U bent hier

Commissievergadering

woensdag 13 december 2017, 10.15u

Voorzitter
van Jelle Engelbosch aan minister Joke Schauvliege
558 (2017-2018)
De voorzitter

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

Minister, mijn vraag is ingegeven door het debat dat we in juni in deze commissie gevoerd hebben over de maximale veebezetting. Toen had ik deze vraag als een soort bijvraag gesteld. Dat werd toen wat lacherig ontweken. Mijn vraag werd weggezet met de opmerking dat er geen zoogkoeienpremie meer is en dat ik niet wist waarover ik sprak, terwijl ik wel duidelijk wist waarover ik sprak, vandaar dat ik deze vraag dan maar als een aparte vraag heb ingediend.

De zoogkoeienpremie werd in Vlaanderen sinds het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) omgevormd tot een premie voor het behoud van de gespecialiseerde zoogkoeienhouderij. Elke actieve veehouder die op 1 januari 2017 minimaal twintig premierechten voor zoogkoeien had, kon een aanvraag indienen. Het premiebedrag verschilt per jaar en is uiteraard afhankelijk van het aantal premiegerechtigde koeien. Op de website van de administratie staat wel nog altijd de naam ‘zoogkoeienpremie’, de naam waarvan u tegen mij zei dat hij niet meer bestond. Ik raad u dus aan om hen ook even een mailtje te sturen om de naam ook daar te veranderen naar de nieuwe premie.

In 2015 werd er door een budgetwijziging uitdrukkelijk voor gekozen om de premie enkel nog te richten op bedrijven waar vleesvee meer is dan een neventaak. Het waardeverlies bleef zo beperkt, maar daarvoor werd wel een prijs betaald. Heel wat kleinere veehouderijen vallen sindsdien uit de boot. Collega Vanderjeugd heeft daar destijds een schriftelijke vraag over gesteld, waaruit bleek dat een op drie vleesveehouders van de ene dag op de andere niet meer in aanmerking kwamen voor een premie. De premie wordt bovendien gereserveerd voor gespecialiseerde vleesrassen, terwijl heel wat voornamelijk bioboeren gebruikmaken van dubbeldoelrassen. Ook zij zien op die manier de premie aan hun neus voorbijgaan. Uit de schriftelijke vraag van collega Joosen uit 2016 blijkt trouwens dat in 2015 slechts acht biolandbouwers de premie ontvingen, goed voor het luttele bedrag van 38.000 euro.

Minister, hoeveel begunstigden vielen er af sinds de hervorming van de zoogkoeienpremie? Werd er onderzoek gedaan naar de effecten van de herwaardering van de premie op kleine landbouwbedrijven, voor wie de zoogkoeienhouderij, ondanks het lage aantal dieren, broodnodig was? Hoe rijmt u de afschaffing van de zoogkoeienpremie voor kleinere veebedrijven met uw voornemen om alle landbouwmodellen evenwaardig te ondersteunen? Wordt eventueel de regeling van minimaal twintig zoogkoeien nog geëvalueerd? Zo ja, wanneer plant u die evaluatie?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega, bedankt voor uw vraag. Ze geeft de mogelijkheid om een en ander nog eens duidelijk op een rijtje te zetten. De zoogkoeienpremie is door de Europese wetgever ingevoerd bij de hervorming van het GLB in 1992. Jarenlang is dat een heel stabiele factor geweest en een stabiele inkomensbron voor de vleesveehouders, tot in 2011 Europees Commissaris Ciolos heeft voorgesteld om alle vormen van aan productie gekoppelde steun, in dit geval diergebonden steun, te stoppen. Zowel Vlaanderen als Wallonië was daartegen, omdat de achterliggende redenen tot op vandaag nog altijd gelden. Maar er was geen meerderheid voor in de Raad. Dat komt doordat er slechts enkele lidstaten zijn die zich specifiek toeleggen op hoogkwalitatief rundvlees van vleesveerassen. Ik bedoel dan rassen als de Blonde Aquitaine, de Limousin, de Charolais of het Witblauw. In andere lidstaten heeft men een andere eetcultuur dan bij ons of in Frankrijk, in die zin dat men bijna geen vers rundsvlees van gespecialiseerde rundveerassen eet, maar veeleer diepgevroren rundsvlees van melk- en dubbeldoelrassen. Sappige en malse steaks zoals die bij ons geserveerd worden, zul in je in Oost- of Zuid-Europa niet gemakkelijk vinden.

Dat is ook de reden waarom onze vleesveehouderij, die een van de meest extensieve deelsectoren van onze Vlaamse landbouw is, vrijwel enkel produceert voor de interne markt. Slechts 10 procent van ons rundvlees wordt geëxporteerd naar derde landen. En vaak gaat het dan maar om delen van het rund.

De Europese Raad en het Europees Parlement hebben dan uiteindelijk beslist om het voorstel van de commissaris te volgen en de zoogkoeienpremie onherroepelijk stop te zetten op 31 december 2014. Maar om toch in een tegemoetkoming te voorzien voor die lidstaten die dat bijzonder hebben betreurd en hun stem luid hadden laten weerklinken, is een heel beperkt deel van het GLB voorbehouden voor een alternatieve premieregeling. De absolute voorwaarde was dat die lidstaten konden aantonen dat de beoogde sector sociaal-economisch van groot belang is voor hun grondgebied en/of voor het voortbestaan van de sector.

Op aangeven van de drie landbouworganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Agrofront – de Fédération Wallonne de l’Agriculture (FWA), de Boerenbond en het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) – besliste zowel Vlaanderen als Wallonië om gebruik te maken van dat alternatief, en dat met ingang van 2015. Bij het concreet uitwerken van de alternatieve regeling moesten we ook rekening houden met de context die Europa meegaf. Het was namelijk niet toegelaten om verder te werken op basis van wat er voordien bestond. Het oude zoogkoeienpremiesysteem mocht dus niet behouden blijven. Men wou absoluut geen doorstart. Het nieuwe beschikbare budget was ook lager dan voorheen en bovendien werd het stelselmatig afgebouwd: van 28 miljoen euro in 2014 naar 21 miljoen euro in 2020. Omdat het vooral ook de gespecialiseerde zoogkoeienhouderij is die concurrentieel nadeel ondervindt van het ongelijke speelveld met bijvoorbeeld invoer uit derde landen, zijn de net genoemde landbouworganisaties tot een gezamenlijk en eensluidend standpunt gekomen over de concrete uitwerking van de nieuwe regeling.

Alle onderdelen van de alternatieve regeling, met inbegrip van de definities en de drempelwaarden die zijn ingesteld om de steun te richten op de doelpopulatie van actieve professionele gespecialiseerde zoogkoeienhouders, zijn door de Europese Commissie onderzocht en beoordeeld. Ze zijn in overeenstemming met het recht van de Europese Unie. De Europese Commissie heeft het licht op groen gezet. De regeling is ondertussen al drie jaar van kracht. Deze regeling is overigens uitgewerkt op het ogenblik waarop ik ben aangetreden. Ik heb daar zelf de hand niet in gehad.

Ik ben me er goed van bewust dat het voor beide landbouworganisaties, die samen het grootste deel van de sector vertegenwoordigen, geen evidente keuze was. Aangezien het budget slinkt, zijn harde keuzes gemaakt. Er zijn verschuivingen, met verliezers en winnaars. Ik ben van mening dat de destijds gemaakte keuze een sterke en goed gemotiveerde keuze is. De Europese Commissie heeft dit trouwens bevestigd. In het andere geval zouden de alternatieve regelingen nooit zijn goedgekeurd.

Mijnheer Engelbosch, in vergelijking met het laatste jaar van de oude regeling voldeden 2000 landbouwers niet aan de instapvoorwaarden voor de nieuwe regeling. Omgekeerd zijn er ook 600 bedrijven die onder de oude regeling niet in aanmerking kwamen, maar nu wel voor de nieuwe regeling in aanmerking komen. Dit is zeker geen eenzijdig negatief verhaal. Er zijn ook verschuivingen in de omgekeerde richting.

Bovendien is in een overgangsregeling voorzien. De landbouwers die tussen veertien en twintig kalvingen hebben, is de mogelijkheid geboden om onder bepaalde voorwaarden nog deel te nemen. Honderden landbouwers hebben hiervan gebruik gemaakt.

Er is geen apart onderzoek verricht naar de effecten van de alternatieven. Aangezien de populatie zeer heterogeen is, zou een dergelijk onderzoek weinig relevante informatie opleveren. De bedrijven met een beperkt aantal zoogkoeien zijn in veel gevallen geen kleine landbouwbedrijven. Ook veel grote akkerbouw- en melkveebedrijven houden een beperkt aantal zoogkoeien. We mogen zeker niet de fout maken te beweren dat enkel kleine bedrijven weinig zoogkoeien hebben.

Dezelfde toetredingsvoorwaarden zijn van toepassing op alle landbouwvormen. We maken geen onderscheid, ongeacht het landbouwtype. Vleesveehouders die niet aan de instapvoorwaarden voldoen, komen wel in een aanmerking voor een breed gamma aan andere steunmaatregelen die in het GLB passen, zoals de directe inkomenssteun, de agromilieumaatregelen en de vergroeningssteun.

De bio-vleeshouders met dubbeldoelrassen komen niet in aanmerking voor deze regeling, die specifiek op gespecialiseerde vleesveerassen is gericht. De compensatiebehoefte ten gevolge van het ongelijk speelveld op de wereldmarkt speelt immers geen rol voor dit vleestype. Tot nader order voert België immers geen bio-rundvlees uit derde landen in. Bovendien krijgen de landbouwers voor de lokale dubbeldoelrassen vanuit de tweede pijler van het GLB jaarlijks een andere speciale premie. De bio-boeren krijgen een bijkomende toeslag per hectare die hun gangbare collega’s niet ontvangen. De bio-rundvleeshouders die geen gespecialiseerde rassen houden, worden wel degelijk financieel ondersteund.

De huidige regeling loopt tot en met 2020. We weten nog niet wat nadien zal gebeuren. We houden daarover volop besprekingen. Wat dit betreft, zullen we volgend jaar de eerste specifieke indicaties kennen.

De voorzitter

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw uitgebreide toelichting. U hebt geschetst hoe dit tot stand is gekomen en hoe de Europese Commissie deze zaak heeft afgebouwd. De Vlaamse overheid en de Waalse overheid hebben verklaard dat ze het nodige willen blijven doen voor hun landbouwers. We kunnen dit enkel toejuichen. Met de regeling die momenteel van kracht is, valt een deelsector echter zo goed als volledig uit de boot.

U hebt verklaard dat de bio-sector andere premies ontvangt. Dat klopt, maar we moeten eerlijk zijn. De discussie over de zoogkoeienpremie gaat over veel meer dan wat zij krijgen. Zij vallen eigenlijk volledig uit de boot. Dat staat haaks op wat we hier altijd stellen. We zijn voor de bio-landbouw en voor de korte keten. We zijn voor alternatieven voor de massaproductie en de vleesindustrie. U zegt dat en wij zeggen dat. Maar het beleid dat wordt gevoerd en de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de vraag wie voor de premie in aanmerking komt, staan eigenlijk haaks op wat we zeggen. Daar heb ik wat moeite mee.

Volgens u zijn de landbouworganisaties tot een consensus gekomen. We moeten ook wel kijken naar wie rond de tafel zat. De Boerenbond en het Algemeen Boerensyndicaat zaten rond de tafel. Het nu geschetste probleem staat voornamelijk los van wat u hebt verklaard. Ik heb het, voor alle duidelijkheid, niet over de akkerbouwers die als nevenactiviteit een aantal runderen houden. Ik heb het over de bio-landbouw. Die sector is zeer belangrijk in dit hele verhaal. We moeten inzetten op de korte keten, op alternatieven en op een kleinere bezetting. Deze deelsector zat niet rond de tafel. Ik hoor de Boerenbond bepleiten dat de bio-landbouw belangrijk is. Tijdens het overleg dat in het verleden is gevoerd, heeft de Boerenbond bewezen dat dit toen blijkbaar niet het geval was.

Met het oog op wat na 2020 zal gebeuren, komt er nieuw overleg. Ik zou u willen oproepen dit niet enkel aan de traditionele landbouworganisaties over te laten. BioForum Vlaanderen moet dan ook rond de tafel zitten, want anders zullen we dezelfde paden blijven bewandelen. Het lijkt me nuttig die mensen hun zeg te laten doen. Ik roep u op om die mensen zeker ook mee rond de tafel te brengen.

Minister, tot slot zou ik u nog een bijkomende vraag willen stellen. Tijdens de bespreking in juni 2017 hebt u verklaard dat u eventueel de maximale veebezetting wilde onderzoeken. Er is een studie besteld, maar die is afgewezen. Ik heb het nu vooral over de industriële landbouw. Beschikt u nog over mogelijkheden om een nieuwe studie uit te voeren? Dat is mijn korte bijvraag, die wat los staat van dit verhaal.

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

Herman De Croo (Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw lange uitleg. De zoogkoeienpremie waarover we het nu hebben, is niet de zoogkoeienpremie waarover we vroeger spraken. Het is meer een ondersteuning van de landbouwers en geen prognose van de verandering van de natuur van wat zij laten groeien.

In de Agribex van vrijdag, waar wij met enkelen waren, was er een derde soort bij gezet. Het ging over de koeien met dubbel doel – ook wel de dubbele koeien – die na zekere tijd van melkproductie worden overgeschakeld naar vleesproductie.

Men zou kunnen zeggen dat de situatie van 2015 het een beetje moeilijker maakt, omdat er een ander systeem is om die premies te gebruiken. Ik begrijp ook de wat ideologische benadering van de heer Engelbosch. Hij zegt dat het niet in de lijn ligt van wat hij denkt dat landbouw zou moeten worden. Ieder heeft het recht om dat te denken. Naar het gaat over een steun aan de uitbater of landbouwer. Het is een ondersteuning die slechts twee, vier of vijf jaar in stand zal worden gehouden. Wat gebeurt er na 2020? Koeien kweken, koeien houden is geen eenjarige bezigheid. Je moet daarvoor een planning opstellen. Is er bij uw collega's een oriëntering naar een ander type, waarop de heer Engelbosch alludeerde?

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Minister, ik dank u voor de herhaling van uw uitleg hierover. In het verleden hebben we die uitleg al eens gehoord.

Ik sluit mij aan bij wat de heer Engelbosch zegt. In eerste instantie heb ik het gevoel dat de kleine bedrijven hierdoor zullen worden uitgesloten. Collega, toen de regeling werd opgesteld en ingevoerd, ben ik ook heel vaak gecontacteerd door landbouwers die uit de regeling gevallen zijn. Dat waren geen biobedrijven. Er zijn veel meer gangbare bedrijven uit de regeling gevallen dan biobedrijven. Hoe komt dat? Er zijn heel wat landbouwbedrijven met een neventak aan vleesvee, aan zoogkoeien. Zij zijn er ook allemaal uit gevallen.

Dat is spijtig. We betreuren dat. Maar de minister heeft de context geschetst waardoor dit gebeurd is. Dat zijn de feiten.

Wanneer we over bio spreken, collega, moeten we ons ervoor hoeden het cliché verder te bevestigen dat biobedrijven kleinschalige bedrijven zijn. Dat klopt dus absoluut niet, zeker niet in deze context. Wanneer we naar Wallonië kijken, dan zijn de zoogkoeienbedrijven in hoofdzaak biologisch. Als er biologische bedrijven zijn, zijn dat in hoofdzaak rundveebedrijven. Het zijn biobedrijven die zeer grootschalig zijn. Waarom kunnen ze bio zijn? Omdat ze zeer extensief werken. Ze hebben ook veel dieren. In die context is het absoluut onheus om te zeggen dat bio synoniem is voor kleinschalig en omgekeerd. We moeten daarvanaf. Want er zijn heel wat biobedrijven – ook in Vlaanderen – die een zekere schaal hebben, die ook een schaal nodig hebben om hun leefbaarheid als dusdanig te kunnen aantonen of in elk geval te bewijzen en te ervaren. We moeten daar voorzichtig mee zijn. Het is misschien het moment om erop te wijzen dat bio niet gelijk is aan kleinschalig. Bio is een belangrijke tak van de landbouwsector, een groeiende tak. De traditionele landbouworganisaties zette zich ook in om dat mee een plaats te helpen geven. Uiteindelijk is dat een sector die zeker heel veel toekomst heeft. We moeten af van het imago dat het altijd kleinschalig moet zijn.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Voorzitter, minister, ik heb het thema inderdaad zelf een jaar of twee geleden aangekaart tijdens een bespreking in de commissie.

Ik deel de bekommernissen van de heer Engelbosch. Ik wil graag drie dimensies aanhalen waarom. Ze zijn al min of meer gezegd of tegengesproken. In die zin wil ik zelfs collega Dochy gelijk geven op een bepaald punt.

Het gaat over drie dingen. Ten eerste is er het feit dat deze maatregel de specialisatie van landbouwbedrijven stimuleert. Een gemengd bedrijf, dat akkerbouw en een beperkte veeteelt – bijvoorbeeld kippen met vrije uitloop – combineert, dreigt tussen de steunmaatregelen in te vallen. We moeten dat evalueren.

Ten tweede is het een maatregel die de schaalvergroting op die manier ook stimuleert in die vooral gespecialiseerde bedrijven. Ik zal niet dromen over het familiale landbouwbedrijf en een soort van romantisch beeld ophangen. Maar willen of niet, het stimuleert de schaalvergroting.

Ten derde kan het een belangrijk effect hebben op de biosector bij de kleinschalige bedrijven. In die zin heeft collega Dochy gelijk: bio is niet gelijk aan kleinschalig, uiteraard niet.

De maatregel heeft effect op die drie lijnen: op het ontmoedigen van gemengde bedrijven, op het bevorderen van schaalvergroting en op het bemoeilijken van kleinschalige doch intensieve biolandbouw.

Minister, u hebt zelf altijd verdedigd dat diverse landbouwmodellen in de toekomst zinvol zijn en zullen blijven bestaan. Ik deel die mening met u. Maar dan moet ook het Europese landbouwbeleid, waarover we het straks nog uitgebreid zullen hebben, ook die diversiteit weerspiegelen in het eigen ondersteuningsbeleid. En dan moet Vlaanderen straks, als het met het nieuwe GLB meer beleidsruimte krijgt, daar toch eens ernstig bij stilstaan. We zijn een klein land, met veel kleinschalige bedrijven, met intensieve landbouw, ook met kleine familiale bedrijven, naast de gespecialiseerde en grote bedrijven. Ik denk dat die diversiteit ook in het ondersteuningsbeleid moet worden weerspiegeld.

Jos De Meyer (CD&V)

Collega's, minister, de probleemstelling is uiteraard niet nieuw. Er is een element waarop we toch even moeten wijzen. De vleesveehouderij in het algemeen heeft het de laatste jaren bijzonder moeilijk. Het gaat dan niet alleen om de biovleesveehouderij. Ook de gangbare vleesveehouderij heeft het bijzonder moeilijk.

Wat ook opvalt, is de bijzonder grote kloof tussen de prijs voor de producent enerzijds en de prijs die de consument moet betalen anderzijds.

We merken in het algemeen, niet alleen voor vlees- maar ook voor andere bioproducten, dat de retail een veel hogere meerprijs vraagt voor bioproducten dan voor de gangbare producten. Die meerprijs staat niet altijd in verhouding tot de prijs die de producent effectief ontvangt.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega’s, ik heb daarnet de hele geschiedenis geschetst. Eigenlijk hebben wij van de Commissie een uitzonderingsregeling gekregen. We hebben toch nog iets uit te werken: het mocht geen business as usual zijn. Ik herinner mij nog zeer goed dat dit, toen ik pas minister van Landbouw was, een van de zaken was waarover ik constant werd aangesproken. Op het einde van de vorige legislatuur was beslist hoe men dat zou uitwerken.

Mijnheer Engelbosch, de perceptie is fout dat een beperkt aantal organisaties dit in elkaar zou hebben gefikst. Het werd ook op het technisch overleg besproken. Iedereen heeft de kans gehad om daar inspraak in te hebben. Dit kiest ook niet voor een bepaald model. Het werd wel vanuit de Commissie ingegeven dat het zo moest worden geënt: je moest een oplossing bieden aan een sector die het sociaal-economisch moeilijk heeft door een wijziging van het systeem. Het was dus niet zomaar vrijblijvend, we konden niet zomaar aan iedereen die steun blijven geven.

Op basis van al die elementen en randvoorwaarden werd de keuze gemaakt zoals ze is gemaakt. Nogmaals, dit is niet gericht tegen een bepaald soort landbouw. Dit is een logisch gevolg van wat de randvoorwaarden waren. Dat is uiteraard jammer. Het is fijn om de kleinschaligheid te ondersteunen, maar binnen die context was dat niet meer evident.

Rond de studie over de maximale veebezetting is er op dit moment niets gepland.

Mijnheer De Croo, ik kan alleen maar vaststellen dat in de teksten en de visie die op dit moment al kenbaar zijn gemaakt door de Europese commissaris voor Landbouw geen woord staat over de gekoppelde steun. Dat toont hoe men daarover op Europees vlak denkt. We moeten dat goed bewaken. Wij hebben daarin ook een inbreng. Ik heb gisteren nog gesproken over onze visie op het nieuwe GLB. Dat zal inderdaad iets zijn dat we goed moeten opvolgen.

Het is ook een heel specifieke sector. Ik merk dat in het verleden die zoogkoeienpremie bij heel wat mensen terechtkwam. Dat waren vaak mensen die al op een gevorderde leeftijd waren en gepensioneerd, en die nog een paar dieren hielden. Door het nieuwe systeem krijgen ze die premie niet meer. Dat is jammer. We kunnen dat alleen maar betreuren. Dat raakt ook mensen die dat niet goed begrijpen. Daarom is het goed dat we de context kennen en dat we weten waarbinnen we een nieuw systeem hebben moeten uitwerken. Maar het is niet zo dat dat ergens in de achterkamertjes is uitgewerkt en dat een aantal sectoren daarbij geen inspraak hebben gehad. Dat doet de waarheid geweld aan.

De voorzitter

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

Minister, we zijn het er hier allemaal over eens – en u zegt dat ook – dat wij alle landbouwmodellen evenwaardig willen benaderen. Dat blijkt vandaag niet altijd uit het beleid dat wij voeren.

Mijnheer Dochy, ik heb het over kleinschaligheid en haal de biolandbouw aan als voorbeeld. Maar ik besef dat daar ook grote bedrijven tussen zitten en ook dat er heel wat kleinschalige landbouw niet bio is. We moeten de volledige kleinschalige landbouw bekijken. We pleiten er altijd voor dat die ook recht van bestaan heeft en dat wij die moeten ondersteunen. Wij zeggen altijd dat de korte keten belangrijk is en dat die bedrijven vaak winstgevend zijn.

Mijn persoonlijke mening over de landbouwindustrie, de grote bedrijven, is: een zeer groot bedrijf is enkel verantwoord als het op zichzelf kan staan. De steun moet meer naar de kleinschalige dan naar de grootschalige boer gaan. Als je heel groot wordt of wilt worden of geworden bent, zou je minder steun nodig moeten hebben dan de kleine boer die via alternatieven ook zijn stempel op de sector wil drukken.

Met het nieuwe GLB komt er inderdaad meer ruimte voor een eigen beleid. Onze intentie en de diversiteit in het landbouwbeleid zouden, zoals de heer Caron zegt, ook moeten blijken uit het ondersteuningsbeleid dat wij daarbij voeren.

Ik verwijs ten slotte graag naar de resolutie die we hier allemaal hebben goedgekeurd over schaalverandering. Daarin hebben we de intentie geuit om alle landbouwmodellen evenwaardig te ondersteunen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.