U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Het personeel van de jeugdinstelling in Everberg is bezorgd. Het gaat zowel om het aantal incidenten van agressie als om het aantal isolaties. Opvallend is niet enkel dat we in één jaar tijd een verdubbeling zien van gewelddadige incidenten, vaak gericht naar het personeel en ook van het aantal isolaties, maar dat dit ook sterk kan fluctueren van jaar tot jaar. Zo was 2014 een jaar met erg veel van die incidenten en isolaties. Het jaar 2015 was dan een opvallend ‘kalm’ jaar, met 5 keer minder incidenten tegen het personeel dan het jaar daarvoor en maar half zoveel isolaties. In totaal moest het personeel van jeugdinstelling De Grubbe in Everberg vorig jaar 49 keer een jongere isoleren, bijna dubbel zoveel als in 2015. Dat is weer een markante stijging, maar nog niet tot het niveau van 2014.

Wat wordt er precies gemeten? Ik neem aan dat het aantal isolaties wordt geregistreerd, maar wordt daarbij ook geregistreerd of dat om dezelfde persoon gaat dan wel of het telkens andere personen zijn? Soms kan het feit dat zich ergens één jongere bevindt die een specifieke agressiethematiek laat zien en herhaaldelijk op dezelfde manier benaderd wordt, bijvoorbeeld door isolatiemaatregelen, in de eindresultaten een sterk vertekend beeld geven.

Het zou bijvoorbeeld kunnen dat in een jaar waar wij denken dat het aantal isolaties sterk omhoog gaat, men in de feiten zelfs minder vaak of minder snel tot dergelijke maatregel is overgegaan maar dat er misschien een jongere was bij wie men het gevoel had niet anders te kunnen. Ik vraag aan u of u misschien al die nuance kunt aanbrengen dan wel of u bereid bent in de toekomst die registraties op een voldoende fijnmazige manier te doen om daar echt iets uit te leren en om te kunnen bijsturen, wat ik wel hoop. Collega Anseeuw vraagt daar ook vaak naar en er zijn nog mensen die over de grenzen van meerderheid en oppositie heen, denken dat dit een goed idee zou zijn. Ik heb daar vragen naar de aard van de registratie.

Enkele bijkomende logische vragen zijn de volgende. Welke stappen hebt u eventueel gezet om personeel en jongeren te beschermen en te ondersteunen? Hoe is die ondersteuning geregeld? Ze is helemaal overgegaan in Vlaamse handen en er zijn wat veranderingen op het vlak van personeel. Hoe loopt dat? Wat hebt u ondernomen? Heel specifiek ten aanzien van de samenwerking met jeugdpsychiatrie en instellingen voor personen met een beperking: dat loopt niet altijd even gemakkelijk. Hoe ervaart u dat? Hoe wilt u die heel complexe doelgroep waar zich meervoudige problematieken aftekenen, zo goed mogelijk zorg bieden? Begrijp me niet verkeerd, ik snap dat wanneer mensen gevaarlijke daden stellen, zorg alleen onvoldoende is en dat er ook een vorm van beveiliging moet zijn. Maar er moet toch ook een vorm van zorg zijn om met die thematiek om te gaan, wetende dat jongeren vaak meer potentieel hebben op verandering dan mensen die een pak ouder zijn.

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Minister, we hebben in de plenaire vergadering van eind november al eens een debat gevoerd over de gemeenschapsinstelling De Markt in Mol. We hebben toen ook verwezen naar het toenemende aantal gevallen van agressie en het stijgende aantal isolaties in de gemeenschapsinstelling De Grubbe in Everberg.

Collega Van den Bossche heeft daarjuist geschetst hoe het de voorbije jaren met de cijfers is gegaan. Bij gebrek aan beter kijk je soms naar die cijfers en probeer je daar conclusies aan te verbinden. Het is inderdaad waar dat er eind 2014 een aantal incidenten zijn geweest die veel belangrijker in aantal waren dan het jaar ervoor. Dat had volgens de informatie waarover ik beschik te maken met het feit dat dat de laatste maanden waren van de federale penitentiaire ambtenaren die nog aanwezig waren en waarbij de overgang voor wat spanning zorgde in de voorziening. We hebben dan inderdaad gezien dat 2015 een heel goed jaar was in vergelijking met het jaar ervoor. Toen hebben we geconcludeerd dat de warme beveiligingsaanpak werkt, namelijk het feit dat we penitentiaire ambtenaren vervangen hebben door opvoeders. Dat was de Vlaamse aanpak die werkte.

Als je dan de cijfers van 2016 bekijkt, waarin er een verdubbeling is ten opzichte van het jaar ervoor – het gaat uiteraard om beperkte absolute getallen, de vraag van collega Van den Bossche is absoluut relevant – dan moet je de vraag stellen of de omgekeerde redenering ook niet geldt. Wil dat dan zeggen dat wat we nu doen, dan toch niet werkt voor de populatie die we in 2016 in De Grubbe mochten verwelkomen?

Minister, wat zijn de verklaringen voor het toenemend aantal isolaties? Is er een link met het stijgende cijfer van ziekteafwezigheid van het personeel? Er is een belangrijke toename wat betreft de langdurige afwezigheid. Als je dergelijke cijfers ziet, dan vraag je je uiteraard ook af of dat een veilige omgeving is voor de jongeren. Doen we er alles aan om dat verblijf effectief veilig te laten verlopen? Kunnen de medewerkers hun job uitoefenen in een omgeving waarin zij zich ook veilig voelen?

Uiteraard stel ik ook de vraag over de groep jongeren van wie het rapport dat de KU Leuven heeft gemaakt over Everberg, zegt dat ze een zekere vorm van resistentie hebben ontwikkeld voor de hulp die wij kunnen bieden omdat zij vaak psychoses of andere psychische moeilijkheden hebben. Is het misschien een verklaring voor het stijgende aantal incidenten dat meer jongeren aan dergelijke fenomenen lijden? Is opname in De Grubbe voor hen de juiste aanpak?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega's, de beide vragen om uitleg handelen over het aantal isolaties in De Grubbe in Everberg en een aantal omstandigheden. Ik zal proberen daar globaal op te antwoorden. In de deelvragen zijn er twee grote thema's te onderscheiden, namelijk enerzijds de isolaties, de maatregelen voor jongeren en de effecten op het personeel, en anderzijds de samenwerking met de jeugdpsychiatrie. Ik heb daar inderdaad op 29 november in de plenaire vergadering iets over gezegd. Ik verwijs daar ook wel naar.

De populatie binnen de gemeenschapsinstellingen is moeilijk en zeer divers. Dit is het uitgangspunt van hun opdracht: een opnameplicht voor elke jongere voor wie geslotenheid nodig wordt geacht. Om deze opdracht zo goed mogelijk te vervullen, is een voortdurende evaluatie en optimalisering van de werking nodig. Dan denk ik aan de investeringen die er nu gebeuren in infrastructuren; de investeringen in personeel en het voorzien in extra ondersteuning bij crisismomenten waar we in 2017 ook op hebben ingezet; de opleiding en training van de personeelsleden; de ontwikkeling van procedures en methodieken rond veiligheid; het werken op maat en een-op-een bij de moeilijkste problematieken.

Isolatie is een uitgewerkte standaardprocedure die uitgevoerd wordt op het moment dat de leidinggevende inschat dat deze veiligheidsprocedure nodig is om een crisissituatie in een eerste fase aan te pakken. De jongere wordt uit de situatie gehaald; de rest van de leefgroep kan op die manier verder functioneren en de dagelijkse structuur wordt hersteld. Meestal duurt deze isolatie niet lang. Ze is het uitgangspunt van een verder uitgewerkte herstelprocedure waarbij het gesprek met de jongere rond zijn gedrag en de mogelijkheden tot herstelgerichte afhandeling centraal staan.

Zodra de jongere uit de isolatie komt, start het pedagogisch handelen opnieuw. De pedagogische aanpak heeft een heel arsenaal aan mogelijke handelingen om te reageren op ongepast of gevaarlijk gedrag. Het personeel wordt daarop ook getraind en ondersteund. Er is een veelvoud aan pedagogische reacties in vergelijking met enkele isolaties per maand. Het is dus toch wel zo, denk ik, dat het personeel vaak in zeer moeilijke omstandigheden inzet op aangepaste pedagogische reacties.

Die cijfers inzake isolaties fluctueren altijd. Dat is afhankelijk van de aanwezigheid van een beperkte groep jongeren met multicomplexe problematieken. Dus ja, men vertelt me dat er inderdaad sprake is van wellicht enkele, of zelfs één jongere in het bijzonder die meerdere keren in onze cijfers voorkomt. Op dat moment zien we inderdaad dat de isolatieprocedure meer moet worden ingezet, als veiligheidsmaatregel voor zowel de jongere zelf als andere jongeren en begeleiders. Voor de zorg voor personeel zijn intern bijstandsteams ontwikkeld en is er de mogelijkheid van ondersteuning door een externe partner, namelijk Pulso.

Zoals u weet, zijn de voorzieningen van Jongerenwelzijn, dus ook de gemeenschapsinstellingen, geïncludeerd in het traject dat de Zorginspectie doet inzake vrijheidsbeperkende maatregelen. De rapporten met vaststellingen en aanbevelingen mogen we verwachten in het voorjaar van 2018. De profielen van de jongeren die instromen in De Grubbe, verschillen in wezen niet van die van de jongeren die instromen in de andere gemeenschapsinstellingen. De jongeren van De Grubbe stromen ook door naar andere gemeenschapsinstellingen. We zien wel dat voor de beperkte groep jongeren met multicomplexe problematieken in een crisissituatie feiten aanleiding geven tot een vordering voor een als misdrijf omschreven feit (MOF) om in een bufferbare plaats van de gemeenschapsinstelling terecht te komen. Een goede samenwerking met de kinder- en jeugdpsychiatrie en de GES+-voorzieningen (gedrags- en emotionele stoornis) is dan ook essentieel.

Het verblijf van elke jongere in de gemeenschapsinstelling moet beperkt zijn in de tijd. Enerzijds zorgt een gesloten verblijf sowieso voor detentieschade en betekent dat een breuk op diverse levensdomeinen, zoals relaties, familie, school, vrienden, vrije tijd, hoe zorgzaam, betrokken en geëngageerd de begeleiders ook zijn. Dat is toch iets dat we ons voortdurend moeten realiseren. Bovendien heeft de jongere in elk traject perspectief nodig om intrinsieke motivatie en groeikansen te bieden.

Voor een kleine groep jongeren is de uitstroom uit een gemeenschapsinstelling nodig in de richting van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) en de kinderpsychiatrie. In de afgelopen jaren is sterk ingezet op de samenwerking met die voorzieningen.

Enerzijds wordt intern meer ingezet op groeikansen voor die jongeren door in te zetten op kleine leefgroepen met een geïndividualiseerd begeleidingstraject voor die jongeren, waarin beter op maat kan worden gewerkt, in nauwe samenwerking met de vervolghulpverlening. Een betere voorbereiding geeft meer slaagkansen aan het natraject. De Grubbe heeft ook een goede samenwerking met het Universitair Psychiatrisch Centrum Kortenberg in het kader van hun outreachopdracht, namelijk instaan voor psychiatrische begeleiding en consult in de instelling. Naast de intensieve samenwerking met de eigen psychiatrisch verpleegkundige is er ook regelmatig overleg ingepland op directieniveau en wordt de samenwerking bijgestuurd indien nodig. Ook in het kader van hun oriëntatieopdracht wordt inhoudelijk gewerkt aan afgestemde kaders.

Anderzijds wordt er ook sterk ingezet op een uitbreiding van de GES+-plaatsen en zet Jongerenwelzijn sterk in op intensieve netwerken rond deze jongeren, waarin alle sectoren hun engagement moeten opnemen.

De capaciteit van de gespecialiseerde voorzieningen voor jongeren met een handicap, de zogenaamde GES+, wordt uitgebreid met 38 plaatsen. Die operatie is nu bezig. Daardoor stijgt de capaciteit met toch wel bijna 50 procent. Dat is ook een heel belangrijke investering, van 900.000 euro. De omkadering van de huidige 72 plaatsen wordt eveneens uitgebreid en versterkt. Voor de regio Antwerpen zijn de eerste versterkingen al gerealiseerd.

In de kinder- en jeugdpsychiatrie zijn er een aantal programma’s met de federale overheid uitgetekend. In de schoot van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid en binnen de contouren van de ‘Gids naar een nieuw geestelijk gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren’ is er vanuit de federale overheid onder meer 2,8 miljoen euro geïnvesteerd in het programma langdurige zorg. Ook zijn de programma’s crisiszorg en intersectorale consult en liaison gerealiseerd. Daarenboven wordt een maximale wisselwerking met de federale pilootprojecten voor justitiële jongeren met een psychiatrische problematiek nagestreefd.

Om alle actoren de gelegenheid te bieden in zeer specifieke situaties acute maatregelen te nemen, bijvoorbeeld voor bijkomend personeel of infrastructuur, werden ook drie intersectorale zorgnetwerken, met partners uit Jongerenwelzijn, het VAPH en de kinder- en jeugdpsychiatrie, geïnstalleerd. Daarvoor investeerde de Vlaamse overheid 2 miljoen euro. Dat maakt het mogelijk voor een dertigtal jongeren een specifiek zorgpad uit te tekenen, met een financiering tot 75.000 euro per jongere boven op de reguliere financiering.

Deze maand start ook een onderzoek naar extreme breukmomenten bij jongeren met een complexe problematiek en een lange hulpverleningsgeschiedenis. Met andere woorden, hoe kunnen we voorkomen dat gesloten opvang blijkbaar de enige optie is die nog rest? Het onderzoek gebeurt in overleg met de jeugdmagistratuur, de kinder- en jeugdpsychiatrie en alle Vlaamse actoren.

Voor jongeren die een jeugddelict plegen en die psychiatrische zorg in een gesloten setting nodig hebben, voorzien we in het voorontwerp van het decreet inzake jeugddelinquentierecht in een maatregel van gesloten zorg. Daarmee beogen we de maatregel waarin ook is voorzien in de huidige Jeugdwet, in werking te laten treden. Analyse leert dat het hierbij weliswaar om een heel beperkte groep jongeren gaat. We gaan hierover verder in overleg met de federale minister van Volksgezondheid, en uiteraard ook met haar administratie.

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Minister, ik begrijp dat er overleg bezig is, onder andere met de sector, over isolaties. Hoe verloopt dat overleg? Wat staat daar allemaal op de agenda? Ik vermoed en begrijp dat het gaat over de voorwaarden onder welke men mag overgaan tot het benemen van iemands vrijheid. Gaat het over de eventuele alternatieven waarin kan worden voorzien, over de vorming die misschien kan worden aangeboden, maar ook de wijze waarop er wordt geregistreerd? Mis ik daar iets, en hoe loopt dat overleg? Wie neemt daaraan deel?

Mijn tweede vraag gaat over de intersectorale zorgnetwerken. U zegt dat er per jongere extra geld is om dat eens te bekijken. Waarvoor dient dat extra geld dan bij die intersectorale zorgnetwerken? Is dat voor een specifieke kost die gepaard gaat met het monitoren van die projecten? Of is het een financiering die nodig is om die samenwerking te laten slagen?

Minister, ik verwelkom dat u gaat bekijken hoe het zover is kunnen komen dat iemand enkel nog maar gesloten zorg kan krijgen. Het is belangrijk om de antecedenten te kennen en in welke specifieke situatie die jongeren zijn opgegroeid. Door vroeger andere interventies te doen, hadden we misschien een beter resultaat verkregen. Ik hoop dan ook dat u in tweede instantie de trajecten kunt vergelijken met die van kinderen met een gelijkaardige thematiek die op een andere manier werden benaderd en misschien een betere uitkomst hadden. Wat met kinderen met een gelijkaardige start, maar die langdurig werden opgevangen in pleegzorg? Het zou goed zijn om te weten waar het bij kinderen met een gelijkaardig profiel is fout gelopen, maar ook waar het goed loopt. Wat kunnen we doen om een zo goed mogelijk verder verloop van dat leven te garanderen?

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik heb al verscheidene keren een pleidooi gehouden dat gelijkaardig is aan wat mevrouw Van den Bossche hier net zegt. Ik zou het bijzonder interessant vinden om daar wat meer informatie over te hebben. Dat kan alleen maar goed zijn.

Minister, hoe verklaart u de stijgende cijfers over de ziekteafwezigheid binnen De Grubbe? Zou die verklaring verband kunnen houden met het toegenomen aantal incidenten in 2016?

We zijn nu eind 2017. Hebt u zicht op de cijfers van dit jaar? Het zou natuurlijk kunnen dat we opnieuw zijn geëvolueerd naar de gunstige cijfers van 2015. Dat zou interessant zijn voor dit debat.

Minister, ik had een vraag over het feit dat sommige mensen die in de groep en op het terrein werken, mij vertellen dat er geen eenheid van visie is tussen Brussel en het terrein. In De Grubbe zijn er mensen die zeggen dat ze een aantal verstevigingen van de veiligheid nodig hebben en dat ze dat met alleen maar wat Brussel ‘warme bewaking’ noemt niet kunnen bolwerken. Klopt het dat daar niet met één stem wordt gesproken? Hoe zit het met de leiding van De Grubbe? Wordt zij door zowel Brussel als door de werkvloer gedragen?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Mijnheer Parys, wat dat laatste betreft, ga ik natuurlijk verder met het overleg met de administratie. De gemeenschapsinstelling De Grubbe wordt daar beheerd. Ik heb niet meteen informatie over hoe en waar de visie wordt ontwikkeld. Volgens mij is er in De Grubbe enorm veel engagement, en dat in omstandigheden die, inderdaad, niet gemakkelijk zijn. Op uw vraag naar een mogelijk verschil in visie moet ik het antwoord schuldig blijven. Het is mij alleszins niet bekend dat dit binnen het agentschap zo zou leven. Ik wil dat uiteraard navragen. Het feit dat u meestal goed geïnformeerd bent over de situatie op het terrein wettigt uw vraag om informatie van mijnentwege. Het is mij in elk geval niet zo medegedeeld.

De cijfers van dit jaar kan ik niet geven: ik heb ze nog niet.

Mevrouw Van den Bossche, ik denk niet dat wij op dit moment specifiek registreren of de registraties zijn veroorzaakt door één of door meerdere jongeren. Dat moeten we misschien wel eens opnemen met de betrokkenen. Inderdaad, dat kan voor de interpretatie van de cijfers een verschil maken. Men zegt mij dat er inderdaad een kleine groep verantwoordelijk is voor het cijfer dat we recent hebben gezien.

We zijn bezig met een studie over een langetermijnopvolging. U vraagt of we daaruit op termijn dingen kunnen afleiden met betrekking tot het traject dat jongeren hebben gelopen. Mijnheer Parys, u hebt die vraag ook al een paar keer gesteld. Dat onderzoek is opgestart. Maar het is een project dat over een zeer lange termijn loopt.

Mevrouw Van den Bossche, u vraagt naar het overleg met de federale overheid over de kinderpsychiatrie?

Neen, het gaat over het overleg dat specifiek met de sector werd opgestart over hoe we moeten omgaan met vrijheidsberovende maatregelen. Wat staat er op de agenda en hoe vordert dat overleg?

Minister Jo Vandeurzen

Naar aanleiding van de eerste analyses in een thematisch rapport van de Zorginspectie over de vaststellingen in de kinder- en jeugdpsychiatrie werd samen met de sector een traject gestart om tegen midden volgend jaar te bekijken of we tot betere afspraken kunnen komen, gaande van het meer gestandaardiseerde rapporteren en registreren tot en met de zaken die met het verfijnen en het stabiliseren van dat eisenkader te maken kunnen hebben. Dat traject zal midden 2018 tot concrete resultaten leiden. Ondertussen worden in de thematische inspectie andere stappen voorbereid. Andere sectoren komen daarbij ook aan bod.

Ondertussen proberen we toch in dat fameuze onderzoek dat ook over de celslapers gaat, te weten te komen of er alternatieven zijn voor de vrijheidsberoving. Dat onderzoek is gestart en gaat na of we tot een meer gedragen inzicht met betrekking tot alternatieven kunnen komen. Dat onderzoek is opgestart met de partners die ik heb geciteerd.

Ik wil nog een algemene beschouwing maken omdat die voor mezelf belangrijk is maar ook omdat uw vragen daar deels over handelen. Persoonlijk vind ik dat we in Vlaanderen een zeer grondige reflectie moeten doen over de manier waarop we met jongeren met complexe problemen omgaan. We hebben de voorbije jaren op tal van terreinen versterkt, aangevuld, rugzakken geconstrueerd om ondersteuning ad hoc en op maat mogelijk te maken. We hebben intersectorale afspraken gestimuleerd en netwerken gevormd. Er is op tal van terreinen vooruitgang geboekt, maar ik blijf ervan overtuigd dat we grondig moeten reflecteren over de groep waarover we spreken, namelijk jongeren met een mentale beperking, gedragsproblemen en een psychiatrische zorgvraag. We zijn met het aansturingscomité integrale jeugdhulp aan het kijken op welke manier we dit zullen aanpakken. We doen dus op korte termijn een aantal inspanningen, zoals het aantal GES+-plaatsen verhogen en versterking van de personeelsomkadering, trouwens ook in de gemeenschapsinstellingen. Dat loopt allemaal, maar persoonlijk vind ik dat we daarrond een grondige en meer fundamentele oefening moeten opzetten. We zien trouwens ook dat dit in andere landen een issue is. U mag verwachten dat we daarover een initiatief zullen nemen.

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Minister, u bent nog vergeten te antwoorden op mijn vraag over de intersectorale zorgnetwerken waaraan 70.000 euro extra wordt gekoppeld per jongere die wordt gevolgd. Waarvoor dient dat geld specifiek? Dient dat om iets logistieks te betalen om die trajecten mogelijk te maken? Of is dat geld echt nodig per jongere om de samenwerking te laten slagen? Het geeft natuurlijk ook een idee over de kosten als men dit zou willen uitrollen.

Minister Jo Vandeurzen

Dat gaat niet over logistieke ondersteuning. In dergelijke situatie moeten er afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld over in welke voorziening de jongere zijn thuisbasis zal krijgen. Dat kan betekenen dat daarvoor al een personeelsversterking nodig is. Er is ook extra expertise nodig, outreachend vanuit bijvoorbeeld de kinderpsychiatrie. Er zijn dus competenties nodig die binnen de voorziening niet aanwezig zijn. Dat budget wordt gebruikt om bovenop wat regulier kan worden ingezet aan middelen, te zorgen voor de nodige context waardoor een voorziening bereid is om in te staan voor de ondersteuning en opvang van die jongere. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat er ook afspraken moeten worden gemaakt over de manier waarop time-outs worden geregeld.

Ik geef het voorbeeld van een situatie waarbij ik zelf aan het overleg heb deelgenomen. Een voorziening uit de sector personen met een beperking zegt die jongere te willen opvangen, maar vraagt versterking van het personeel en vraagt afspraken met een kinderpsychiatrisch centrum dat bereid is in geval van een time-out om over te gaan tot opname. Dat vraagt natuurlijk ook voldoende snel overleg, wat moet worden gefinancierd om ervoor te zorgen dat die informatieoverdracht niet elke keer ad hoc moet gebeuren maar dat het een gedragen traject is waarop alle partners zich kunnen committeren. Voor dergelijke aanpak worden die extra middelen ingezet.

De voorzitter

De heer Parys heeft het woord.

Ik wil vooral inpikken op het laatste dat u hebt gezegd. Ik ben daar heel enthousiast over. Ik ben samen met u de mening toegedaan dat we grondig moeten nadenken over onze aanpak van GES+-jongeren want die worden ook GES+-volwassenen. We moeten in het parlement, los van partijpolitiek, eens goed nadenken over hoe we daarmee omgaan in de toekomst. We hebben het daarnet gehad over de intersectorale zorgnetwerken en die 75.000 euro. Je kunt dat natuurlijk moeilijk volhouden als je naar een persoonsvolgende financiering gaat als die persoon volwassen wordt. Deze fundamentele vraag komt op ons af en niemand heeft daar vandaag een goed antwoord op. We werken dus zeer graag mee aan een grondige reflectie daarover.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik vind dit een heel belangrijk thema, waarover we moeten spreken. Mijnheer Parys, ik kan u helemaal volgen, maar dat wil ook zeggen dat in een debat over of aanpak van de persoonsvolgende financiering ook die transitie onder ogen moet worden genomen.

We hebben al een paar keer meegemaakt dat er zich een probleem stelt op de overgang van 18 jaar naar volwassene en waar we met het huidige juridische arsenaal niet altijd bij kunnen. Deze kwestie moet zich niet alleen in het Vlaams Parlement verder ontwikkelen, maar moet ook op Belgisch niveau worden aangepakt.

Ik meng nu veel invalshoeken door elkaar en ik wil niet alles in één pot steken want het is veel genuanceerder, maar als ik moet rapporteren in de commissie Radicalisering bijvoorbeeld krijg ik vaak de opmerking dat als de jongere 17 jaar is, de integrale jeugdhulp in werking treedt en er verontrusting kan worden ingeroepen, maar dat als de jongere 19 jaar is, het een heel ander verhaal wordt. Het is natuurlijk een heel delicate kwestie. Wat is aanklampendheid en wanneer stopt die?

Er was vorige week een studiedag van het openbaar psychiatrisch centrum in Geel met als thema: autonomie in evenwicht met verbondenheid. Dat zijn de verhalen die we ook horen. Jongeren zitten in een ondersteuningstraject als minderjarige, maar wat gebeurt er juridisch als de betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt? Welk kader hebben de hulpverleners dan nog om op te treden en welke proactieve manier van werken kunnen ze hanteren? We kunnen het er later nog over hebben, maar vaak is het zo dat er naar aanleiding van een misdrijf een interventie vanuit de justitiële sfeer kan worden gedaan. Ik ben het er absoluut mee eens dat dit een issue is waar we de komende jaren grondig over moeten nadenken.

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag is aan u gericht: wanneer zult u die gedachtewisseling organiseren?

Ik heb daar niets meer aan toe te voegen.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.