U bent hier

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Recent publiceerde de Studiedienst van de Vlaamse Regering een interessante studie met als titel ‘Het economisch welzijn en de economische waarde van Vlaamse mantelzorgers’. In deze studie werd het socio-economische profiel van de mantelzorger in het jaar 2014 vergeleken met de gegevens voor het jaar 2011.

In grote lijnen bevestigt de studie de trends waar we in deze commissie al eerder van gedachten over wisselden, zoals het feit dat mantelzorgers zich steeds zwaarder belast voelen, dat mantelzorgers gemiddeld zelf ouder worden, dat het aantal mantelzorgers in totaliteit lijkt af te nemen, en dat mantelzorgers van onschatbare economische en menselijke waarde zijn voor onze samenleving. Minister, in deze studie werd mijn aandacht in het bijzonder getrokken door het inkomen en het opleidingsniveau van de mantelzorger, en de verschillen tussen de mantelzorgers. In vergelijking met 2011 zijn er blijkbaar minder hoogopgeleide mantelzorgers actief, maar zijn er wel meer mantelzorgers die de zorg voor een dierbare met een job combineren.

Hoewel de onderzoekers zelf waarschuwen dat er omzichtig moet worden omgesprongen met gevolgtrekkingen uit hun cijfers, formuleren zij toch ook enkele conclusies. Ik lees een kort fragment voor: “Ten derde ervaren personen in een ongunstige socio-economische positie, omwille van beperkte middelen (ontoereikende kennis, beperkt of niet-effectief sociaal netwerk, ontoereikende financiële middelen) meer drempels in hun toegang tot het formeel ondersteuningsaanbod waardoor door hen vaker (intensieve) mantelzorg wordt verleend. Ten slotte valt ook de grotere beschikbaarheid voor mantelzorg door personen in een ongunstige socio-economische positie niet uit te sluiten. Een andere verklaring kan zijn dat het sociaal netwerk van mensen in een ongunstigere socio-economische positie meer mensen met gezondheidsproblemen bevat waardoor ze met meer zorgnoden geconfronteerd worden.”

Er wordt bijgevolg vermoed dat het verhoogde aantal personen dat ervaart onvoldoende inkomen te hebben maar toch mantelzorg doet, dat doet omdat men ofwel moeilijker toegang vindt tot hulp, of omdat men moet inspringen omdat er in de omgeving meer zorgnoden zijn, of omdat men door een eveneens kwetsbare positie op de arbeidsmarkt of een lage arbeidsactiviteit, mantelzorg kan opnemen. In het onderzoek wordt ook gesteld dat een verklaring voor het gegeven dat steeds minder jongeren mantelzorg opnemen, de moeilijke combinatie is met een schoolse loopbaan of hogere studies, of de kwetsbaarheden die gepaard gaan met een intrede op de arbeidsmarkt voor die jongeren. De conclusie van dat laatste lijkt dan ook te zijn dat mantelzorg nog steeds te weinig te verzoenen is met een voltijdse job en het uitbouwen van een loopbaan en dat mantelzorg bijgevolg meer dan gemiddeld op de schouders valt van wie in een kwetsbare positie zit en zodoende ook in een ‘selffulfilling prophecy’ belandt, waar men dan nog moeilijker uit raakt.

Minister, op basis van die interessante studie wil ik u de volgende vragen stellen. Beaamt en erkent u de conclusies van deze verkenning van de Studiedienst van de Vlaamse Regering? Deelt u de bezorgdheid over de toenemende kwetsbare positie van de mantelzorger? Op welke manier zult u voorkomen dat personen in een reeds kwetsbare economische positie door het opnemen van zorgtaken hun financiële kwetsbaarheid nog verder zien toenemen? Welke mogelijkheden ziet u om samen met uw collega bevoegd voor het werk een kader te scheppen waar de start van een professionele loopbaan of een herintrede op de arbeidsmarkt wel succesvol gecombineerd kan worden met mantelzorgtaken – denk aan de problemen die jongeren ervaren? En specifiek aangaande de stelling van de onderzoekers dat personen in een ongunstige socio-economische positie moeilijker toegang vinden tot het formele zorgaanbod: hoe zult u de bekendheid van dat formele aanbod bij die doelgroep verhogen?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega, de studie deelt Vlamingen op in drie groepen: zij die niet, zij die beperkt en zij die intensief mantelzorgtaken verrichten. Onder ‘intensief’ verstaan we tien uur of meer per week. De centrale bevinding in het onderzoek is dat Vlamingen die intensief mantelzorgtaken verrichten, een relatief ongunstige economische positie en economisch welzijn ervaren, terwijl zij die matig intensief mantelzorg opnemen, een relatief gunstig economisch profiel hebben. Vooral intensieve mantelzorg is dus nadelig voor de socio-economische positie – opleiding, werk, inkomen – en het economische welzijn – het kunnen rondkomen met het inkomen – van mantelzorgers. Het is dus belangrijk om aandacht te hebben voor de groep van Vlamingen die intensief mantelzorgtaken opnemen.

Over jongeren doet de studie geen uitspraken, aangezien ze niet vertegenwoordigd zijn in de gegevens waarop het onderzoek is gebaseerd. Dat steeds minder jongeren mantelzorg opnemen, kan uit dit onderzoek dan ook niet afgeleid worden en die aanname lees ik ook nergens in de conclusies. Wel wordt verondersteld dat jongeren in langdurige en zware mantelzorgsituaties impact kunnen ondervinden op hun schoolloopbaan en intrede op de arbeidsmarkt. Als men eenmaal volwassen is, kan dat een negatieve impact hebben op hun socio-economisch profiel en economisch welzijn. Dat is echter een hypothese, die verder onderzoek behoeft.

U vroeg ook naar de toenemende kwetsbare positie van de mantelzorger. Op basis van de bevindingen uit de studie kunnen we dat niet zonder meer besluiten. Bij de mantelzorgers werden tussen 2011 en 2014 geen veranderingen vastgesteld in hun opleidingsniveau, beschikbaar inkomen of het kunnen rondkomen met het inkomen. Wel stellen de onderzoekers vast dat intensieve mantelzorgers in 2014 vaker betaald werk verrichtten dan in 2011. Dat wordt deels verklaard doordat intensieve mantelzorgers zich in 2014 vaker op beroepsactieve leeftijd bevinden. Ook is de vaststelling dat intensieve mantelzorgers in 2014 minder vaak ontevreden of heel ontevreden zijn met hun levensstandaard dan in 2011.

We moeten echter voorzichtig zijn om uit dit onderzoek grote conclusies te trekken over veranderingen in de kwetsbare positie van mantelzorgers. Het onderzoek bevat een vergelijking in de tijd, maar beperkt zich tot twee meetmomenten: 2011 en 2014. Om zinvolle uitspraken over toenames, afnames en dus trends te kunnen doen, zouden gegevens op meer meetmomenten zinvol zijn.

Een van de pijlers van het Vlaamse mantelzorgplan betreft de ondersteuning van mantelzorgers. Vlaanderen kan mantelzorgers beter ondersteunen door onder andere in een financiële tegemoetkoming te voorzien. De Vlaamse sociale bescherming heeft als doelstelling om één loket, met name de zorgkas, te organiseren dat alle aspecten van de hulp- en dienstverlening voor de zorgbehoevende en de mantelzorger opneemt en die, waar mogelijk, in een maximale automatische rechtentoekenning voorziet.

In het kader van de rechtentoekenning en het bereiken van kwetsbare personen, zal het geïntegreerd breed en herkenbaar onthaal ook een belangrijke rol spelen. Het OCMW, de diensten maatschappelijk werk en de centra voor algemeen welzijnswerk worden daarbij betrokken en zullen in contact staan met de zorg- en welzijnsactoren, waaronder ook de reeds vermelde zorgkas in het kader van de Vlaamse sociale bescherming.

Het Vlaamse mantelzorgplan zet sterk in op het ondersteunen van een betere combinatie tussen mantelzorg en werk en de intrede of herintrede op de arbeidsmarkt, dit door het voorzien in financiële tegemoetkomingen en verlofstelsels die de combinatie van arbeid en zorg faciliteren. Verlofstelsels laten mantelzorgers toe om hun werk tijdelijk te onderbreken of te verminderen.

Er zijn reeds verscheidene verlofstelsels uitgewerkt voor mantelzorgers die tijdelijk of gedeeltelijk hun werk onderbreken. Ook voor werkloze mantelzorgers is er een maatregel lopende die het mogelijk maakt dat zij 48 maanden recht hebben op mantelzorg en vrijgesteld worden van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt. Ze behouden een uitkering en zijn gelijkgesteld voor het pensioen.

Vlaanderen voorziet in een bijkomende financiële vergoeding voor wie gebruikmaakt van verschillende vormen van zorgverlof. Toch blijkt dat door de beperkte financiële vergoeding, de nood aan sociale contacten en/of het blijven inzetten en ontwikkelen van de eigen competenties, mantelzorgers niet altijd een beroep doen op de verschillende verlofmogelijkheden.

In 2018 zal verder ingezet worden op de ondersteuning van een betere combinatie tussen werk en mantelzorg. Zo wordt de uitrol van het Vlaams Expertisepunt Mantelzorg voorzien tegen de Dag van de Zorg 2018. Het expertisepunt zal informatie over verlofstelsels, tegemoetkomingen, methodieken en praktijken van een mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid centraliseren. Daarnaast wordt overleg gepleegd met de federale overheid over het plan ‘Werkbaar en wendbaar werk’ om bestaande zorgverloven uit te breiden. Dat plan omvat ook de uitbreiding van het palliatief verlof met één maand, en drie maanden langer verlof voor de verzorging van een zwaar ziek familielid.

Ook zal er in 2018 met de sociale partners worden onderzocht of verlof om dwingende redenen toepasbaar kan zijn voor mantelzorgsituaties.

De federale minister van Werk, Economie en Consumenten heeft een voorstel gedaan om de pensioenopbouw ook mogelijk te maken voor mantelzorgers met een deeltijds contract. Deze maatregel is reeds van toepassing op mantelzorgers die gebruikmaken van tijdskrediet.

Enkele punten van het mantelzorgplan met betrekking tot de intrede of herintrede op de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld het erkennen en valoriseren van verworven competenties zodat niet-werkende mantelzorgers worden aangemoedigd om in de zorgsector te worden tewerkgesteld, zullen worden geagendeerd op een nog in te plannen overleg met het gemengde managementcomité, de leidend ambtenaren van de beleidsdomeinen Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG) en Onderwijs.

Om de bekendheid van het welzijns- en zorgaanbod naar personen in een ongunstige socio-economische positie te verhogen, zal er in Vlaanderen sterk worden ingezet op financiële toegankelijkheid, vindplaatsgericht werken, detectie, proactief werken en het versterken of empowerment als methodiek. Outreachende acties zijn noodzakelijk opdat kwetsbare personen toegang zouden vinden tot het zorg- en ondersteuningsaanbod.

Overleg met de diensten maatschappelijk werk is reeds lopende om hun opdracht als partners breed onthaal, in individuele informatieverstrekking, advisering, psychosociale ondersteuning en begeleiding te versterken. Daarnaast willen we ook de toegankelijkheid tot het zorg- en ondersteuningsaanbod voor kwetsbare groepen verbeteren door dit op te nemen als een van de opdrachten van de toekomstige eerstelijnszones in Vlaanderen.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Eén, ik neem aan dat u op basis van de studie van uw eigen dienst van de Vlaamse Regering een aantal tendensen toch niet zult minimaliseren. U hebt zelf gezegd dat er met betrekking tot jongeren een impact is op bijvoorbeeld de schoolloopbaan. Ons buikgevoel zegt en de mensen die op het terrein staan weten allemaal dat dat zo is. Daarvoor hebben we geen bijkomende cijfers nodig. We weten dat het zo gebeurt. We weten ook dat er inzake mantelzorg een probleem is van mensen die, zoals u ook zegt, intensief mantelzorg verlenen en zich in een ongunstige socio-economische situatie bevinden. Ik neem aan dat u dat niet wilt minimaliseren en daarvoor nog wilt verwijzen naar onderzoeken.

Twee, er is iets dat we al een aantal keren hebben aangekaart en waarin u verwijst naar outreachende acties in verband met breed onthaal. Het is absoluut noodzakelijk om daarin een tandje bij te steken en dat we met betrekking tot het formele zorgaanbod vermijden dat er nog meer een mattheuseffect op komst is. Op het terrein constateren we namelijk dat mensen die zich in een ongunstige socio-economische situatie bevinden, moeilijker toegang vinden tot het formele zorgaanbod. We moeten de toegang tot dat formele zorgaanbod verbreden. Zeker indien we verder gaan in de vermaatschappelijking van de zorg, moeten we vermijden dat er een dubbel mattheuseffect komt.

Drie, ik heb een opmerking met betrekking tot de concrete vertaling van een aantal maatregelen in verband met de uitwerking van het mantelzorgplan. In uw opsomming hebt u verwezen naar een aantal zaken die op stapel staan en naar het tijdskrediet dat gelimiteerd werd, minister, maar hebt u ook verwezen naar een overleg dat moet gebeuren binnen het departement of agentschap? Ik heb dat niet helemaal goed begrepen.

Minister Jo Vandeurzen

Het gaat over een overleg met het managementcomité van de beleidsdomeinen Welzijn en Onderwijs.

Jan Bertels (sp·a)

Dan vervalt mijn laatste vraag.

Met uw mantelzorgplan zult u een aantal concrete acties moeten verduidelijken.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

We weten allemaal dat de combinatie van mantelzorg en werk zwaar is en altijd zwaar zal blijven.

De meeste mantelzorgers beginnen aan een traject en weten niet hoe dat zal evolueren. Ze kunnen dat moeilijk inschatten. Dat geldt volgens mij niet alleen voor laaggeschoolden, maar ook voor wie hooggeschoold is.

Mantelzorg mag nooit professionele zorg vervangen. Maar zelfs in zorgsituaties waarbij mantelzorg wordt gecombineerd met professionele zorg, zijn de mantelzorgers overbelast. Vaak zijn zij degenen die de boel laten draaien en die ook het hele zorgsysteem bijsturen als de zorgsituatie verandert. Zo nemen zij zorg over wanneer de professional ziek is of wanneer die niet in het weekend kan komen. Op administratief vlak moeten zij zorgen voor tal van aanvragen en tekortkomingen enzovoort.

We hebben er in onze resolutie voor gepleit om voorwaarden te creëren waarbij mensen hun werk kunnen combineren met mantelzorg, door vooral die administratieve molen te vereenvoudigen, door flexibele zorg mogelijk te maken in die thuiszorg en door faciliteiten te creëren op het werk die de combinatie toelaten.

Er wordt door sommigen sterk gepleit voor die verlofstelsels om die zorg te kunnen opnemen. Ik wil er toch aan herinneren dat er een waarschuwing is geweest van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) dat we moeten opletten voor systemen die mensen in staat stellen om thuis te blijven om voor hun geliefden te zorgen. Dat houdt namelijk het risico in dat vooral mensen uit de lagere sociaal-economische klasse ertoe zullen worden aangezet om uit die arbeidsmarkt te stappen of te stoppen met het zoeken naar werk, om die mantelzorg te kunnen blijven verlenen. Dat kan de toekomst van die mantelzorger sterk hypothekeren, aangezien het dan later moeilijker is om weer op die arbeidsmarkt te komen. Uit studies weten we dat werk een beschermende factor is bij mantelzorgers. Het is dus heel belangrijk dat we naar werkbaar werk gaan, naar een flexibiliteit die toelaat werk te combineren met mantelzorg.

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Mijnheer Bertels, ik dank u voor uw vraag, die de mantelzorgers opnieuw centraal stelt. Zoals we allemaal weten, zijn partners onze belangrijkste zorg. In Vlaanderen geven zeker 600.000 – misschien wel meer – mantelzorgers elke dag – of toch enkele keren per week – het beste van zichzelf om hun naasten en geliefden bij te staan.

De collega's hebben de belangrijkste pijnpunten vermeld. U hebt geantwoord dat er langs verschillende kanten aan die bijkomende ondersteuning wordt gewerkt: er zijn federale initiatieven, maar er is ook Vlaamse extra ondersteuning en er is de resolutie die mevrouw Saeys verleden jaar heeft ingediend, samen met ons.

Ik heb een heel specifieke vraag, die ook is opgenomen in een van de deelvragen van de resolutie. Wordt er voldoende aandacht besteed aan de detectie? Zoals mevrouw Saeys terecht zegt, zien we dat mensen in een individueel traject heel vaak in een langdurig sukkelstraatje belanden en dat er pas heel laat wordt opgetreden in complexe situaties, eigenlijk als er al een uitslaande brand is. Als je dan de autopsie maakt van dergelijke trajecten, als je de hele ‘case story’ uitwerkt, zie je heel vaak dat er in de voorgeschiedenis rode alarmtekens waren, ‘red flags’, en dat er op talloze momenten in het parcours van de patiënt of van zijn zorgsituatie eigenlijk al duidelijke signalen waren. Dat wordt gecapteerd door de thuisverzorging of individueel door de thuisverpleegkundigen, door de huisarts. En toch gaan we daaraan voorbij.

In een van onze deelvragen stond duidelijk: laat ons de tools die er zijn in de zorgplanning, niet gebruiken als louter registratie-instrumenten, maar toch ook als detectie-instrumenten, die heel vroegtijdig kritische situaties kunnen onderkennen en dan ook de gepaste ‘maatregelenmolen’ in gang kunnen zetten, met eventueel een tijdelijke verhoging van de formele hulp en een ontlasting van de mantelverzorger en de zorgbehoevende. Ik pleit ervoor om daar extra op in te zetten, misschien toch ook in de uitwerking van de extra maatregelen in het kader van het geactualiseerde mantelzorgplan.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega's, u moet er natuurlijk van uitgaan dat dat mantelzorgplan vrij scrupuleus door ons wordt opgevolgd omdat we de punten die daarin staan, ook willen operationaliseren. In de beleidsbrief worden er trouwens een aantal punten opgesomd die werden uitgevoerd. Zowel op het vlak van het creëren van respijtzorg, bijvoorbeeld naar personen met een beperking en de mantelzorgers, als op het vlak van de realisatie van dat beter toegankelijk, eenduidig informatiepunt, als naar het creëren van bijkomende financiële ondersteuning – ik denk aan het basisondersteuningsbudget – worden er uiteraard stelselmatig maatregelen genomen. Heel de redenering om te gaan naar een meer buurtgerichte vorm van zorg en ondersteuning, heeft daar ook mee te maken. Het feit dat u straks over het decreet betreffende het lokaal sociaal beleid zult spreken, de vermaatschappelijking enzovoort, dat zijn allemaal bewegingen om in dat plan de zaken te concretiseren.

Ik zeg het volgende misschien als illustratie, maar ook als antwoord op de bedenking van de heer Persyn. Een van de grote principes van het mantelzorgplan is dat de mantelzorger ook als aparte partij bij een complex zorg- en ondersteuningsplan moet worden erkend en gerespecteerd. Hij of zij is niet alleen de vertegenwoordiger van de patiënt. Dat is met name vanuit de overtuiging dat de draagkracht van de mantelzorger en de manier waarop de betrokkene aangeeft dat de zaken beheersbaar zijn, een aparte invalshoek veronderstelt en ook een aparte gevoeligheid bij de professionelen die in dat zorgplan betrokken zijn. Het is precies omdat dat een vrij forse verduidelijking is van hoe we naar mantelzorgers kijken dat we er ook van uitgaan dat dat betekent, ook in de manier waarop dat zorg- en ondersteuningsplan moet worden geconcretiseerd naar aanleiding van de eerstelijnsconferentie, dat ook veel meer aandacht zal gaan naar de behoeften, noden en verwachtingen van de betrokken mantelzorger. Dat is niet alleen als hij of zij spreekt voor de patiënt maar ook wat hij of zij zelf nodig heeft om met zijn of haar draagkracht overeind te kunnen blijven. Het feit dat we specifiek voor mantelzorgers van patiënten met dementie een psycho-educatief pakket hebben ontwikkeld, is daar al een mooie illustratie van. Maar het is heel duidelijk dat we met het opstellen van dat uniform zorg- en ondersteuningsplan op een meer systematische manier rekening kunnen houden met de redenering om ook te kijken naar de noden en vragen van de mantelzorger.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Dank aan de collega's die bepaalde zaken hebben aangehaald. Van werkbaar werk moeten we absoluut werk maken. Met wat de heer Persyn zegt, namelijk dat de mantelzorger een absoluut belangrijke zorgpartner is, zijn we het allemaal eens. We moeten goed waken over zijn of haar draagkracht inzake de zorgverlening. We moeten een concretisering doen van de begeleiding en de ondersteuning, met inbegrip van detectie van noden van de mantelzorger. Dat is een oproep die ik ondersteun. Dat hebben we al een paar keer gevraagd. Het zorg- en ondersteuningsplan is daar een tool toe, maar op het terrein is die tool nog niet ingeburgerd, om het heel diplomatisch te zeggen.

Dat brengt me tot mijn laatste punt, minister en collega's. In een algemeen debat omtrent de zorg moeten we er ons voor hoeden om een overdreven geloof te gaan hechten aan individuele en/of familiale verantwoordelijkheid voor zorgverlening aan mensen die zorgbehoeften hebben. De vermaatschappelijking van de zorg, een thema waar onze partij al lang op aandringt, moet zijn grenzen kennen. Men kan niet alles doorschuiven naar de individuele of familiale verantwoordelijkheid van de zorgbehoevende. Daarom blijft het voor ons van absoluut primordiaal belang dat we een zorggarantie kunnen hebben waarbij iemand die zorg nodig heeft, ook de zekerheid heeft dat hij die zorg krijgt. De zorgzekerheid blijft nodig. Daar hebben we als Vlaamse samenleving absoluut een verantwoordelijkheid op te nemen, meer nog dan we nu doen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.