U bent hier

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, mijn vraag dateert al van 10 oktober. Intussen is natuurlijk een en ander in het onderwijslandschap gewijzigd, maar ik ga me houden aan de versie zoals ik ze op dat ogenblik heb ingediend.

Op 9 maart 2017 kwam op de commissie Onderwijs mijn vraag om uitleg aan bod over de timing van de uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs. Er werden verbanden gelegd met de invoering van de eindtermen, maar ook met de conceptnota over bestuurlijke optimalisatie en schaalvergroting (BOS).

In die conceptnota wordt gesteld dat de huidige scholengemeenschappen ophouden te bestaan in 2020, maar ook dat vervroegde uitstap uit die scholengemeenschappen mogelijk moest zijn voor scholen die georganiseerd zouden worden door een schoolbestuur met bijzondere kenmerken. In artikel II.23 van onderwijsdecreet XXVI wordt een mogelijke uitstap nog ten vroegste mogelijk op 1 september 2018.

De modernisering van het secundair onderwijs start op 1 september 2018 of 1 september 2019, en het is voor de scholen en schoolbesturen nodig om degelijke afspraken te maken in verband met de organisatie van het studieaanbod. Deze afspraken worden op dit ogenblik voorbereid binnen de scholengemeenschappen.

Minister, zodra duidelijk is welke studierichtingen samenhangen met welke domeinen, is het belangrijk dat ook de programmatievoorwaarden bekend zijn, zodat afspraken over het studieaanbod gemaakt kunnen worden binnen de scholengemeenschappen. Mag ik vragen naar een stand van zaken in verband met de concordantietabellen waarin oude en nieuwe benamingen voor studierichtingen geklasseerd worden? Wanneer mogen de onderwijsverstrekkers de definitief goedgekeurde concordantietabellen verwachten? Op 27 oktober werden ze intussen door de Vlaamse Regering reeds een eerste maal goedgekeurd.

Met het oog op een evenwichtig aanbod per net in de regio is het essentieel dat er formele afspraken, onder meer over programmatie, gemaakt worden tussen de scholen. Op dit ogenblik gebeurt dat via de scholengemeenschappen. Is het, gezien de afspraken die nu in verband met de modernisering secundair onderwijs voorbereid of onderhandeld moeten worden in de scholengemeenschappen, niet wenselijk om een mogelijke uitstap uit scholengemeenschappen uit te stellen? Zo ja, wordt een wijziging in de uitstapdatum dan niet best opgenomen in het volgend genummerde onderwijsdecreet? Het is mijns inziens wenselijk dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid is, en ik hoop eigenlijk zo dadelijk.

Mijn tweede vraag dateert van 24 oktober en gaat over de start van de modernisering van het secundair onderwijs.

Na verschillende andere koepels heeft ook Katholiek Onderwijs Vlaanderen er bij de minister van Onderwijs formeel op aangedrongen om de modernisering van het secundair onderwijs te laten starten op 1 september 2019. KOV stelt dat de scholen van die koepel zullen starten met de huidige leerplannen indien de Vlaamse Regering alsnog zou beslissen de modernisering secundair onderwijs van start te laten gaan in 2018. Men houdt dus wel degelijk ook rekening met deze mogelijkheid.

Minister, u hebt tot onlangs steeds aangegeven dat de modernisering van het secundair onderwijs idealiter zou ingaan op 1 september 2018. U hebt ook gemeld dat er nog overleg zou volgen met de onderwijsverstrekkers. Intussen is dit doorgegaan.

Minister, wat was het resultaat van deze bespreking?

Wenst u die scholen en schoolbesturen die zich wel reeds grondig hebben voorbereid op de modernisering van het secundair onderwijs effectief de kans geven om hier op 1 september 2018 mee van start te gaan?

Wanneer en hoe – mogelijks zo dadelijk – zult u naar het werkveld communiceren over de definitieve beslissing in verband met de startdatum van de modernisering secundair onderwijs?

Welke aanpassingen aan de regelgeving zijn op korte termijn nog nodig voor het vastleggen van de praktische uitwerking van de modernisering? Welke timing ziet u hiervoor?

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Mijn vraag gaat ietwat breder dan de timing waar de heer de Meyer naar peilt. De timing zit ook in mijn vraag, maar ze heeft vooral betrekking op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) over de modernisering van het secundair onderwijs.

Minister, ik neem aan dat dit advies u toch wel een keer heeft doen slikken. Het is bijzonder kritisch voor de modernisering zoals ze is uitgetekend door de regering. De Vlor stelt eigenlijk niet meer of minder dan dat deze modernisering ongeveer alle kansen mist om jongeren juist en correct te oriënteren, toch een van de belangrijkste factoren voor studiesucces. Letterlijk staat er dat de regering kansen mist om: “… te garanderen dat de eerste graad van het secundair” – die daar net voor moet dienen – “leerlingen oriënteert en echt voorbereidt op een meer bewuste en gerichte studiekeuze”.

Daarnaast stelt de Vlor duidelijk dat de regering nalaat de schotten tussen de onderwijsvormen tso, bso, kso en aso weg te werken, en dat het net die schotten zijn die de waterval in de hand werken. Die waterval is vaak verantwoordelijk voor demotivatie, het beperkt welbevinden van jongeren op school en natuurlijk het gevolg van een niet zo correcte studiekeuze gebaseerd op de talenten van de jongere eerder dan op structuren. Verder concludeert men dat het moderniseringsvoorstel van de regering ‘de kans mist om de doelstellingen van de hervorming globaal te realiseren’.

We hebben nood aan een hervorming van ons secundair onderwijs om vroegtijdig schoolverlaten te verminderen en te vermijden dat jongeren zonder diploma op hun 18e de schoolbanken verlaten. We hebben daar de laatste jaren een positieve evolutie, maar in een aantal centrumsteden, zoals mijn eigen thuisstad Mechelen, studeert toch nog één op vier jongeren af zonder diploma. Dat is uiteraard niet bevorderlijk voor de kansen op de arbeidsmarkt later en ook niet voor hun hefbomen als kritische en sterke burger.

Ten slotte vindt de Vlor de start van deze modernisering op 1 september 2018 niet wenselijk omdat het dan holderdebolder zou moeten gaan en omdat er onvoldoende inhoudelijke elementen en handvatten zijn die maken dat modernisering – globaal door het hele Vlaamse onderwijslandschap uitgerold – ervoor kan zorgen dat de lat hoger komt te liggen voor al onze leerlingen, want onze onderwijskwaliteit gaat er krachtens PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment) jaar na jaar een beetje op achteruit. Tegelijk moet deze modernisering ervoor zorgen dat de kloof – waar we wereldkampioen in zijn – tussen sterke en minder goede presteerders gedicht wordt, want dat is een maatschappelijke verantwoordelijkheid die u niet naast zich kunt neerleggen.

Op welke wijze zult u alsnog rekening houden met de input en bezorgdheden van het onderwijsveld verenigd in de Vlor om wel degelijk tot een gefundeerde structurele inhoudelijk waardevolle en o zo noodzakelijke hervorming van het secundair onderwijs te komen?

De heer Daniëls heeft het woord.

De modernisering van het secundair onderwijs bestaat uit een pakket van tientallen maatregelen waarvan sommige al zijn uitgerold, andere zitten in de uitrolfase en sommige moeten nog worden uitgevoerd. Ik heb soms het gevoel dat mensen doen alsof die hervorming secundair onderwijs één maatregel betreft. Ik wil nog eens verwijzen naar het masterplan modernisering secundair onderwijs, daar staan heel veel maatregelen in.

De inhoudelijke optimalisering van het secundair onderwijs is uiteraard de maatregel die het meest in het oog springt in de eerste graad van het secundair van de bestaande eenheidsstructuur met een getrapte studiekeuze. Dat wil zeggen, het kiezen van een basisoptie na het eerste jaar wordt geoptimaliseerd. In de tweede en derde graad wordt het aantal studierichtingen gereduceerd en geordend in een overzichtelijke matrix met als finaliteit de doorstroom en als dubbele finaliteit de arbeidsmarkt, en met onderwijsvormen kso, tso, bso en aso.

Uiteraard dienen deze bijsturingen en andere, zoals het opnemen van wetenschap en techniek in de basisvorming in het eerste en tweede jaar, ook samen te sporen met inhoudelijke actualisering van de eindtermen, namelijk: onderwijs is eindtermen. Het zou niet logisch zijn als we de studierichtingen, de structuren, zouden wijzigen, en niet de inhoud. Als we wetenschap en techniek invoeren in het eerste en tweede jaar secundair, maar daar is geen inhoud voor, dan lijkt me dat een rare evolutie.

In recente verklaringen houdt u vast aan de startdatum van 1 september 2018 om deze moderniseringen door te voeren. De onderwijsverstrekkers en de Vlor vinden het echter raadzaam het scholenlandschap een jaar meer de tijd te geven om zich te organiseren naar deze nieuwe regelgeving.

In een Belgabericht van vrijdag 27 oktober konden we het volgende lezen: “De minister had vrijdag een onderhoud met de onderwijskoepels. De minister heeft hen uitleg gegeven over de tekst die donderdag is voorgesteld, en heeft ook geluisterd naar hun bezorgdheden, valt te horen op het kabinet-Crevits. Er is een sterk engagement van de onderwijskoepels voor die modernisering van het secundair onderwijs samen met de invoering van de eindtermen, en ook de minister erkent dat het belangrijk is dat die twee samengaan.”

Over de startdatum is vrijdag nog niets beslist. De minister gaat eerst nog samenzitten met de vakbonden en de scholierenkoepels om daarna terug te koppelen naar de Vlaamse Regering. De knoop wordt volgende maand pas doorgehakt.” Zo klinkt het bij uw woordvoerster.

Ik heb het even nagekeken. Bijna dag op dag een jaar geleden, op 16 november 2016, heb ik u een actuele vraag gesteld met eigenlijk dezelfde inhoud. Ik heb toen het beeld gebruikt van Urbanus die in een film steeds “En dichter! En dichter! En dichter!” zegt. Iedereen zat toen met spanning te kijken wat er zou gebeuren. Dat is wat nu ook in het onderwijs gebeurt. (Opmerkingen van mevrouw Caroline Gennez. Gelach)

Het is de film Hector. Daar is iets gebeurd. Op een bepaald ogenblik is er iets gebeurd en de kinderen zaten in een slaapzaal rond hem. Hij moest toen iets doen, maar ik laat het aan iedereen over dat zelf eens te bekijken.

In het onderwijsveld zijn er eindtermen. We beschikken echter nog niet over uitgewerkte eindtermen. Die eindtermen moeten langs een ontwikkelingscommissie passeren. Ze passeren eigenlijk driemaal langs de Vlaamse Regering. Na de valideringscommissie moet het Vlaams Parlement ze goedkeuren. Op basis van de eindtermen kunnen dan leerplannen en curriculumdossiers worden opgesteld. Op basis daarvan kunnen handboeken worden geschreven. Dan zijn er nog de leerkrachten die vragen wat het verschil tussen de vroegere en de huidige situatie is. Dat is ook niet onbelangrijk. We moeten hiervoor natuurlijk voldoende tijd uittrekken. We moeten er goed voor zorgen dat dit niet holderdebolder gebeurt. We mogen niet eerst de boel veranderen en nieuwe leerplannen opstellen om de leerkrachten een jaar later te vertellen dat er eindtermen zijn en dat ze alles opnieuw kunnen doen. Dat zou de planlast ten top zijn. Daar bedanken we allemaal voor.

Minister, ik heb mijn vragen opgesteld op het ogenblik waarop ik deze vraag om uitleg heb ingediend. Welke bezwaren van de onderwijskoepels maken volgens hen de ingangsdatum van 1 september 2018 nagenoeg onhaalbaar? Vindt u deze bezwaren aanvaardbaar genoeg om de start van de modernisering met een jaar uit te stellen?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Voorzitter, de vragen om uitleg gaan deels over de timing en deels over de inhoud. Dat geldt vooral voor de vraag om uitleg van mevrouw Gennez. Ik zou hierover twee opmerkingen willen maken.

We moeten alle adviezen van de VLOR over de hervorming van het secundair onderwijs naast elkaar leggen. De VLOR grijpt steeds terug naar de premisses van voor de goedkeuring van de conceptnota. De conceptnota is op het einde van de vorige legislatuur goedgekeurd. Ondertussen hebben we echter keuzes gemaakt. De vorige Vlaamse Regering en de huidige Vlaamse Regering hebben keuzes gemaakt die we nu trouw en consequent proberen uit te voeren.

Ik zal het advies van de VLOR niet punt per punt herhalen. Ik heb de intentie om, net zoals ik altijd met adviezen doe, een uitvoerig antwoord te sturen. Misschien is dat al gebeurd. Ik heb dit al persoonlijk aan leden van de VLOR verteld.

Er zijn keuzes gemaakt. Een van de opmerkingen is dat jongeren in de eerste graad niet de kans zullen krijgen om zich te oriënteren. Ik ben het daar niet mee eens. De bijkomende basisvorming in de B-stroom, bijvoorbeeld, zou jongeren enorme opportuniteiten moeten bieden om naar de A-stroom over te stappen. We hebben daar aandacht voor.

Mijnheer Daniëls, u hebt al verwezen naar een pak zaken die al in uitvoering zijn. Er zijn maatregelen tegen het zittenblijven. Er is de wijze waarop de individuele trajecten zijn aangepast. Het gaat dan om de persoonlijke ontwikkelingstrajecten die kunnen worden gevolgd. We voeren al heel wat uit. We hebben echter keuzes gemaakt. Er komt geen brede eerste graad. Dat is al tijdens de vorige legislatuur beslist. Het is een graduele opbouw naar een goed keuzeproces voor de jongeren.

Ondertussen heeft de Vlaamse Regering op 14 juli 2017 het voorontwerp van decreet betreffende de modernisering een eerste keer goedgekeurd. De VLOR, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en SYNTRA Vlaanderen hebben een advies uitgebracht. De formele onderhandelingen met de sociale partners zijn gestart. De Vlaamse Regering heeft een besluit goedgekeurd waarin een aantal verdere uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot de modernisering, waaronder de concordantietabellen, zijn vastgelegd. De onderhandelingen met de sociale partners over dat besluit zijn eveneens lopende. De onderwijsverstrekkers kennen de gevraagde concordantietabellen ondertussen. We zullen uiteraard nog rekening houden met de opmerkingen, maar we zullen de fundamentele keuzes die zijn gemaakt niet opnieuw in vraag stellen en alles opnieuw helemaal veranderen.

Mijnheer Daniëls, wat de startdatum betreft, hebt u verwezen naar uw actuele vraag van een jaar geleden en naar de film Hector. De voorzitter heeft me net gevraagd of ik die film heb gezien en hoe het verloopt. Ik zal daar verder geen commentaar over geven. Misschien kan dit vanaf vandaag een revival voor deze film betekenen.

Onze eigen minister-president heeft tijdens zijn Septemberverklaring met veel verve en enthousiasme verklaard dat we voor een start op 1 september 2018 gaan. Ik heb op alle meerderheidsbanken maar niet bij de oppositie veel lof gehoord om die startdatum aan te houden. Het is belangrijk dat dit geen nooit-verhaal wordt. We kunnen dermate verklaren dat we alles nog eens willen bekijken dat we uiteindelijk niet meer vooruit geraken.

U hebt de persverklaring van mijn woordvoerster correct geciteerd. Ik heb de onderwijsverstrekkers bij mij geroepen. Hun eerste opdracht was me te laten weten hoe het nu eigenlijk zit. De vraag was of er een engagement is om voluit voor de uitvoering te gaan. Het antwoord dat ik van allen heb gekregen, is: ja. Dat is een goede zaak. U hebt de verklaringen gelezen. Volgens sommigen zou het allemaal nog wat verder mogen gaan, maar eigenlijk willen ze voluit voor de uitvoering gaan. Ze willen wel dat dit samenloopt met de eindtermen.

De Vlaamse Regering heeft ondertussen die keuze gemaakt. Het zal samenlopen met de eindtermen en met het duaal leren. Eigenlijk hangen drie dossiers aan elkaar vast. Indien we het duaal leren invoeren in een studierichting die op de matrix staat, kan het niet dat er daarvoor geen eindtermen zijn. We kunnen moeilijk een studierichting in het duaal leren invoeren indien er vanwege het ontbreken van eindtermen geen gelijkaardig traject in het voltijds onderwijs bestaat.

Ook hier heb je dus zaken die elkaar overlappen en moet je ervoor zorgen dat je dat proper doet. Ik heb al laten uitschijnen, ook ten opzichte van jullie, dat 1 september 2018 voor mij geen fetisj is. Ik wil ook dat alles in goede harmonie met het veld, met de leerkracht en met de leerling en zijn ouders kan starten. Maar we moeten wel met zijn allen keihard doorwerken.

Wat u zegt, collega Daniëls, is juist. Ik heb er groen licht voor gekregen, maar we moeten nu eindelijk die eindtermen, volgens het format zoals het is, gaan uitwerken. We moeten zorgen dat ze er zijn, en dat dat geen tien jaar duurt. We moeten ook niet ‘from scratch’ starten. We vertrekken niet van een wit blad. Maar wat zie je vandaag in die eindtermen? De ene beslaat een hele pagina, de andere is maar één lijntje. Dat is andere taal, andere stijl. De bedoeling is dat dat mooi, helder en proper wordt en dat het ook duidelijker herkenbaar is. We gaan daar nog een heel debat over hebben.

De keuze is gemaakt om te koppelen. Ik denk dat u daar ook heel blij mee zult zijn. We moeten wel goed vooruit, in de drie dossiers. Dat betekent dat er hard moet worden doorgewerkt en dat er geen enkele reden is, ook in het parlement, om achterover te gaan leunen: het is een kans van nu of nooit. Je kunt kritiek blijven hebben op een hervorming, op duaal leren, op het feit dat het voor het secundair onderwijs niet ver genoeg gaat, maar hier zitten een aantal goede keuzes in. En wat ik bijzonder vreemd vind, is dat diegenen die zeggen dat het allemaal veel te weinig of zelfs niets is, ook om uitstel komen vragen ‘omdat het toch wel veel is om uitgevoerd te krijgen’. Als het niets is, moet je ook niet zeggen dat het te veel is om uit te voeren. Ik denk dat dit het bewijs is dat het een grondige hervorming is en dat het iets is waar we nog veel werk aan hebben. We moeten er goed over nadenken op welk moment we effectief van start gaan.

Binnen de regering is mij gevraagd om eerst de onderwijsverstrekkers te zien en dan de vakbonden. Ik heb die eergisteren gezien. De scholieren heb ik ondertussen ook gezien. Ik heb naar hun zorgen geluisterd. Aan de administratie is ook gevraagd om een schema te maken van wat er nu op welk moment moet gebeuren. En dan zouden we ons binnen de Vlaamse Regering ook buigen over de startdatum. Ik heb ook de verklaringen van velen gehoord dat het beter zou zijn om een jaar extra tijd te geven. Er zal daar ook goed over nagedacht worden.

Wat mij wel verraste, was dat de onderwijsverstrekkers, in tegenstelling tot wat in de kranten verschenen is, niet met zijn allen bij mij gekomen zijn om uitstel te vragen. Meer bepaald het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) en het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten (OVSG) hadden een afwijkende houding ten opzichte van het katholieke onderwijs en het GO! en gingen ook voor een soort pragmatiek om te starten. Ik wil daar ook even iets over zeggen. Er zijn scholen die nu zien wat de basisopties zijn die wij willen aanbieden, en die eigenlijk heel graag volgend schooljaar al het aanbod ‘nieuwe stijl’ zouden willen aanbieden. Ik begrijp dat het niet zo evident is om dat te doen, maar je voelt bij sommige scholen wel de vragen om daar effectief al werk van te kunnen maken. Dat is mij ook gemeld op ons overleg.

Collega De Meyer, de organisatie van het aanbod en de evenwichtige spreiding van dat aanbod behoren inderdaad tot de bevoegdheden van de scholengemeenschappen. U weet dat de reglementering op dit moment bepaalt dat een uitstap uit de scholengemeenschappen om schoolbesturen met bijzondere kenmerken te worden, mogelijk is tot 2018 of 2019. Maar ik volg uw visie dat het niet wenselijk is dat schoolbesturen zich in 2018 al uit de scholengemeenschappen zouden terugtrekken, net nu er lokaal moet worden nagegaan hoe het rationele aanbod het best vorm krijgt. We moeten daar samen nog eens over nadenken, en ik leg het ook aan jullie voor, maar wat mij betreft, nemen we dan het best in Onderwijsdecreet XXVIII ook de maatregel op dat we de uitstap op 1 september 2018 zouden schrappen.

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, ik volg u wat de inhoudelijke discussie betreft. Ik heb hier trouwens geen nieuwe elementen gehoord wat de inhoudelijke discussie betreft, maar wel een herhaling. Ik vind niet dat we de vroegere discussies vandaag moeten overdoen.

Wat de timing betreft, ben ik zeer tevreden dat u duidelijk stelt dat het mogelijk wenselijk is om de uitstapdatum van 1 september 2018 uit de scholengemeenschappen te verschuiven, gezien het werk dat nu in het onderwijsveld en in de scholengemeenschappen moet gebeuren. Ik vermoed dat het alleen maar bijkomende probleemsituaties zou creëren, mocht dat op dat moment reeds het geval zijn.

Wat de start van de modernisering betreft, stelt u dat er voor u elementen zijn die samenhangen. Ik vind dat heel correct. Als de modernisering start, moet ook het duaal leren starten, en als het mogelijk is, ook de eindtermen. Anderzijds hebt u ook verwezen naar de voor u tot nog toe ideale datum. Ik dacht dat u daar niet alleen in persoonlijke naam sprak. Ik meen mij te herinneren dat de minister-president op dat vlak soortgelijke verklaringen heeft afgelegd. Ik begrijp uit uw antwoord met betrekking tot de startdatum dat u dat op dit moment eigenlijk nog niet gefinaliseerd hebt binnen de regering.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, in Onderwijs hangt het heel vaak af van het draagvlak of je wel of niet succes boekt. En u mag de Vlor dan wel verwijten dat ze in het verleden blijven steken, maar het is een gefundeerd advies dat effectief over de inhoud van de door de regering besliste modernisering gaat.

Zij zeggen toch heel duidelijk dat het alle opportuniteiten mist om de doelstellingen die we met zijn allen hadden gesteld, te bereiken. Minister, ik meen me toch te herinneren dat de laatste twintig jaar de consensus is gegroeid tussen verschillende stakeholders, zowel de werkgevers, als het onderwijzend veld, als de vakbonden, als wetenschappelijke milieus, als belangrijke academici, om effectief de schoolse vertraging en de schoolse uitval, de ongekwalificeerde uitstroom, tegen te gaan en dat daarvoor twee dingen essentieel zijn.

Een eerste element is een betere studiekeuze en een betere algemene basisvorming. In het verhaal van sommigen is dat ook een latere studiekeuze. Dat is wat de Vlor ook onderschrijft, en dat is waar u met uw regering manifest doof voor blijft. Een tweede element is de waterval die in ons systeem zit. Die demotiveert jongeren. Waarom willen we dat mordicus in stand houden? Waarom willen we mordicus die tussenschotten in stand houden? Waarom blijven we mordicus die bordjes op jongeren kleven: ‘Jij bent een tso’er, jij een bso’er, jij een aso’er’? Dat is nergens voor nodig. We moeten het algemene imago van ons onderwijs, het algemene niveau van ons onderwijs en vooral het imago van ons technisch en beroepsonderwijs en de algemene vorming daarin verbeteren. Dat zit er op dit moment niet in.

Ik vind dat u hier heel licht over gaat door te zeggen: ‘We maken keuzes, en ‘tant pis’, de Vlor moet daar niet veel meer over jammeren, we gaan daar gewoon mee door.’ Zo mist u toch de kans om een draagvlak te creëren? Dat is toch gewoon spijtig, want het zijn uiteindelijk de stakeholders die het zullen moeten doen. Ik vind, zoals de Christelijke Onderwijscentrale (COC) en het Christelijk Onderwijzersverbond (COV) gezegd hebben in het advies op het vorige decreet, dat politieke besluitvorming onderwijsbesluitvorming vergt, en onderwijs ernstig onderwijsbeleid. Wat jullie doen in deze regering is onderwijs degraderen tot politieke stratego. U komt altijd met de kleinste gemene deler van wat het werkveld vraagt. Dat is echt een gemiste kans. Het is niet de eerste keer. We zien het nu bij de hervorming van het secundair onderwijs. Het is de kleinste gemene deler. We zien het in de chaos op het terrein bij het nieuwe zorgondersteuningsmodel voor de implementatie van het M-decreet. We zien het aan de besparingen op de werkingsmiddelen die in onze schriftelijke vraag zouden moeten zijn beantwoord. Maar ik krijg hier de mededeling dat de cijfers die we gevraagd hadden, de cijfers per jaar zijn maar dat het antwoord enkel de gecumuleerde cijfers van de volledige periode bevat. Het antwoord is dus wat naast de kwestie, misschien omdat men communicatief hier en daar wel wat dingen probeert te verdoezelen en men communicatief een aantal dingen wel beweert te realiseren, maar in de feiten is het ongelooflijk slappe, magere koek. Dat is vooral voor al die honderdduizenden jongeren in ons Vlaams onderwijs echt een gemiste kans. Het is ook een demotivatie voor die honderdduizend leerkrachten in onze Vlaams onderwijs.

Ik denk dat we nog eens moeten besluiten met de woorden van de Vlor als het specifiek over de modernisering van het secundair onderwijs gaat: ze zet helaas geen zoden aan de dijk, ze biedt geen kader voor een betere studiekeuze, ze zorgt niet voor een opwaardering van het beroeps- en technisch onderwijs, pakt de waterval niet aan en geeft te weinig garantie dat minder jongeren de schoolbanken zonder diploma zullen verlaten. Dat zijn de woorden van de Vlor, maar sp.a kan zich daar helaas alleen maar bij aansluiten. We hadden het graag anders gehad.

De heer Daniëls heeft het woord.

Tja, waar begin je, als een collega in de commissie, die zelf het masterplan hervorming secundair onderwijs heeft goedgekeurd met haar partij, toen de minister leverend, dergelijke zaken zegt? Ik weet niet goed waar ik moet beginnen. Het eerste waar ik met mijn pedagogen- en lerarendiploma op kom, is dat we een paar dingen gaan voorlezen. Dat is het eerste waar ik op kom.

Het getuigschrift basisonderwijs wordt gekoppeld aan de eindtermgerelateerde leerplandoelstellingen en de inspectie wordt gevraagd dat te controleren, dus controleren dat we het basisonderwijs daar versterken. In het basisonderwijs gaan we Nederlands, techniek en wetenschap versterken om die talenten bij de jongeren naar voren te brengen. We gaan zorgen dat de leerlingvolgsystemen doorgaan van basis- naar secundair onderwijs. We gaan op het einde van het basisonderwijs alle leerlingen met valide proeven toetsen om feedback te hebben, inhoudelijk voor de scholen zelf, en we hebben daar ook nog data op. We gaan de toegang tot de A- en de B-stroom strikter regelen. Enkel wie geen getuigschrift basisonderwijs haalt, gaat in die B-stroom. We gaan van techniek en wetenschap een apart leergebied maken en we gaan vakleerkrachten mogelijk maken. We gaan kennis opnieuw op de agenda zetten omdat dat een vraag van leerkrachten is. We gaan van werkplekleren een essentieel onderdeel maken. We gaan de statuten van duaal leren harmoniseren. We gaan de basisopties screenen, van een update voorzien en reduceren.

En u komt hier dan zeggen dat dat niets gaat veranderen? (Opmerkingen van Caroline Gennez)

Dat is een mooie paraplu: ‘Ik zeg het niet, de Vlor zegt dat’.

Ik zeg het ook. Maar ik ben niet alleen. De Vlor zegt het ook.

Ik zie alleen dat deze regering en ook de vorige, waarin u de minister leverde – ik weet niet of u dat nog weet – een masterplan hebben goedgekeurd met gerichte maatregelen. Geen ‘big bang’ want dat zou chaos veroorzaken. Gerichte maatregelen voor gerichte problemen. Want, collega's, het Vlaamse onderwijs is niet het slechtste onderwijs dat je kunt krijgen van de wereld. Ik verzet me tegen die voorstelling. Neen, dat is het niet. Ik verzet me daar tegen, want dat is de reden waarom leerkrachten een burn-out ingaan, als je ze telkens zegt ‘dat is nu werkelijk het slechtste van de wereld wat hier gebeurt, je zou beter in Kigali naar school gaan want daar is beter dan in Vlaanderen’. Dat is dus niet, hé! Dat is dus niet, hé! We zijn tweede in Europa en zevende in de wereld! Hebben we werkpunten? Ja, collega's, ja.

En dus moeten we daar gericht op werken, gericht, behoedzaam. Zoals minister Crevits zei: gaan we al onze eindtermen wegsmijten? Neen, we beginnen niet van een wit blad. We gaan wel die die we nu hebben – dat staat er ook – goed bekijken en daaraan sleutelen. We gaan daaraan sleutelen.

Zijn er zaken die momenteel ontbreken? Ik denk bijvoorbeeld aan financiële kennis. Ja. Ja, dan moeten we daarop inzetten. Dan moeten we daarop inzetten.

Ja, we gaan bijsturen. Uiteraard gaan we bijsturen. Het feit dat we die basisopties tegen het licht zullen houden in een getrapte studiekeuze, is een goede zaak. Die matrix vind ik het meest fantastische dat er is. Het is fantastisch, met die finaliteit en die onderwijsvormen. Ik kan nu aan iedereen in mijn familie die niets van onderwijs kent, met één A3 uitleggen: dit is het, voilà. En ik moet niet meer zeggen: ‘Handel, kijk daar toch maar mee uit, want tja. En als je psychologie wilt doen, humane wetenschappen, tja.’ Dat moet ik niet meer doen, want dat gaan we inhoudelijk bijsturen. Dáárover gaat het!

En nee, er is geen brede eerste graad. En nee, we zullen ze niet allemaal samenhouden tot ze 16 jaar zijn. En gelukkig maar! Je zult maar leerling zijn, samen aan de meet vertrekken en dan zeggen ze tegen je: ‘We gaan samen aankomen. Oei, je staat er al. Wachten. De rest is op komst. En dan stappen we samen over de meet.’ Joepie, we zijn samen over de meet! Dat is niet excelleren, collega's, dat is nivelleren, dat is afwachten. En weet je wat democratisering is? Democratisering is: maximaal trekken aan alle leerlingen en ervoor zorgen dat eruit komt wat erin zit.

Mevrouw Gennez, ik word er echt lastig van als ik u dit pleidooi hoor afsteken. Mijn vragen gaan over wanneer we het zullen laten invoeren.

Voorzitter, ik besluit, want ik weet dat de tijd beperkt is. (Opmerkingen)

Het is echt belangrijk. De kwestie gaat over de ingangsdatum. Minister Crevits heeft gezegd dat ze aan elkaar gekoppeld zijn: inhoud, structuur en duaal. Dat vind ik belangrijk. We starten dus niet met basisopties waarvan we geen inhoud hebben. Want als je een basis hebt zonder inhoud, wat is dat dan? Want het kan dan zijn dat je een spagaat krijgt over alle scholen, wat we net willen tegengaan. En om curriculumdossiers te maken – en dat staat ook in de definities – moet je de eindtermen hebben. Dus zijn ze aan elkaar gekoppeld.

We zullen zien wanneer alles af is. Ik ben blij dat we nu starten met de inhoud. Want dat is wat de mensen ons vragen: ‘Wat zal er nu worden geleerd?’ Dat vragen ze. En dan antwoorden we: ‘Dat komt in het kaderdecreet.’ ‘Hoezo, ligt dat nog niet vast?’ ‘Nee, daar gaan we aan beginnen.’ En dan moeten we ervoor zorgen dat die inhoud en de structuren aan elkaar gekoppeld zijn. Dan moeten we goed bekijken dat de leerkrachten en de scholen het op een goede manier kunnen invoeren en dat ze niet op 30 juni horen wat de nieuwe eindtermen zijn en dan zonder handboeken of leerplannen moeten starten op 1 september, want dat zou geen goede zaak zijn.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u wel, dames en heren. Dit was een boeiende discussie om te volgen.

Wat die modernisering betreft, kan ik me aansluiten bij de vorige sprekers. Dat is handig voor mij.

In het meervoud?

Minister Hilde Crevits

Neen, er was een spreker – de voorgaande, voorgaande spreker –, dan zat er iemand tussen en dan nog een spreker. Dus: wel, niet, wel. Dat kan al tellen.

Maar er zijn ook een aantal zaken niet gezegd. Mevrouw Gennez, misschien hebt u op dat ogenblik niet goed geluisterd, maar ik heb die onderwijsverstrekkers wel bij mij geroepen, ook omdat ik het advies van de Vlor gelezen had. Ik heb gezegd: wat zal het nu zijn? Ga je meewerken of ga je met de voeten slepen? En het antwoord op deze vraag was: ‘Ja, we gaan meewerken, absoluut. En we willen ook uitvoeren.’ En er zijn misschien nog wel wat bezorgdheden, van ‘het had misschien zo of zo kunnen zijn’. Maar men gaat er ten volle voor. Dat engagement heb ik van iedereen gekregen.

Gisteren had ik de Scholierenkoepel op bezoek. Weet je wat een van die mensen zijn? Ik had het nog nooit zo mooi gehoord. Die zei: ‘Goh, die matrix is wel mooi, hoor, dat A3-blad, met al die richtingen op. Want nu zie je de interessedomeinen. En binnen zulke interessedomeinen kun je kiezen of je meer abstract of meer praktisch wilt. Wij vinden het echt wel handig om te bekijken wat er bestaat aan richtingen binnen de interessevelden. We moeten geen 27 boeken meer bekijken. Het is één papier.’ Wel, ik heb niemand het al zo mooi horen zeggen, hoe de band tussen de interessedomeinen en de finaliteiten kan zijn. Ik vind dat heel mooi uitgedrukt. En het deed mij oprecht plezier dat het ook eens op deze wijze gesteld werd.

Ik ben die labels aso, bso en tso ook een beetje beu. In de vorige legislatuur hebben we al beslist dat scholen zich kunnen blijven organiseren rond een bepaalde finaliteit. Wat moet je dan zeggen? ‘Ik zit in een doorstroomschool’? Of: ‘Ik zit in een gemengde finaliteitschool’? Of: ‘Ik zit in een arbeidsmarktfinaliteitschool’? Ik vind dat ook niet oké. Hadden we de keuze gemaakt om enkel horizontaal georganiseerde scholen te maken, domeinscholen bijvoorbeeld, dan zou het natuurlijk te gek geweest zijn. Maar we hebben afgesproken, als je dan toch die finaliteitgerichte scholen kunt blijven organiseren, waarom zou je dan afstappen van datgene wat we allemaal kennen?

Ik vind trouwens dat we eens moeten stoppen een negatieve connotatie te geven aan de labels tso en bso. In Torhout, waar de scholen allemaal samenwerken, is het best wel dik oké om technisch onderwijs te volgen. En de resultaten in het hoger onderwijs zijn zeer, zeer goed.

Wat het beroepsonderwijs betreft, kan ik u meteen een aantal scholen opsommen waarvan de leerlingen, als ze uit school komen, meteen werk hebben. We moeten dus stoppen met onszelf altijd depressies aan te praten en ervan uit te gaan dat, als je praktisch georiënteerd bent in je leven en bepaalde dingen goed kunt, dat een slechte zaak is en dat je sowieso niet ver zult geraken in je leven of dat die onderwijskwaliteit slecht is.

Wil dat zeggen dat er geen zorgen zijn in het beroepsonderwijs? Er zijn zeker zorgen. Maandag nog zijn de resultaten voorgesteld inzake burgerschapsvorming. Ik daag u uit om ze allemaal eens goed te bekijken. We zien dat er in het beroepsonderwijs, in vergelijking met het aso, een enorme zorg zit naar burgerschapscompetenties.

We hebben nu het materiaal om daaraan te werken. Over alle partijgrenzen heen willen we dat burgerschap meer prominent aan bod komt in alle studierichtingen in ons onderwijs. Nu komen zeggen dat we niets doen, is niet correct. En ik heb ook het recht, vind ik, om er samen met alle mensen van goede wil voor te gaan om van die onderwijshervorming iets te maken. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het niet genoeg is en niets te doen. Dan doen we hetzelfde als waar we al twintig jaar over praten. Hoelang is het geleden dat het secundair onderwijs nog is hervormd? Heel lang. Ook de eindtermen zijn twintig jaar oud. En gaan we nu weer zeggen dat het niets is terwijl we volop aan het werk zijn en zaken proberen uit te rollen? Ik doe daar niet aan mee, ik wil dat we sporen trekken. En er zijn altijd redenen, zeker in onderwijs, om niets te doen. Er zijn altijd hindernissen om iets niet te doen, maar die moeten we wegwerken. Oplossingsgericht denken is volgens mij ook een competentie waar we misschien wat meer aandacht aan moeten schenken binnen het onderwijs.

Mevrouw Gennez, wat de cijfers betreft, moet uw vraag correct worden beantwoord. De vragen die worden gesteld, moeten worden beantwoord. In het begin van de legislatuur waren er voor iedereen besparingen, ook in onderwijs. Wanneer we echter zien hoeveel middelen wij investeren in onderwijs sinds het eerste jaar van deze legislatuur, dan gaat het over 750 miljoen euro. Dat is geld dat de belastingbetaler meer investeert in onderwijs in vergelijking met drie jaar geleden. Er zijn ook zoveel extra leerkrachten die werk hebben. Dat zijn cijfers die we ook moeten vermelden.

Dan is er ook de manier waarop we de OKAN-crisis (onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers) hebben aangepakt. De middelen waren nodig en we hebben ze gegeven. We hebben bovendien ook de vervolgcoaches volledig hervormd, want dat systeem leek nergens op. Het moest hervormd worden omdat de middelen de leerlingen niet volgden. Toen de OKAN-leerlingen naar een volgend jaar verhuisden, bleven de coaches op de plaats waar de leerlingen het jaar voordien zaten. Dan kan men moeilijk verwachten dat zij goed worden begeleid. Er komt nog een spijbelrapport waaruit zal blijken dat het nodig is dat OKAN-leerlingen beter worden gevolgd het jaar nadat ze OKAN-onderwijs hebben gevolgd. Daar zit een zeer kritische groep om meer te spijbelen. We moeten daar zorg voor dragen. Er is geen grote hervorming nodig, maar wel een aanklampend beleid voor die meest kwetsbare jongeren, waar zij ook een plaats mogen hebben binnen ons onderwijs.

Mijnheer De Meyer, timing is ondergeschikt aan kwaliteit. Wanneer men echter iets uitstelt, en wanneer we bijvoorbeeld een jaar later starten, wil ik wel zeker zijn dat alles in de steigers staat om voluit te kunnen doorgaan. Dat betekent dat je bezig bent met je eindtermen, want dat vraagt wel een enorme inspanning. Het is heel belangrijk dat iedereen heel hard werkt, dat dat werk tegen Pasen volgend jaar klaar is en dat iedereen daar zijn zegen over kan geven.

Er ligt heel veel werk op de plank. We zullen nog heel veel decreten moeten bespreken. Maar laten we ons onderwijs met een positieve bril bekijken. Ik ben het eens met de heer Daniëls wanneer hij zegt dat ons Vlaams onderwijs toponderwijs is. We zeggen dat veel te weinig. Uit alle onderzoeken blijkt dat wij het bijzonder goed doen, maar dat er oranje of rode knipperlichten zijn op sommige vlakken waar we absoluut aan moeten werken. Dat vraagt ook voor een deel maatwerk en dat betekent dat we niet alleen focussen op de structuur maar ook op de jongere die in die structuur schoolloopt en op de leerkracht die binnen die structuur lesgeeft. We moeten hun de nodige tools geven opdat zij hun job voluit kunnen uitvoeren, en dat is onze kinderen niet alleen veel kennis bijbrengen, maar hen laten opgroeien tot jongeren met een krachtige persoonlijkheid die niet omver waaien bij de minste storm die in hun leven opsteekt.

De heer De Meyer heeft het woord.

Ik denk dat het onderwijsveld duidelijkheid vraagt. Herkauwen is niet typisch voor ons maar voor andere diersoorten. En dat is ook niet goed voor de politieke besluitvorming.

Minister, ik heb uit uw antwoord begrepen dat u het zeker ziet zitten dat de uitstapmogelijkheid uit de schoolgemeenschappen met één jaar wordt uitgesteld, dat hoe dan ook het duaal leren en de modernisering terecht aan elkaar worden gekoppeld en dat uw voorkeur voor de startdatum uitging naar 1 september 2018, maar dat u 1 september 2019 evenmin uitsluit. Wat dat laatste betreft, zijn wij en het onderwijsveld vragende partij dat de regering daar snel duidelijkheid over schept.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord en ik ben blij dat u zegt dat u de correcte antwoorden zult geven inzake werkingsmiddelen op de schriftelijke vraag. Ik verwacht dus alsnog verduidelijking. Dat zal ons in staat stellen om het debat met een open vizier te voeren. We doen dat graag aan de hand van cijfers.

U verwijst altijd graag naar de open-endfinanciering wanneer het aankomt op de financiering van ons onderwijs. Wij vinden het evident dat als er meer leerlingen zijn, er ook meer werkingsmiddelen en meer leerkrachten zijn.

Maar we vinden het ook evident dat in een context en een tijdskader waarin de uitdagingen voor het onderwijs alsmaar groter worden, het niveau van werkingsmiddelen op peil blijft. We hebben de voorbije jaren een daling gezien, zowel in het basis- als het secundair onderwijs. Dat verklaart mee waarom het veel scholen het water aan de lippen staat, maar we kijken uit naar de correcte cijfers van de laatste jaren.

Vandaag gaat het heel specifiek over het secundair onderwijs. Mijn insteek was niet alleen de timing, maar ook het advies van de Vlor. We mogen zeggen dat er heel veel wordt herkauwd, maar je kunt een masterplan met heel concrete en gerichte maatregelen maximalistisch invullen, je kunt het correct naar de geest en de letter uitvoeren of je kunt er afbreuk aan doen. Over de matrix bijvoorbeeld is er altijd gesteld dat als er niet aan kwaliteit zou worden ingeboet in de verschillende onderwijsvormen, dat de labels dan zouden verdwijnen. Dat staat letterlijk in het masterplan van de vorige regering. We moeten daar niet flauw of minnetjes over doen. Het staat er letterlijk. Als men dan nu zegt dat men mordicus toch die labels behoudt, moet ik dan verstaan dat er cynisme heerst of dat men effectief wel een kwaliteitsverlies ziet? Hoe moet ik dat verstaan?

Is er iets anders aan de hand? Dat durf ik vermoeden, want ik ben er in eer en geweten van overtuigd dat niemand mordicus in de foute richting fietst, geen enkele partij, maar ik denk wel dat er een aantal dogma’s zijn en dat men niet wil dat die labels verdwijnen. Het is niet omdat mensen ze nu eenmaal kennen, dat ze ook goed zijn en dat ze niet bijdragen aan het imagoverlies van een aantal richtingen. We kunnen daar blind voor blijven en dat in woorden proberen te bestrijden. Ik ben ook de laatste die vindt dat een kind in het bso weinig kansen heeft op de arbeidsmarkt, integendeel, maar als men iets had afgesproken, dan moet men dat maximaal proberen te realiseren. Als ik hier samen met de Vlor daarover mijn ontgoocheling uit, dan is dat omdat ik in eer en geweten geloof dat men dat onvoldoende doet. Na twintig jaar discussiëren, is dat inderdaad een gemiste kans. Laat mij dat spijtig vinden, samen met velen in ons onderwijs.

Zijn wij het slechtste onderwijs in de wereld? Neen, we staan hoog in de PISA-ranking, in het bijzonder wat onze sterke leerlingen betreft. Maar we zijn ook dalend in de PISA-ranking voor alle leerlingen, inclusief de sterkste, en we zijn nog altijd wereldkampioen ‘kloof tussen onze leerlingen’. Als je ziet dat in ons land de afkomst bepalender is voor de studiekeuze en je schoolsucces dan je talenten, dan vind ik het de verdomde plicht van elke democratische politicus om daarop te blijven hameren en daar blijvend iets aan te doen met concrete maatregelen. De goede maatregelen die door deze regering worden voorgesteld, zullen we steunen, maar als men de foute kant op fietst, is het ook de verantwoordelijkheid van de stakeholders in de Vlor en de democratisch verkozen politici om dat aan de kaak te stellen.

Zelfs na 3 jaar en 3,5 maanden Onderwijscommissie met deze regering en deze minister hebben we ons geen depressie laten aanpraten. Ik vind dat we dat niet mogen doen. Het onderwijzend veld mag dat zeker niet doen, want voor mij blijft leerkracht een van de nobelste beroepen ter wereld. Leerkrachten vormen onze jonge mensen en dus onze gemeenschap. In deze commissie hebben we bijna een even grote verantwoordelijkheid, namelijk die duizenden leerkrachten en miljoenen leerlingen in staat stellen het onderwijs van de toekomst te lopen en vorm te geven. Het blijft mijn overtuiging dat de contouren van de onderwijshervorming zoals ze nu zijn geschetst, daar onvoldoende aan bijdragen.

Tot slot, wat betreft de matrix: van 156 naar 147 studierichtingen aan het einde van de derde graad, dat is geen duurzame en geen degelijke versimpeling of een doorzichtige hervorming. Men had veel verder kunnen gaan. Ik ben er zelf van overtuigd dat ‘plus est en vous’ in elk van de regeringspartijen had kunnen zitten. Moraal van het verhaal: we zullen blijven strijden, maar voorlopig is het ‘too little’. ‘Too late’ wil ik er zelfs niet aan toevoegen.

De heer Daniëls heeft het woord.

Wat deze vraag in verband met de ingangsdatum naar voren brengt, is dat we zo snel mogelijk duidelijkheid moeten creëren. Er moet vooral duidelijkheid zijn voor de leerkrachten. De koepels, de Vlor, begeleiders en leerplancommissies zijn er al een tijd mee bezig, maar de leerkrachten in de praktijk werken nog altijd met de leerplannen die er zijn, de eindtermen die er zijn en de handboeken die er zijn.

We moeten goed kijken en luisteren naar wat er gebeurt in de praktijk. Daarom heb ik een actuele vraag in 2016 gesteld en herhaal ik dit nu. We moeten goed kijken en luisteren naar de praktijk om na te gaan of we dit op een goede manier kunnen integreren.

De eindtermen, de structuur van het secundair onderwijs en het duaal leren hangen aan elkaar. We kunnen niet al starten met de nieuwe basisoptie als de eindtermen en wat daaraan hangt niet goed zijn. De minister heeft dat daarnet bevestigd, en dat is een goede zaak.

Waarom kunnen aso en tso niet worden geschrapt? Dat is zeer eenvoudig: binnen de doorstroomfinaliteit hebben we domeinoverschrijdend en domeingebonden. Als we het schrappen, dan wil dat eigenlijk zeggen dat het domeingebonden tso niet meer kan. Dat willen we niet. Je kunt het dan beter noemen zoals het is. Zo niet, krijg je zaken zoals met A1. Mensen noemen dat nog steeds een A1 terwijl dat in de jaren 70 is afgeschaft. Je kunt daar veel promotiecampagnes tegenaan gooien, maar het blijft de A1. Laat ons daar geen middelen aan geven.

U zegt altijd dat Vlaanderen achteruitgaat met de sterke leerlingen. Die gaan het sterkst achteruit. Baart mij dat zorgen? Ja. Is dat een knipperlicht? Ja. Gaan we er iets aan doen? Ja, met de eindtermen. We gaan die ambitieus genoeg formuleren. We gaan daar opnieuw de kennis die nodig is, in opnemen. Wat u altijd vergeet te zeggen, is dat Vlaanderen op het vlak van veerkrachtige leerlingen, de leerlingen met de laagste sociaal-economische status die in het hoogste kwartiel scoren, wereldtop is.

Minister, u zegt altijd dat Eerste Hulp Bij Ongevallen (EHBO) belangrijk is in het onderwijs. Ik ben het daarmee eens. Maar we moeten een tweede EHBO toevoegen: EHBON. Deze afkorting heeft twee betekenissen: Eerste Hulp Bij Onvoldoende Nederlands en – voor ons allemaal, collectief – Eerste Hulp Bij OnderwijsNegativiteit. Dat moet bij onderwijs altijd voor ogen worden gehouden: wij doen zo hard ons best en wij halen zo’n mooie resultaten, en toch willen we het niet zien. Wel, ik ga daar niet in mee. We hebben degelijk onderwijs in Vlaanderen. We willen daarop verder gaan. We gaan gericht bijsturen, maar er komt geen big bang.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.