U bent hier

Commissievergadering

dinsdag 12 december 2017, 14.00u

Voorzitter
van Katrien Schryvers aan minister Jo Vandeurzen
556 (2017-2018)
De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Om de opmerkzaamheid naar eventuele verontrustende opvoedingssituaties bij kinderen van professionele hulpverleners te verhogen, werd vanuit de conferentie ‘De toekomst is jong’ van 2016 de kind-check naar voren geschoven. Daarbij is het de bedoeling om, bij zorgen over een volwassen cliënt of patiënt, na te gaan of die betrokkene de zorg heeft over minderjarige kinderen en of die veilig kunnen opgroeien. De kind-check fungeert als handvat ter ondersteuning van professionals in de geestelijke gezondheidszorg, medewerkers van justitie en politie, sociaal werkers, spoed- en huisartsen, die niet rechtstreeks met kinderen werken waarover de mogelijke verontrusting gaat, maar met de ouders of nabije zorgfiguren. Het betreft een soort handelingsprotocol dat ten eerste een extra alertheid installeert ten aanzien van kinderen en de relatie ouder-kind, en ten tweede professionals ondersteunt bij hun handelen in onzeker en vaak complexe situaties van verontrusting en kindermishandeling. In een aantal gevallen zal dit leiden tot een melding bij andere instanties, zoals gemandateerde voorzieningen, politie of parket.

In antwoord op mijn vraag om uitleg van 23 mei 2017 en ook in antwoord op schriftelijke vraag nr. 657 van 24 mei 2017 van mevrouw Van den Bossche, overloopt de minister hoe de kind-check wordt uitgewerkt en welke stappen, opgedeeld in fasen, worden genomen om de uitrol ervan te bewerkstelligen. In een eerste fase is het de bedoeling te komen tot een basisversie, die wordt geïmplementeerd binnen de diverse sectoren van de geestelijke gezondheidszorg. In een tweede fase worden de tools – website, affiches, folders … – ontwikkeld. In een derde fase gebeurt de uitrol per sector met infomomenten, vormingen, reflectie, monitoring en evaluatie. De trekkende rol wordt in de eerste plaats gelegd bij de Vertrouwenscentra Kindermishandeling.

De kind-check is bedoeld om het bewustzijn aan te wakkeren over de opvoedingssituatie waarin kinderen verkeren als hun ouders in de hulpverlening zitten. Het kan ook zijn dat kinderen plots terechtkomen in een verontrustende situatie, zonder dat hun ouders ooit contact hadden met de hulpverlening. Het gebeurt bijvoorbeeld dat kinderen onverwacht beide ouders verliezen. Het gaat dan over kinderen die niet gekend zijn bij de hulpverlening. Wanneer dan een familiaal of ander netwerk ontbreekt, blijkt het niet evident om voor de kinderen snel een gepaste opvang en begeleiding te vinden. Ook daarvoor is een bepaalde coördinatie nodig en moet iemand de verantwoordelijkheid opnemen om de zorg voor die kinderen te organiseren en een traject uit te tekenen.

Minister, kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot de uitwerking en implementatie van de kind-check in de verschillende sectoren van de geestelijke gezondheidszorg? Welke timing wordt vooropgesteld?

Welke afspraken worden ter zake gemaakt met politie en justitie?

Bestaat er of wordt er gewerkt aan – in uitbreiding van de kind-check – een stappenplan om kinderen op te vangen en te begeleiden wanneer zij plots zonder ouders of opvoedingsverantwoordelijke komen te staan?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

De uitwerking en implementatie van de Vlaamse kind-check met een eerste toepassing in de geestelijke gezondheidszorg worden opgenomen door het Steunpunt WVG en het Vlaams ExpertiseCentrum Kindermishandeling vzw, de recent opgerichte partnerorganisatie van de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling. De ontwikkeling en implementatie van een Vlaamse kind-check start zeer duidelijk vanuit het evidencebased instrument in Nederland. Het instrument is niet zomaar te implementeren in Vlaanderen. De kind-check bestaat uit heel wat afspraken tussen actoren, en de praktijk in Nederland en Vlaanderen is niet dezelfde. Ook kent Nederland de landelijke meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, die een aantal richtlijnen bij het melden van situaties verplicht oplegt.

Dit betekent dat de Vlaamse kind-check zal moeten beschrijven welke actoren op welke momenten moeten worden ingeschakeld ingeval er sprake is van onveiligheid voor kinderen en wat de rol van de jeugdhulpverleners en gemandateerde voorzieningen hierin is. De kind-check moet eveneens verduidelijken waar professionals terechtkunnen voor ondersteuning van het kind en zijn ouder(s). Aansluiting met het hulpverleningsaanbod in diverse settings van de geestelijke gezondheid, namelijk psychiatrische ziekenhuizen, psychiatrische afdelingen in algemene ziekenhuizen, centra voor geestelijke gezondheidszorg, centra voor drugshulpverlening, centra voor psychosociale revalidatie voor volwassenen, artikel 107-netwerken, enzovoort is daartoe noodzakelijk.

Om de duidelijke sterktes van de Nederlandse kind-check goed in Vlaanderen te laten renderen, moeten we dus inzetten op de vertaling ervan naar onze Vlaamse praktijk en beleid. Hiervoor mobiliseerden we een brede stuurgroep voorgezeten vanuit Kind en Gezin, met grote betrokkenheid vanuit het beleid, de organisaties en koepels vanuit de geestelijke gezondheidszorg (ggz), gemandateerde voorzieningen en cliëntvertegenwoordigers.

Sinds september is het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (SWVG) van start gegaan met de ontwikkeling van een Vlaamse kind-check met toepassing in de ggz. Hun opdracht zal lopen tot en met september 2018.

De taak van het steunpunt bestaat er vooral in om een Vlaamse basisversie te ontwikkelen en een implementatieplan uit te werken. Hiervoor onderneemt het steunpunt een aantal acties.

Eerst en vooral is dat een documentanalyse en literatuurstudie. Het eerste werkpakket richt zich op de wetenschappelijke onderbouwing van de kind-check voor de Vlaamse context. Het steunpunt voert een documentanalyse uit om zicht te krijgen op wetenschappelijke, praktijkgerichte en beleidsgerichte informatie relevant voor de toepassing van de kind-check in Vlaanderen. Hierdoor is ook de aansluiting met goede Vlaamse praktijken zoals de werking van Kinderen van Ouders met een Psychische Problematiek (KOPP) en Kinderen van Ouders met een AfhankelijkheidsProblematiek (KOAP) duidelijk gemaakt. Deze fase liep van september tot oktober 2017.

Aanvullend op de documentenanalyse is het belangrijk om ook in dialoog te gaan met de verschillende betrokkenen in de praktijk. Hiervoor zijn vier focusgroepen opgezet, met telkens vertegenwoordiging van ervaringsdeskundigen. De eerste focusgroep betreft preventie, promotie en vroege interventie; de tweede focusgroep betreft mobiele teams; de derde focusgroep betreft ambulante ggz; de vierde focusgroep betreft residentiële ggz. De focusgroepen zijn nu net afgerond.

Vervolgens wordt op basis van de verzamelde informatie een eerste draftversie van de kind-check met toepassing in de ggz en de nodige tools voor hulpverleners uitgewerkt. Deze versies worden tijdens expertpanels met de betrokken stakeholders besproken. Op basis van hun suggesties worden de basisversie van de kind-check en de ruwe versies van de tools bijgewerkt. Dit werkpakket is net aangevat en zal lopen tot en met mei 2018.

Ten slotte is er de rapportage en presentatie. Het laatste werkpakket betreft het schrijven van een eindrapport met beleidsaanbevelingen inzake de implementatie, de monitoring en de evaluatie van de kind-check in Vlaanderen. Dit zal lopen van juni tot en met september 2018.

Het Vlaamse ExpertiseCentrum Kindermishandeling (VECK) neemt daarnaast het voortouw voor de finale ontwikkeling van de tools en de implementatie van de kind-check in de gehele geestelijke gezondheidszorg. Het centrum heeft de belangrijke taak om het geheel goed uit te rollen in de diverse sectoren van de ggz. Hierbij moet het ook zorgen dat de goede verbinding tussen de geestelijke gezondheidszorg en de jeugdhulp ook in de praktijk wordt gerealiseerd.

Het VECK zal daarvoor, voortbouwend op de inzichten opgedaan door het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, een praktijkreferentiegroep installeren, een infocampagne voorbereiden en organiseren en vormings- en reflectiemomenten aanbieden. Aan de hand van monitoring zullen zij nagaan hoe succesvol de implementatie van de kind-check verloopt. Tot slot zullen zij aandacht besteden aan de evaluatie en de borging van de opgedane kennis binnen het VECK met het oog op een goede voortzetting en eventuele verbreding naar andere sectoren.

Het VECK is recent gestart met voorbereidende activiteiten en heeft finaal de tijd tot augustus 2019 om dit implementatietraject helemaal af te ronden. De concrete start van de uitrol van de kind-check is gepland voor de zomer van volgend jaar met de start van een infocampagne en de vorming en monitoring.

In de ontwikkeling en implementatie van de kind-check is het maken van de link met de evoluties rond de ketenaanpak intrafamiliaal geweld en kindermishandeling een belangrijk onderdeel. Zowel het SWVG als het VECK moet dit verder uitwerken in hun activiteiten en zo de afspraken met politie en justitie concretiseren.

Situaties waarbij kinderen van de ene dag op de andere zonder ouders komen te staan en waarbij de ouders nooit contact hadden met de hulpverlening, zijn gelukkig schaars. In de vraagstelling wordt terecht verwezen naar het familiale of andere netwerk dat in deze situaties bij voorkeur een belangrijke rol zou kunnen opnemen.

De situaties doen zich vermoedelijk vooral voor bij de jongste kinderen, bijvoorbeeld wanneer een kind geboren wordt maar niet in het eigen gezin kan verblijven, of wanneer een kind in een ziekenhuis terechtkomt en vervolgens niet naar huis terug kan. In het uitbreidingsbeleid jeugdhulp van 2018 en 2019 voorzien we in dit kader in 3 miljoen euro recurrente middelen. We bereiden momenteel een uitbreidingsoproep werf 2 voor, de zogenaamde ‘zorggarantie bij uithuisplaatsing van jonge kinderen’, die een snel en stabiel antwoord zou moeten geven op dergelijke situaties.

De focus ligt op kinderen tussen 0 en 3 jaar waarvan de aanmelder of hulpverlener zeer verontrust is en de inschatting maakt dat het kind niet terug naar huis kan. Via regionale systeemafspraken tussen enkele prioritaire partners zoals de ziekenhuizen, regioverpleegkundigen van Kind en Gezin, diensten voor pleegzorg, centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, voorzieningen van Jongerenwelzijn en gemandateerde voorzieningen zullen deze hulpvragen onmiddellijk moeten worden opgenomen en met het oog op een stabiele oplossing volgens de principes van één gezin, één plan. De middelen zullen op het jeugdhulpverleningsaanbod ter versterking van deze regionale systeemafspraken worden ingezet.

De aansluiting vanuit deze prioritaire partners met andere actoren en samenwerkingsverbanden zoals crisisnetwerken Integrale Jeugdhulp (IJH), samenwerkingsverbanden rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp, eerstelijnszones, Huizen van het Kind, kinderopvang, adoptiehuizen en dergelijke is hierbij ook erg belangrijk.

Het belang van pleegzorg in dit geheel moet ook worden benadrukt. Zeker voor de jongste kinderen die niet thuis kunnen verblijven, is dit de eerste te overwegen hulpvorm die we nog meer moeten realiseren. Er lopen naar aanleiding van de evaluatie van het decreet Pleegzorg van 2012 heel wat acties ter versterking van pleegzorg. Zo wordt via de diensten voor pleegzorg momenteel dan ook werk gemaakt van een diversifiëring van de pool van kandidaat-pleeggezinnen. Het is de bedoeling meer en gerichter gezinnen aan te trekken en zichtbaar te maken voor deze jongste kinderen. Er wordt ook gestreefd naar pleeggezinnen die voor een stabiel perspectiefbiedend klimaat kunnen zorgen. Naar aanleiding van de voorstellen van collega Parys zullen we ook kijken hoe daar misschien ook eens kan worden geleerd wat we met die gezinshuizen kunnen.

Voor de kinderen ouder dan 3 jaar ten slotte, kunnen we op basis van de nieuwe afspraken in het kader van de zorggarantie uithuisplaatsing jonge kinderen in een latere fase evalueren of we de principes ervan voor hen kunnen doortrekken. Hoe dan ook kunnen we in deze situaties ook nu al terugvallen op de brede instap, diensten voor pleegzorg, andere jeugdhulpaanbieders en het crisisnetwerk IJH.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw uitvoerige antwoord. Ik geloof echt wel in de kind-check. Ik denk dat dat een grote meerwaarde kan hebben. Als ik uw antwoord hoor, dan denk ik dat het inderdaad allemaal niet zo eenvoudig is als je misschien in eerste instantie zou denken. In Nederland werkt het systeem goed en hier is uit de conferentie naar voren gekomen dat het hier ook goed zou zijn. Dat is trouwens ook al vaak in deze commissie gezegd, en ook in diverse resoluties. We hebben een knipperlichtensysteem naar voren geschoven. Op sommige momenten moeten diverse instanties hier en daar toch al wel iets hebben gemerkt in een gezin, of moeten ze zich toch wel hebben afgevraagd of er geen kinderen zijn in dat gezin die betrokken zijn, voor wie er ook meer zorg zou moeten zijn of die gevaar lopen, want het gaat natuurlijk vooral over kindermishandeling en geweld. Het is dus goed dat dat wordt ontwikkeld, maar u hebt natuurlijk gelijk: het moet worden vertaald op het niveau van Vlaanderen. Dan zijn er natuurlijk heel veel partners bij betrokken en moet men ervoor zorgen dat men dat op een heel goede manier doet, zodat het ook werkt en de mazen van het net zo klein mogelijk zijn, zodat er geen kinderen meer tussen vallen, die dan geen zorg krijgen of voor wie het knipperlicht niet is gaan branden om aan te geven dat er misschien moet worden ingegrepen.

Ik zal de verschillende fases die u hebt genoemd in uw antwoord, verder doornemen. Ik neem aan dat we, wanneer de implementatie dan echt zal gebeuren midden 2018, dat dan ook verder in deze commissie zullen kunnen bespreken.

Met betrekking tot de laatste vraag, gelukkig gebeurt het niet zo vaak, maar gezien de verdunning van het sociaal weefsel en gezien er steeds meer alleenstaande ouders zijn, stelt men soms toch wel vast dat iemand met een kind en soms met heel wat problematieken eigenlijk bijna helemaal alleen leeft, dat die weinig interactie, weinig netwerk heeft. Ook dan moeten we ervoor zorgen dat men vanuit de hulpverlening klaarstaat voor het geval zich in dat gezin iets voordoet, zodat we dat kind dan zo snel mogelijk opnieuw een stabiele basis kunnen geven. Pleegzorg kan daarbij inderdaad een belangrijke hulpverleningsvorm zijn. We hebben het bij de bespreking van de beleidsbrief trouwens ook nog gehad over de Limburgse projecten, bijvoorbeeld vanuit de materniteiten, met rechtstreekse opvang in pleegzorg en dergelijke meer. Dat gaat dan over ouders die wél een probleem hebben dat bekend is, terwijl dat soms ook niet zo is.

Ik heb geen bijkomende vragen.

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Minister, in Nederland is er ondertussen ook onderzoek gebeurd naar wat er wel en niet goed werkt bij die kind-check en wat eventueel de belemmeringen zijn, bij artsen dan, om de kind-check toe te passen. De grootste belemmering, geopperd door een op de vier personen, is de angst voor de vertrouwensrelatie. Dat is wat ik ook op het terrein geregeld hoor, daarom niet per se gelinkt aan de kind-check nu. Het gaat over het gegeven dat men een heel moeilijke afweging moet maken. Ofwel houdt men de vertrouwensrelatie met het gezin, met ook de redelijke kans op wat impact op dat gezin. Ofwel gaat men eventueel over tot een melding, is de vertrouwensrelatie weg en weet men ook niet altijd of er werkelijk gevolg zal worden gegeven aan die melding, in die zin dat dat kind dan inderdaad wordt geplaatst of zo. Dan is men van de regen in de drop gekomen, want dan heeft het kind geen oplossing en is de vertrouwensrelatie ook weg. Dat is wat ik heel vaak op het terrein hoor, of men nu naar een centrum geestelijke gezondheidszorg of naar een residentiële setting gaat. Er is nu een aarzeling bij artsen en andere hulpverleners in Vlaanderen. Dat is toch een zeer moeilijke afweging. Is het mogelijk om bij het maken en ook uitrollen van die kind-check specifiek aandacht te besteden aan wat vandaag soms een sterke belemmering is om iets te melden? Die afweging is niet zo eenvoudig te maken, denk ik.

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Ik denk dat mevrouw Van den Bossche daarmee ook een beetje aanknoopt bij de discussie die we eerder dit jaar over de kind-check hebben gehad. Minister, u hebt toen gezegd dat u niet zo voor het concept van een afvinklijst was. De vraag was immers: als er met heel veel mensen rond een kind wordt gewerkt, wie is er dan verantwoordelijk om daadwerkelijk die stap te zetten? Mijn bezorgdheid was toen een beetje dat men weliswaar met heel veel mensen rondom een kind kan zitten te werken, maar dat niet duidelijk is wie die stap moet zetten, wie uiteindelijk de aanmelding gaat doen, wie de verantwoordelijkheid gaat nemen en ervoor zorgt dat dat ook daadwerkelijk wordt opgevolgd. Ik had toen gevraagd of er dan een soort afvinklijst zou komen. U zei dat dat niet echt het geval was, maar dat er natuurlijk wel een handelingsprotocol zou komen. Zal dat handelingsprotocol dan echt wel uitwijzen wie op een bepaald moment wordt geacht de verantwoordelijkheid te nemen? Dan is er natuurlijk de vraag van collega Van den Bossche, die relevant is: wat gebeurt er daarmee en kan men het vertrouwen scheppen dat die keten ook daadwerkelijk wordt gevolgd en dat er ook duidelijke feedback komt over welke beslissing er kan vallen?

Mijn volgende vraag gaat over 1712. Naar aanleiding van de schriftelijke vragen die daarover zijn gesteld, zei u dat de inspecties begin mei zijn afgerond, dat de verslagen zijn vertaald in een plan van aanpak, dat dan in oktober werd voorgesteld in de stuurgroep van 1712, toch een belangrijke partner in dit hele verhaal. Kunt u ons een inkijk geven in dat plan van aanpak? Hoe ziet dat eruit? Wat is de timing qua uitrol daarvan?

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Ik kan mij volledig aansluiten bij mevrouw Van den Bossche. Ik heb daar tijdens de discussie in het voorjaar ook op gewezen. Ik denk dat het inderdaad een probleem wordt. Als we naar zo’n uitrol gaan, moet daar op korte termijn een evaluatie van komen. Minister, plant u een evaluatie? Hoe zou u dat specifiek doen?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, ik heb uitvoerig geschetst hoe dat traject loopt. We zijn nu aan het einde gekomen van de tweede fase, de focusgroepen. De vragen zijn terecht. Kan dat met respect voor het beroepsgeheim? Wat betekent de vertrouwensrelatie voor het vertrouwen dat daar opvolging aan wordt gegeven? Ik ga ervan uit dat de diverse stakeholders daar in de focusgroepen over gesproken hebben. Zeker de professionals, maar ook de ervaringsdeskundigen.

Er komt nu een fase van concretisering. Ik ga ervan uit dat de pertinente vragen ook daar aan bod zullen komen. Het heeft weinig zin om zo’n traject uit te schrijven, met zoveel participatie van de stakeholders, als zou blijken dat de meest evidente vragen daarin niet aan bod komen, zoals: ‘Kan ik dat wel melden zonder de vertrouwensrelatie in gevaar te brengen?’

Dat is geen nieuw probleem. Zelfs vóór de laatste wijzigingen van de regels op het beroepsgeheim was het mogelijk om een melding bij het vertrouwenscentrum te doen. Een zorgverstrekker of hulpverlener kon nu ook al een probleem melden. Er is in dit geval een meldingsrecht. Dat is dus een bekend thema. Ik ga ervan uit dat dit in het concept voldoende mee in de afweging zit, zodat we kunnen bekijken wat de aanbevolen strategie of het handelingsprotocol wordt. Ik ga er ook van uit, mijnheer Parys, dat daarin ook duidelijk wordt gemaakt wie geacht wordt om, eventueel na concertatie, een initiatief te nemen. Dat zijn de klassieke vragen, die telkens terugkomen.

Maar ik moet u wel zeggen dat we anderzijds in deze commissie ook al hebben gesproken over het onderzoek dat wij door een academicus hebben laten doen naar de oorzaken van gezinsdrama’s. Dan blijkt vaak dat de ouder in behandeling is, dat de moeder het ziekenhuis verlaat en naar huis gaat, dat niemand weet wat er aan de hand is … Er is zeker geen standaard van voorspelbaarheid, maar we hebben toch gemerkt dat de idee ‘één gezin één plan’ en de kennis van de situatie van het gezin, ook als het gaat over de hulpverlening aan de volwassene, in een aantal gevallen toch wel belangrijke elementen zijn om te kunnen inschatten of het kind in gevaar is, of er sprake is van verontrusting.

In die zin pleit ik ervoor dat het traject wordt gelopen. Ik vraag bij u begrip voor het feit dat dat traject vrij intens en langdurig is. Dat traject zal een jaar duren. Al die zaken moeten immers aan bod komen.

Ik heb u al gewezen op het verschil. Er is in Nederland een meldcode, met een aantal verplicht opgelegde richtlijnen. Dat is een andere situatie dan in België. Er zijn dus voldoende redenen om de tijd te nemen om dat aan te passen aan onze zorgcontext.

Als we dat uitrollen, ga ik er ook van uit dat er een begeleidingsgroep zal zijn om op te volgen of er moet worden bijgestuurd.

De evaluatie van 1712 is gebeurd. Ik heb daar al eens over gesproken in de commissie. De actiepunten gingen over: de coördinatie, de langere openingsuren, het ontsluiten van de chat, het werken met vrijwilligers. Al die punten werden opgenomen met de stuurgroep 1712. Ik heb begrepen dat er uit de groep een vraag is om een extra budget op te nemen voor de eenduidige coördinatie.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Als hulpverleners in een gezin komen of met een van de betrokkenen in een gezin aan de slag gaan, is het belangrijk dat ze de vraag stellen of er één of meerdere kinderen betrokken zijn, of dat kind veilig is in de gegeven omstandigheden en welke hulp er eventueel nodig is. Als daar twijfels over bestaan, moet er verantwoordelijkheid worden opgenomen en moet er een initiatief worden genomen. Ik geloof dat een kind-check daarbij een meerwaarde kan zijn. De uitrol zal hier nog wel worden besproken. Maar, minister, we moeten eerst de verdere stappen afwachten die u ter zake hebt aangekondigd.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.