U bent hier

Commissievergadering

donderdag 12 oktober 2017, 13.45u

van Tine Soens aan minister Hilde Crevits
2991 (2016-2017)
De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, in uw antwoord op een eerdere schriftelijke vraag deelde u de slaagcijfers mee van de eerste zittijd voor de toelatingsproef arts en tandarts. Zo'n 5030 jongeren waagden hun kans en 15 procent slaagde. In mijn schriftelijke vraag vroeg ik u specifiek naar de slaagcijfers per geslacht, per vooropleiding en per provincie. De algemene slaagcijfers kwamen ondertussen ook al aan bod in de pers.

In de cijfers die ik van u ontving, zie ik enkele opvallende zaken. Zo blijft het verschil in slaagkans voor de proef in juli tussen jongens en meisjes groot, 19,5 procent ten opzichte van 12,8 procent. Als we kijken naar de opdeling per provincie, dan doen Brussel, 8 procent, en Limburg, 10,9 procent, het opvallend minder goed dan andere provincies. West-Vlaanderen is bijvoorbeeld de uitschieter met 19,4 procent.

Minister, u gaf meermaals aan dat het examen inhoudelijk wordt vernieuwd en dat de aandacht zal worden verhoogd naar een goede voorbereiding van het examen. Het nieuws haalde ondertussen mijn vraag om uitleg in. Vanaf volgend jaar komt er een nieuw toelatingsexamen. Zo wordt het examen voor de opleiding arts apart georganiseerd van dat voor de kandidaat-tandartsen. Ook het aantal toegelaten kandidaten wordt vastgelegd. Met andere woorden, de numerus fixus is een feit. Dat besliste u samen met de Vlaamse Regering vorige week vrijdag.

Minister, u kreeg verschillende adviezen van de begeleidingscommissie en van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor). In het nieuwe systeem worden de deelnemers gerangschikt op basis van hun score en wordt er dus een numerus fixus gehanteerd zoals vastgelegd door het decreet. In de rand van de toelatingsexamens is er nu ook een overzicht te vinden op de website van het toelatingsexamen met alle voorbereidende initiatieven.

Het Vlaams Geneeskundig StudentenOverleg reageerde ondertussen met een persbericht. Ze zetten enkele vraagtekens bij de hervorming van het toelatingsexamen, onder meer bij het invoeren van een numerus fixus. Die heeft namelijk als gevolg – dat is uiteraard logisch – dat men slechts op één moment een examen kan afleggen in plaats van de huidige twee kansen. De vraag is natuurlijk hoe we dat op een andere manier zouden kunnen oplossen. Ze wijzen ook op de onvoorziene omstandigheden in de periode begin juli.

Bovendien is er daarvoor ook weinig voorbereidingstijd aangezien het schooljaar eindigt op 29 juni 2018 na een zware periode van eindexamens en doordat de twee examens heel kort op elkaar volgen. Eerst wordt het toelatingsexamen voor arts georganiseerd en de dag erna dat voor tandarts. Dat valt niet echt in goede aarde, zeker niet voor studenten die aan de beide examens willen deelnemen. Zo is er natuurlijk heel weinig tijd tussen die twee examens.

Een belangrijke voorwaarde die de Vlaamse studenten geneeskunde steeds vooropstellen bij de hervorming, waren de voorbereidingssessies die overal gelijk zouden moeten zijn, om te vermijden dat jongeren wier ouders zich dure repetitoren konden veroorloven, meer kans maken dan jongeren die dat niet kunnen betalen. Daar hebben we in deze commissie meermaals op gehamerd. Het ontsluiten van bijvoorbeeld vragen via de website is volgens hen ook niet voldoende.

Dat is ook duidelijk door de cijfers die ik net heb aangehaald. De resultaten verschillen nog steeds te sterk van regio tot regio en eigenlijk zelfs van school tot school. Door deze voorbereidingssessies in te plannen per regio, duidelijk universeel in te vullen en een laagdrempelig beleid te voeren bij de voorbereiding van het examen, verhogen de gelijke kansen. Een overzicht van de verschillende initiatieven is voor hen niet voldoende. Bovendien focussen die initiatieven op een andere inhoud en aanpak, en kennen ze ook een verschillende kostprijs. Minister, ze besluiten het persbericht dan ook met te stellen dat ze niet akkoord kunnen gaan met uw huidige voorstel.

Ook de Vlor stelt zich vragen bij de maatregelen die de overheid treft, vooral qua opvolging en qua toegankelijke voorbereiding. Dat blijkt onder meer uit de memorie van toelichting die we ondertussen konden inkijken.

Minister, hoe verklaart u het blijvende verschil tussen jongens en meisjes? Wat zult u doen om die kloof te dichten? Hoe verklaart u het verschil tussen de provincies? Wat zult u doen om die kloof te dichten, vooral in het geval van Limburg en Brussel? Specifiek voor die laatste, hoe staat u tegenover de indruk dat de oorzaak zou liggen bij de thuistaal? Zult u dat element toch nog meenemen bij de hervorming zodat de invloed van de thuistaal geen doorslaggevend element hoeft te zijn? Dat geldt niet alleen voor Brussel, maar voor alle jongeren van wie de thuistaal niet het Nederlands is en die daardoor misschien minder kansen zouden hebben op het examen. Wordt de thuistaal ook meegenomen in de statistieken van het examen? Komen er parallelle initiatieven zoals voorgesteld door het Vlaams Geneeskundig StudentenOverleg, die de aangehaalde kloof kunnen dichten? Komen er nog aanvullende maatregelen? Zo ja, welke?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het verschil in slaagkans tussen jongens en meisjes is een kwestie die de examencommissie van het toelatingsexamen jaarlijks bekijkt, zowel in de aanloop naar een volgend examen als in de analyse van een afgelopen examen. Wat de genderneutraliteit betreft, heeft mijn administratie in 2015 een wetenschappelijke analyse laten uitvoeren op de individuele items van het juli- en augustusexamen. Uit deze analyse bleek dat voor het gedeelte kennis en inzicht in de wetenschappen vijftien vragen een genderbias vertoonden, waarvan acht in het voordeel van meisjes en zeven in het voordeel van jongens. Sommige vragen bleken dus in lichte mate beter te worden beantwoord door een van beide geslachten, maar bijna even vaak was het voordeel voor meisjes als voor jongens. Je kunt dus niet zeggen dat er een systematische benadeling is van de meisjes.

Verder moet het genderverschil worden genuanceerd omdat je ook andere achtergrondkenmerken in rekening moet nemen. De balans kantelt naargelang van de subgroep die je vergelijkt. Om dit te illustreren: er is bijvoorbeeld een groep meisjes, namelijk de meisjes die aanduiden dat ze het examen doen om arts te worden, die het beter doet dan een groep jongens. Als de motivatie wordt gemeten van wie arts wil worden, dan krijg je een betere score voor meisjes. De jongens die aanduiden dat ze het examen doen om tandarts te worden, halen een mindere score. Afhankelijk van de variabelen die je inbrengt, krijg je een totaal ander resultaat. We kunnen dus niet zomaar besluiten trekken.

Ook blijft het in absolute termen zo dat nog steeds veel meer meisjes slagen dan jongens – er nemen ook veel meer meisjes deel dan jongens –, waardoor veel meer meisjes dan jongens doorstromen naar de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde, en waardoor er uiteindelijk ook veel meer vrouwelijke artsen afstuderen dan mannelijke.

Tot slot doet de verschillende slaagkans voor jongens en meisjes in wetenschappen en wiskunde zich niet alleen voor bij het toelatingsexamen arts en tandarts. Ook in het Programme for International Student Assessment (PISA), in de Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS), en in de peilingsonderzoeken wiskunde van de tweede en de derde graad zien we een verschil in gemiddelde prestaties tussen jongens en meisjes. Ook internationaal is dat prestatieverschil een tendens. We moeten bijgevolg voorzichtig zijn met conclusies omtrent de genderneutraliteit van de examenvragen van het toelatingsexamen. Dat neemt echter niet weg dat we dit als een blijvend aandachtspunt meenemen.

Dan de verschillen tussen de provincies. Dat is voor mij een bron van vreugde, als je ziet wie de beste provincie is, maar ook een bron van grote kopzorgen. Het prestatieverschil tussen de provincies is niet direct identificeerbaar qua oorzaak. Ook hier geldt dat soortgelijke regionale verschillen al in eerder onderzoek werden vastgesteld, zij het dat we hier over minder data beschikken, namelijk voor Limburg in een editie van PISA van meer dan tien jaar geleden en voor Brussel in het peilingsonderzoek wereldoriëntatie basisonderwijs van 2010.

Voor regionale prestatieverschillen hebben we dus een kleinere evidentiebasis, waardoor we ons moeten hoeden voor overhaaste conclusies. Het gaat hier om correlaties en niet om oorzakelijke verbanden.

Bovendien is de steekproef in het kader van het toelatingsexamen sowieso beperkt in omvang en qua samenstelling sowieso niet neutraal: omdat je enkel de resultaten kent van jongeren die aan het examen deelnamen, en niet beschikt over de controlegroep van niet-deelnemers. Toch reken ik erop dat deze verschillen opgepikt worden, niet alleen door de secundaire scholen die voorbereiden op het examen, maar ook in de algemene voorbereiding vanuit de universiteiten, waarop ik straks nog terugkom.

Tot nu toe bevat de database van het toelatingsexamen enkel gegevens over geslacht, geboortedatum, provincie en studierichting, en niet over thuistaal. De studie van Roggemans en Spruyt van 2014 onderzocht wel de correlatie tussen thuistaal en het slagen op het toelatingsexamen, wat zich vooral zou uiten bij deelnemers uit het Brusselse Gewest. In deze studie stelde men een klein effect van thuistaal vast, vooral op het onderdeel ‘informatie verwerven en verwerken’ (IVV). Sowieso geldt dat een goede beheersing van het Nederlands nodig is: in het toelatingsexamen, dat naast kennis en inzicht in de wetenschappen ook peilt naar informatieverwerving en -verwerking, in de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde, en in de uitoefening van het beroep van arts en tandarts. Om echter te vermijden dat studenten bevoordeeld worden door een doorgedreven kennis van specialistisch taalgebruik, gaat er bij het opstellen van de vragen en zeker ook de stilleestekst tegenwoordig wel degelijk aandacht naar het gepaste taalniveau.

Wat betreft uw bijkomende vraag over de hervorming van de toelatingsproef, hebben we vrijdag inderdaad met de regering een beslissing genomen. Ik heb het persbericht gezien van de studenten en ik heb gisteren ook de studenten ontvangen op mijn kabinet. Ik wou dat snel doen omdat de studenten actief participeren in het hele proces. Het is mede door de studenten dat ik het aangedurfd heb om de sprong te maken naar een numerus fixus. Zonder de steun van de studentenpopulatie kun je dat niet doen. Ik heb dinsdag geluisterd naar hun voornaamste bezorgdheden. Het persbericht was trouwens niet zo kritisch, maar op een aantal punten vrij constructief.

We dachten dat een examen op 3 en 4 juli ideaal zou zijn: één keer studeren en klaar. De studenten erkennen dat ook en ze vragen dus niet om dit te spreiden over twee maanden, maar enkel een pauze van één dag tussen de twee examens.

Een tweede vraag ging over het moment van het examen. We hebben gekozen om dat heel vroeg te doen in juli, zij vragen om dat te herbekijken, in het bijzonder voor de studenten biomedische wetenschappen die willen overschakelen naar geneeskunde, want die studenten zijn dan nog maar net klaar met hun examens. Voor hen is begin juli dus wel heel vroeg. Ik kan dit herbekijken, dat staat niet in het decreet, maar in een uitvoeringsbesluit. Ik pleeg daar momenteel overleg over.

Een derde vraag van de studenten gaat over de voorbereiding. Ze vinden het een goede zaak dat er een website bestaat die alle voorbereiding vermeldt, maar vragen of er overleg kan zijn tussen de universiteiten zodat de voorbereiding uniformer zou kunnen zijn. Dat is iets moeilijker omdat het verband houdt met de autonomie van de universiteiten. Ik heb beloofd om dat in de komende weken uit te klaren, voor ik mijn besluit aan de Vlaamse Regering voorleg.

Die drie punten zijn dus zeker bespreekbaar, en ik heb ook aan de studenten gevraagd nog eens na te denken over die datum van 3 en 4 juli. We hebben een goed gesprek gehad en ik ben zeker van plan om de jongeren hierbij te blijven betrekken. Nogmaals, je kunt de numerus clausus niet omvormen tot een numerus fixus zonder de expliciete steun van de studenten. Hun grootste argument om daarin mee te gaan is de moeilijkheidsgraad van het examen. We komen nu tot een moeilijkheidsgraad die niet meer gepast is op basis van de huidige eindtermen. We kunnen dus niet anders dan die switch maken. Zij beseffen ook dat het dan onmogelijk is om te voorzien in twee examenperiodes, om de eenvoudige reden dat je geen twee examens kan maken die exact even moeilijk zijn. Dat zou kunnen leiden tot grote discussies over de groep die een moeilijker of minder moeilijk examen had. Bij een numerus fixus moeten we ons dus beperken tot één examenmoment en dat beseffen de studenten ook. 

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord, ook op mijn bijkomende vraag over wat vrijdag beslist werd. Ik denk dat het nodig is om zeker die gender bias en ook de thuistaal opnieuw op te nemen in het nieuwe examen, zodat jongeren geen nadeel ondervinden omdat ze toevallig jongen of meisje zijn of een andere thuistaal gebruiken dan het Nederlands. Ik ben blij te horen dat u de studenten al ontvangen hebt. Ik wist dat ze actief betrokken zijn bij de hervorming van het toelatingsexamen en dat is zeer goed nieuws. Ze hebben inderdaad een aantal bezorgdheden, u verwees er ook naar. Die gaan vooral over de datum en de korte voorbereidingstijd tussen het eerste en het tweede examen.

Met een numerus fixus is het inderdaad zeer moeilijk om twee examens te organiseren, maar als jongeren een herkansing willen, moeten ze dan wel nog een jaar wachten. De tweede zittijd die er in het huidige systeem was, valt dan weg. Ik zie daar niet meteen een oplossing voor.

Tot slot, we hebben al vaak de vraag gesteld naar een uniforme voorbereiding door de universiteiten. Ik begrijp dat de universiteiten op hun autonomie staan, maar het is volgens mij toch belangrijk om daar een lijn in te trekken zodat elke jongere zich op een goede en goedkope manier kan voorbereiden op dat toelatingsexamen. Andere factoren zoals de socio-economische achtergrond, geslacht of thuistaal mogen dan eigenlijk niet spelen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Soens, ik ben blij dat u erkent dat één examenmoment de enige mogelijk oplossing is. Ik doe dat niet voor mijn plezier, maar om ervoor te zorgen dat het examen iets minder moeilijk zal worden, waardoor de frustrerende ervaring bij jongeren, die keihard gewerkt hebben, kan worden weggenomen. Zo niet krijg je wat we nu weer meegemaakt hebben: één vraag blijkt te ver van de eindtermen af te liggen en daardoor mogen nu 99 jongeren extra starten, terwijl het academiejaar intussen al begonnen is. Die situaties wil ik vermijden, vandaar de nieuwe weg. Je kunt nu eenmaal niet iedereen laten starten aan de studies geneeskunde, want niet iedereen zou een RIZIV-nummer krijgen nadien.

Kortom, ik weet dat u bezorgd bent, maar weet dat wij met ons kabinet bijzonder zorgzaam omgaan met de jongeren en hen daarom zo actief betrekken bij het zoeken naar een moedige, nieuwe examenformule.  

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.