U bent hier

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, mijn vraag gaat over het levensbeschouwelijk onderricht. Deze ochtend – en u weet het, want uw kabinet was ook aanwezig – hebben we in het kader van de eindtermendiscussie ook gepraat over levensbeschouwelijk onderricht en de relatie met de eindtermen. Vandaag wil ik het hebben over het aantal vrijstellingen en de invulling daarvan.

U antwoordde op een schriftelijke vraag van mevrouw Meuleman dat het aantal vrijstellingen dat wordt toegekend voor levensbeschouwelijke vakken, stijgt. Vorig schooljaar waren er 1392 vrijstellingen in het lager onderwijs tegenover 888 vijf jaar eerder. Voor het secundair onderwijs ging het over 920 vrijstellingen vorig schooljaar tegenover 753 vijf jaar eerder.

Op onze vraag, minister, beslisten we in dit parlement om de motivatieplicht te versoepelen en de toekenning van de vrijstelling makkelijker te laten verlopen. Dat het aantal vrijstellingen stijgt, heeft ongetwijfeld te maken met enerzijds de toegenomen diversiteit en anderzijds de secularisering van leerlingen en de samenleving in haar geheel. We hebben in ons land zes erkende levensbeschouwingen, maar uiteraard is de diversiteit aan religies en levensbeschouwingen veel groter. In mijn thuisstad Mechelen bijvoorbeeld wonen 139 nationaliteiten, met een veelvoud aan religie, waardenkader of levensbeschouwing. Het ziet er niet naar uit dat de diversiteit de komende jaren kleiner zal worden. De vraag is dan ook hoe we in ons onderwijs in de toekomst blijven omgaan met die veelheid aan levensbeschouwingen en filosofische strekkingen in onze gemeenschap.

Minister, hoeveel aanvragen tot vrijstelling werden in het schooljaar 2016-2017 daadwerkelijk gehonoreerd, en hoeveel niet? Wat waren eventueel de redenen om niet toe te kennen? Plant u ondersteuning voor het zinvol invullen van lesuren van leerlingen met een toegekende vrijstelling? Zo ja, welke, zowel qua omkadering als werking? Bent u bereid om de vrijgestelde uren desgevallend in te vullen met onder andere burgerschapsvorming, met eindtermen op maat en gecontroleerd door de overheid, of bent u bereid om te ijveren voor de mogelijkheid om burgerschapsvorming als een apart vak te integreren in het curriculum van het leerplichtonderwijs? Het GO! is dit schooljaar met een pilootproject begonnen. De collega’s Krekels en Brusseel stellen daar ook vragen over. Wij vinden echter het zinvol om zo’n apart vak te integreren in het curriculum van alle onderwijsverstrekkers.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik had deze zomer twee vragen gesteld over dit onderwerp, een schriftelijke vraag en een vraag om uitleg. Vorige week maandag heb ik een antwoord gekregen op de schriftelijke vraag. Daarom heb ik mijn vraag vandaag een klein beetje aangepast.

Jongeren tot kritische, zelfstandig denkende burgers omvormen is een kerntaak van ons onderwijs. Daarom is het belangrijk dat burgerschapsvorming een meer centrale rol krijgt in het onderwijs. Ook binnen de prioriteiten van Education and Training 2020 van de Europese Commissie en Raad krijgt burgerschap een centrale plaats toebedeeld. Nu staat het nog in de vakoverschrijdende termen. Resultaat: in de praktijk komt het erop neer dat burgerschap wordt gegeven afhankelijk van het initiatief van een individuele leerkracht.

Het GO! pakte op donderdag 31 augustus uit met een primeur: het nieuwe vak burgerschap. Het is Atheneum Bree dat als enige school op deze kar is gesprongen. Uit de inlichtingen die ik heb verkregen vanuit die school, blijkt dat de school een van de twee seminarie-uren in de derde graad vrijmaakt voor de inrichting van burgerschap. Dat gebeurt in alle studierichtingen en in alle graden. Het GO! heeft ook een leerlijn uitgewerkt met leerinhouden en een gemeenschappelijk taalgebruik.

Dat er meer aandacht komt voor burgerschap, is een goede zaak. Onze fractie ijvert al lang voor burgerschap voor elke leerling, dus niet alleen voor de leerlingen die een vrijstelling krijgen voor levensbeschouwelijk onderricht. Bij dezen wil ik ook wel onderstrepen dat voor ons levensbeschouwelijk onderricht en burgerschap echt wel twee aparte gegevens zijn, en dus ook volledig losstaan van elkaar. De nood aan meer burgerschap op school blijkt ook uit een peiling over de eindtermen met betrekking tot burgerzin en burgerschapseducatie in de derde graad van aso, bso, kso en tso. De resultaten van de peiling werden in juli 2017 gepubliceerd. Bij het analyseren van de resultaten maakte ik me vooral zorgen over de significant lagere scores van de bso-leerlingen. Minister, ik kaartte dat dan ook schriftelijk bij u aan. Uit uw antwoord daarop begrijp ik dat u die bezorgdheid met me deelt. Ik kijk daarom ook wel uit naar de resultaten van het overleg met de onderwijsactoren, en vooral naar de resultaten van de International Civic and Citizenship Education Study, een vergelijkende studie die in 2009 bij mijn collega’s reeds belletjes heeft doen rinkelen.

Hierover wil ik dan ook de volgende vragen stellen. Hoe ziet u de toekomst van het vak burgerschap op korte en middellange termijn? Hoe zal de aandacht voor burgerschap worden opgenomen in de lerarenopleiding?

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

De collega’s hebben het al aangehaald: het GO! is gestart met het vak burgerschap. Dit wordt als keuzevak aangeboden in een tiental pilootscholen, om vanaf volgend schooljaar in alle secundaire scholen te worden uitgerold. Volgens de afgevaardigd bestuurder zal er naast het aparte vak ook meer aandacht komen voor burgerschap in de andere vakken. In 2016 peilde het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) de vakoverschrijdende eindtermen met betrekking tot burgerzin en burgerschapseducatie in de derde graad aso, bso, tso en kso. AHOVOKS peilde zowel naar kennis inzake burgerzin als naar attitudes. In totaal namen 4113 leerlingen uit 166 secundaire scholen in Vlaanderen deel. De resultaten waren over het algemeen positief: 79 tot 84 procent van de leerlingen behaalt de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden inzake burgerzin. Er waren echter grote verschillen qua onderwijsvorm, zoals collega Krekels reeds aanhaalde. Van de leerlingen uit het aso behaalt bijna iedereen de eindtermen. Ook in het tso behalen de meeste leerlingen de eindtermen. In het bso behaalt echter minder dan de helft van de leerlingen de eindtermen voor burgerzin.

Toch bestaat er geen waterdichte en alomvattende definitie van ‘burgerschap’. Daarom verwees het AHOVOKS-rapport ook naar een drievoudige omschrijving: er werd een opdeling gemaakt tussen gezagsgetrouw burgerschap, dus bijvoorbeeld wetten naleven, hard werken en zich inzetten voor het economisch welzijn, sociaal burgerschap, bijvoorbeeld zich inzetten voor milieu, mensenrechten en medeburgers, en conventioneel burgerschap, zijnde alles wat politieke rechten en het democratisch proces betreft. Minister, naar aanleiding van de start van dit schooljaar liet u in de media optekenen dat er meer aandacht moet zijn voor burgerschapsvorming in de eindtermen. Zoals u weet, en overigens zoals de meeste collega’s hier, vindt ook Open Vld dat een belangrijk punt om aan te werken in onze scholen. Vandaar mijn vragen.

Welke definiëring van de termen ‘burgerschap’ en ‘burgerschapseducatie’ wordt door het GO! in zijn recentste initiatief gehanteerd? Op welke manier zal er eventueel meer aandacht zijn voor burgerschap in andere vakken? Sociaal en conventioneel burgerschap waren volgens leerlingen minder belangrijk in de peiling van 2016. Hoe willen u en het GO! het statuut van beide elementen versterken om leerlingen bewust te maken van dat belang? Hoe evalueert u de tegenvallende resultaten inzake de peiling naar burgerzin en burgerschapseducatie in het bso?

Minister, welke maatregelen plant u specifiek ten aanzien van deze groep leerlingen? Hoe wilt u de aandacht voor burgerschap in alle netten verhogen, zoals u hebt geïmpliceerd met uw opmerking over de eindtermen? Welke vakleerkrachten zullen het vak burgerschap in het GO! geven?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Gennez, eerst en vooral weet u dat we hebben geprobeerd een vereenvoudiging door te voeren door het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de keuze voor en de vrijstelling van het volgen van een cursus in één van de erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer in het officieel lager en secundair onderwijs te wijzigen. Sinds 1 september 2016 kan een leerling door middel van een keuzeformulier niet enkel kiezen tussen een van de erkende godsdiensten of zedenleer, maar ook expliciet de keuze maken om te worden vrijgesteld. Vroeger moest hij dit speciaal aanvragen. Nu kan hij dit aankruisen. Voor 1 september 2016 was dit onmogelijk. Toen moest de keuze voor de vrijstelling met een apart formulier aan de directeur worden gemeld. De ouders moesten uiteraard niet motiveren waarom hun kind voor een vrijstelling koos.

De vraag is dan hoe die vrijstelling zinvol kan worden ingevuld. Er zijn een aantal mogelijkheden. Eerst en vooral is grondwettelijk bepaald dat leerlingen op school de kans moeten krijgen hun eigen levensbeschouwing te bestuderen, ook indien dit niet een van de zeven erkende levensbeschouwingen is. Indien we voor jongeren een algemene vorming beogen, maakt het levensbeschouwelijke daar deel van uit.

De regel stelt dat de ouders in het geval van een vrijstelling zelf voor de invulling moeten zorgen. Die lesuren moeten zinvol worden ingevuld. Dit betekent, bijvoorbeeld, dat een jongere die het boeddhisme wil bestuderen dat tijdens die uren kan doen. De klassenraad kan hier toezicht op houden. Indien we de uren van de vrijstelling met andere vakken zouden invullen, zouden we de leerlingen het recht ontzeggen hun eigen levensbeschouwing te bestuderen. Bovendien zouden we er dan vakken inschuiven die deel uitmaken van het curriculum. Dat kan niet.

Ik sta op gespannen voet met mijn eigen regelgeving, wat niet evident is. Ik zit wat gewrongen met het feit dat de school in het geval van een vrijstelling geen aanbod kan doen. We hebben hierover al grote discussies gevoerd. Mijn mensen zoeken nu of een school in het geval van een vrijstelling toch een aanbod kan doen. We moeten sowieso het grondwettelijk recht respecteren. Ik ben er nog niet uit. Het kan geen wiskunde of Nederlands worden. Het mag niets zijn dat deel uitmaakt van het curriculum van de leerlingen. Dat is mijn uitgangspunt. Au fond moeten we leerlingen de vrijheid laten, maar de vraag blijft of de school dan niets kan aanbieden. Ik heb de opdracht om neen te zeggen, maar ik vind dat moeilijk. We zijn er nog niet uit, wat ook mijn recht is.

Mevrouw Gennez, dan is er het hele debat over de burgerschapsvorming. Op 1 september 2017 heb ik het Koninklijk Atheneum van De Pinte bezocht. Ik heb daar de eerste les burgerschap gevolgd. Ik raad iedereen aan dit ook te doen. Dat vak wordt in de vrije ruimte aangeboden, maar eigenlijk heeft de wijze waarop die eerste les is aangepakt me ervan overtuigd dat we in de nieuwe eindtermen in een prominente plaats moeten voorzien voor dat burgerschap.

Volgens het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs lijkt dit me een bevoegdheid van de leerplanmakers. Zij moeten nagaan op welke wijze ze dit willen doen. Als Vlaamse overheid kunnen we wel stellen wat we verwachten en welke definitie we hieraan willen geven. Het GO! maakt gebruik van de vrijheid die het heeft. Het katholiek onderwijs geeft hier met betrekking tot een aantal punten een eigen invulling aan. Het stedelijk en gemeentelijk onderwijs doen dat ook.

Voor mij is dit iets bijzonders. Wat me het meest heeft getroffen, is dat de leerkracht met drie vragen al bij de essentie zat van bepaalde percepties die we hebben. Dat ging zeer spontaan. Ik was heel verrast over de wijze waarop leerlingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs met de grote vragen des levens omgaan. Het was een zeer positieve ervaring.

In het pedagogisch project van het GO! staat het actief burgerschap centraal. Voor het Go! betekent dit dat burgers op een actieve wijze mee vorm geven aan de samenleving en aan hun plaats binnen die samenleving. Kritisch nadenken, democratisch handelen en actief aan onze samenleving participeren, maken daar deel van uit. Het GO! omschrijft het doel van de burgerschapseducatie als het opleiden van kinderen en jongeren zodat ze aan de democratische maatschappij kunnen deelnemen en die maatschappij duurzaam kunnen ondersteunen en vernieuwen.

Heel concreet betekent dit ten eerste dat jongeren zich grondig informeren over democratische begrippen als rechtvaardigheid, gelijkheid, vrijheid en gezag, ten tweede dat jongeren zich inleven in discussies en debatten over dit onderwerp, ten derde dat jongeren kritisch kunnen nadenken over de eigen rol die ze spelen in de maatschappij, ten vierde dat jongeren al doende leren wat het betekent een actieve burger te zijn, ten vijfde dat jongeren mee participeren in het schoolbeleid en ten zesde dat jongeren in hun leraren en andere personeelsleden rolmodellen vinden die zelf democratisch handelen en die participatie en kritisch onderzoek stimuleren. Die informatie is ook op de website te vinden.

Het GO! benadrukt dat de scholen die aan een actief burgerschap willen werken dit bij voorkeur doen op de manier die het best past bij de visie op onderwijs, de leerlingenpopulatie, de schoolcontext en de leerlingenparticipatie. Ik vind dat relevant. Deze werkwijze is een reden om niet van bovenaf een vak op te leggen. Met een eindterm komen we echter al ver, zeker omdat de vakgebondenheid in de nieuwe eindtermen anders wordt benaderd. De vakkenlijsten blijven bestaan, maar de linken die worden gelegd, worden vrijer.

Uit de resultaten van de peiling van 2016 bleek dat leerlingen gezagsgetrouw burgerschap over het algemeen het belangrijkst vinden, op korte afstand gevolgd door sociaal burgerschap. Conventioneel burgerschap vinden ze minder belangrijk. Overigens zijn ook hier de verschillen tussen aso- en bso-leerlingen terug te vinden: voor de drie soorten burgerschap zien we dat aso-leerlingen er het meest belang aan hechten en bso-leerlingen het minst. De peiling is niet goed, maar men hecht er ook minder belang aan. Als we willen remediëren, moeten we daar ook rekening mee houden. Als je iets niet belangrijk vindt, is het logisch dat het resultaat minder is.

Ik vind het belangrijk om eerst een goed zicht te krijgen op de oorzaken. Heeft het te maken met een bepaald onevenwicht in de eindtermen? Ligt het aan de praktijk in de klas? We zullen daar een analyse over uitvoeren, maar ik kom daar straks nog op terug.

Het valt in deze context op dat de bso-leerlingen een hoger vertrouwen blijken te hebben in sociale media. Ook dit kan een interessant uitgangspunt voor verder onderzoek vormen. Ik zeg niet dat er een causaal verband is, maar er zou een correlatie kunnen zijn tussen de twee.

Goed onderwijs start uiteraard met goede leraren. Het vak ‘burgerschap’ wordt nu in de vrije ruimte gegeven. De overheid voert hier niet de boventoon, hier speelt de autonomie van de scholen. In de praktijk, zo heb ik het gevoel, kijkt men wellicht snel in de richting van profielen met een historische, politicologische of filosofische achtergrond, maar ook andere vooropleidingen kunnen interessant zijn als uitgangspunt om deze leerinhouden te benaderen. Het allerbelangrijkste hierbij is dat de leraren – welke achtergrond ze ook hebben – kunnen rekenen op ondersteuning. Voor mij kan dat ook een leraar wiskunde zijn. Het hangt er een beetje van af hoe men in het leven staat en wat het belang is. Ik denk bijvoorbeeld aan het project Burgerschapsvorming van de Koning Boudewijnstichting en het Bijzonder Comité voor Herinneringseducatie die daar een relevante rol in kunnen spelen.

Mevrouw Brusseel had het over de tegenvallende resultaten van het bso. Ik was eigenlijk bijzonder gelukkig over de resultaten van de peiling voor aso en tso. Die waren onverhoopt goed. Ik had gedacht dat het slechter gesteld zou zijn met de burgerschapszin van onze jongeren. Laat mij op de Dag van de Leerlaar starten met die hele positieve noot, want eigenlijk was die peiling best oké.

Aandachtspunt is inderdaad het bso. De verklaring is niet zo eenvoudig. Uit vorige peilingen weten we dat een aantal factoren een invloed hebben, zoals de thuistaal van de leerlingen en het cultureel kapitaal. Leerlingen die niet het Nederlands als thuistaal hebben en uit gezinnen komen met een lager cultureel kapitaal, behalen doorgaans lagere toetsscores. U weet dat we de algemene vorming in de B-stroom willen versterken. Misschien kan dat een extra uitgangspunt zijn. Als we de samenstelling van het leerlingenpubliek in het bso leggen op de factoren die een rol kunnen spelen bij de algemene resultaten, dan vinden we daar al interessant materiaal.

De kans is groot dat er nog andere beïnvloedende factoren zijn. We hebben in 2014 gezien dat de scores op de peiling project algemene vakken (PAV) ook niet zo goed waren. Misschien is daar ook een verband. Uit het verslag van de inspectie van dit jaar blijkt dat PAV is verbeterd. Er is echt wel geremedieerd.

Welke rol vervullen de praktijkleerkrachten in de burgerschapsvorming van leerlingen? U weet dat we de lerarenopleiding willen hervormen en dat we voor de praktijkleerkrachten die geen diploma hoger onderwijs hebben een opleiding willen maken op niveau 5. Dat is heel interessant omdat praktijkleerkrachten misschien nog meer dan wie ook een positieve invloed kunnen hebben op de burgerschapszin van jongeren. Ik zou het niet opsluiten in een vak. Het is iets dat iedereen kan uitstralen.

Welke invloed heeft het grotere vertrouwen dat deze leerlingen blijken te stellen in de sociale media? Dit najaar organiseren we een werkseminarie met onderwijsactoren, namelijk beleidsmedewerkers, pedagogische begeleidingsdiensten, academici, lerarenopleiders, leerkrachten en inhoudelijke experten. Bedoeling is om te reflecteren over de peilingsresultaten van PAV. Op basis daarvan zullen we aanbevelingen kunnen formuleren.

Begin 2018 zullen we ook over de Vlaamse resultaten beschikken van de International Civics and Citizenship Education Study (ICCS) uit 2016. Dat is een zeer grote peiling uitgevoerd bij 14-jarigen. We namen daaraan deel. We zorgden ervoor dat een aantal items werden opgenomen in de peiling. Een volledige vergelijking kunnen we niet maken maar een aantal thematische analyses zullen ons meer inzicht kunnen geven in de verklaringen.

Er waren ook vragen over de lerarenopleiding. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) ontwikkelde in dat kader een referentiekader voor burgerschapscompetenties. Het agentschap deed daarvoor een beroep op academische experten van verschillende universiteiten. In het referentiekader staan samenleven in diversiteit, actief burgerschap, het voeren van democratische dialoog en het belang van de internationale gemeenschap centraal. We zijn daar volop mee aan het werk. In een volgende stap kunnen we dan overgaan naar de ontwikkeling van concrete eindtermen, die voldoende duidelijk zijn maar ook ruimte laten om er in de klas mee aan de slag te gaan. Ik waag me aan een bescheiden voorbeeld: leerlingen illustreren hoe de Rechten van het Kind impact hebben op de eigen en/of nabije leefsituatie.

Dat is eigenlijk zeer concreet. Het maakt het mogelijk voor lerarenopleiders, maar ook voor leraren om daar in de klas zeer actief mee aan de slag te gaan. Het is ook maar één zinnetje, wat men ook graag heeft.

Het antwoord is een beetje omstandig, maar de vragen waren dat ook.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw omstandig antwoord op onze omstandige vragen. Het is effectief een goede zaak dat de vrijstelling automatisch wordt toegekend. Dat betekent effectief dat als het om een gewone keuze gaat, er geen enkele weigering heeft plaatsgevonden.

Ik ben ook blij dat u zeker wilt kijken naar de invulling van de vrijstelling. Dat is zeer wenselijk. Kinderen zitten lang op de schoolbanken. Als ze er dan toch zijn, is het effectief zinvol om hun leerstof aan te reiken als ze hebben gekozen voor de vrijstelling. Ik denk zelfs dat het zinvol kan zijn om naar een gedeelde sokkel van invulling te gaan, die ook in de vrijstelling kan worden gegeven maar ook in de verschillende levensbeschouwingen. Als je wilt samenleven in diversiteit en dat ook echt wilt leren, is het niet goed om kinderen te segregeren naar de religie van hun ouders. Het is belangrijk dat die kennis, vaardigheden en attitudes rond burgerschap en interlevensbeschouwelijke dialoog worden meegegeven aan alle kinderen, ongeacht het net waarin ze schoollopen.

U vindt het belangrijk dat er bij de nieuwe eindtermen aandacht is voor burgerschap. Dat is een bekommernis die over de partijgrenzen heen gedeeld wordt. De wereld van vandaag biedt heel wat uitdagingen en er is heel veel polarisering en aandacht voor radicalisering. In de verschillende parlementen maken we daar resoluties over en we dichten een belangrijke rol toe aan het onderwijs om radicalisering, laat staan extreem gewelddadige radicalisering, te voorkomen. Dan komen we er niet onderuit om ook voor de levensbeschouwelijke vakken, uiteraard van alle levensbeschouwingen, eindtermen te schrijven, volledig of gedeeltelijk ontwikkeld door de levensbeschouwingen zelf – voor ons mag het volledig – maar niet langer, zoals vandaag het geval is, gecontroleerd door de levensbeschouwingen zelf. Je kunt niet tegelijkertijd rechter en partij zijn. Het is evident dat de onderwijsinspectie die bevoegd is voor de controle op onze eindtermen, ook in de toekomst als er een gedeelde sokkel wordt gedefinieerd minstens van de eindtermen voor de levensbeschouwingen, ook nagaat of dit effectief gerealiseerd kan worden.

Dit moet naar onze inschatting geen inbreuk maken op artikel 24 van de Grondwet. De vrijheid van onderwijs noch de vrijheid van levensbeschouwing komen hiermee in het gedrang. Het is wel het aanpassen van ons levensbeschouwelijk onderricht aan de 21e eeuw. We zijn 2017. We hebben 150 nationaliteiten in ons land, en een veelheid aan levensbeschouwingen, meer dan er vandaag effectief erkend zijn. Naast de opdracht van elk gezin, is het ook de opdracht van elke school om de levensbeschouwing te ondersteunen en te onderrichten als ouders daarvoor kiezen, maar dan moeten we dat ook doen op zo’n manier dat we gedeelde sokkels en gedeelde waarden over de levensbeschouwingen heen, en dus ook over de vrijstelling heen, durven definiëren en controleren. Ik houd een warm pleidooi om daar toch minstens het debat over te voeren en wat ons betreft ook te landen in een compromis in de discussie over de eindtermen.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik zit niet in de kerngroep van de eindtermen. Ik voel dat er een beetje een spanning is met levensbeschouwing, burgerschap en de discussie die daar deze morgen misschien over gevoerd is. Ik ga dus niet in op het betoog waarmee mevrouw Gennez afsloot omdat ik denk dat die discussie binnen de discussie over de eindtermen verder moet worden gevoerd.

Wat betreft de diversiteit, is het belangrijk dat de leerkrachten die burgerschap geven en de kinderen duidelijk willen maken dat we in een maatschappij met een grote diversiteit leven, in eerste instantie ook meegeven dat je moet kunnen vertrekken van een eigen identiteit en eigenheid, dat je een goed beeld hebt van de samenleving waarin je leeft en opgroeit en daar de waarden, de normen en dergelijke ook van opneemt, alvorens je kunt openstaan voor de diversiteit.

Dat brengt me natuurlijk op het vakmanschap van de leerkrachten die in dezen heel belangrijk is. Vandaar uiteraard ook mijn vraag naar de lerarenopleiding. Het zal voor ons heel belangrijk zijn dat de leraren vakinhoudelijk en vakdidactisch heel goed opgeleid worden in vaardigheden, kennis en uiteraard ook attitudes. Collega Brusseel heeft de drie vormen van burgerschap genoemd die het AHOVOKS-onderzoek naar voren brengt: het conventioneel burgerschap, het sociaal burgerschap en het gezagsgetrouw burgerschap. De leerkracht moet daar heel goed in geschoold zijn en een engagement innemen om die brede maatschappelijke waaier daarin aan bod te laten komen.

Minister, u maakt een correlatie tussen het conventionele burgerschap en het feit dat er minder interesse is van de leerlingen uit het beroepsonderwijs waardoor ze ook mogelijk minder scoren. Ik wil toch ook wel even duiden dat op de drie vormen van burgerschap het aso altijd een heel sterke score behaalde van 91 procent en meer, het tso nog meer dan 80 procent en het beroepsonderwijs scoorde onder het gemiddelde. Die correlatie is dus niet helemaal door te trekken. Zo komen we opnieuw terecht bij de belangrijke functie van de leerkracht. Het onderzoek verwijst ook naar de zes kenmerken en de culturele achtergronden van de leerlingen die een invloed hebben, maar ook naar de belangrijke invloed die een leerkracht kan hebben.

We moeten dit ook meenemen, niet alleen in de discussie van de eindtermen, maar ook in de discussie van de lerarenopleiding en de vakinvulling die we daar dan aan willen geven.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ik wil een voorafgaande bemerking maken in verband met de levensbeschouwing. De vragen zijn gekoppeld, maar eigenlijk gaan ze over iets totaal anders. Burgerschap en levensbeschouwing zijn echt niet hetzelfde. Ik hecht er, net als u, belang aan dat er burgerschapseducatie is op school in zijn vele vormen – dialoog, inzetten op kritisch denken – en de definitie die eraan wordt gegeven door het GO! waar ik me uiteraard in kan vinden, maar ik vind dat iets anders dan levensbeschouwing.

Vanuit onze fractie wil ik dus de bemerking geven, collega Gennez, dat wie vrijgesteld is, vrijgesteld is. Dat is vrijheid. Dat wil zeggen dat je geen ander vak moet krijgen, ook al vindt men dat er een nuttige invulling moet zijn omdat je op school zit. En levensbeschouwing houdt precies in dat je eigenlijk zelf beschikt over wat je een nuttige invulling vindt voor jezelf. Dat is een zeer persoonlijke keuze. Voor sommigen is dat een godsdienstige levensbeschouwing, voor anderen een niet-godsdienstige die op een andere moraal is gebaseerd. Men kan er natuurlijk ook van uitgaan, mevrouw Gennez, dat er geen levensbeschouwing is op school, maar wel burgerschapseducatie. Dat kan ook een optie zijn. Een andere optie is het volledige pakket waar professor Loobuyck voor pleit, Levensbeschouwing, Ethiek, Filosofie (LEF) waarin meerdere zaken aan bod komen. Dat is nog iets anders. Laten we wel de discussie correct voeren: levensbeschouwing is voor mij iets anders dan burgerschapseducatie.

Minister, ik ben het met u eens dat er niet noodzakelijkerwijs een vak moet komen. Onze leerlingen zitten al veel uren op school. Denk aan het OESO-gemiddelde waar we heel ver boven zitten. Geen vak, maar wel concrete eindtermen en transparante eindtermen. Wat het GO! opgeeft als definitie, kan zeker tellen.

Minister, waarover ik het ook met u eens ben, is dat het vooral vaardigheden zijn, en natuurlijk ook opleiding, die zullen maken dat een leerkracht dat goed geeft en dat er in de leerkrachtenopleiding aandacht voor moet zijn. Ik denk dat de leerkracht vooral feeling moet hebben om met de leerlingen een goede dialoog te hebben en ervoor moet zorgen dat leerlingen debatteren met elkaar. Kennis kan ook via bijscholing worden aangereikt.

Minister, u had het over de kennis van de leerlingen van het bso. U zegt dat men er weinig belang aan hecht en dat daardoor de resultaten wat minder zijn, maar het is ook door een gebrek aan kennis dat er weinig belang aan wordt gehecht. We moeten wel inzetten op kennis op alle onderwijsniveaus inzake burgerschapseducatie en zeker de leerlingen versterken die, door andere culturele achtergronden, er misschien niet zo sterk in zijn. Dat geeft te kennen dat er verschillen zijn in de samenleving die dringend moeten worden overbrugd.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, mevrouw Gennez verwijst naar de cijfers die ik had opgevraagd en we zagen een vrij grote stijging voor het schooljaar 2016-2017. Ik weet niet of er intussen nieuwe cijfers zijn voor dit schooljaar, wellicht niet. Het is mijn aanvoelen dat het alleen maar zal toenemen omdat de motivatieplicht is weggevallen sinds 2015. Naarmate dit meer bekend zal zijn – en dat gebeurt – zou het wel eens kunnen dat het aantal vrijstellingen nog veel meer zal toenemen.

Als er grote groepen leerlingen zijn die een vrijstelling hebben gevraagd, dan kan men zeggen dat men vrij is en dat men niets kan doen. Ik denk niet dat het haalbaar is dat een grote groep kinderen zich twee uur per week gedurende het hele leerplichtonderwijs in stilte moet bezighouden en de tijd zelf moet invullen. Ik vraag me af of er toch geen beter alternatief te vinden is. Wij zijn van mening dat levensbeschouwing nog wel een plek op school moet krijgen, maar vragen ons af of dat twee uur moet zijn gedurende het hele leerplichtonderwijs. Ik denk dat het zinvoller kan zijn om te zoeken naar een oplossing die zowel voor het GO! als voor andere netten een antwoord geeft op de maatschappelijke vragen die er zijn. Noem het om het even wat. Het kan burgerschap zijn of interreligieuze competenties.

Ik denk dat de trend in de vrijstellingen u toch zal dwingen om in een andere oplossing te voorzien.

De heer De Meyer heeft het woord.

Burgerschapseducatie is ongetwijfeld belangrijk, maar als we hier moeten invullen hoe dat moet gebeuren en bepalen of men het effectief in één vak vertaalt en op welke wijze, is dat nog iets anders. Op dat stuk speelt enige vrijheid van onderwijs. Het is belangrijk dat we die burgerschapsvorming op een eigentijdse manier invullen. Ik ben het eens met mevrouw Brusseel, die zegt dat burgerschap en levensbeschouwing twee verschillende zaken zijn. Ik deel ook de bezorgdheid van mevrouw Krekels dat we hier deze namiddag niet moeten vooruitlopen op het debat over de eindtermen. Dat moeten we in zijn globaliteit benaderen, maar hier een voorafname doen over bepaalde elementen daarvan gaat niet op. Daarom ga ik daar niet verder op in.

Het is juist dat het debat rond burgerschap inderdaad een ander debat is dan het debat over de levensbeschouwing. We moeten zorgen dat we dat niet allemaal door elkaar haspelen.

Wat betreft de levensbeschouwingen moeten we er vooral over waken dat wat er in de levensbeschouwingen gebeurt, de andere eindtermen niet in het gedrang brengen. Dat is in het kort wat ik daarover wil zeggen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Daniëls, ik pik meteen in op wat u zegt, want ik ben het daar volkomen mee eens. Het gaat zelfs nog verder: wie een school wil oprichten en door de Vlaamse overheid gesubsidieerd wil worden, moet een aantal erkenningsvoorwaarden in acht nemen. Eén van die voorwaarden is dat alle rechten en vrijheden uit de Grondwet en uit de mensenrechtenverdragen absoluut gerespecteerd moeten worden. Levensbeschouwing kan die verdragen nooit buitenspel zetten, daar wil ik heel duidelijk over zijn. Als onze gewone inspectie zou bevroeden dat deze erkenningsvoorwaarden ergens geschonden worden, dan mogen ze ingrijpen. Voor de rest moeten ze goed samenwerken, en onze inspectie kan de leerplannen van die levensbeschouwing niet controleren. Er zijn evenwel hefbomen.

Aanvankelijk was ik niet van plan om daarop te reageren. Ik begrijp dat u die koppeling maakt, maar dat zat eigenlijk niet in die vraag. Als u zegt dat er eindtermen levensbeschouwing moeten komen, dan ben ik het daar niet mee eens. Het is niet omdat ik voorzichtig ben, ook vanwege de scheiding tussen kerk en staat, dat ik niet zeer consequent en hard wil optreden tegen het mogelijk met voeten treden van grondwettelijke rechten en vrijheden. Daar ligt voor mij ook de grens. Ik vind dat we daar veel helderder moeten op ingaan. Als ik op dit ogenblik ook zorg dat leerkrachten levensbeschouwing en meer bepaald de islamleerkrachten een goede opleiding krijgen en dat er een voldoende aanbod is, dan heeft dat allemaal daarmee te maken. Maar dat was eigenlijk niet het onderwerp van deze vraag. Daaraan wordt in de toekomst wellicht nog een debat gewijd.

Mevrouw Meuleman, wat die vrijstellingen betreft, dat volgen we uiteraard op. Of er meer vrijstellingen gevraagd worden of niet, dat moet niet gemotiveerd zijn. Ik heb een engagement genomen en ik zit nog een beetje gewrongen over de vraag of de school een aanbod mag doen of niet. Het aanbod mag zeker nooit gaan over zaken die in het curriculum staan, en ik weet niet of dat geldt voor burgerschap. Als u mij vraagt of alle leerlingen burgerschap zouden moeten krijgen, is mijn antwoord: ja. Maar voor mij staat dat naast de levensbeschouwing en is dat niet iets dat dat kan vervangen. Burgerschap kan ook binnen de levensbeschouwing aan bod komen, en dat gebeurt ook in een aantal scholen. Eigenlijk vind ik dat geen enkele leerling verstoken mag blijven van die vorming over burgerschap. Daarom vind ik dat dit niet als alternatief kan worden genomen, want iedereen moet daar recht op hebben. Ik zoek zelf wel nog naar de beste manier voor de school om een aanbod te formuleren. Ik weet dat mevrouw Brusseel op dit stuk de vrijheid bepleit. Ook op mijn kabinet wordt vastgehouden aan die vrijheid en de heer De Meyer is ook die mening toegedaan. Niet iedereen is in staat om die vrijheid vorm te geven. We moeten daar een compromis in vinden.

Mevrouw Krekels, uw opmerking was heel interessant. Ik heb ook een aantal correlaties gemaakt, maar eigenlijk was dit een fantastische peiling. Aso en tso scoren goed, bso is het zorgenkind. We moeten kijken hoe we die groep kunnen meetrekken in het geheel. Het is een belangrijke vaststelling dat de peiling burgerschap vrij behoorlijke resultaten oplevert. Het toont aan dat onze scholen daar al vrij lang mee aan de slag zijn, anders zou het daar niet zo goed mee gesteld zijn. Over de minder goede scores bij het bso zullen we ons de komende weken en maanden met de experts beraden. 

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Het is een boeiende discussie die we hebben over de vrijstelling, de invulling van de vrijstelling en burgerschap in de eindtermen; voor ons blijft er uiteraard een link, al ga ik niet ontkennen dat het vandaag twee aparte discussies zijn.

Ik ben het eens met mevrouw Brusseel dat levensbeschouwing en burgerschap twee verschillende zaken zijn. Levensbeschouwing is volgens mij iets dat tot de privésfeer behoort en dat betekent dat elke burger, ook de jonge burger, de vrijheid heeft om een levensbeschouwing of een religie aan te hangen.

Minister, ik ben wel blij dat u zegt dat u wilt nadenken over die invulling. In juni 2016 hadden we hier dezelfde discussie over de vrijstelling en toen gaf u nog aan dat het niet aan de overheid is om die invulling te geven.

Vandaag zie je inderdaad dat ouders kiezen om hun kinderen, of enkele kinderen, individueel een andere religie te onderwijzen op school. Er zijn good practices op het veld. In Oudenaarde hebben een aantal ouders beslist om samen de invulling te geven in de twee uur vrijstelling. Verschillende ouders bundelden de krachten en komen op school om alle kinderen met een vrijstelling op die manier onderwijs te geven met levensbeschouwelijke connotatie, maar ook breder en met andere invullingen. Dat is een tweede manier om dat te doen. Een derde manier is om dat vanuit de school aan te bieden.

Ik kan het niet meer eens zijn met u dan wanneer u zegt dat effectief burgerschapsvorming, reflecteren over levensbeschouwing en ethiek, aan alle kinderen moet worden aangeboden, ook ongeacht het onderwijsnet. Ofwel ondervangen we dat in het vrij katholiek onderwijs in de uren katholieke godsdienst, ofwel ondervangen we dat in het gemeenschapsonderwijs in een van de levensbeschouwingen, ofwel in het vak vrijstelling. Niet alleen, maar ook. Het zou kunnen. We moeten die openheid hebben om die invulling eraan te geven. Ik ben ervan overtuigd dat er nog eens een toetsing moet gebeuren met de Grondwet en dat we anno 2017 wel eens tot andere invullingen zouden kunnen komen dan twintig, dertig jaar geleden.

Het is belangrijk dat we het erover eens zijn dat ieder kind recht heeft op zijn levensbeschouwelijk onderricht en op de burgerschapseducatie dat een heel belangrijk gegeven is. De leerkrachten mogen daar hoog op inzetten, zowel in het aso en tso als in het bso.

Ik wil nog even terugkomen op de peilingen die inderdaad positiever waren dan men soms dacht. Men is te pessimistisch over de jeugd. Men spreekt vaak over generaties en koppelt daar allerlei eigenschappen en conclusies aan. De millenials zijn dit, generatie X is dat. Ik ben het daar niet zo mee eens. Men denkt te oppervlakkig en in hokjes.

Minister, als er één zaak belangrijk is in de burgerschapseducatie en in de opvoeding in het algemeen om de burgers van de toekomst te vormen, dan is dat het kritisch denken. In tijden van fake news en alternative facts hebben we er belang bij dat we leerlingen echt kritisch maken, en hen leren omgaan met elkaar in levende lijve en op sociale media. Dat is ontzettend belangrijk. Ik ben positief gestemd na dit debat, iedereen wil er werk van maken.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.