan de bevoegdheden die omschreven staan in de Codex Hoger Onderwijs. Studenten die zo’n professionele master op basis van een buitenlandse samenwerking afronden, zullen een buitenlands diploma ontvangen. De naam van de Vlaamse hogeschool zal ook niet op dat diploma staan. Bovendien ontvangt een Vlaamse hogeschool hiervoor ook geen financiering en zal het studiegeld ook op het niveau van de buitenlandse instelling liggen.

Op het recente Comité van Ministers naar aanleiding van het samenwerkingsakkoord met de NVAO heb ik dit punt ook kort aangekaart bij mijn Nederlandse collega. Ik heb erop aangedrongen dat ze dergelijke bewegingen naar Vlaanderen ook kritisch met hun eigen instellingen opnemen. Zij heeft mij ook verteld dat er ook omgekeerde bewegingen zijn, van Nederland naar hier, en dat we dat best ook eens gezamenlijk bekijken.

Die constructies zijn theoretisch uiteraard mogelijk, maar ik ben er geen fan van om een aantal redenen. Het is niet transparant. Men kan een student niet wijsmaken dat een Vlaamse hogeschool hem of haar een masterdiploma zal uitreiken, terwijl het eigenlijk om een buitenlands diploma gaat. Ik vind het ook niet efficiënt: als er een effectieve nood is, dan moeten we die binnen Vlaanderen op een ordentelijke en gestructureerde manier oplossen, en niet op basis van individuele hogescholen die wat creativiteit aan de dag leggen. We weten allemaal – en de hogescholen weten dat zeker – dat de middelen niet oneindig zijn. Ik betreur het ook dat we dergelijke wilde plannen in de krant moeten lezen en dat de hogescholen, die ik trouwens heel frequent op mijn kabinet zie, dit niet eerst bij ons zijn komen voorstellen. Ik heb nog geen enkele concrete vraag of voorstel in dit kader ontvangen.

Mijn voorkeur zou zijn – dat zult u wel begrijpen – dat we nadenken over scenario’s om binnen Vlaanderen samen te werken tussen hogescholen en universiteiten. Dit is een oproep naar zowel de hogescholen als de universiteiten, die elkaar als complementaire partners dienen te zien, en niet als elkaars concurrenten. Als onze regelgeving daar drempels voor bevat, dan zou ik het liever daarover hebben dan te belanden in scenario’s waarin men via het buitenland onze eigen decreten moet gaan omzeilen.

Wat betreft de agendavragen, uiteraard zal ik dit onderwerp bespreken op mijn eerstvolgende periodieke overleg met de VLUHR, dat is gepland op 21 maart. Ondertussen zullen we dit ook met de VLIR en de VLHORA aankaarten, want zoals u weet, vind ik dit een zaak van alle partners.

Zoals gezegd kan de Vlaamse hogeschool ook in het geval van samenwerking met een buitenlandse instelling in geen geval zelf het masterdiploma uitreiken. Dat is decretaal niet mogelijk. Bij samenwerking zal het dus nog altijd gaan om een buitenlands diploma dat wordt uitgereikt door een buitenlandse instelling, die weliswaar een vestigingsplaats op Vlaams grondgebied heeft of via afstandsonderwijs een aanbod in Vlaanderen in de markt zet. Zolang die instelling niet pretendeert een Vlaams diploma af te leveren, valt dit niet onder onze regelgeving. Mocht die buitenlandse instelling wél een Vlaams diploma willen uitreiken, dan moet men de Vlaamse procedures volgen, en een aanvraag indienen bij de NVAO. Op dat moment zal ook voor die instelling dus blijken dat er voor het oprichten van professionele masters in Vlaanderen geen kader is.

In het geval van samenwerking met een Nederlandse instelling zal de student een Nederlands diploma ontvangen. Het klopt, Vlaanderen erkent daarvan automatisch het niveau, want dat is binnen de Benelux zo afgesproken en staat in de beschikking van 18 mei 2015. Dat is dus geen beslissing van vorige week, maar van 2015. Vorige week hebben we beslist dat we ook voor de doctorandi en voor de hbo5-opleiding – de graduaten – dezelfde niveauherkenning doen.

Hierin komt NARIC niet tussen. Dat is maar goed ook. Inhoudelijk zal het echter wel een diploma blijven dat we in Vlaanderen niet kennen. De erkenning als master is dus gegarandeerd, maar met welk Vlaams diploma dit dan exact overeenkomt, blijft voorwerp van een appreciatie door de werkgever, of eventueel een onderzoek naar de gelijkwaardigheid door NARIC.

Indien er zou worden samengewerkt met een instelling van buiten de Benelux, dan is een gelijkwaardigheidsonderzoek door NARIC altijd vereist, zowel voor het niveau als voor de inhoud. Het diploma wordt erkend, maar niet de inhoud van het diploma. Daar bestaat ook verwarring over heb ik gemerkt toen de pers mij daar vragen over stelde.

Mevrouw Soens, het Vlor-advies stelt onder andere dat de brede inzetbaarheid die verwacht wordt van een mogelijke master die specifiek is opgeleid voor het basisonderwijs, onderwijsbevoegdheid veronderstelt. Deze vaardigheid heeft zowel betrekking op de inhouden van de leergebieden als op vakdidactische vaardigheden. Onderwijsvaardigheid is dus een essentiële vaardigheid voor een master basisonderwijs.

De Vlor stelt eveneens dat de meest geschikte en kostenefficiënte opleiding om deze onderwijsvaardigheid te verwerven, de professionele en niet de academische bacheloropleiding is. De eventuele master basisonderwijs kan volgens de Vlor dan ook enkel worden ingericht als een vervolgopleiding op de professioneel gerichte bacheloropleiding kleuteronderwijs of lager onderwijs.

In haar advies pleit de Vlor er niet voor dat de hogescholen autonoom een masteropleiding basisonderwijs zouden kunnen organiseren. Ik lees het Vlor-advies niet als een pleidooi in deze zin, maar wél als een voorstel om de master te organiseren naar analogie met bijvoorbeeld de master verpleeg- en vroedkunde, of de master sociaal werk. Dat zijn universitaire opleidingen, die echter bedoeld zijn als vervolgopleiding na een professionele bachelor aan de hogeschool.

De Vlor verduidelijkt ook dat het schakel- en masterprogramma enkel kan worden georganiseerd – en nu komt er voor mij een zeer belangrijke halve zin – door de universiteiten in samenwerking met de hogescholen. Dat staat expliciet in het advies. Ik volg hier de redenering van de Vlor. Indien de educatieve master basisdonderwijs dezelfde onderwijsvaardigheid moet verwerven als de professionele bachelors kleuter- en lager onderwijs, dan is het logisch dat dit gebeurt via deze weg. Ook dit verhaal moet nog worden vervolgd.

Mevrouw Soens, de opleiding die Fontys organiseert, levert een Nederlands masterdiploma op. In Vlaanderen wordt dit automatisch erkend als master. Indien men de opleiding van Fontys combineert met een Vlaamse lerarenopleiding, bijvoorbeeld de professionele bachelor onderwijs die men al heeft gehad, dan krijgt men de bevoegdheid die geldt voor alle masters die daarnaast ook een lerarenopleiding hebben gevolgd. Zij kunnen dus in principe lesgeven in de derde graad secundair onderwijs. Voor welke vakken ze welk bekwaamheidsbewijs krijgen, hangt af van de inhoud van die buitenlandse masteropleiding. Dat is niet automatisch georganiseerd. Bij het voorbeeld uit de pers in Wetteren gaat het over modules van een Engelstalige ‘Master Educational Needs’. Dat kan uiteraard een interessante opleiding zijn, maar ze levert wellicht weinig vereiste bekwaamheidsbewijzen op in vakken uit de derde graad secundair.

Mijnheer De Meyer, de vraag naar de masterproef is een hypothetische vraag. Onze regelgeving bepaalt nu dat iedere masteropleiding wordt afgesloten met een masterproef. Zo’n proef is immers het sluitstuk van een opleiding die moet voldoen aan de Dublin-descriptoren voor het masterniveau, bijvoorbeeld: in staat zijn om binnen een onderzoek een eigen kennisbijdrage te leveren. Ook bij gelijkwaardigheidsonderzoeken door NARIC van buitenlandse masterdiploma’s – professioneel of academisch – is de masterproef ook een belangrijk aspect.

De masterproef wordt momenteel decretaal omschreven als een werkstuk waarmee een masteropleiding wordt voltooid. Daardoor geeft een student blijk van een analytisch en synthetisch vermogen of van een zelfstandig probleemoplossend vermogen op academisch niveau of van het vermogen tot kunstzinnige schepping. Vooral dat laatste zal vandaag relevant zijn. Het werkstuk weerspiegelt de algemeen kritisch-reflecterende ingesteldheid of de onderzoeksingesteldheid van de student. Behalve de omvang van een masterproef, wordt decretaal niet bepaald welke vorm de masterproef moet aannemen. Het is dus niet uitgesloten dat een masterproef ook uit een praktijkgedeelte bestaat dat wordt afgesloten met een werkstuk.

De heer De Potter heeft het woord.

Minister, dank u voor uw uitgebreid antwoord. Het is een thema waar ongetwijfeld nog heel wat grondig debat en grondige reflectie over nodig is. Ik heb het gevoel dat het debat nog niet gekristalliseerd is om naar een verandering te gaan. Dat debat zal inderdaad nodig zijn met alle stakeholders, ook de studenten. De agendering van het thema op de VLUHR op 21 maart en later ook op de VLIR en de VLHORA is van bijzonder belang.

Ik volg u in uw stelling dat als er nood is in Vlaanderen en er is ruimte voor, we dat ordentelijk en decretaal moeten regelen. U hebt het niet echt voor creatieve oplossingen met samenwerkingsakkoorden die dan voor de studenten onduidelijkheid geven op het vlak van diploma's. Dat laatste is inderdaad misschien niet de te verkiezen weg. Ik denk dat dit debat een grondig onderzoek verdient vanuit het uitgangspunt: wat is goed voor ons hoger onderwijs, wat is goed voor de studenten, wat kan een toegevoegde waarde zijn voor het bedrijfsleven? Ik denk dat daar nog wat onderzoek en debat voor nodig is en ik wil dat onderzoek zeker zijn kans geven.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, we zitten met een aantal zaken die ook internationaal zeer verwarrend zijn. In het buitenland moeten wij bijvoorbeeld uitleggen dat wij professionele bachelors en academische bachelors hebben. Men vraagt me dan altijd waarover ik het eigenlijk heb. Als we dan het debat gaan voeren over professionele masters, willen wij vanuit de N-VA toch ook wel eens kijken hoe we dat vanuit de totaliteit van de benamingen en de interpretatie van Bologna indertijd, ook in internationale context nog uitgelegd krijgen.

Wat betreft de professionele master is mijn voorstel om aan een aantal instellingen te vragen om een voorstel uit te werken, dat we kunnen zien waarover we het nu hebben. Ik kan me daar van alles bij inbeelden. Zo kunnen we weten wat het verschil is met een master, een banaba en een aanvullende opleiding. Zo kunnen we zien waarover we spreken, anders zitten we met een verbaal, intellectueel debat, maar is het weinig tastbaar.

Ik heb ook een bekommernis ten aanzien van de huidige hogeschoolopleiding. Wat is het verschil tussen een professionele master aan de hogeschool en een professionele bachelor aan de hogeschool? Is dat geen discussie over een benaming, waarbij iedereen dan plots geen professionele bachelor meer wil volgen maar een professionele master en je eigenlijk in de benaming al een vorm van devaluering krijgt?

Hogescholen zijn op zoek naar een sterke instroom. Ik snap hen ook. Het is waar dat onze hogescholen recht hebben op een sterke instroom en dat we af moeten van de idee dat iedereen een academische master moet hebben om het te kunnen maken. Ik zie momenteel heel veel professionele bachelors die zeer gegeerd zijn op de arbeidsmarkt en het zeer goed doen. En ik zeg er ook vaak bij ‘die meer verdienen dan een afgestudeerde master pol en soc’, om hen te motiveren om een hogeschoolopleiding te volgen. Als het erover gaat om een andere instroom te hebben, dan moeten we daar andere criteria op zetten. We hebben al de oriënteringsproef, de instaptoetsen en de niet-bindende toelatingsproeven, maar dat debat gaan we niet verder voeren, collega Soens, maar we moeten toch zorgen dat mensen juist georiënteerd worden.

Dan is er nog de duidelijkheid. Minister, u zegt zelf dat de professionele masters uit Nederland gelijkwaardig zijn wat betreft niveau, maar er is geen inhoudelijke gelijkwaardigheid. Dat is interessant, maar als iemand met een professionele master uit Nederland hier wil komen lesgeven, dan heeft die wel een master, maar welke vakbekwaamheid heeft die dan voor ons onderwijs? Wat mag die geven? Dat lijkt me een heel ambigu statuut te worden. Weten die studenten dat ze eigenlijk een Nederlandse opleiding aan het volgen zijn en geen Vlaamse? Dat is toch niet onbelangrijk.

Onze fractie denkt dat er een aantal opportuniteiten in zitten en ook een aantal gevaren, maar het moet eerst concreet worden uitgewerkt. Collega's, ik denk dat we het debat ruimer moeten voeren over de transparantie: wie doet wat en wat leidt waarnaartoe en dergelijke meer. We moeten onze scholen sterk houden.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Minister, dank u voor uw antwoord. Zoals de collega's al hebben aangehaald, is de transparantie zeer belangrijk, vooral naar onze studenten toe. Het is ook belangrijk dat de professionele bachelor niet wordt afgedaan als iets minderwaardigs en dat je per se een professionele master moet halen om het te kunnen maken op de arbeidsmarkt.

Als er effectief een maatschappelijke of economische vraag is naar dergelijke opleidingen, moeten we het debat wel voeren en moet dat verder onderzocht worden. De hogeschool in mijn eigen stad, Howest, bijvoorbeeld organiseert vandaag op bachelorniveau een opleiding ‘digital arts’, maar als die studenten daarin verder willen studeren, dan moeten ze zich eigenlijk richten naar het buitenland. Er zijn een aantal opties waarbij voor bepaalde masters geen directe aansluitende academische bachelor moet worden georganiseerd aan de universiteit, zoals verpleegkunde en sociaal werk. Het zou misschien een oplossing kunnen zijn voor bijvoorbeeld die specifieke opleiding aan Howest om het op die manier te proberen op te vangen. Maar ik denk dat het van belang is dat we dit verder onderzoeken en dat er inderdaad een concreet voorstel komt van hoe we dit verder kunnen aanpakken.

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw antwoord. Wat de collega’s hebben gezegd, hoef ik niet te herhalen. Ik noteer twee elementen. Het is belangrijk dat dit debat wordt gevoerd met alle stakeholders en met de nodige transparantie. Ook zou men het in de toekomst appreciëren dat men dergelijke zaken niet via de krant verneemt.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Wat Open Vld betreft, is het belangrijk dat elkeen zijn troeven, zijn specialiteiten kan uitspelen, dat elkeen kan doen waar hij of zij goed in is. Dat debat en dat verdere onderzoek dat collega Daniëls vroeg, willen wij dus eigenlijk ook vragen. Het zou goed zijn, mochten de hogescholen, nu men aan het onderzoeken is wat een master voor het basisonderwijs kan inhouden, ook op tafel leggen wat zij willen en kunnen doen, waarin hun expertise zit om een professionele master lager onderwijs aan te bieden. Er zijn daar voordelen aan. Als men kan komen tot een goed plan, dan willen wij dat zeer graag bekijken, want dan moeten de mensen die al werken, geen schakeljaar doen om een professionele master te doen, om zich te bekwamen, om zich te specialiseren. Daarover gaat het immers uiteindelijk als we het Vlor-advies volgen. Ik denk ook dat dat een zeer verstandig advies is. Het werkveld kan dan eigenlijk ook met enige zekerheid zeggen dat er verder wordt gewerkt aan een instelling waar er al expertise is in het domein van het lager onderwijs. Dat heeft dus voordelen. Ik zou dus graag hebben dat zowel de universiteiten als de hogescholen de oefening maken: wat willen ze aanbieden? Dan kunnen we dat in alle sereniteit bekijken en daar enige tijd voor nemen. Collega’s, wat telt, is kwaliteit en duidelijkheid, zowel voor de lerenden, voor de studenten als voor het afnemend werkveld. Wat kunnen we verwachten? Dat is heel belangrijk.

Ik denk dat we ook eerlijk moeten zijn: de inkanteling van bepaalde hogeschoolrichtingen aan de universiteiten of het brengen van aanvullende masters is niet altijd voor iedereen een succes geweest. Waarom hebben wij in Vlaanderen gekozen voor professionele bachelors? Omdat men zich wou richten op de praktijk. Wat is de sterkte van de academische wereld? Dat is studeren, onderzoeken in de breedte, maar ook in een abstractere context. Hetgeen eigen is aan het academisch onderwijs en aan de academische manier om de zaken te onderzoeken, dat moet daar plaatsvinden. Men moet zich daarmee verzoenen. Sommige mensen klagen erover dat het academisch onderwijs niet praktijkgericht genoeg is, maar dat is ook de bedoeling niet. We moeten dus ook goed weten wat we willen. Enerzijds is er het academische, anderzijds de hogeschool. Ze moeten beide in staat worden gesteld om kwaliteit te leveren, en dat is voor ons wat telt.

Minister, ik wil het woord nemen omdat de situatie zich voordoet in de regio waar ik woon en ik zelf vaststel dat leerkrachten en ook directies de keuze maken om een opleiding te volgen in Nederland. Nadat ze de opleiding van professionele bachelor leerkracht hebben gevolgd en al een aantal bijscholingen hebben gevolgd, hebben ze er nu behoefte aan een masteropleiding te volgen in Nederland, en ze geven aan heel tevreden te zijn over de kwaliteit van de opleiding. Dat sluit heel goed aan bij de onderwijspraktijk. Dat gaat echt wel in de diepte en versterkt hen in de opleiding die ze tot nu al hebben gevolgd. Ik stel vast dat ook de directies van basisscholen heel tevreden zijn over het aanbod dat er in Nederland is binnen die professionele master. We moeten vaststellen dat die mensen in Nederland heel gemakkelijk aansluiting vinden bij datgene wat ze tot nu toe al hebben gevolgd, en dat ze dus op een kortere tijdsspanne een masterdiploma kunnen behalen, waarvan ze het gevoel hebben dat ze er sterker mee staan in de praktijk in de school.

Men heeft de mogelijkheid om binnen onze universiteiten een masterdiploma te behalen, maar daar zit men met een extra jaar, dus minimaal 60 studiepunten, dat die mensen moeten volgen binnen dat schakelprogramma. Daar heeft men zeer veel vragen bij. Bij de Open Universiteit, een ander manier om een masterdiploma te behalen, komen die mensen tot de vaststelling dat ze 30 studiepunten minder moeten volgen om een masterdiploma te kunnen behalen, en dat motiveert hen dus om de stap naar Nederland te zetten. Als je in een grensregio woont, is die stap natuurlijk iets gemakkelijker te zetten dan als je in het midden van Vlaanderen bent tewerkgesteld. Daarom vind ik het toch wel belangrijk om goed te bekijken of die opdeling, die binaire structuur waar we destijds voor hebben gekozen, eigenlijk nog wel een structuur is die vandaag nog van belang is, omdat ook de academische opleidingen in heel veel gevallen professioneel zijn, gelukkig. Het lijkt me toch wel interessant om opnieuw te kijken naar die ene hogeschoolruimte waarvoor we in de vorige legislatuur sterk hebben gepleit, om te bekijken hoe we die kunnen inrichten, zodat schakelen wordt gestimuleerd en niet veeleer een drempel is om de stap te zetten, wat nu leidt tot een stap naar Nederland. Ik denk dat het in Vlaanderen perfect mogelijk moet zijn om een hogeschoolruimte te creëren waar men kan ‘zalmen’. Dat principe lijkt me niet enkel en alleen in het secundair onderwijs interessant, maar ook binnen het hoger onderwijs. Ik denk dat het met dit gebeuren de moeite is om te bekijken hoe we dat beter kunnen organiseren dan vandaag.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik heb enkele opmerkingen. Ten eerste, ofwel hebt u me niet goed begrepen ofwel heb ik het niet duidelijk genoeg gezegd, maar er is op dit ogenblik al aan VLHORA gevraagd om een advies op te stellen, en er is al een werkgroep opgericht om zich daarover te buigen.

Ik heb daarnet gezegd dat er in maart overleg zal zijn. Wat u vraagt in verband met transparantie en dergelijke, daar zijn we al mee bezig, ook voor mogelijke toekomstige pistes. U zult die informatie krijgen, men is bereid om daarop in te gaan en mijn kabinet is daar telkens ook bij vertegenwoordigd.

We hebben intussen al een eigen standpunt van Howest gekregen. Ik weet dat Howest de gameopleiding wil inkantelen in de kunsten, en ik begrijp nu nog beter waarom: dan kunnen ze ook naar de masteropleidingen gaan, want de kunstinstituten kunnen dat wel. Ze hebben dus hun eigen advies, maar het moet nog doorgesproken worden met iedereen. We zullen dan proberen te zien wat de wensen zijn van iedereen.

Een tweede opmerking die ik wil maken, is dubbel. De wederzijdse appreciatie voor professionele bachelors, graduaten, of masters mag wel wat groter zijn, vind ik. Sommigen merken soms op dat de hogeschoolopleidingen te weinig geapprecieerd worden, maar ik hoor de laatste tijd ook vaak insinueren dat universiteiten niet in staat zouden zijn om jongeren voor te bereiden op de arbeidsmarkt. We moeten weg van die concurrentiegedachte. Dat heb ik in mijn antwoord al gezegd: elke opleiding heeft zijn merites. Elke opleiding heeft zijn voordelen. Ik kan de opmerkingen over de binaire structuur wel volgen, maar als het erop neerkomt dat gedacht wordt dat je met een academische opleiding beter in iets bent en met een professionele opleiding goed voorbereid bent op de arbeidsmarkt: daar ben ik het niet helemaal mee eens.

Een derde element is van belang voor mij. Twee zaken verrassen mij: eentje werd hier al aangehaald, het tweede nog niet. Toen de regels werden geschreven om de hogeschool en de universitaire ruimte in te richten, zijn er twee drempels ontstaan, die wat jullie nu vragen onmogelijk maken. Als je vandaag de overstap van een professionele bachelor naar een masteropleiding wilt maken, is dat enkel mogelijk mits een schakelprogramma van 45 studiepunten. Het zou nuttig zijn, denk ik, te onderzoeken of dat niet versoepeld kan worden. Dat kan bijvoorbeeld doordat je in de eindfase van de professionele bachelor al wat academische vakken zou kunnen opnemen. We moeten die rauwe grens van 45 studiepunten eens tegen het licht houden. Het tweede element dat mij verbaast, is dat er, vóór de integratie, masters bestonden die universiteiten en hogescholen gezamenlijk aanboden, namelijk de masters verpleeg- en vroedkunde, sociaal werk en toerisme. Verbazend genoeg is die samenwerkingsmogelijkheid bij de integratie dus geschrapt, omdat het masterniveau sowieso naar de universiteiten ging, zo zei men toen.

Als ik hier nu de opmerkingen en vragen hoor, vind ik het niet oké dat die samenwerking geschrapt is. Als we kijken naar de huidige evolutie, zou het misschien toch wel nuttig zijn om die samenwerkingsmogelijkheden toch te creëren. We moeten die twee drempels dus kritisch bekijken en dit kan meegenomen worden in het advies dat ik aan de VLHORA gevraagd heb. Dit debat wordt beter niet casuïstisch gevoerd, maar moet breed genoeg zijn. Het is al van 2004 geleden, en nu is het misschien een goed moment om de hogeronderwijsruimte, zoals ze vandaag bestaat, zeker na de inkanteling van de graduaten die we deze legislatuur doen, tegen het licht te houden en om ons af te vragen hoe we opleidingen en de discussies met het buitenland helderder, transparanter en beter uitlegbaar maken, zonder aan kwaliteit in te boeten.

De heer De Potter heeft het woord.

Daar heb ik niet veel meer aan toe te voegen. Uw suggestie om die twee drempels, die de zaak blokkeren, op korte termijn tegen het licht te houden, lijkt mij een stap in de goede richting. Er zijn inderdaad drempels ingebouwd, die mogelijk niet of niet meer nuttig zijn. Het is de moeite waard om dat debat te voeren.

De heer Daniëls heeft het woord.

Vanuit onze fractie willen we vooral die transparantie krijgen.

We moeten erover waken dat de keuze, die indertijd in Vlaanderen is gemaakt om professionele en academische bachelors te hebben, geen boksmatch wordt tussen universiteiten en hogescholen. De universiteiten zijn heel blij dat ze de industrieel ingenieurs en de vertalers-tolken al hebben binnengehaald. Ik wil absoluut vermijden dat we in Vlaanderen een leegloop krijgen in onze hogescholen. Dat is een van de redenen waarom onze fractie zeer kritisch staat tegenover de zogenaamde master basisonderwijs. Ik hoor hier opnieuw spreken over ‘zalmen’ en ik heb daar een ongemakkelijk gevoel bij. Als je het woord ‘zalmen’ gebruikt, zeg je per definitie dat je van beneden naar boven gaat. We willen alles opwaarderen, maar we gebruiken uitdrukkingen die dat tegenspreken, want dat impliceert dat de professionele bachelor van ‘beneden’ naar ‘boven’ springt. Laten we daar niet aan meedoen, ‘schakelen’ vind ik daarom een veel beter woord.

We moeten ook duidelijkheid creëren over wat banaba’s dan zijn en wat de verhouding is tussen de verschillende zaken.

Ik zou heel expliciet willen oproepen dat er samenwerkingen zijn met Nederlandse instellingen, dat onze studenten in Vlaanderen zeer goed weten dat ze eigenlijk een Nederlands diploma hebben en dat ze dus wel niveaugelijkwaardigheid hebben – een master – maar inhoudelijk eigenlijk iets hebben dat we hier niet kennen, en dat het dus problematisch wordt om bijvoorbeeld in het onderwijs les te gaan geven.

Wij kijken echt uit naar de voorstellen die worden uitgewerkt, zodat we weten waarover we spreken, om dan te kijken hoe we het inschalen en hoe ons hoger onderwijs zich verhoudt tot het buitenland.

Mevrouw Soens heeft het woord.

Bedankt voor uw bijkomende antwoord, minister. Ik kijk uit naar het advies dat zal worden geschreven. Ik stel voor dat we dan het debat hier opnieuw voeren in dit parlement.

De heer De Meyer heeft het woord.

De kwaliteit van de opleiding staat voorop. Een transparant aanbod voor de studenten is essentieel. We vinden het goed dat het debat voortgezet wordt, met alle betrokkenen.

We vinden het wel waardevol – om even te verwijzen naar wat een van de collega’s daarnet zei – dat de master basisonderwijs wel alle kansen verdient, naast alle opleidingen die er nu reeds zijn, en aanvullend bij de mensen die nu reeds met andere diploma’s in het basisonderwijs lesgeven.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.