U bent hier

De heer De Gucht heeft het woord.

Het monitoren van werelderfgoed volgt de toestand en de evolutie ervan op. Op die manier kan men problemen gemakkelijker vaststellen en meteen bepalen hoe het beheer kan worden verbeterd. Dat is een interessant thema, waarover in het zomernummer van Monumenten & Landschappen een heldere analyse te lezen was.

In België zijn momenteel twaalf sites erkend als werelderfgoed. In Vlaanderen werd het woonhuis/museum/atelier-Plantin-Moretus in Antwerpen erkend, alsook een reeks van dertien begijnhoven en het historisch centrum van Brugge. Over dit laatste werd ook recent in dit parlement een verzoekschrift ingediend. Daarnaast figureren op deze prestigieuze lijst ook een reeks van belforten.

Vlaanderen heeft de voorbije jaren bovendien belangrijke inspanningen geleverd voor het behoud van het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog. Zo werd het WO I-erfgoed uitvoerig geïnventariseerd en bestudeerd, werden de belangrijkste sites beschermd en werden middelen vrijgemaakt voor restauratie, onderhoud en ontsluiting.

Het sluitstuk van deze erfgoedstrategie is het dossier dat Vlaanderen in samenwerking met Wallonië en Frankrijk indient om de belangrijkste begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten van de Eerste Wereldoorlog aan het voormalige westelijke front te laten erkennen als UNESCO-werelderfgoed. Hierover hebben we in deze commissie al meermaals van gedachten gewisseld en ik vermoed, minister-president, dat u mijn bedenkingen al kent.

Maar belangrijker in dezen is de vraag hoe we met dit werelderfgoed en het eventueel toekomst werelderfgoed in Vlaanderen op een duurzame manier omgaan. Wetenschappelijke conservatiestrategieën stellen dat het aangewezen is om doorlopend te monitoren en dit in het kader van de beheerscyclus. Monitoring is geen doel op zich. Het meet en evalueert veranderingen die zich voordoen als gevolg van een actie. Dit kan op siteniveau, maar ook op omgevingsniveau of zelfs op een systematisch niveau binnen een land of internationaal.

Momenteel voorziet het Werelderfgoedverdrag hiervoor in twee instrumenten. Het eerste is de rapportage van de lidstaten over de bewaringstoestand van hun sites via periodieke rapportage, om de zes jaar. Het tweede is het Reactive Monitoring Process, mandaat aan het Werelderfgoedcomité voor het toezicht op de bewaringstoestand. Op grond van een analyse kunnen zij concrete maatregelen voorstellen. Er is de mogelijkheid om sites op de lijst van werelderfgoed in gevaar te plaatsen of van de lijst te schrappen.

Professioneel beheer van erfgoedsites en de daarbij horende monitoring worden steeds belangrijker. Voor werelderfgoed is het een verplichting geworden. Zonder een effectief monitoringsprogramma zullen beheerders het steeds moeilijker hebben om hun site effectief te beheren en om te voldoen aan de vereisten die aan werelderfgoed gesteld worden. Het voorziet in de informatie, nodig om vast te stellen hoe de site evolueert in reactie tot verschillende beïnvloedende factoren en het stelt de beheerder in staat gepast te reageren.

Minister-president, hoe is het in Vlaanderen gesteld op het vlak van monitoring? Dit ten eerste voor de huidige werelderfgoedsites, ten tweede voor de toekomstige WO I-erfgoedsites, en ten derde voor de lijst van beschermde monumenten in Vlaanderen?

Zijn er aanzetten tot een systematische of gecoördineerde aanzet vanuit Vlaanderen? Is monitoring iets waar het agentschap Onroerend Erfgoed vandaag al systematisch werk van maakt?

Op welke manier wordt het principe ‘voorkomen is beter dan genezen’ vandaag al geïmplementeerd? En vooral, kunnen we bij de evaluatie van het Onroerenderfgoeddecreet in dit verband al een beleidswijziging waarnemen?

Welke bedreigingen en risico’s voor het erfgoed ziet u voor de toekomst?

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Voorzitter, minister-president, collega's, Vlaanderen is met zijn belforten, begijnhoven, het atelier Plantin-Moretus, de volledige Brugse binnenstad, en recentere toevoegingen zoals het Huis Guiette flink vertegenwoordigd op de lijst van het UNESCO-werelderfgoed. Enkele andere sites staan op de nominatielijst.

De criteria die UNESCO hanteert om dossiers te beoordelen, zijn gekend. Op de lijst van het werelderfgoed geraken is moeilijk, erop blijven minstens een even grote uitdaging. Gelukkig staat geen enkele Vlaamse site op de lijst van het bedreigde erfgoed, want die lijst bestaat ook. Dat is te danken aan het feit dat ze vaak al beheers- en/of masterplannen hebben, gestimuleerd door het Onroerenderfgoeddecreet dat onder uw beleid tot stand kwam.

Bij een professioneel beheer van erfgoedsites hoort een monitoringsprogramma om te voldoen aan de vereisten die aan werelderfgoed gesteld worden. Voor erkend werelderfgoed is het trouwens een verplichting geworden.

Maar volgens Rudy De Graef, erfgoedconsulent bij het agentschap Onroerend Erfgoed in een artikel in Monumenten & Landschappen – waar ook collega De Gucht naar verwees –, blijft het aspect monitoring in Vlaams erfgoedland vaak nog stiefmoederlijk behandeld. Ook bij de nieuwe Vlaamse werelderfgoednominaties blijken de dossiers volgens hem op dat vlak tekort te schieten. Ik citeer: “Onze erfgoed-professionals hebben hier dus te weinig ervaring mee en er is dan ook een beperkte expertise aanwezig.”

Rudy De Graef suggereert een meer gecoördineerde aanpak van het beheer van werelderfgoed, en geeft als voorbeeld een gezamenlijke en systematische aanpak van de begijnhoven. “De overheid kan daarbij een coördinerende rol spelen”, zo stelt de auteur.

Minister-president, zijn er in de rapportage van UNESCO over de beheers- en masterplannen van de bestaande Vlaamse werelderfgoedsites opmerkingen op het vlak van monitoring? Indien zo, dewelke?

Heeft die eventuele kritiek gevolgen voor de dossiers van de nieuwe Vlaamse werelderfgoednominaties?

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

In antwoord op de eerste vraag kan ik zeggen dat het agentschap Onroerend Erfgoed al enkele jaren inzet op professionele beleidsmonitoring. Ik geef een aantal voorbeelden. Er is de Erfgoedbalans, die u allen is bezorgd. Er is de indicatorenset, die u ook kent, en er is het optimaliseren van de gegevensbronnen, zoals de digitaal ontsloten inventarissen en databanken van beschermingsobjecten, beheersplannen en erkenningen, en het interne registratiesysteem voor beheersdossiers. In de loop van 2018 zal het agentschap monitoringsgegevens digitaal ontsluiten via de website.

Monitoring heeft vandaag veelal een kwantitatief karakter en geeft een beeld op macroniveau. Het verzamelen van kwalitatieve informatie, wat monitoring op microniveau vergt, is nog niet zo sterk ontwikkeld. In de conclusie van de Erfgoedbalans wordt aangegeven dat een dergelijke monitoring een nieuwe ambitie is voor onroerend erfgoed.

Het UNESCO-beleid inzake werelderfgoed geeft aan monitoring prioriteit. Er wordt opvolging verwacht op twee niveaus: enerzijds de monitoring van individuele werelderfgoedsites of onderdelen ervan, de zogenaamde ‘sitemonitoring’ en anderzijds een meer omvattende periodieke rapportage over het algemene erfgoedbeleid en de toestand van het erfgoed op een bepaald grondgebied.

Sitemonitoring is pas sinds enkele jaren een verplicht onderdeel van de werelderfgoeddossiers. Het is daardoor enkel opgenomen in de laatste Vlaamse werelderfgoednominatiedossiers: de woning Guiette van Le Corbusier in Antwerpen, het bosreservaat Joseph Zwaenepoel in het Zoniënwoud en het dossier rond Wereldoorlog I.

De oudere nominatiedossiers – begijnhoven, belforten, het stadscentrum van Brugge en Plantin-Moretus in Antwerpen – hebben geen of nauwelijks oog voor sitemonitoring. Monitoring is wel een aspect van de beheers- of masterplannen die steeds vaker voor deze sites worden ontwikkeld. De plannen worden ter informatie aan UNESCO bezorgd, maar onder meer omdat de organisatie onvoldoende capaciteit heeft voor de opvolging, heeft dit nog nooit tot terugkoppeling geleid. We blijven ze natuurlijk wel bezorgen.

Periodieke rapportage wordt sinds 2000 om de zes jaar georganiseerd, maar is in essentie zelfevaluatie. De lidstaten rapporteren zelf naar best vermogen en krijgen geen terugkoppeling. Vlaanderen heeft vooral serieel werelderfgoed – bijvoorbeeld de belforten en begijnhoven – en seriële werelderfgoedsites worden in de rapportage op generiek niveau behandeld, zonder in detail in te gaan op de individuele sites die er deel van uitmaken. De waarde van periodieke rapportage is dus relatief.

Hoewel UNESCO geen terugkoppeling biedt, hebben de lidstaten zelf het hoofd gebogen over de manier van werken. De landen uit de regio Europa en Noord-Amerika hebben naar aanleiding van de tweede periodieke reportagecyclus gezamenlijk verschillende verbeterpunten geformuleerd, die verankerd werden in het ‘Helsinki Action Plan’.

Daarin wordt onder meer de nood aan bestuurlijke samenwerking en capaciteitsopbouw bij sitebeheerders en beleidsmakers als aandachtspunten vermeld. Die capaciteitsopbouw betreft evengoed het ontwikkelen van knowhow inzake monitoring. Het artikel over werelderfgoed en monitoring is trouwens een rapport van een internationale cursus over het beheer en de monitoring van werelderfgoedsites.

Het werelderfgoeddossier rond de Eerste Wereldoorlog is een lopend werelderfgoednominatiedossier en houdt volop rekening met de monitoringvereisten die aan werelderfgoed worden gesteld.

Voorlopig is al voorzien in een vijfjaarlijkse rapportage over de staat van de sites, met aanduiding van de toestand op een schaal van ‘zeer slecht’ tot ‘zeer goed’, anderzijds in een fotografische monitoring, met een reportage om de vijftien maanden, om zo de visuele evoluties van het erfgoed doorheen de jaren en wisselende seizoenen in beeld te krijgen.

De Vlaamse overheid zet al sinds de jaren 90 in op het principe ‘voorkomen is beter dan genezen’. In die periode is onder andere de onderhoudspremieregeling in het leven geroepen. In die periode is ook Monumentenwacht opgericht. Monumentenwacht heeft, zoals u weet, met het concept van de meerjarenonderhoudsplannen systematiek gebracht in onderhoudstrajecten voor andere erfgoedvormen: erfgoedeigenaren weten welke werken ze wanneer moeten uitvoeren om hun eigendom in relatief goede staat te bewaren.

Daarnaast zijn er ook nog de beheersplannen, waarop in sterkere mate wordt ingezet, en die eigenlijk ook monitoring impliceren. De verruimde beheersplanplicht in de huidige regelgeving is een verdere stap in die richting.

De conceptnota over de aanpassing van het Onroerenderfgoeddecreet, die we straks ook bespreken, introduceert een instrument voor het belonen van goed huisvaderschap, zoals u weet: wie kan bewijzen dat zijn eigendom degelijk wordt beheerd, kan een extra premie van 10 procent verkrijgen. Dat vereist een goede en een logische planning, maar uiteraard ook een consequente naleving, een consequente uitvoering.

Tijdens de in 2015 afgeronde periodieke rapportage door de lidstaten bij de Werelderfgoedconventie werd gepeild naar de factoren die een positieve of negatieve invloed hebben op werelderfgoed. De drie groepen van factoren die het hoogst scoren, waren ruimtelijke ontwikkelingen, toerisme en klimaatverandering. De omgevingsanalyse in het kader van de Verklaring van Namen, die in 2016 door de Raad van Europa is uitgevaardigd, vult die lijst nog aan, met onder meer demografische evoluties, natuurrampen, de economische crisis en oorlogen en conflicten.

Het gaat uiteraard om resultaten op macroniveau, die dus niet per se ook of allemaal voor Vlaanderen gelden. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat de impact van de klimaatverandering bij ons in Vlaanderen anders zal zijn dan bijvoorbeeld in het Middellandse Zeegebied.

Op Vlaams niveau probeert de Erfgoedbalans een zicht te bieden op een aantal uitdagingen, maar met die kanttekening dat kwalitatieve gegevens en een meer gecoördineerde informatie op microniveau vereist zijn om hier ook echt een zicht op te krijgen. Op basis van de beschikbare gegevens worden in de Erfgoedbalans ook geen specifieke uitdagingen met betrekking tot de staat van het erfgoed vastgesteld. Wel zijn het functioneel houden en het herbestemmen van erfgoed en specifieke erfgoedtypes genoemd als grote uitdagingen.

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister-president, dank u voor uw antwoorden. Het is misschien geen slecht plan om eens te bekijken op welke manier we ervoor kunnen zorgen dat er eigenlijk een stimulering gebeurt om de Vlaamse universiteiten te betrekken bij het beheer en monitoren van erfgoed als onderzoeksthema. Ik weet niet of dat vandaag gebeurt, of er vanuit Erfgoed inderdaad linken worden gelegd met de universiteiten om te onderzoeken hoe dat het beste gebeurt, maar dat lijkt me alvast een interessant thema om aan hen voor te leggen.

Daarnaast is het natuurlijk een bijzonder goede zaak dat we die digitale ontsluiting in 2018 hebben. U haalde daarjuist het goed huisvaderschap aan, of het goed huismoederschap. Ik denk dat we die termen allebei moeten gebruiken, anders komt dat te veel verkeerd over, en zeker met voorzitter Daems moeten we dat op een goede manier inkleden. Het lijkt me een heel goede zaak dat we daar inderdaad die extra stimulans van die 10 procent geven als men kan voorleggen dat dat op een goede manier gebeurt. Dat is heel positief voor ons erfgoed.

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Minister-president, ik ben eigenlijk wel benieuwd naar uw antwoord over de piste van de universiteiten, want dat lijkt me inderdaad een valabel iets.

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Ik heb niks meer te zeggen, maar ik zou nog kort het woord willen geven aan de administrateur-generaal, omdat er een Lemaire-leerstoel is in Leuven, waarover zij iets meer uitleg kan geven.

Sonja Vanblaere, administrateur-generaal Onroerend Erfgoed

Een aantal jaren terug kregen we de vraag van het Raymond Lemairecentrum. Zij dachten erover om een UNESCO-leerstoel op te richten. Wij hebben daar financieel aan bijgedragen, en dat betekent dan ook inhoudelijk. Dat is op dit moment het initiatief dat ik ken, maar ik wil wel nagaan of er nog andere mogelijkheden zijn om te betrekken, maar het Raymond Lemairecentrum zit daar natuurlijk het dichtst op als het gaat over monumentenzorg, veeleer dan een puur academische richting. Daar heb je toch al meer de toepassing qua beheer.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.