U bent hier

Commissievergadering

donderdag 11 januari 2018, 14.00u

Voorzitter
van Ann Brusseel aan minister Hilde Crevits
587 (2017-2018)
De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

Mijn vraag op papier was nogal lapidair opgesteld omdat het de voorbereiding was van een actuele vraag.

Ik verwijs naar de Europese Raad van 14 december waar een aantal punten naar voren werden geschoven rond het verhogen van studentenmobiliteit en het aansporen om in andere Europese landen een deel van de opleiding te volgen. Vooral in het oog springend vond ik het voorstel om tegen 2024 – toch vrij kort dag – te komen tot wat men in het besluit ‘Europese universiteiten’ noemt, een soort van bottom-upnetwerken van universiteiten over heel de EU waarbij studenten een diploma zouden kunnen behalen en studies in verschillende Europese landen kunnen worden gecombineerd.

Hoe dat concreet allemaal vorm moet krijgen via diplomering of welke vorm van certificering ook, dat zit in de verdere uitwerking, neem ik aan. Wat me daar vooral belangrijk lijkt, gezien de datum die naar voren wordt geschoven, is dat dit binnen enkele jaren gerealiseerd zal moeten zijn. De bedoeling daarachter is om de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van Europese universiteiten te stimuleren.

Welke gevolgen zal dat hebben voor onze Vlaamse universiteiten? Welke rol zullen zij daarin moeten spelen, aangezien het de bedoeling is om vooral op de topuniversiteiten in de rankings te mikken? Welke gevolgen kan dat eventueel hebben voor onze Vlaamse studenten?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Er zijn momenteel al een aantal internationale samenwerkingsakkoorden tussen universiteiten. Ze zijn eerder beperkt en eerder vrijblijvend. Heel recent nog, op 7 november, werd in het Europees Parlement het Young European Research Universities Network (YERUN) opgericht. Hierin worden achttien universiteiten die niet langer dan 50 jaar bestaan, samengebracht. Een jaar eerder werd het Auroranetwerk opgericht. In beide netwerken vinden we bijvoorbeeld de Universiteit Antwerpen terug.

De Europese staats- en regeringsleiders willen nu blijkbaar verder gaan en roepen op tot versterking en samenwerking tussen de Europese instellingen van hoger onderwijs. Jongeren zouden een diploma kunnen halen na het volgen van opleidingsonderdelen in verschillende Europese landen. Tegen 2025 zou mogelijk een Europese studentenkaart worden ontwikkeld, waarvoor in 2019 een pilootproject wordt opgestart. Volgens de berichtgeving in De Standaard zou het Erasmusprogramma meer middelen krijgen en uitgebreid worden tot leraars en jongeren met een leercontract.

Minister, welke rol kunnen de Vlaamse universiteiten spelen in deze Europese netwerken? Moet de Vlaamse overheid hierin een faciliterende opdracht vervullen? Zo ja, wat beschouwt u als mogelijke werkwijzen? Ziet u ook een rol weggelegd voor de Vlaamse hogescholen? Europese staats- en regeringsleiders zoals Emmanuel Macron hebben eerder al opgeroepen tot de stichting van ‘echte’ Europese universiteiten. Wat is uw mening hierover?

Europa denkt er ook aan om de diploma’s uit het secundair onderwijs van de verschillende lidstaten onderling te laten erkennen. Hoe is dit praktisch haalbaar? Zult u over deze onderwerpen overleg plegen met uw collega van de Franse Gemeenschapsregering?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, de aandacht van de Europese staats- en regeringsleiders voor onderwijs is een goede zaak. U weet dat onderwijs en vorming een regionale en Vlaamse bevoegdheid is, maar niettemin denk ik dat een versterkte Europese samenwerking en internationalisering kan helpen bij gemeenschappelijke uitdagingen die ten goede zouden moeten komen aan de kwaliteit van het Vlaamse en Europese onderwijs. Hoogwaardig en inclusief onderwijs is een Europees basisrecht en een van de beginselen van de pas opgerichte Europese sociale pijler.

Concreet voor het hoger onderwijs heeft de EU-top van 14 december laatstleden in opvolging van de bespreking in Göteborg gepleit voor – en ik parafraseer de conclusies – de versterking van strategische partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs in de EU en het bevorderen van de oprichting tegen 2024 van een twintigtal ‘Europese universiteiten’, bestaande uit bottom-upnetwerken van universiteiten in de EU, zodat studenten een diploma kunnen behalen door het combineren van studies in verschillende EU-landen en zo dus ook bijdragen tot het Europese concurrentievermogen.

Het is positief dat de Europese Raad oproept tot de versterking van de samenwerking tussen de instellingen van hoger onderwijs in de hele EU. Dat kunnen we toejuichen. Dat ligt in de lijn van een traditie die we bijvoorbeeld via Bologna al bijna twintig jaar kennen. Het is ook goed dat er uitdrukkelijk voor een aanpak van onderuit gepleit wordt. Deze aanpak reflecteert het best de autonomie van het Vlaamse hoger onderwijs. Mocht het top-down zijn, zou ik zeer ongelukkig zijn en dit absoluut niet aanvaarden. De aanpak reflecteert ook het feit dat ook ons eigen beleid inzet op de responsabilisering van de hogescholen en universiteiten zelf. Het is zeker van belang dat we bekijken hoe de universiteiten kunnen meestappen in het verhaal van de Europese universiteiten.

Dergelijke Europese strategische samenwerkingen zijn nu al ingeburgerd binnen het Vlaams hoger onderwijs. U weet dat onze instellingen wereldwijd als kwalitatief hoogstaande en competitieve instellingen worden beschouwd. Zij bieden zeker een meerwaarde bij het streven naar Europese excellentie, laat mij daar duidelijk over zijn. Wij zitten in het koppeloton. In het kader van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) zal binnen de werkgroep Internationale tendensen hoger onderwijs (INTHO) dit punt besproken worden op de eerste geplande vergadering.

Collega's, we moeten niet te snel willen lopen. Het is natuurlijk nog maar een vrij algemeen geformuleerde denkpiste van de Europese Raad. Eerst moet worden uitgeklaard wat men precies bedoelt met Europese universiteiten. Er is geen duidelijkheid over de definitie, en er zijn andere standpunten vanuit verschillende landen. De communicatie van president Macron spreekt over netwerken van vier tot zes universiteiten in minstens drie lidstaten en indien mogelijk met derde landen, de privésector en publieke partners. Dat is allemaal niet zo concreet.

De Europese onderwijsministers en de Europese Commissie zullen in 2018 de bestaande ideeën verder vorm moeten geven en uitwerken zodat aan de oproep van de staats- en regeringsleiders voldaan kan worden. Het is van belang dat we dit vanuit Vlaanderen positief en constructief opvolgen. We doen dat via de EU-Raadwerkgroepen. Er is ook een permanente afstemming met de andere gemeenschappen. Als het dossier rijp is voor agendering op de EU-Raad, zal voor de standpuntbepaling ook overleg plaatsvinden met de andere onderwijsministers. Een eerste beleidsdebat waarop visies worden uitgewisseld, zal plaatsvinden op de raad van mei 2018. De datum is nog onder voorbehoud omdat er nog geen agenda is rondgestuurd. Het is de verwachting dat er ten vroegste halfweg 2018 een iets concreter voorstel van de Commissie en het voorzitterschap op tafel zal komen.

Wat de hogescholen betreft: als het concreet gaat om het oprichten van Europese universiteiten, dan denk ik dat dit in eerste instantie gericht is op onderzoeksuniversiteiten. Anderzijds, als je gaat kijken in de lidstaten wat een universiteit en wat een hogeschool is, dan zien we daar totaal andere definities. Dat is dus niet overal gelijk. Hogescholen in het buitenland dragen soms evengoed de naam van universiteit of technische universiteit. Ook zijn onze hogescholen al actief in bepaalde netwerken en hebben ook zij nu al strategische partners. Het lijkt me logisch dat in het opzetten van samenwerking eerder wordt vertrokken vanuit de inhoud en niet vanuit de naamgeving omdat die naamgeving erg verschilt van lidstaat tot lidstaat. In ieder geval zijn binnen de werkgroep INTHO van de Vlor, die dit zal bekijken, ook de hogescholen vertegenwoordigd. Zij zullen op een gelijkwaardige wijze kunnen participeren. Uit het overleg zal duidelijk moeten worden wat het standpunt is van onze hogescholen ten opzichte van het verhaal van de Europese universiteiten.

Zullen er gevolgen zijn voor onze studenten? Het is nog een beetje vroeg om hierover concreet te kunnen zijn. Dit hangt ook af van de concrete invulling, maar ik kan in het kader van deze vraag melden dat studenten nu al de mogelijkheid hebben om in te schrijven in gezamenlijke opleidingen die kunnen leiden tot gezamenlijke of dubbele diploma’s. Er zijn een aantal Erasmus Mundus Masters Courses (EMMC’s), erkend en gefinancierd via de Europese Commissie. Daarnaast organiseren instellingen ook via eigen en andere middelen gezamenlijke modules en opleidingen. Voor de studenten is een dergelijke gezamenlijke opleiding en diploma zeker een meerwaarde op de arbeidsmarkt. Mobiliteit op zich is zeer relevant, daar hebben we het al vaak over gehad. Alle voordelen van klassieke studentenmobiliteit zijn aanwezig voor studenten uit deze opleidingen. Het zou dus zeker positief zijn voor studenten mochten nog meer dergelijke opleidingen aangeboden worden. Er hangt wel een kostenplaatje aan. Deze opleidingen hebben vaak een hoger inschrijvingsgeld en ook de mobiliteit vergt extra financiële bijdragen.

Ik verwelkom de oproep van de Europese Top om nog meer in te zetten op de wederzijdse erkenning van einddiploma’s secundair onderwijs en diploma’s hoger onderwijs. De erkenning van diploma’s secundair onderwijs is een proces waar voortgezette Europese samenwerking een grote meerwaarde is en noodzakelijk is. Ik heb me daar al veel vragen bij gesteld. Het is niet gemakkelijk, het is vrij complex en je kunt niet zomaar kopiëren uit het hoger onderwijs omdat de structuren vaak anders zijn. Ook in het hoger onderwijs is het geen evidentie om tot gelijkwaardigheid te komen. We zien dat wat het schoolse onderwijs betreft, de structuren nog meer divers zijn dan die van het hoger onderwijs in Europa. Er zijn een aantal obstakels. Het einde van de leerplicht bijvoorbeeld verschilt in een aantal landen. Soms is dat tot 15, 16 of 18 jaar. Ook de duur, het curriculum en de leeruitkomsten zijn zeer verschillend binnen Europa, alsook de wijze van evalueren. Je kunt niet alles zomaar gelijkwaardig maken.

Op het gebied van hoger onderwijs hebben we al wat vooruitgang geboekt. Vlaanderen werkt op internationaal niveau zeer actief mee aan de wederzijdse erkenning van kwalificaties in het hoger onderwijs via het Bolognaproces. De Beneluxlanden zijn ook al een stap verder gegaan door de automatische erkenning van bepaalde kwalificaties. Met NARIC-Vlaanderen (National Academic Recognition Information Centre) hebben we een goed expertisecentrum. Bovendien is het zo dat iedereen die een einddiploma secundair onderwijs behaalt dat toegang geeft tot het hoger onderwijs in het ene land, ook toegang krijgt tot het hoger onderwijs in alle landen die de Conventie van Lissabon geratificeerd hebben. Dat zijn bijna alle lidstaten van de Raad van Europa, maar ook Canada en de VS. Er is heel veel verschil in het behalen van een diploma waardoor de gelijkwaardigheid moeilijk is, maar zodra je je diploma hebt, kun je doorstoten naar dat hoger onderwijs. Tot hier mijn eerste reflectie op het thema.

De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

Op zich is het natuurlijk een zeer goed idee, daar wil ik geen afbreuk aan doen. Maar de datum van 2024 vind ik heel snel, beslissingen in het hoger onderwijs kennende. Mijn bezorgdheid blijft toch wel dat we erover moeten waken dat alle universiteiten daar maximaal aan kunnen participeren. Misschien vatte ik het een beetje verkeerd op, maar in de geest waarin het werd aangekondigd bleek het iets te zijn om zo hoog mogelijk in de rankings wereldwijd terecht te willen komen en dat het vooral iets voor de topuniversiteiten zou zijn. Wij hebben goede universiteiten, ze scoren allemaal vrij goed, maar we moeten er toch vooral over waken dat onze universiteiten daar voluit aan kunnen participeren.

Een knelpunt blijven de diploma's. Gaat men een apart soort diploma creëren? Hoe zal dat worden erkend? Gaat men via bi-diplomering erken? Dat is een van de grote zaken die vooraf moeten worden kortgesloten.

Ik heb nog een bijkomend vraagje. Collega Brussel vroeg of er al contact hierover was met het hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap. Zal hierover ook met onze Nederlandse collega's worden overlegd?

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, dank u voor het antwoord. Ik ben blij dat de Vlor hierover zal samenkomen en een visie zal voorleggen. Het is heel erg belangrijk om een aantal zaken goed uit te klaren. Wij hebben inderdaad niet zo veel informatie. Het gaat inderdaad snel. Als men zo ambitieus is dat men een pilootproject wil in 2019, dan zal de aard van dat pilootproject al veel zeggen over de richting die men wil inslaan met die samenwerking. Wil men echt evolueren naar heuse universiteiten die een diploma uitreiken, ondanks de grote verschillen die er vandaag zijn? Collega Cordy zegt dat de topuniversiteiten zullen deelnemen. Dan kun je ervan uitgaan dat alle Vlaamse universiteiten deelnemen. Het zal bottom-up vertrekken vanuit de verbanden die er nu al zijn en vanuit de samenwerkingen of contacten die er nu al zijn. Ik zie het eerder bepaalde faculteiten of vakgroepen aansturen dan een universiteit in haar geheel. Dat is logisch, want niet alle universiteiten in Europa zijn georganiseerd zoals de onze. Niet alle universiteiten hebben alle faculteiten. In Vlaanderen is dat voor de meeste universiteiten wel het geval. Ze bieden heel wat studierichtingen aan.

Wat de hogescholen betreft, is er inderdaad veel mogelijk. We snappen toch wel min of meer wat de equivalenten zijn in het buitenland. De 'university colleges' gebruiken wel het woord 'university' maar geven wel aan dat ze 'university colleges' zijn en dat er een verschil is met een universiteit. Technische universiteiten hebben bepaalde studierichtingen die bij ons deels terug te vinden zijn aan de universiteit, zij het aan de faculteit toegepaste wetenschappen waar we een inkanteling hebben van wat vroeger in de hogescholen zat. Het is inderdaad een beetje ingewikkeld. Ik hoop ook dat men alles grondig bekijkt. Wat in de hoofden van ambitieuze regeringsleiders ontstaat, staat soms ver van de technische realiteit per lidstaat.

Een bekommernis van mijnentwege gaat ook over de kwaliteit. Wij zien jaarlijks heel wat studenten naar de zuiderse landen trekken. Ik twijfel er niet aan dat dat een goede levenservaring is, maar of je heel erg veel van je verblijf in Barcelona of in Rome opsteekt, durf ik, los van de capaciteiten van enkele individuele professoren, nog wel eens te betwijfelen. Als je kijkt naar het niveau dat globaal behaald wordt aan onze universiteiten, of eerder als ik kijk naar een aantal Britse en Nederlandse universiteiten, zie ik toch wel een groot verschil met Griekenland, Spanje en Italië. Dus, olé, olé, allemaal naar Barcelona. Het is daar supergezellig, 'auberge espagnole' en tutti quanti, maar ja...

Ik heb eenzelfde bekommernis wanneer het over het secundair onderwijs gaat. Oké, het einddiploma van het secundair onderwijs is nu erkend om overal te kunnen starten, maar ook daar zijn grote verschillen. In het Belgische systeem van algemeen secundair onderwijs moet je in alle vakken toch wel aanzienlijke leerstof beheersen, of je kunt worden tegengehouden. Dat is niet zo in Nederland en in Groot-Brittannië, waar je bijvoorbeeld A levels kiest voor een aantal vakken en een aantal andere vakken niet tot op het einde van je curriculum hoeft te doen. Dat is een groot verschil. Ik denk dus dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Die gelijkwaardigheid en dat Europese project is zeker een meerwaarde. Wij zijn vanuit onze fractie daar zeker voor te vinden, met veel voluntarisme en ambitie, maar het moet goed zijn. Het kan er niet toe leiden dat in Vlaanderen de lat lager gelegd wordt om meer toe te groeien naar andere lidstaten. Dat kan niet de bedoeling zijn.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Ik heb een paar aanvullingen. Ik wil starten met waar collega Brusseel met is geëindigd. Dat we willen groeien naar het wederzijds erkennen van diploma's, 'fair enough', maar dan is het niet de bedoeling dat we de hoogstaande opleidingen die we in Vlaanderen hebben, moeten downscalen opdat we anderen zouden kunnen aantrekken.

Waarom zeg ik dat? Ik heb de minister al een paar keer bevraagd over de Nederlandse studenten die naar Vlaanderen komen, om allerlei redenen, bijvoorbeeld voor een aantal opleidingen, zoals diergeneeskunde, waarover de collega's De Meyer, Brusseel en ikzelf een resolutie hebben ingediend in verband met de niet-bindende toelatingsproeven. Dat is één zaak waarom ze naar hier komen, maar ook omdat een aantal opleidingen erg hoog zijn aangeschreven. Het lijkt me dan ook wijs te zijn om die bewegingen van studenten in kaart te brengen want die hebben voor de landen waar ze van toepassing zijn, wel een financiële impact. Het wederzijds erkennen is één zaak, maar het in kaart brengen van wie naar waar gaat en wat de impact daarvan is, lijkt mij minstens even belangrijk.

Wat betreft Barcelona en Catalonië, denk ik dat dat misschien een goede zaak is. Dan kunnen Barcelona en Catalonië zich meer afstemmen op Vlaanderen. Daar wil onze partij gerust mee aan trekken om dat waar te maken zodat de opleidingen in Barcelona misschien nog beter worden, niet alleen omdat ze in een warmer gebied liggen maar ook omdat ze een goede afstemming hebben met Vlaamse instellingen, maar dit terzijde.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Het is uiteraard een interessante discussie, die we moeten volgen om te kijken wat de opportuniteiten zijn voor onze hogescholen en universiteiten, maar er moet nog zeer veel duidelijkheid komen. Ik geef maar één voorbeeld. Uit wat ik erover heb gelezen, begreep ik dat president Macron niet alleen spreekt over Europese universiteiten maar ook over netwerken van universiteiten en netwerken met diverse landen, overheden en de bedrijfswereld. Belangrijk is te weten wat de juiste definities zijn en wie wat bedoelt, om concreet te kunnen inspelen op de vraag wat hier de opportuniteiten zijn.

Een tweede element waar ik even wil bij stilstaan, is het pleidooi voor meer middelen en uitbreiding van Erasmus. Ik verwijs naar Europees commissaris Thyssen die daar een aantal ideeën over heeft gelanceerd. Minister, is er op dat vlak reeds meer duidelijkheid? Zijn er al gesprekken geweest? Zijn er mogelijkheden tot implementatie op dat vlak in Vlaanderen? Zijn er opportuniteiten? Op welk moment kan daar verder aan gewerkt worden?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, dank voor alle toevoegingen. Ik wil eerst iets zeggen los van al uw opmerkingen: er zal wat mij betreft nooit sprake van kunnen zijn dat universiteiten geforceerd worden om tot iets toe te treden of het niveau naar beneden te halen. Daarom vind ik het zo belangrijk dat het bottom-up gebeurt. Ik wil ook niet dat het alleen de hoogsten in de rankings zijn want dat is ook iets geks. Wij kennen in Vlaanderen een heel brede toegang tot de universiteiten, aan een democratische prijs. In sommige landen is dat een gesloten of een halfgesloten toegang of is het veel duurder. Wij willen onze eigenheid behouden. De ministers van Onderwijs krijgen nu de kans om dit verder uit te werken. Ik heb jullie bezorgdheden gehoord. Ik heb er weinig gehoord waar ik het niet mee eens ben. Ik vind wel dat, als je samenwerking kunt stimuleren, dat goed is. Mijn zoon heeft in Gent gestudeerd en werkt nu in Leuven. Ik zie hoe elk van die universiteiten zijn netwerk heeft. Samenwerken met compleet andere universiteiten is een goede zaak.

Wat Erasmus betreft: ook daar ben ik ondertussen specialist in, niet in Barcelona maar in Lissabon. Ik zie alle effecten van de buitenlandse ervaringen die opgedaan worden. Ik was aanvankelijk een zeer grote fan, ik ben nu een gematigde fan geworden.

Wat betreft de vraag over het overleg met Nederland: het overleg wordt nu gestart tussen alle lidstaten van de Europese Unie, dus ook met Nederland. Ik heb ondertussen mijn Nederlandse collega ontmoet. Ik zal ook proberen om daar, via de bevoorrechte bilaterale contacten die we hebben, gezamenlijk stelling in te nemen. Ik denk dat dat nuttig zou kunnen zijn.

Wat betreft Erasmus en de extra budgetten: u weet dat Marianne Thyssen heeft aangekondigd dat er ook voor jongeren in het beroepsonderwijs meer mogelijkheden zouden ontstaan om op Erasmus te gaan. De budgetten daarvoor moeten er komen in het nieuw meerjarig budgettair kader voor na 2020. Vlaanderen zal zeker pleiten voor een versterking van Erasmus+. Maar op dit ogenblik zijn er nog geen concrete middelen in Europees kader beschikbaar.

Collega's, samengevat: dit wordt vervolgd.

De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

We moeten waken over de bezorgdheden die geuit zijn, maar nogmaals, dat doet niet af aan het idee op zich. Voor mij blijft een van de moeilijkste problemen hoe het zal gaan met de erkenning van de daaruit resulterende diploma's. Als ik alleen nog maar zie hoe tussen Vlaanderen en Nederland een opleiding als psychologie moeilijkheden geeft voor Nederlandse psychologen om hier erkend te worden, en ondertussen ook het omgekeerde, namelijk Vlaamse psychologen die geen toegang meer hebben tot het beroep in Nederland omdat ze niet zonder meer aan de nodige basisaantekeningen geraken en dergelijke meer... Als we dat gaan opentrekken naar de rest van Europa, dan weten we dat we daar nog een gigantisch grote klus aan zullen hebben.

Misschien wat in tegenspraak tot wat ik eerst heb gezegd, en toch ook weer niet, is dat zeker in opleidingen binnen de gezondheidssector, het heel belangrijk blijft dat de mensen op de plaats waar ze gaan werken voldoende taalcompetenties hebben. Patiënten zijn niet gediend met artsen, verplegers enzovoort die de taal van de patiënten niet voldoende machtig zijn. In deze stad is dat zelfs al een probleem.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Dat zou misschien minder een probleem kunnen zijn met mensen die van ver komen dan met mensen die van Ukkel komen. Ik viseer Ukkel niet, maar u begrijpt me wel. Maar dit geheel terzijde.

Om af te ronden: wij vinden het goed dat er binnen Europa een project zou zijn waardoor wij globaal onze Europese kenniseconomie kunnen versterken, dat wij als Europeanen gemakkelijker mobiel zijn, zowel voor het studeren als voor het werken. Uiteraard is voor ons een essentiële voorwaarde dat dat kwalitatief gebeurt. Het zou verstandig zijn mocht men toewerken naar bijvoorbeeld 2030, en ondertussen elke stap nemen. Het positieve eraan is dat je niet meer zoveel administratie moet doorlopen als Europeaan om erkend te worden in je competenties en je diploma vlotter kan worden erkend door een andere lidstaat. Dan kan NARIC zijn werkzaamheden richten op de evaluatie van bekwaamheidsbewijzen van buiten Europa. Dan zou men de bureaucratie binnen Europa wat kunnen afbouwen, maar dan moeten eerst wel stappen worden gezet die kwalitatief in orde zijn naar de inhouden toe en, inderdaad collega, naar talenkennis. Dat moet vooraf kortgesloten worden.

Dat begint idealiter door een samenwerking op faculteitsniveau en niet zomaar in netwerken die een hele universiteit of hogeschool engageren, zodat studenten die mobiel willen zijn, niet zomaar kiezen voor een ander land maar kiezen voor de inhoud van een opleiding. Dat is belangrijk, namelijk dat een student zegt dat hij wil meedraaien op het mondiaal hoogste niveau op het vlak van bijvoorbeeld moleculaire biologie en daarom naar die instelling in dat land wil gaan. Wat we niet nodig hebben is de student die zegt dat hij graag eens in Spanje of in Frankrijk wil studeren. Dat is niet de bedoeling daarvan.

De bedoeling moet inhoudelijk gemotiveerd zijn. Dan zullen we kunnen spreken van een concurrentiële positie in de kenniseconomie. Daar moet werk van worden gemaakt, maar er is nog veel werk aan de winkel.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.